Filosofie en religie

 


   

Popper

Karl Popper - All life is problem solving

Recensie door Bart Croughs

Vrijheid = democratie?

De Oostenrijkse filosoof Karl Popper heeft op het gebied van de politieke filosofie vooral bekendheid verworven als criticus van het totalitaire gedachtegoed. In zijn onlangs verschenen essaybundel 'all life is problem solving' probeert Popper antwoord te geven op de vraag hoe de samenleving dan *wel* dient te worden ingericht.
Hoewel de totalitaire staat niet deugt, is onbeperkte vrijheid voor ieder individu volgens Popper eveneens onwenselijk. Popper redeneert als volgt: vrijheid betekent de vrijheid om alles te doen wat je wilt. Wie vrij is om alles te doen wat hij wil, is ook vrij om andere mensen van hun vrijheid te beroven. Ongelimiteerde vrijheid leidt dus tot slavernij; om de vrijheid te beschermen moet de vrijheid aan banden worden gelegd.
De vraag die Popper zich vervolgens stelt, luidt: wat voor inperkingen van de individuele vrijheid zijn noodzakelijk, en welke inperkingen gaan te ver? Aan welke criteria moet worden voldaan om te kunnen spreken van een vrije samenleving?
Popper komt met het volgende antwoord: "een staat is politiek vrij als de politieke instituties het de burgers in de praktijk mogelijk maakt om een overheid zonder bloedvergieten te vervangen wanneer een meerderheid een dergelijke verandering wenst." De beste methode om dit te bereiken, aldus Popper, is het houden van vrije verkiezingen.
Volgens Popper's criterium zijn alle inperkingen van de individuele vrijheid dus toegestaan, zolang de meerderheid maar accoord gaat. Vrijheid = democratie.
Met andere woorden: de enige reden waarom de slachtoffers van Hitler, Stalin, of Mao reden tot klagen hadden, was het feit dat er geen democratie heerste. Waren er netjes elke 4 jaar verkiezingen gehouden, en had 51% van de bevolking z'n instemming met deze regimes betuigd, dan hadden we volgens Popper's criterium moeten spreken van 'vrije samenlevingen'. En Popper geeft dit ook bijna expliciet toe met zijn stelling:
"het maakt niet uit wie regeert, zolang de regering maar zonder bloedvergieten kan worden verwijderd."
Popper lijkt de onzinnigheid van zijn gelijkstelling van vrijheid aan democratie zelf ook te beseffen, want hij merkt op dat zijn theorie 'een beetje grof' is - prachtig understatement! - omdat er geen rekening wordt gehouden met 'de bescherming van minderheden'. Maar de voor de hand liggende conclusie dat dit zijn theorie onbruikbaar maakt, weigert hij te trekken. Ook waarschuwt Popper tegen het gevaar van de 'dictatuur van de meerderheid'; maar hoe een dergelijke waarschuwing te rijmen valt met Popper's eigen definitie van een vrije samenleving, blijft volledig in het duister.

