Open ijshockeybrief

Geachte ijshockeyliefhebbers, navolgend een open brief over de toekomst van het Nederlandse ijshockey. Over het verleden, de huidige situatie en de toekomst van het senioren en junioren ijshockey in Nederland.

Met sportieve groeten Udo Reinold

 

Over de toekomst van het Nederlandse ijshockey

Het seizoen 2002-03 ligt reeds enkele maanden achter ons en de nieuwe jaargang begint z’n schaduw vooruit te werpen. Zo zijn de eerste contracten alweer getekend en, dat lijkt helaas onlosmakelijk met het Nederlandse ijshockey verbonden, de eerste noodklokken hebben weer geklonken. In veel van de ons omringende landen zijn de teams al (nagenoeg) compleet en is het competitieprogramma in de afrondende fase, in Nederland kunnen we van deze situatie slechts dromen. Hoe anders was dat in het verleden, zoals bijvoorbeeld blijkt uit Weekbulletin 447 van 19 juni 1979 of bulletin 482 van 24 juni 1980; beide bulletins bevatten een compleet overzicht van de te spelen wedstrijden in de twee hoogste afdelingen van de vaderlandse kompetitie. Anno 2003 lijkt het Nederlandse ijshockey in een diepe zomerslaap, hét tijdstip om eens na te denken over de toekomst?

Even nader voorstellen

Allereerst moet de vraag beantwoord worden waarom een Duitser zich zorgen maakt over het Nederlandse ijshockey. Ik heb in 1999 het succesvolle naslagwerk ‘IJshockeyboek Nederland 1e (Ere) Divisie 1964 tot 1998” gepubliceerd. Tot op heden zijn hiervan meer dan 800 exemplaren verkocht. Voor geïnteresseerden zijn nog enkele exemplaren beschikbaar voor een prijs van 15 Euro (contactgegevens treft u aan onder dit artikel). Ik ben sinds 1986 zeer regelmatig op de Nederlandse ijsbanen te vinden en heb inmiddels ruim 500 wedstrijden de revue zien passeren. Vaak zijn mijn gedachten bij de toekomst van het Nederlandse ijshockey, maar eerst besloot ik – via mijn boek – het verleden in kaart te brengen. Nu vond ik de tijd gekomen om via deze open brief mijn gedachten en suggesties over de toekomst van het Nederlandse ijshockey aan het papier toe te vertrouwen, in de stille hoop dat er misschien een discussie in gang wordt gezet.

Waar is de Nederlandse Hans Zach?

Wat ik mis in het Nederlandse ijshockey is een boegbeeld, een charismatische leider zoals Hans Zach dat in Duitsland is, niet alleen coach van het nationale team, maar ook clubcoach van de Kölner Haie. Sinds jaar en dag stelt Zach misstanden in het Duitse ijshockey openlijk aan de kaart en legt de vinger op de zere plek. Zo’n boegbeeld zou veel voor ons ijshockey kunnen betekenen; een alom gerespecteerd persoon die kritisch is én oplossingen aandraagt. In de huidige Nederlandse ‘leiders’ ben ik teleurgesteld. Ron Berteling denkt alleen aan de belangen van ‘zijn’ Amsterdam. Natuurlijk, zijn broodheer moet hij loyaal tegemoet treden, maar juist van een levende legende als Berteling mag men verwachten dat hij verder kijkt dan slechts het clubbelang. Theo van Gerwen houdt zich helaas teveel op de achtergrond, terwijl juist hij door zijn dubbelfunctie (coach/manager bij Tilburg Trappers én verantwoordelijk voor Oranje) veel zou kunnen betekenen. Illustratief hiervoor de recente wissel van Simon de Wit van Tilburg naar de hoofdstad. In zijn felle kritiek op deze transfer hoorde men slechts de clubtrainer spreken, niet een voorvechter van het Nederlandse ijshockey. Van een andere ex-international, Henk Hille, mag men misschien ook meer verwachten, maar zijn functie gebied hem om zowel loyaal te zijn aan de NIJB als aan de clubs. NIJB-preses Jan de Greef blijft helaas ook teveel op de achtergrond en als hij zich meldt, dan… (zie hierna).

Ik zie het Nederlandse ijshockey langzaam afglijden en niemand die opstaat om de handschoen op te pakken. Waarom bijvoorbeeld een Nico Toemen, sinds jaren niet meer in het Nederlandse ijshockey op de voorgrond, niet meer wordt ingeschakeld is mij een raadsel. Juist hij heeft de kennis, de uitstraling en de connecties om veranderingen te bewerkstelligen. Zoals een Hans Zach in Duitsland en iedereen is het daar wel met elkaar eens dat het diezelfde Zach is geweest die er wezenlijk toe heeft bijgedragen dat het Duitse ijshockey weer tot de mondiale top behoort.

De problemen

Terugdenkend aan de laatste jaren, overheerst de gedachte dat er veel halve waarheden zijn geschreven over het Nederlandse ijshockey die tot een negatief imago van de sport hebben geleid. Het eigenbelang staat voor velen meer op de voorgrond dan het collectieve belang van de sport en zo worden, althans dat is mijn mening, de echte problemen niet bij de kop gepakt. Deels kan dit wellicht worden verklaard omdat de problemen niet zijn gesignaleerd, deels wellicht omdat de onderlinge samenhang is onderbelicht. Het zoeken naar (en vinden van) een zondebok mag niet uitgroeien tot een nationale sport, oplossingen worden gevraagd.

