|
De
boom
een
blikseminslag kerfde diepe sporen het
kwaad dat was ontwaakt in moeders schoot
Corry van
Doorn
|
kale
toppen met
rokken van hermelijn alsof
daaronder vlak
onder het wit gezellige
warmte huist Ad Steijn |
|
Hiaten
Ik
trad behoedzaam in ’t gebroken glas |
kleuren
verdrijven aan
stukken Boudewijn Rikmanspoel |
|
Sporen morgen
zal alles van een ander zijn er
gaan
al vreemden rond op het terrein nu
ga
ik voor het laatst de akkers rond
Corry van Doorn |
hij
haalt zijn schouders op alsof
hij zeggen wil: weet
ik waarom ik zit op
deze rechte paal? Ad
Steijn |
![]() |
Het bankje er
staat een roestig
bankje aan de Linge als
ik opeens een
leeuwerik hoor zingen Wat
hebben zij en ik
hier vaak gezeten maar
telkens als ik
hier heb plaatsgenomen |
het
leven heft
zich naar het
late licht dat
niets geven zal dan
dood in ijle lucht Boudewijn Rikmanspoel |
|
Wanen het regende toen ik je tegenkwam jou zo te zien maakte mijn
benen lam ook deze keer liep jij me weer
voorbij jij loopt als koning in een oud
livrei |
frivool uitdagend buigt hij de poten wellicht hoort hij muziek in de verte: glazen muziek hem toegeblazen levenslust Ad
Steijn
|
|
Bedtijd hij weet elke dag de avond te
rekken zo eindigen dagen in
twistgesprekken laat je het licht aan pap,
straks in de gang? als hij zijn vader de trap af
hoort lopen Corry van Doorn |
gepland
de doden geteld
de lijken cijfers
vallen mee vrouwen
gedwee kijken
in verboden ogen zonder
licht einde
bericht Boudewijn Rikmanspoel |
|
Loslaten laat
me mijn rozen planten op de maan ik
ruil mijn zekerheden voor de waan al
veel te lang heb ik mijn tijd
verdaan Corry van Doorn |
ik ruik de kleur paars nog voor ik hem zie in rijen de geur waait me aan zonder wind in de trilhitte van de provence Ad Steijn |
![]() |
Koestering wij koesteren wat ons nog is
gebleven het goud dat ons zo scheutig
werd gegeven we hoeven niet meer ergens naar
te streven Corry van Doorn |
![]() |
gevangen
in avondrood als
drogen lippen zonder leven geen
macht in
avondrood gevangen barst
maar aarde Boudewijn Rikmanspoel |
|
Zwart in het begin kon niets aan hem
haar storen. hij trachtte haar te voegen in
zijn voren nu loopt zij naar de spiegel,
opgetogen vanuit het huis zien machteloze
ogen Corry van Doorn |
staart naast staart staren zij naar de volle maan zo vol dat ze vergeten maanziek te
worden staart naast staart Ad Steijn |
![]() |
De laatste sneeuw gelijk een dode ligt ze daar ze slaat haar ogen op en kijkt ons aan ze had het graag een laatste keer zien
sneeuwen zo doofde heel gestaag haar levenslicht
Corry
van Doorn. |
![]() |
stad
verdronken in het hart laaft
zich tranen
deinen door straten geil
van hebzucht en gemak een
paradijs op jacht kust
met koude lippen dag in dag uit met
koude lippen Boudewijn Rikmanspoel |
|
Schrikbewind ik
huiver voor het
vallen van de regen het
bladgoud dat de
bomen reeds verkregen de
stroom die aan
zijn zomerbed ontstegen
Corry van Doorn
|
een karretje op de zandweg
reed maar zonder maandag zonder
kar alleen bijna lijnrecht twee sporen zand naar de horizon waarachter het spannende wacht Ad Steijn |
|
Hunkering als
ik
na jaren weer het dorp doorkruis een
diep verlangen drijft me naar de sluis met
bonzend hart betreed ik weer de straat de
bomen die het najaar staan te kleuren op
zoek
naar toegang tot vertrouwde deuren Corry van Doorn |
doelloos
dolend door de dingen draagt
men vragen aan in
woorden wonen wonden die
geen mens herkent met
lippen treed het leed de
oren en weet geen dagen te
dragen tot de nacht hen scheid verwijt
ze niet benijd
ze niet Boudewijn Rikmanspoel |
![]() |
Tuinhuis mijn
kindertaal kon hem toen niet bereiken als
‘k
later op het viaduct ga kijken ik
daal
langs bermen af, mijn wangen kleuren Ik
roep
vergeefs aan openstaande deuren de
scheefgezakte muren dragen scheuren Corry van Doorn |
jouw ronde lijnen vagen kleuren weg zelfs gekleed ben je naakt of gekleed juist in de naaktheid van je zwangerschap Ad Steijn |
|
Spookhuis verwaaide struiken groeiden om
het huis maar op een keer klonk er een
zacht geruis nu woon ik er, ik heb het huis
gekocht soms
waait er door het huis een vreemde tocht
Corry
van Doorn |
beschimmeld
geluk spreekt
stoffig van verleden van
verlaten werkelijkheid dansen
om te vergeten dat
hoop nooit echt
de grond raakt Ad
Steijn |
|
Terugblik er klinkt een zacht gejammer in
de nacht hij draagt het brandmerk nog,
zes vier nul acht soldaten drijven kil en
onbewogen zijn handen beven en uit oude
ogen
Corry
van Doorn |
|
Geraakt zij
vreest de leegte van de straat zij
proeft de volte van het kwaad wanneer
de wapens zijn verstomd haar
oor gespitst haar ziel gekromd Corry van Doorn |
Fantomen
ik ben gevangen in benauwde dromen omringen mij als schimmige fantomen mij stotend aan met mos begroeide stenen fel laait de pijn, niet langer meer verdoofd
Corry van Doorn |
Leeg het
pleintje ligt
verlaten weg te
dromen de
regendruppels
schuilen in de bomen waarom
is ze opnieuw
hierheen gegaan toch
zal ze
morgenmiddag hier weer staan |
![]() |
Mist de horizon toont nog wat
delicate alleen een schaap loopt
eenzaamheid te blaten al uren loop ik door het
veld te zwerven er vlammen lichten aan op
boerenerven Corry van Doorn |