Waarom is Popper, fanatiek bestrijder van het totalitarisme, desondanks zo'n zwakke en inconsistente verdediger van de vrijheid? Een belangrijke oorzaak ligt waarschijnlijk in de definitie van vrijheid waar Popper van uitgaat. Volgens Popper's Orwelliaanse definitie van vrijheid leven mensen in een staat van pure vrijheid als ze elkaar vrijelijk tot slaaf kunnen maken: vrijheid = slavernij. Voor Popper is dat een reden om de vrijheid aan banden te leggen. Maar omdat hij geen antwoord heeft op de vraag tot hoever de vrijheid dan wel aan banden mag worden gelegd, wordt principiele kritiek op tyranniek overheidsoptreden onmogelijk. Kritiek kan altijd worden afgedaan met de woorden: 'jawel, deze maatregel betekent inderdaad een beperking van de individuele vrijheid, maar dat is nu eenmaal noodzakelijk: absolute vrijheid leidt immers tot slavernij.' Popper's definitie van vrijheid komt als een boemerang terug; een betere definitie van vrijheid kunnen machtsbeluste politici zich onmogelijk wensen.
Had Popper de definitie van vrijheid gehanteerd die door de meer consistente en radicale denkers van het klassieke liberalisme werd gebruikt, dan zouden deze problemen niet zijn opgetreden. Wanneer vrijheid wordt gedefinieerd als de vrijheid van een ieder om vrijelijk over zichzelf en de vruchten van zijn arbeid te beschikken, dan valt de innerlijke contradictie weg. De vrijheid van de een betekent in dat geval niet meer de slavernij van de ander, maar juist de vrijheid van de ander: als iedereen de vrijheid heeft om over zijn eigen lichaam en eigendommen te beschikken, dan volgt daar automatisch uit dat niemand de vrijheid heeft om inbreuk te maken op andermans lichaam en eigendommen. Popper's oorspronkelijke reden om de vrijheid te beperken vervalt daarmee.
Op dat moment kunnen alle overheden die inbreuk maken op de individuele vrijheid op principiele gronden worden bestreden, en niet meer met het slappe verwijt: 'eerst verkiezingen houden alvorens door te gaan met deze onderdrukkingspraktijken!'. Consequentie van een dergelijke definitie van vrijheid is natuurlijk wel dat dan niet alleen verre dictaturen worden ontmaskerd als vijanden van de vrijheid, maar ook de moderne democratische staten, gezien de eindeloze hoeveelheid wetten en reguleringen waarmee die inbreuk maken op de vrijheid van een ieder om naar eigen goeddunken over eigen lichaam en eigendommen te beschikken.
De meer principiele denkers onder de klassiek liberalen schrokken voor een dergelijke radicale kritiek op de moderne democratische staat niet terug, maar voor Popper is dit duidelijk een brug te ver.

Het is opmerkelijk dat Popper, die zichzelf expliciet in de liberale traditie plaatst, klaarblijkelijk nauwelijks kennis heeft genomen van het gedachtegoed van zijn voorgangers. Nergens blijkt dat Popper op de hoogte is van de ideeen van klassiek liberalen als Herbert Spencer of Frederic Bastiat, laat staan van twintigste-eeuwse denkers als Robert Nozick, Ayn Rand of Murray Rothbard. Maar de grondleggers van het totalitarisme - Plato, Hegel, Marx en hun vele volgelingen - zijn in de boeken van Popper alomtegenwoordig. Het heeft er alle schijn van dat Popper het te druk heeft gehad met het bestuderen en weerleggen van de onzin die zijn politieke tegenstanders hebben uitgekraamd, om zich ook nog te kunnen verdiepen in filosofen van wie hij *wel* wat had kunnen opsteken.
Wie geinteresseerd is in een kritiek op totalitaire politieke stromingen, is bij Popper aan het juiste adres; maar wie geinteresseerd is in een verdediging van de vrijheid, zal zijn heil elders moeten zoeken.


Karl Popper zocht altijd naar ontkenning

door Willem Bouwman

Toen de filosoof Karl Popper op zaterdag 17 september 1994 overleed, noemden drie van de vier toonaangevende Britse zondagskranten hem de belangrijkste filosoof van de twintigste eeuw of ze citeerden een bron waarin Popper zo werd genoemd. Maar het lot van grote filosofen is triest. Zij genieten hun grootheid in beperkte kring, in de wereld van het intellect. Daarbuiten heerst hoogstens het besef van hun bestaan. Dat geldt ook voor Popper.