De problemen die om een oplossing schreeuwen zijn legio. De grootste problemen lijken op dit moment wellicht de Superliga (met maar vijf clubs), het aantal importspelers en de competitieopzet. Naar mijn mening ligt het échte probleem elders; het nagenoeg geheel ontbreken van een onderbouw. Een voorbeeld om aan te tonen dat ook de media en vele clubvertegenwoordigers in deze wellicht een verkeerd inzicht hebben; Amsterdam wordt afgeschilderd als een ‘vreemdelingenlegioen’. Niet valt te ontkennen dat er inderdaad veel spelers in de hoofdstedelijke formatie spelen die buiten Nederland geboren zijn en, inderdaad, ook Amsterdam heeft z’n jeugdbeleid behoorlijk verwaarloosd. Zoals zoveel clubs overigens. Maar waar moet men op dit moment (goede) spelers vandaan halen om een team op de been te brengen? Moeten de andere clubs niet blij zijn dat Amsterdam spelers aantrekt die wellicht over enige tijd voor Oranje uit mogen komen? Een goed draaiend nationaal team is ontegenzeggelijk een essentiële voorwaarde om de sport populairder te maken en naar een hoger niveau te tillen. Het aantrekken van Nederlandse spelers is voor Amsterdam nauwelijks een alternatief; de kwestie rond de transfer van Simon de Wit heeft aangetoond dat dit veel kwaad bloed zet bij de voormalige werkgever. Het eigenlijke probleem lijkt me duidelijk: er zijn in Nederland simpelweg te weinig ijshockeyspelers. Waar is de onderbouw gebleven? Moeten de ploegen uit de hoogste afdeling dan maar de talenten bij Den Haag en Utrecht weghalen, zodat deze ploegen ook geen kans meer hebben op sportieve verbetering? Als bijvoorbeeld een vereniging als Geleen hogerop wil, heeft ze twee mogelijkheden: spelers wegkapen bij andere clubs of op zoek gaan naar Nederlands-Canadezen. Zo ging het dertig jaar geleden en zo zal het over dertig jaar nog steeds gaan. De betalende fan wil graag ijshockey op een zo hoog mogelijk niveau zien, hetgeen wordt onderstreept als we de toeschouwersaantallen van de laatste seizoenen naast elkaar leggen.

De toeschouwersaantallen

Er is weliswaar geen sprake van een ‘boom’, maar echt reden tot klagen is er op het gebied van de publieke belangstelling niet.Betwijfeld mag dan ook worden of een uitbreiding van de hoogste afdeling tot meer toeschouwers zal leiden. Een spannende wedstrijd tegen Amsterdam, al is het de achtste keer in het seizoen, blijkt nog altijd beter bezocht dan een walk-over tegen Utrecht of Dordrecht.

Het afgelopen seizoen kwam gemiddeld 1.088 mensen op een wedstrijd in de Super Liga af. Wellicht ligt het werkelijke aantal nog wat hoger, want Amsterdam vond het niet noodzakelijk om exacte cijfers aan de media door te geven. Wellicht moet de NIJB hier ingrijpen, wegens het niet correct –of met minachting- invullen van het wedstrijdformulier. Twee willekeurige voorbeelden: Amsterdam-Tilburg 4:3, aantal toeschouwers 403, Amsterdam-Heerenveen 3:6, aantal toeschouwers 306. En dit patroon was over het gehele seizoen zichtbaar; het aantal toeschouwers is gelijk aan de einduitslag!

In het seizoen 1996-97 bezochten gemiddeld zo’n 696 fans een wedstrijd. Het absolute dieptepunt met 619 volgde een seizoen later (1997-98). De laatste twee edities (2001-02 en 2002-02) in de hoogste afdeling trokken per duel 1.160 toeschouwers, een aanzienlijke stijging van nagenoeg vijftig procent, zeker als men let op de overmacht van Amsterdam in het afgelopen seizoen en de vele thuiswedstrijden die Heerenveen moest afwerken op woensdagavond. Het seizoen 2001-02 was met gemiddeld 1.236 fans enorm goed bezocht. Gedurende de laatste dertig jaar passeerden alleen in 1977-78 (1.641!) en 1980-81 (1.324) meer mensen per duel de kassa’s van de diverse ijsbanen. Naar mijn mening wordt hiermee ondubbelzinnig onderstreept dat een spannende kompetitie dé reden is om een kaartje te kopen. Overwinningen met dubbele cijfers gaan snel vervelen. Dat blijkt wel uit de cijfers over seizoenen waarin de hoogste afdeling nieuwe clubs mocht verwelkomen die achterbleven qua niveau. Zo leidde de uitbreiding in het seizoen 1978-79 tot een toeschouwerdaling van 474 per duel! Nauwelijks afwijkend de cijfers in 1993-94, met een minus van 411 per wedstrijd. Het lijkt dan ook niet gewaagd om te stellen dat een uitbreiding van de Super Liga met kwalitatief mindere ploegen de doodsteek kan zijn voor de huidige vijf teams.

Na het desastreuze seizoen 1993-94 duurden het vele jaren voordat het gemiddelde aantal bezoekers weer een acceptabel niveau had bereikt. Niet geheel toevallig steeg het gemiddelde met sprongen vanaf de editie 1998-99. Juist in dat jaar deed Amsterdam zijn (her)intrede in de hoogste afdeling met een team dat direct concurrerend was en (in vreemde stadions) toeschouwers lokte. Binnen vier jaar verdubbelde het aantal toeschouwers dan ook van 619 naar 1.236. Misschien een goed reden om niet langer ongemotiveerd te roepen dat Amsterdam het Nederlandse ijshockey kapot maakt? Heerenveen bijvoorbeeld zag 23.550 extra toeschouwers de kassa’s passeren in het seizoen 2001-02 ten opzicht van 1997-98. Bij een gemiddelde prijs voor een kaartje van zes Euro, levert dat de penningmeester ruim 140.000 Euro extra op.

Omdat fans alleen willen betalen voor spannende én kwalitatief goede wedstrijden, moet de inzet van buitenlandse spelers niet per definitie negatief worden bezien. Dat ziet ook NIJB-voorzitter Jan de Greef zo, als hij pleit voor een kleine, kwalitatief sterk bezette hoogste afdeling. Helaas slaat hij de plank wel mis waar het de problemen van het Nederlandse ijshockey betreft.

“We mogen niet afdalen naar het niveau van België”

Dit citaat van de bondsvoorzitter sloeg bij mij in als een bom. Zo’n uitspraak getuigt van gebrek aan kennis over de werkelijk toestand van het ijshockey en van misplaatste hoogmoed. Wat is het niveau van België dan wel? Ik durf te stellen dat indien er in België meer kapitaalkrachtige sponsoren waren (en dus meer geld), zij nu al hoger op de mondiale ijshockeyladder zouden staan dan Nederland. Laat ik proberen het ongelijk van de heer De Greef aan te tonen.

 

Werpen we een blik op het aantal seniorenteams, inclusief de A- en B-junioren.

 

 

Nederland België

 

Superliga/Eredivisie

5 5

 

1. Divisie

- 7

 

2. Divisie

- 8

 

Toekomstdivisie

8 -

 

A- B- Junioren

9 6

 

Teams Totaal

22 26

De cijfers spreke voor zich; daar waar in Nederland 13 seniorenteam (8 eerste teams + 5 reserveteams), inclusief de Toekomstdivisie actief zijn, beschikt België over 20 ploegen(14 eerste teams + 6 reserveteams) . Een eerste relativering van De Greef’s uitspraak lijkt me al op z’n plaats.

Over de nationale teams het volgende. Ook hier wint Nederland niet op punten; na de promotie in het afgelopen voorjaar zijn Nederland en België dit seizoen in dezelfde WK-groep actief. Een onderscheid bij de junioren dan? Ook daar komen de lage landen elkaar tegen bij de Onder-20 en Onder-18 junioren. Vorig seizoen oefenden beide landen tegen Kroatië, en hoewel de Belgen aantraden zonder twee van hun beste spelers (doelman Steylen [Brest] en verdediger Pellegrims [Düsseldorf]), kwamen ook zij tot winst. Geheel nevenbij speelden de Belgen met slechts één speler die niet als ‘rasechte’ Belg mag worden aangemerkt.

Een andere vergelijking; in Oranje verdient iedereen, op Tommy Hartogs na, zijn brood in de vaderlandse kompetitie (de clubloze Dave Livingston even buiten beschouwing gelaten). Belgische spelers zijn wat dat betreft populairder buiten hun landsgrenzen, want niet minder dan negen internationals zijn voor een buitenlandse ploeg actief. Twee in Frankrijks hoogste divisie, één de duitse DEL en niet minder dan zes in… Nederland.

Ik kan dan ook niet anders dan concluderen dat de opmerking van De Greef misplaatst, ja zelfs arrogant, is. Nederland zal zich behoorlijk moet inspannen wil het niet binnen een aantal jaren door België gepasseerd worden. Opmerkelijk, want Belgisch-Canadezen zijn er niet om het nationale team naar een hoger niveau te tillen. Zinloos om op te merken dat het wedstrijdschema van de Belgische kompetitie al in de zomermaanden klaar is en een ploeg als White Caps Turnhout het al in augustus aan haar fans kan presenteren. Hoe anders de situatie in Nederland, waar bijvoorbeeld Heerenveen twee weken voor aanvang van de kompetitie, op hun toernooi, haar fans nog niet kon mededelen hoe het wedstrijdschema luidde. Een compliment aan de fans voor hun loyaliteit en geduld lijkt op z’n plaats, zij zijn het namelijk die tot aanschaffing van een seizoenkaart overgaan zonder te weten hoe de kompetitie er uit zal zien.

“Verlagen tot het Belgische niveau”. Misschien voortaan eerst even nadenken. Ik zou er in ieder geval blij mee zijn als het Nederlandse ijshockey –op een heel aantal fronten- zich aan het Belgische ijshockey zou kunnen spiegelen.

Het eigenlijke probleem – de onderbouw

Veel experts zien in een uitbreiding van de Super Liga een oplossing voor alle problemen, conform het motto van 1992 en daarvoor: iedereen is welkom. Ik vraag me daarbij af of men dan helemaal niets heeft geleerd van de fouten uit het verleden? Een afvlakking van het niveau kan nooit leiden tot een algehele verbetering, veel meer is het een teken van radeloosheid en het niet erkennen van het eigenlijke probleem: het ontbreken van een onderbouw.

 

Uitbreiding van de hoogste afdeling niet het ei van Columbus

In totaal vier keer is de hoogste afdeling substantieel uitgebreid en achteraf mag worden vastgesteld dat dit nagenoeg altijd niet succesvol is afgelopen. De cijfers:

 

Uitbreiding van vijf naar tien ploegen aan het begin van het seizoen 1971-72:

Nieuw Seizoenen in hoogste afdeling

Brussel 6

Nijmegen tot op heden

Heerenveen tot op heden (met twee seizoenen onderbreking)

Utrecht 1

Luik 5

Antwerpen 1

 

Uitbreiding van acht naar twaalf ploegen aan het begin van het seizoen 1974-75:

Nieuw Seizoenen in hoogste afdeling

Amsterdam tot op heden, met onderbreking

Utrecht 3

Groningen langdurig

Den Bosch 2

 

Uitbreiding van zes naar tien teams aan het begin van het seizoen 1978-79:

Nieuw Seizoenen in hoogste afdeling

Leiden 1

Olympia Heist 2

Utrecht 3

Den Bosch 8

 

Uitbreiding van zeven naar tien teams aan het begin van het seizoen 1993-94:

Nieuw Seizoenen in hoogste afdeling

Dordrecht 4

Eindhoven 5

Den Haag 1

Den Bosch 1

 

Verder zijn nog de volgende ploegen, zonder dat zij formeel hadden voldaan aan de sportieve eisen die werden gesteld om te promoveren, opgenomen in de hoogste afdeling:

 

Ploeg Seizoen Seizoenen in hoogste afdeling

Den Haag 1972-73 2

Leeuwarden 1981-82 1

Eindhoven 1981-82 7

Den Haag 1981-82 2

Geleen 1982-83 tot op heden met twee seizoenen onderbreking

Groningen 1983-84 4

Utrecht 1984-85 2

Den Haag 1984-85 2

Utrecht 1990-91 8

 