LIEVER GEEN BEZOEK

Voor een deel was het aan hem zelf te wijten. Grote filosofen als Sartre, Heidegger en Russel danken hun bekendheid vooral aan activiteiten buiten de studeerkamer. Russel ageerde tegen de wapenwedloop, Sartre tegen het kapitalisme, Heidegger koos voor het nazisme. Popper daarentegen meed het contact met niet-filosofen en kon alleen maar over filosofische problemen praten. Nooit bezocht hij een feestje, een receptie of een andere gelegenheid waar gebabbeld werd. Zijn vrouw Hennie ging altijd alleen. En omdat hun huwelijk kinderloos gebleven was, hoefde Karl niet bij de kinderen op bezoek en waren er ook geen verjaardagsfeestjes van de kleinkinderen.Karl Popper gebruikte zijn tijd om te werken en te slapen, het laatste zo weinig mogelijk. Hij stond vroeg op en werkte door, tot het tijd was om naar bed te gaan. Soms doorwaakte hij de nacht, omdat een filosofisch probleem hem bezighield. Een wandeling of een eenvoudige, voedzame maaltijd vormden de enige onderbrekingen van zijn dag. 'De grootste workaholic die ik ooit heb leren kennen', schreef zijn vriend en discipel Bryan Magee, die alleen welkom was als hij over filosofische problemen praten wou. Dwaalde Magee af, dan bleef Popper zwijgen, wendde z'n gelaat af en zocht naar middelen om z'n gast de deur te wijzen. Hij had geen televisie en geen platenspeler, want dat was je ware tijdverspilling. De krant bleef buiten de deur, omdat nieuws de gedachten maar verstoorde. Met opzet woonde hij enkele kilometers buiten Londen, op een afgelegen plek, om mensen te ontmoedigen langs te komen.Dit alles is niet te lezen bij Popper, maar in Bekentenissen van een filosoof, de memoires van Poppers vriend Bryan Magee. Popper heeft wel een autobiografie geschreven, Unended Quest (onbeŽindigd speuren), in het Nederlands verschenen als Autobiografie. Er staat een ontwapenende passage in, die precies verklaart waarom Popper leefde zoals hij leefde. ,,Hoewel ik zorgen en groot verdriet gekend heb, wat ieders deel is, geloof ik dat ik als filosoof geen ogenblik ongelukkig ben geweest sinds mijn vrouw en ik in Engeland zijn teruggekeerd. Ik heb hard gewerkt en ben vaak diep in onoplosbare moeilijkheden geraakt. Maar ik ben zo gelukkig geweest nieuwe problemen te vinden, ermee te worstelen en wat vooruitgang te boeken. Dat is het beste leven; althans, dat vind ik. (...) Het leven dat ik het beste vind, is volkomen rusteloos (...).''

 

INTELLECTUELE ARROGANTIE

In dat lange rusteloze leven heeft Popper enorm veel geschreven. Vlak voor hij stierf aan darmkanker, nierontsteking en longcomplicaties en na enige beroertes voltooide hij het woord vooraf van zijn laatste boek Alles Leben ist ProblemlŲsen, waarvan de titel ('Leven is het oplossen van problemen') een goede samenvatting van zijn filosofische arbeid geeft. Twee thema's keren bij Popper telkens terug.Het eerste is de kritiek op gesloten denksystemen, zoals het communisme en het nationaal-socialisme. Voor Popper was dit meer dan een theoretisch probleem. Hij was in 1902 geboren in Wenen als zoon van de advocaat Simon Popper, doctor in de rechten, een studieus mens, liefhebber van geschiedenis, filosofie en poŽzie, een ideale man om een weetgierige en intelligente zoon tot de wetenschap te leiden. Zo geschiedde. Karl bekwaamde zich in de psychologie, filosofie, wiskunde, natuurkunde en muziekgeschiedenis en promoveerde in 1928.Als Weense jongeling kreeg Karl ook te maken met de wereldoorlog, in 1918 eindigend met de ondergang van het Oostenrijkse keizerrijk, het begin van onlusten en revolutiedrang. Karl bekeerde zich tot het marxisme, ongeveer drie maanden lang beschouwde hij zich als marxist. Een bloedig voorval nam hem z'n geloof af. Tijdens een protestmars van communisten en socialisten opende de politie het vuur en doodde twintig demonstranten. Karl was geschokt, door de twintig doden, maar meer nog doordat hij zijn eigen verantwoordelijkheid daarin zag. Het marxisme leerde immers dat klassenstrijd noodzakelijk was, dat er bloed moest vloeien, en dat elke marxist dit moreel aanvaarden moest.Popper kon dat niet. Hij had het marxisme klakkeloos en zonder nadenken aanvaard en nam zichzelf dat kwalijk. ,,Ik realiseerde mij het dogmatische karakter van het communistisch geloof en de ongelooflijke intellectuele arrogantie ervan. Het was verschrikkelijk een soort van kennis voor jezelf te claimen, die je verplicht het leven van anderen in de waagschaal te stellen voor een kritiekloos aanvaard dogma, voor een droom die weleens niet realiseerbaar kan blijken te zijn.''Popper leerde de waarde van intellectuele bescheidenheid en begreep Socrates' uitspraak 'ik weet dat ik niets weet'. Het onderscheid tussen kritisch en dogmatisch denken vergat hij nooit meer.

 

VERSCHILLENDE VINKENSNAVELS

In die tijd, 1919, werkte Popper als vrijwilliger in een kliniek voor moeilijk opvoedbare kinderen, opgericht door de psychiater Alfred Adler. Ook volgde hij met belangstelling Einsteins nieuwe theorieŽn over de beweging van de planeten. Het viel hem op hoeveel de methoden van Adler en Einstein uiteenliepen. Adler had een theorie over het minderwaardigheidscomplex bedacht en verklaarde daarmee moeiteloos elke gedragsstoornis bij de jongeren die hij behandelde. Daarentegen voorspelde Einstein kosmische verschijnselen vanuit zijn relativiteitstheorie en zei: als de voorspelling onjuist is, is de theorie onhoudbaar. Adler zocht naar bevestiging van zijn theorie, Einstein naar ontkenning. Het verschil frappeerde Popper. Het was het begin van een nieuwe wetenschapstheorie, de falsificatieleer, het tweede thema in Poppers denken.Met de falsificatie keerde Popper zich tegen het gangbare denken in de wetenschap, het eerst geformuleerd door de Britse filosoof Francis Bacon (1561-1626). Volgens Bacon ging een wetenschappelijk onderzoeker als volgt te werk. Hij verrichtte waarnemingen, verzamelde feiten, zette ze op een rijtje, hij ordende ze volgens een bepaalde methode, en trok zijn conclusies. Hij redeneerde van het bijzondere (de afzonderlijke feiten) naar het algemene (de gevonden wetmatigheden), dat is de inductieve methode. Vervolgens zocht de onderzoeker naar bevestigingen van zijn theorie. Hij streefde naar verificatie. Met zijn inductieve methode zette Bacon zich af tegen de metafysica en de theologie, die hij pseudo-wetenschappen vond. Metafysica en theologie gingen uit van algemene waarheden, terwijl Bacon die slechts wilde afleiden uit de feiten. De inductieve methode was zijn demarcatiecriterium: Ze bepaalde de grens tussen wetenschap en pseudo-wetenschap. In de jaren twintig was de inductieve methode het leerstuk van de Wiener Kreis, een groep filosofen die het denken wilde zuiveren van irrationele tendensen, zoals het beroep op het zuivere ras door het fascisme of de proletarische voorhoede door het communisme. Volgens de Wiener Kreis was een uitspraak pas zinvol als hij was gebaseerd op elementaire waarneming of daartoe te herleiden was. Een reeks van zulke uitspraken vormde een hypothese, die door inductie de status van empirische wet kon krijgen. Vervolgens bouwden onderzoekers een theorie waarmee ze de empirische wet verklaarden. Uit de theorie leidden ze nieuwe hypothesen af, die ze met nieuwe waarnemingen trachtten te verifiŽren. Zo verliep volgens de Wiener Kreis de groei van wetenschappelijke kennis. Hun filosofie heette logisch positivisme.Popper had grote bezwaren tegen het logisch positivisme en de inductieve methode. Het uitgangspunt, de neutrale waarneming, was al fout, vond hij, want waarnemingen zijn nooit neutraal. Het bezwaar is geÔllustreerd met Darwins onderzoek naar vinken op de GalŠpagos Eilanden, mede de basis van de evolutietheorie. Tijdens zijn verblijf op de eilanden zag Darwin dat de snavel van de vink per eiland verschilde. Zijn conclusie: De natuurlijke omgeving bepaalt de veranderingen in de vinkensnavels.Volgens het logisch positivisme was die conclusie juist. De verschillen tussen de vinkensnavels waren immers harde waarnemingsfeiten, het solide begin van elke theorie. Popper vond de waarneming bevooroordeeld. Volgens hem hadden de minuscule verschillen tussen de vinkensnavels alleen betekenis voor wie veel wist over vinken en daarover nog meer wilde weten. Darwin had al een vaag idee van de betekenis van een vinkensnavel; de evolutietheorie zweefde hem voor ogen. Zijn waarnemingen van de vinkensnavel waren bevooroordeeld. Onbevooroordeelde waarnemingen zijn niet mogelijk, vond Popper.