 

Degradatie naar aantal

Seizoenen

 

1 jaar

 

2 jaar

 

3 jaar

 

4 jaar

 

5 jaar

 

6 jaar

 

7 jaar

 

8 jaar

 

Aantal degradaties

7x 7x 2x 2x 2x 1x 0x 3x

 

Degradatie naar aantal

Seizoenen

 

1 jaar

 

2 jaar

 

3 jaar

 

4 jaar

 

5 jaar

 

6 jaar

 

7 jaar

 

8 jaar

 

2002/03

5 8 - - 9 - 12 34

 

1997/98

6 7 - 6 - 9 13 41

 

1992/93

7 6 13 - - 8 16 50

 

1987/88

8 5 12 - 13 - 17 55

 

1982/83

8 6 - 13 - 16 21 64

 

1977/78

6 8 - 10 - 12 13 49

 

1972/73

7 6 5 6 - 8 10 42

 

1967/68

5 5 3 4 - 4 4 25

Utrecht is de ongekroonde koning van de ‘onverdiende’ promotie; de Domstedelingen promoveerden vijf maal naar de hoogste afdeling zonder dit door een titel in de lagere divisie afgedwongen te hebben. Op afstand volgen Den Haag en Den Bosch, beide met drie. Niet geheel onverwacht dat in de huidige discussie over uitbreiding van de hoogste afdeling juist twee van deze verenigingen weer van zich laten horen. Als reeds vermeld, uitbreiding van de hoogste afdeling heeft naar mijn mening op dit moment alleen negatieve effecten. Waarom moet de hoogste afdeling zich aanpassen aan het niveau van de tweede divisie (tegenwoordig Toekomstdivisie genoemd). Laat de ploegen in die laatste divisie eerst maar eens zorgdragen voor voldoende draagvlak, redelijke toeschouwersaantallen, een stabiel bestuur en dito sponsoren en aandacht voor het jeugdbeleid. Afgezien van de vier ‘blijvertjes’ Nijmegen, Heerenveen, Amsterdam en Geleen, heeft promotie naar de hoogste afdeling voor geen enkele ploeg op de lange termijn een positief effect bewerkstelligd.

Ik kan uit dit overzichtje maar één conclusie trekken: slechts weinig teams konden wennen aan de nieuwe omgeving en daalde voor het merendeel al snel weer een trede af op de ladder. Bovendien leidde de uitbreiding bij de gevestigde ploegen tot substantiële teruggangen in de toeschouwersaantallen (zie hierboven).

Laten we de drie potentiële kandidaten voor de Super Liga eens wat nader tegen het licht houden.

 

Utrecht

Voor Utrecht zou opname in de Super Liga de zesde (!) promotie via de ‘groene tafel’ zijn. In sportief opzicht komt promotie enkele jaren te vroeg. Na vele jaren een sluimerend bestaan te hebben geleden, begint er weer leven in de Domstedelijke formatie te komen; het zaadje is geplant, maar geoogst kan er nog niet worden. In alle rust moet Utrecht gaan werken aan een come-back in de hoogste afdeling, het moet een vaste toeschouwerschare opbouwen en sponsoren voor langere tijd aan zich binden door een goed product te bieden; een overhaaste promotie en een seizoen met louter grote nederlagen kan veel kapotmaken. Helaas beschikt Utrecht op dit moment nog niet over voldoende kapitaalkrachtige sponsoren die de kar mee willen trekken en die graag geassocieerd willen worden met de sport ijshockey. Met enkele goede imports naast de ‘eigen kweek’ moet Utrecht de fans weer spektakel gaan bieden, om zodoende de massa weer een reden te geven de ijsbaan op te zoeken en potentiële sponsoren warm te maken voor investeringen. Laat het zaadje nog twee, drie seizoenen groeien, dan zal er een boom staan die, als de wortels voldoende sterk zijn, een verrijking kan betekenen voor het bos genaamd Super Liga. Te vaak is het in Utrecht al fout gegaan, laat de lessen uit het verleden een goede reden zijn om de zaken nu meer solide aan te pakken.

 

Den Haag

Van traditie alleen kan men niet leven en het levert zeker geen nieuwe spelers op. Helaas moet HIJS ieder jaar weer constateren dat een fantastisch verleden geen garantie is voor een rooskleurig heden. En toch blijven de vier letters HIJS een begrip in het vaderlandse ijshockey. Gekoppeld aan een goede jeugdopleiding moet dat de Haagse vereniging in staat stellen om weer terug te komen op het hoogste niveau. Ook HIJS zal intensief op zoek moeten naar bedrijven die in de vereniging willen investeren, anders dreigt een totale leegloop en zullen alle talenten elders emplooi vinden. Pas als het draagvlak in de regeringsstad voldoende groot is, lijkt het zinvol om een oog op de Super Liga te werpen; wellicht dat voormalige HIJS-cracks in dat verband deuren kunnen openen bij geldschieters die voor anderen gesloten zouden blijven. Een nadeel voor HIJS lijkt mij verder de thuishaven, De Uithof. De baan is door de plaatselijke bevolking nooit volledige geaccepteerd als een echte ijshockeyhal. Hier zal veel overredingskracht in de strijd moeten worden gegooid, anders blijft HIJS een club met traditie én een onzekere toekomst.

 

Dordrecht

Alleen al vanwege de ijshal (of wat daarvoor moet doorgaan) zou Dordrecht niet opgenomen mogen worden in de Super Liga. Ook de toeschouwersaantallen zijn dramatisch laag. Wellicht dat een flirt met ‘buurman’ Rotterdam hier voor een kentering kan zorgen; in de havenstad zitten simpelweg meer kapitaalkrachtige ondernemers, die met hun investering het ijshockey in Dordrecht een ‘boost’ kunnen geven. Het volgende scenario zou mogelijk zijn: Dordrecht blijft een zelfstandige club die uitsluitend verantwoordelijk is voor het jeugdbeleid, het eerste team zou z’n wedstrijden dan kunnen afwerken onder Rotterdamse vlag. De weg hogerop kan naar mijn mening slechts via Rotterdam verlopen, wellicht dat een naamswijziging (waarin de band met Rotterdam terugkomt) en een investering in de ijshal een eerste aanzet kunnen zijn. Zonder Rotterdamse steun zal Dordrecht zich nooit kunnen meten met de gevestigde orde uit bijvoorbeeld Tilburg, Heerenveen en Geleen. Een promotie met de huidige infrastructuur staat gelijk aan Dordtse zelfmoord.

Utrecht, Den Haag en Dordrecht moeten nog minimaal twee jaar actief blijven in de schaduw van de Super Liga om zich daar op de middellange termijn als een vaste waarde te kunnen ontpoppen. Maar een langer verblijf in de Toekomstdivisie kan ook (nieuwe) sponsoren afschrikken, want veel geldschieters willen meer dan slechts investeren in een veredelde Juniorenliga. Ook de fans komen niet massaal af op wedstrijden in de Toekomstdivisie, tewijl het kwaliteitsverschil met de Super Liga ieder seizoen lijkt te groeien. Er zal derhalve behoorlijk geïnvesteerd moeten worden in nieuwe spelers als er daadwerkelijk promotie plaatsvindt. Slechts met kapitaalkrachtige sponsoren kan dat gefinancierd worden, maar in de Toekomstdivisie zijn die niet te vinden. De beruchte vicieuze cirkel.

De Toekomstdivisie

In mijn ogen is de Toekomstdivisie niet meer dan een veredelde Juniorendivisie zonder echte toekomst. Ook kenners van het vaderlandse ijshockey menen dat ploegen als Amsterdam, Heerenveen en Geleen hooguit twee echte talenten in hun team hebben. Eén en ander leidt tot het eigenlijke probleem van deze divisie: het gebrek aan motivatie. De spelers zien weinig doorgroeimogelijkheden en beoefenen hun sport slechts hobbybasis. Het mag duidelijk zijn dat dit het niveau van de Liga niet bevorderd. De bal ligt bij de NIJB. De bond moet ervoor zorgdragen dat er meer teams meespelen, zodat er wellicht een derde divisie in het leven kan worden geroepen; in die divisie kunnen dan de genoemde hobbyspelers terecht, die hun ‘drive’ kunnen halen uit een mogelijke promotie naar de tweede divisie.

De ontwikkeling van het aantal teams gedurende de laatste 20 jaar is ronduit desastreus te noemen. Een tabel om deze stelling te verduidelijken:

Aantal teams per divisie (per 5 seizoenen), exclusief Belgische verenigingen

 

Met de afname van het aantal teams zijn er logischerwijs minder spelers actief en worden de divisies kleiner. Ingrijpen is dringend gewenst. Al in een grijs verleden had men door dat uitbreiding van het aantal teams gewenst was en zo groeide het aantal ingeschreven verenigingen van 25 in 1967-68 naar 64 in 1982-83. Vanaf dat seizoen is er nog slechts een dalende lijn zichtbaar, al moet worden opgemerkt dat er in het seizoen 1992-93 nog 26 seniorenteams actief waren; de uitwerking van een gedegen jeugdbeleid in de decennia daarvoor. Tegenwoordig nemen er nog slechts acht eerste teams en vijf reserveteams deel aan de seniorencompetitie (Super Liga en Toekomstdivisie). Het aantal potentiële spelers voor het nationale team neemt logischerwijs ook per seizoen af en een kentering ten goede is niet zichtbaar. In niet meer dan 20 seizoenen zijn zo’n 30 (!) teams van de aardbodem verdwenen, zo’n vijftig procent van alle teams… Onbegrijpelijk voor mij dat de functionarissen erop wijzen dat de Super Liga het probleem is; bovenstaande grafiek toont aan dat ze de precaire situatie dan volledig verkeerd inschatten. Ik betwijfel overigens of de vele functionarissen en beleidsmakers ooit een grafiek als de bovenstaande hebben opgesteld. De afname van het aantal teams bedreigt het gehele Nederlandse ijshockey.

 

Aantal eerste teams en reserveteams (per 5 seizoenen)

 

Aantal seizoenen

1e teams Reserveteams Total
2002/03 8 5 13
1997/98 11 2 13
1992/93 15 11 26
1987/88 17 8 25
1982/83 13 1 14
1977/78 14 0 14
1972/73 13 5 18
1967/68 6 7 13

Een teruggang van exact vijftig procent (van 26 naar 13 teams) in tien seizoenen; hard ingrijpen lijkt onvermijdbaar. Eén oplossing zou kunnen zijn om de Toekomstdivisie op te heffen en een tweede divisie in het leven te roepen. Tevens kan verenigingen die met jeugdteam aantreden verplicht worden om ook een eerste team aan te melden. Het is toch nauwelijks verkoopbaar dat een club als Groningen met drie juniorenteams en drie recreatieteams geen hoofdmacht heeft; waar moeten de junioren nu de motivatie vandaan halen, als alle inspanningen niet kunnen leiden tot een plaatsje in een eerste team? Groningen staat niet op zich, want ook Leiden en Eindhoven (beide twee juniorenteams en drie recreatieteams) en Zoetermeer (drie juniorenteams, vier recreatieteams) doen het zonder eerste team. Om de Super Liga ook op de middellange termijn succesvol te laten zijn is het strikt noodzakelijk dat er een sterke divisie onder de Super Liga hangt. Voor velen is momenteel de overgang van een juniorenteam naar een eerste team in de Super Liga simpelweg te groot. Dat niet alleen junioren leiden onder het ontbreken van een tweede divisie bewijst het verhaal van twee internationals.