ZOEKEN NAAR DE ZWARTE ZWAAN

Het volgende bezwaar vloeide hier uit voort. Als onbevooroordeelde waarnemingen een sprookje zijn, kunnen ze onmogelijk dienen als basis voor algemeen geldige of wetenschappelijke wetten. Ook als dezelfde waarnemingen telkens hetzelfde resultaat laten zien, blijft het logisch gezien onverantwoord algemene conclusies te trekken. Zelfs zeer voor de hand liggende uitspraken als 'Een losgelaten steen valt neer' zijn misschien onjuist, want er zijn zoveel stenen op aarde, dat ze nooit allemaal getest kunnen worden. De inductieve methode was in strijd met de logica. Verificatie van een theorie of hypothese was een zinloze bezigheid.Waar het Popper om ging, was de falsificatie van de theorie. Een onderzoeker moest altijd op zoek zijn naar het ene feit dat zijn theorie ontkrachtte. Wie zei 'Alle zwanen zijn wit', moest zoeken naar een zwarte zwaan. Volgens Popper was een wetenschappelijke bewering pas interessant, als ze het optreden van bepaalde feiten verbood. Een theorie die niets uitsluit of verbiedt, is niet te testen, en daarmee onwetenschappelijk. TheorieŽn moeten uitnodigen tot weerlegging.Daarmee trok hij een nieuwe grens tussen wetenschappelijke en niet-wetenschappelijke uitspraken.Het nieuwe van Popper is met een eenvoudig voorbeeld duidelijk te maken. Volgens de Wiener Kreis was de uitspraak 'Het gaat hagelen' een wetenschappelijke uitspraak, omdat hij strookte met eerder gedane waarnemingen: Al vele eeuwen hagelt het af en toe. Nee, zei Popper, de uitspraak verbiedt niets en is dus onwetenschappelijk. De uitspraak 'Op 29 augustus 1999 zal het hagelen in IJsselstein' is wetenschappelijk waardevol, omdat hij weerlegd kan worden. Wie zich morgen naar IJsselstein begeeft, kan de bewering toetsen. Hoe meer een uitspraak verbiedt, des te waardevoller hij is voor de wetenschap. Popper zou de uitspraak 'Op 29 augustus 1999 zal het alleen om 15.03 uur hagelen in IJsselstein' nog beter vinden.De theorie van de natuurkundige Einstein was volgens Popper wetenschappelijk, omdat ze weerlegd kon worden. Ze voorspelde dat massaloze lichtstralen door de massa van de zon werden aangetrokken en daardoor een lichte buiging zouden vertonen. Op 29 mei 1919 ondernam de natuurkundige Eddington in de Sahara een experiment, dat Einsteins bewering bevestigde. De theorie had een poging tot falsificatie weerstaan.De theorie van Alfred Adler was in Poppers ogen wetenschappelijk onhoudbaar, omdat ze niets verbood. Ze verklaarde gedragsstoornissen uit minderwaardigheidsgevoelens, en inderdaad waren er genoeg gestoorden met gevoelens van minderwaardigheid. Ze zou wetenschappelijk zijn als ze harde uitspraken deed over wanneer of bij wie stoornissen optreden en als die uitspraken steeds weer falsificatiepogingen (trials) doorstonden. Bleek de voorspelling fout (error), dan moest de theorie worden aangepast. De groei van wetenschappelijk kennis verliep volgens Popper via trial and error. Hij sprak van kritisch rationalisme, want de theorie was een rationeel product dat aan een kritische test moest worden onderworpen. Zijn inzichten verwoordde hij in Logik der Forschung (1934), over de logica van wetenschappelijke ontdekkingen.