 

Het trieste lot van Peter Wagteveld en Siebold v/d Werff

Peter Wagteveld en Siebold v/d Werff zijn het trieste voorbeeld van wat er kan gebeuren als een sterke onderbouw (lees: bijvoorbeeld een tweede divisie) ontbreekt. In het seizoen 2001-02 waren beide nog international en dachten absoluut niet aan stoppen. Gedurende de zomermaanden van 2002 moesten beide vaststellen dat een nieuw contract bij hun club er niet inzat. Een alternatief was er voor beide heren nauwelijks; bij het ontbreken van een onderbouw resteert nog slechts een plaatsje bij een recreatieteam of, als allerlaatste optie, het compleet stoppen met ijshockey. Wagteveld en Van de Werff lijken voor het Nederlandse ijshockey verloren. Het verlies van twee talentvolle spelers weegt extra zwaar als de spoeling sowieso dun is.

 

De NIJB moet nu ingrijpen

Wat is er overgebleven van alle ambitieuze plannen uit het verleden? Laten we in ieder geval zwijgen over het voorstel uit 1997, toen de koepelverband NOC/NSF opdracht kreeg te zoeken naar 20 tot 30 steden waar goedkope ijsbanen konden worden gebouwd. Exact zes jaar later moet de eerste spade nog in de grond worden gestoken. Laat het een eerste opdracht voor de NIJB zijn om overal waar al een baan is, te zorgen voor een vereniging. Dit lijkt mij bij uitstek een taak voor de nationale bond, die zich er primair mee bezig moet houden om het Nederlandse ijshockey gezond te houden dan wel gezond te krijgen. Oud-voorzitter Schweers memoreerde ooit dat ijshockey in Nederland pas echt een gezonde basis heeft als het in ten minste 20 tot 30 steden georganiseerd wordt beoefend. Zo’n twintig jaar na deze opmerking staat het vaderlandse ijshockey meer dan ooit in de kinderschoenen. Ik vraag me werkelijk af wat de ‘drive’ is voor spelers uit Leiden, Groningen en Zoetermeer om door te gaan met hun sport; in hun jeugdjaren spelen ze tegen leeftijdsgenoten van gerenommeerde clubs om de punten, maar op latere leeftijd resten slechts de potjes tegen –oneerbiedig gesproken- de ‘bierbuikteams’. Eindhoven, Groningen, Leiden en Zoetermeer moeten door de NIJB gedwongen worden om te gaan werken aan een seniorenteam, zodat de huidige generaties junioren bij deze verenigingen een doel heeft om naar toe te werken. Het is wellicht een eerste kleine stap op weg naar een gezonde toekomst.

Ook de opbouw van een heuse divisie onder de Super Liga moet met voorrang worden opgepakt. Drie importspelers moeten per team speelgerechtigd zijn, om als ‘leermeester’ te dienen voor de jongere spelers,om het niveau van de liga omhoog te tillen en om toeschouwers naar de hal te lokken. Sponsoren moeten intensief worden benaderd en benadrukt moet worden dat de tweede divisie, in tegenstelling tot de huidige Toekomstdivisie, wél een toekomst heeft. Alleen op deze manier kunnen talenten worden opgeleid en klaargestoomd voor het grote werk (in de Super Liga en in Oranje). Ik hoop dat de NIJB mijn voorstel serieus in overweging wil nemen om zodoende het Nederlandse ijshockey een krachtige impuls te geven. Het zal echter nog wel enige tijd duren voordat we helemaal op eigen benen kunnen staan, tot die tijd zie ik een grote rol weggelegd voor Nederlands-Canadezen.

Nederlands-Canadezen; een zege?

Nederland verkeert nu in de gelukkige situatie goede Nederlands-Canadezen in de hoogste afdeling te hebben spelen. Een voordeel dat maximaal moet worden uitgebuit, zolang spelers als Oort, de gebroeders Hoogsteen, Stienstra, Crombeen en Groeneveld op de vaderlandse banen actief zijn. Slechts één maal eerder waren er zoveel goede Nederlands-Canadezen in Nederland actief en ik hoef u niet te vertellen hoe het Nederlandse ijshockey ‘boomde’ aan het eind van de jaren zeventig. Hoe men ook tegen het fenomeen aankijkt, feit blijft dat Nederlands-Canadezen onderdeel uitmaken van het Nederlandse ijshockey. Punt. Discussiëren over de voors en tegens verbeterd mijns inziens weinig aan de huidige situatie van ons ijshockey. Veel meer zou men dit eenmalige voordeel optimaal moeten benutten. Voor het Nederlandse ijshockey is het bijvoorbeeld onvoorstelbaar zonde dat een kanjer als Dale Crombeen het land al na één seizoen weer heeft verlaten. Hij lijkt daarmee ook voor het nationale team verloren en daarmee voor het totale Nederlandse ijshockey, terwijl juist een speler als Crombeen een spil in Oranje had kunnen worden. Men moet Amsterdam bijna namens heel ijshockey-minnend Nederland bedanken dat ze Doug Stienstra een goed aanbod hebben gedaan, anders was hij Crombeen achterna gegaan richting het Duitse Selb. Juist in een kleine, kwalitatief sterke Super Liga komen deze sterke spelers het best tot hun recht; ze worden niet gehaald om –met alle respect- nu met 15:1 van Dordrecht te winnen, waar de teller anders op 10:1 zou blijven steken. Een kwantitatieve uitbreiding van de Super Liga gepaard gaand met verlies aan kwaliteit zal funest zijn, want potentiële ‘kanjers’ zullen zich, bij gebrek aan sportieve uitdaging, wel twee maal bedenken alvorens ze een contract afsluiten bij een ploeg die het merendeel van z’n duels toch wel met dubbele cijfers zal winnen.