EEN OPEN SAMENLEVING

Poppers betekenis reikt verder dan de wetenschapsleer. Wegens zijn Joodse wortels moest hij het ergste van het nationaal-socialisme vrezen en daarom vluchtte hij in 1937 uit Oostenrijk naar Nieuw-Zeeland. Daar schreef hij het werk dat hem wereldwijde beroemd zou maken: The Open Society and its Enemies (1945), in het Nederlands vertaald als De open maatschappij en haar vijanden. Het boek was een grondige kritiek op het totalitaire denken en daarmee Poppers eigen strijd tegen het nationaal-socialisme. Popper verweerde zich met name tegen Plato, Hegel en Marx, drie grote systeembouwers die de geschiedenis beschouwden als een onafwendbaar proces met een onvermijdelijk einddoel.Het ging Popper uiteindelijk om alle denkers die naar eigen inzicht ritmen, patronen en tendensen in de geschiedenis tot ijzeren wet verhieven en met hun nieuw verworven waarheid de samenleving inrichtten. Popper sprak van historicisme, de bron van gesloten, totalitaire samenlevingen, die in Duitsland en de Sovjet-Unie aan miljoenen mensen het leven hadden gekost. Wie kritiek leverde, koos voor de dood. Popper geloofde niet dat de geschiedenis gemaakt werd door wetmatigheden; geschiedenis was het resultaat van de onvoorspelbare groei van kennis.Poppers wetenschapsleer lijkt op z'n maatschappijkritiek. Noch in de wetenschap, noch in de samenleving bestaan absolute waarheden en wetmatigheden. Elke wetenschappelijke uitspraak is vatbaar voor kritiek en moet toetsbaar zijn. Het verklaart z'n afkeer van het marxisme, want het marxistische geloof in de komst van een proletarische samenleving is niet toetsbaar en nog minder vatbaar voor kritiek. Wie afwijkt van de gangbare mening, wordt op z'n best voor gek en minderwaardig uitgemaakt.Popper pleitte voor een 'open samenleving', waarin politieke beslissingen voortdurend onder kritiek staan en zo nodig herroepen worden. Totaaloplossingen voor maatschappelijke problemen bestaan niet. Politiek bedrijven is aanpassen en verbeteren, de maatschappelijke variant van trial and error uit Poppers wetenschapsleer. Verkiezingen zijn een trial, de kiezers beproeven het gevoerde beleid en sturen eventueel de regering naar huis (error).Het beste voorbeeld van een open samenleving vond Popper de westerse verzorgingsstaat. In de jaren zestig verdedigde hij haar tegen de kritiek van het neo-marxisme. Derhalve werd hij uitgekreten voor reactionair.

EENVOUDIG, EERLIJK, NAIEF

Dat was niet terecht. Popper was op zijn manier vooruitstrevend: Net als in de wetenschap kwam maatschappelijke vooruitgang met vallen en opstaan, bij stukjes en beetjes, maar ze kwam. Andere kritiek snijdt meer hout, vooral die op zijn wetenschapsleer. Popper bouwde een ideaalmodel van het ontstaan van wetenschappelijke kennis. Hij ging eraan voorbij, dat foute inzichten en toevalligheden ook tot wetenschappelijke kennis leiden. Langs deze weg werden rŲntgenstraling en radioactiviteit aan de duisternis onttrokken.Verder had Popper een te groot geloof in de wetenschap, volgens hem ,,misschien wel de enige activiteit waarin vergissingen aan een systematische kritiek worden onderworpen''. Hij sprak onbekommerd van wetenschappelijke vooruitgang en had voor de maatschappelijke gevolgen geen oog, meent chemicus en filosoof Andrť Klukhuhn, ,,omdat hij wetenschappelijke kennis bij decreet onafhankelijk verklaart van maatschappelijke oorzaken en gevolgen''. Wetenschappelijke onderzoekers zijn niet verantwoordelijk voor de maatschappelijke gevolgen van hun werk.Bovendien denkt Popper wel erg blijmoedig over de bereidheid van onderzoekers om te zwichten voor kritiek. Net als ieder ander mens houden ze liever tot het bittere einde vast aan foute inzichten dan toe te geven dat een ander het beter ziet. Menig onderzoeker onttrekt zich graag aan de 'systematische kritiek' die Popper vanzelfsprekend vond.Poppers verdienste ligt in zijn kritiek op de mogelijkheid van 'objectieve waarneming', een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling van de wetenschapsfilosofie. Zijn kritiek op totalitaire systemen was steekhoudend en moedig, zeker in een tijd waarin menig filosoof en socioloog wegliep met Lenin, Marx of Mao. Niet de geringste kwaliteit was zijn grote helderheid in spreken en schrijven. Hij verzaakte nimmer de plicht, schrijft Karel van het Reve, ,,die rust op iedereen die meent iets te zeggen te hebben, op iedereen die probeert iets mee te delen, de dure plicht namelijk om dat dan zo duidelijk en eenvoudig en eerlijk en naÔef mogelijk te doen''.