Het idee om een nationaal team op te bouwen zonder Nederlands-Canadezen verwerp ik. Ik acht zo’n situatie voor ondenkbaar en het brengt mijns inziens met zich mee dat Oranje zich binnen niet al te lange tijd zelfs niet meer kan handhaven in de huidige WK Groep. Een land als Italië bijvoorbeeld heeft scouts ingeschakeld die in Noord-Amerika op zoek zijn naar spelers met Italiaans bloed, om zodoende een slagvaardig team op de been te brengen tijdens de Olympische Winterspelen van 2006 (in Turijn). De spelers moeten vervolgens worden ondergebracht bij Italiaanse ploegen, waarbij de nationale bond een deel van de salarissen voor haar rekening zal nemen! Dit is weliswaar een openlijke motie van wantrouwen aan de huidige generatie Italiaanse ijshockeyers, maar het is de (bittere) realiteit. Men kan en mag het begrip ‘Nederlands-Canadezen’ niet simpelweg met alleen een negatieve klank uitspreken. De kenners die stellen dat we louter en alleen op jonge spelers moeten bouwen hebben m.i. het gevoel voor realiteit verloren; ervaring én de juiste mentaliteit zijn simpelweg ook vereist om (inter)nationaal overeind te blijven. Ik vraag me ook werkelijk af of jonge spelers ermee zijn gediend als ze internationaal voor de leeuwen worden geworpen, zonder dat zij op een ervaren collega kunnen terugvallen die op de beslissende momenten verantwoordelijk overneemt. Door de huidige stand van het Nederlandse ijshockey hebben jonge Nederlandse spelers veelal nog niet de ervaring en mentale weerbaarheid die op internationaal niveau wordt gevraagd.

De taak van de media

Het vat mij helaas telkens weer op dat er nauwelijks persvertegenwoordigers zijn die met liefde schrijven over ijshockey. Ik durf zelfs te stellen dat een aantal journalisten dat (verplicht) over ijshockey bericht niet –voldoende- ingewijd is in de regels. Zeer regelmatig ontvang ik krantenberichten betreffende Geleen, Heerenveen, Nijmegen en Tilburg, zo heb ik ter voorbereiding op het schrijven van mijn boek zo’n 40 ordners met krantenartikelen verzameld (waarvan de eerste dateren van begin jaren ’50 van de vorige eeuw). Gelet op de recente teneur in de krantenartikelen vrees ik dat de gedrukte media hard op weg is om de ijshockeysport ‘kapot’ te schrijven. De achterliggende gedachte daarbij ontgaat me.

Soms lijkt het of elementaire research niet is verricht, fout wordt op fout gestapeld en fouten uit andere berichten worden klakkeloos overgenomen. Een populair thema blijft het vergelijken van de sport met vroeger; een grotere fout kun je in mijn belevingswereld niet maken. Het is simpelweg niet mogelijk om het ijshockey met vroegere tijden te vergelijken; het spel is totaal anders geworden, sneller, fysieker en bovenal veel tactischer. Vroeger werd de puck in de hoek gedumpt, stevige vleugelspelers gingen er achter aan en probeerden de puck op de stick van de center te krijgen, die reeds voor de vijandelijke goal stond te wachten. IJshockey was een spektakelsport met veel doelpunten en veel hardheid. Iedereen had ook zijn beperkte taakomschrijving; een aanvaller hield zich bezig met aanvallen, een verdediger met het voorkomen van tegendoelpunten. Het doel voor de trainers was net zo eenvoudig: altijd proberen om één doelpunt meer te maken dan de concurrentie. Tegenwoordig wordt ijshockey anders benaderd. Tactiek is het toverwoord geworden, het credo luidt: altijd één doelpunt minder tegen krijgen dan de opponent. Het vergt veel meer van de individuele speler, die op iedere positie uit de voeten moet kunnen en vooral ook wordt afgerekend op zijn defensieve kwaliteiten. IJshockey wordt met het ‘koppie’ gespeeld en niet alleen met de ‘spierballen’. Het spektakelstuk van vroeger is niet meer, het spel is steriler geworden. Dat betekent naar mijn mening niet dat het spel ook slechter is geworden, de accenten zijn slechts verlegd en dat is een simpel feit dat gewoon geaccepteerd moet worden!

We moeten ver teruggaan in de tijd om weer een seizoen tegen te komen waarin zoveel goede importspelers en Nederlands-Canadezen actief waren in de Super Liga als in het afgelopen seizoen. Als indicatie hiervoor mag dienen dat een handvol spelers een verleden heeft in de 2e Duitse Bundesliga, dan wel er het komend seizoen actief zal zijn. Ter informatie, de genoemde Duitse Liga wordt door experts kwalitatief op één lijn gesteld met de eerste liga’s in bijvoorbeeld Italië, Oostenrijk en Noorwegen. Laat de schrijvende journalisten in het belang van onze mooie sport, dan ook proberen fair te blijven, berichten met een positieve grondhouding te schrijven en te checken of het beweerde wel correct is.

Wellicht bent u de mening toegedaan dat ik slechts kritiek uit zonder met suggesties voor oplossingen te komen. In het laatste deel van dit schrijven zal ik enkele voorstellen lanceren op onder meer het gebied van de competitieopzet en de buitenlandersregeling.

Competitieopzet

In de strijd om de beker kan de huidige opzet deels gehandhaafd blijven (een dubbele ronde), gevolgd door een halve finale (best-of-three) en een finale volgens het nu al geldende principe. Het gevolg: minimaal acht thuiswedstrijden, maximaal tien thuiswedstrijden + een finale in Eindhoven.

In de strijd om het landskampioenschap stel ik eveneens een dubbele ronde voor, zonder dat er bonuspunten worden meegenomen uit de bekercompetitie (zo wordt het zelfstandige karakter van beide competities benadrukt). Vervolgens play-offs; een best-of-seven serie in de halve eindstrijd en een best-of-five serie in de finale. Het gevolg: minimaal acht thuiswedstrijd en maximaal vijftien wedstrijden in eigen hal.

De bovenstaande opzet leidt ertoe dat de niet-geliefde tussenronde vervalt en dat er meer wedstrijden in play-off vorm worden afgewerkt. Het minimaal aantal wedstrijden per ploeg bedraagt 32, het maximale aantal duels per seizoen 48, waarbij het aantal thuiswedstrijden kan fluctueren tussen 16 en 25. De opzet lijkt mij overzichtelijk, ook al omdat er geen bonuspunten worden meegenomen. Het gebruik van die bonuspunten lijkt een grote vlucht te nemen. Wellicht zijn de ‘bedenkers’ zeer tevreden over de uitwerking, maar voor de (neutrale) toeschouwer wordt e.e.a. een stuk minder inzichtelijk.

Importspelers en Nederlands-Canadezen

De huidige regeling ten aanzien van importspelers is nodig aan revisie toe. De clubs kunnen na hartelust importspelers naar Nederland halen en op straat zetten als ze niet aan de verwachtingen blijken te voldoen. Wij moeten naar een licentiessytem over gaan. Ik stel dan ook voor om iedere vereniging toe te staan per seizoen maximaal zes importspelers en zes Nederlands-Canadezen (per speler een licentie) mogen worden aangekocht, waarbij er per wedstrijd maximaal vier + vier op de sheet mogen staan. Deze regeling misschiens 2 jaar bijhouden, daarna 5+5 licenties uitgeven.

De regeling kent een groot aantal voordelen. Matige (of zelf slechte) importspelers als Aaron Knight, Marian Gallo,Brian McLaughlin, Scott Perry of Jouni Koukkanen, om er enkele te noemen, komen niet meer aan bod, omdat er slechts zes importspelers per seizoen in aanmerking komen voor een licentie; de licenties zijn dus kostbaar geworden en een misstap (lees: het vergeven van een licentie aan een slechte speler) kan men zich niet meer veroorloven. Wellicht zal een aantal clubs ook besluiten om niet alle importposities direct te bezetten, omdat er dan in geval van blessures geen vervanger meer kan worden gecontracteerd; dit betekent dat Nederlandse spelers zich langer in de kijker kunnen spelen. De regeling brengt ook met zich mee dat in beginsel maximaal acht niet in Nederland geboren spelers per wedstrijd speelgerechtigd zijn. Een uitzondering moet wellicht gemaakt worden voor Nederlands-Canadezen die al een aantal seizoenen in Nederland actief zijn, zodat zij niet langer onder het ‘contingent’ vallen zodra ze voor Oranje mogen uitkomen. Dat brengt dan met zich mee dat de ploegen ernaar zullen streven om goede Nederlands-Canadezen voor langere tijd aan zich te binden, omdat zij vanaf het derde seizoen niet langer onder het contingent vallen. Het Nederlands team kan hiervan profiteren en daarmee het gehele Nederlandse ijshockey.

Speciale juniorenregeling (‘satellietclub regeling’)

Om jonge spelers aan meer wedstrijdervaring te helpen stel ik een speciale ‘juniorenregeling’ voor. In een sterke eerste divisie moeten jonge spelers stilaan klaar worden gestoomd voor het grote werk, lees: de Super Liga. Iedere ploeg uit de hoogste afdeling moet daartoe een samenwerkingsverband aangaan met een ploeg uit de eerste divisie (de satellietclub). Voorafgaand aan ieder seizoen worden twee of drie veelbelovende spelers (tot 23 jaar) onder de speciale juniorenregeling gebracht. Deze spelers kunnen zowel in de Super Liga als in de eerste divisie worden ingezet, per weekeinde mogen ze slechts voor één team aantreden. Deze regeling kan gelden tot begin februari van ieder seizoen. In de laatste fase van de kompetitie en de play offs moet een andere regeling worden getroffen, om competitievervalsing te voorkomen; voorafgaand aan de beslissende fase van het seizoen moeten de clubs onderling afstemmen waar het jonge talent de resterende wedstrijden zal afwerken.

De voordelen lijken mij duidelijk. Getalenteerde spelers die nog geen basisplaats in de Super Liga hebben bemachtigd, kunnen de zo broodnodige ervaring opdoen en zitten niet te verpieteren op de achterste plaatsen van de spelersbank. Voor de ploegen uit de eerste divisie is het grote voordeel van de regeling dat de jonge spelers er in niveau op vooruitgaan en zo de club verder kunnen helpen.

Tot slot

Ik denk dat het bovenstaande genoeg reden tot nadenken én discussie zal geven. Met mijn kritische houding neem ik het risico dat enkelen zich af zullen vragen waar een Duitser de moed vandaan haalt om het Nederlandse ijshockey in het algemeen en bepaalde individuen in het bijzonder, zo te bekritiseren. Het zij zo. Voor mij gaat het slechts om het belang van het Nederlandse ijshockey; daarover moet zakelijk worden gediscussieerd. Het Nederlandse ijshockey moet hoognodig een spiegel voor het gezicht worden gehouden en ik wilde daarmee niet wachten totdat wellicht een ander de stoute schoenen aantrekt. Misschien is het dan al te laat. Ik heb mijn verhaal gebaseerd op feiten en niet op geruchten en heb geprobeerd, zoveel als mogelijk, alles met cijfers te onderbouwen. Nu zijn de beleidsbepalers binnen de NIJB aan zet. Hopelijk gebeurt er iets en wordt een aantal van mijn voorstellen ten minste in overweging genomen. Dát er iets moet gebeuren lijkt mij, gelet op alles wat ik hierboven het beschreven, zonneklaar. Ik hoop dat ik in mijn nieuwe boek, waarmee ik deze winter wil starten, kan optekenen dat in het najaar van 2003 een cultuuromslag heeft plaatsgevonden in het Nederlandse ijshockey. Overigens, op al uw reacties –positief dan wel negatief ten aanzien van de inhoud of van mijn persoon- krijgt u persoonlijk antwoord.

 

Udo REINOLD, Starzend 87, D-52538 Gangelt-Birgden, Duitsland, tel: +49-2454-6946, e-mail: udoreinold@kaerjeng.com, fax 0049-2454-6972

Terug