AtheÔsme is een vorm van projektie

door

Cornelis van Putten

 Wat hebben religie en Freud gemeen? In zijn boek The future of an illusion' (1912) [1], meende Freud dat religie een vorm van dwangneurose is. Geloof is een overblijfsel uit de infantiele fasen. De christen is als een kind die verlangt naar een vader, een soort van infantiel verlangen. Het kind wenst zichzelf een liefhebbende, warme vader. Een christen projecteert deze infantiele gevoelens en noemt het object waar deze gevoelens op gericht zijn God. Met een gerust hart kan gezegd worden dat deze gedachte zijn miljoenen verslagen heeft in Europa, gecombineerd met enkele andere tijdsfaktoren. De vraag is: is het ook waar dat geloof niets anders is dan een projectie?

In de jaren dertig van deze eeuw was er een zeker filosoof genaamd Karl Raimund Popper [2], die zich afvroeg wat het onderscheid is tussen wetenschap en pseudo-wetenschap. Zo kwam Popper tot de ontdekking dat als hij het werk van Einstein vergeleek met het werk van mensen zoals Freud en Marx er belangrijke verschillen te vinden waren. Een van de belangrijkste verschillen die hij ondekte was, dat de wetenschappelijke uitspraken van Einstein op basis van de voorspellingen die hij maakte getoetst konden worden. Deze toetsing betekende dat hoewel nooit met zekerheid aangetoond kon worden dat de voorspellingen van Einstein waar zijn, deze wel weerlegd kunnen worden. Dit principe is sindsdien in de wetenschap aangeduid met 'falsificationisme'. Popper ontdekte dat aan de eis van weerlegbaarheid bij het toetsen van de theorieen van Marx en Freud niet voldaan kan worden. Zo concludeerde Popper dat de theorieen van Adler en Freud niet wetenschappelijk zijn.

Hoe kwam Popper hiertoe, en wat betekent dit nu concreet? De theorieen van Adler en Freud kunnen geen wetenschappelijke theorieen zijn volgens Popper, omdat ze altijd kloppen. Het maakt niet uit wat voor voorspelling ze doen, ze kunnen het altijd zo interpreteren dat hun eigen wereldbeeld klopt. Freud's verklaring van de religie als een dwangneurose of een nawerking van het infantiele stadium in het onbewuste driftleven, kan meerdere kanten op verklaard worden.

Zo keerde de duitse psychiater Ludwig Binswanger, Freud om [3]. Het verlangen van het kind naar de vader komt voort uit de fundamentele verbinding die de vader met het kind heeft. Dit is dan geen projectie, maar een beantwoording van het kind aan de verlangens die door de vader in eerste instantie opgewekt worden.

De Amerikaanse psycholoog Paul Vitz [4] zegt dat atheisme zelf een projectie is. Atheisme is het verlangen van het kind om de vader te doden teneinde autonoom te kunnen zijn. De mens wil autonoom zijn en is van nature geneigd om ieder gezag te ontvluchten. Atheisme is dus een vorm van natuurlijk vluchtgedrag, de wens dat God niet bestaat.

In zijn kinderboeken serie the Narnia Chronicles, heeft C.S.Lewis [5] op subtiele wijze het probleem van projectie beschreven. In zijn boek 'The Lion the Witch and the Wardrobe' vertelt Lewis van het kleine meisje Lucy die een land in de kleerkast ontdekt. Ze vertelt grote verhalen over wat ze allemaal in dat land gezien heeft. Haar oudere broers en zus geloven haar niet en proberen haar duidelijk te maken dat ze zich dit allemaal verbeeld heeft. Maar Lucy houdt vol en ten einde raad gaan haar broers en zus naar de professor om raad te vragen over het gedrag van hun zusje. Ze vertellen de professor het verhaal en voegen er aan toe dat ze fantaseert. De professor antwoordt met twee vragen om er achter komen of Lucy de waarheid spreekt of niet. De eerste vraag die hij stelt is, of Lucy in haar leven wel eens een leugen vertelt heeft? De kinderen antwoorden daarop dat dit niet het geval is. De vraag die daarop volgt is, dat als het niet waar is wat zij zegt, dan had ze al die verhalen moeten verzinnen, maar waar haalt zo'n klein meisje al die verhalen vandaan?

Dit is een volgend punt. Als God niet zou bestaan, dan had iemand Hem uit moeten vinden. De Deense filosoof Kierkegaard [6] die een christen was heeft er het zijne van gezegd. Wanneer je kijkt naar de inhoud van het christelijk geloof, dan spreekt men over een God die naar de aarde komt in de gedaante van een mens, om aan een kruis door mensen gedood te worden, om ze op die manier het eeuwige leven te schenken. Volgens Kierkegaard is dit hele idee zo absurd dat het onmogelijk verzonnen kan zijn.

De Amerikaanse theoloog Sproul [7] heeft ooit over projectie gezegd. 'Als God van de bijbel een projectie is, dan hadden ze wel een makkelijkere God kunnen verzinnen, wie verzint er nu zo'n God, als de God van Israel?' En in een antwoord op Freud meende hij dat de God van de bijbel helemaal niet eenvoudig een God is die een warme liefhebbende Vader is. God is rechtvaardig, straft het kwaad, eist van Zijn schepselen dat ze Hem gehoorzamen, verbiedt ze om andere goden te dienen. Eist van ze dat ze heilig leven in overeenstemming met Zijn geboden. Volgens Sproul zijn dit typisch dingen die je als mens niet verzint, omdat je dit eigenlijk niet wilt. De geschiedenis van Israel toont duidelijk aan, dat de projectie God van Freud uiterst gevaarlijk is. Denk maar eens aan de vele afgoden die Israel vereerde en de straf die daarop volgde.

Projectie lijkt meer te zijn: een God die gevormd is naar ons eigen beeld. Of een wijze van leven die we zelf het prettigst vinden. De moderne tijd is vol projectie. In deze tijd projecteren mensen werelden die ze zelf willen geloven. Bij het opgeven van de vraag naar waarheid, gaat juist de deur open voor projectie. Freud's projectie theorie toegepast op de religie, is niets anders dan een projectie van hem zelf, om zijn atheistische levensovertuiging te kunnen rechtvaardigen.


Herman Simissen

De waarde van intellectuele bescheidenheid

Bij de honderdste geboortedag van K.R. Popper1

 

'I may be wrong and you may be right,

and by an effort, we may get nearer to the truth.'

K.R. Popper, The Open Society and its Enemies

 

In 1979 kreeg de tot dat moment nauwelijks bekende Franse filosoof Jean-FranÁois Lyotard (1924-1998) plotseling internationale vermaardheid met zijn boek La condition postmoderne. In deze spraakmakende studie – een diagnose van 'het weten' in de postindustriŽle samenleving – bracht Lyotard de idee naar voren dat het kenmerkend is voor dit tijdsgewricht, dat niet langer geloof wordt gehecht aan wat hij noemt de 'Grote Verhalen'. Grote Verhalen – ideologieŽn als het marxisme of het nationalisme, godsdiensten, maar ook wetenschap – kunnen bijgevolg niet langer dienen om aanspraken op waarheid te rechtvaardigen. Met het geloof in Grote Verhalen is, aldus Lyotard, ook de absolute waarheid verloren gegaan. Deze analyse van Lyotard riep een storm van reacties op: in tal van discussies werden zijn constateringen aangevochten of juist ondersteund, verworpen of juist bevestigd.

De enorme weerklank op La condition postmoderne heeft mij altijd verbaasd. Veel van wat Lyotard stelde – het verwerpen van ideologieŽn als het marxisme, het ontkennen van de absolute waarheid – was immers al eerder naar voren gebracht door de Britse, van oorsprong Oostenrijkse filosoof Karl Popper (1902-1994)2. Maar in de talrijke discussies over het postmodernisme werd de naam van Popper merkwaardig weinig genoemd, terwijl – meer in het algemeen – sinds zijn overlijden de belangstelling voor zijn ideeŽn wat lijkt af te nemen. Bijna symbolisch daarvoor is, dat zijn vroegere werkkamer in de London School of Economics – de instelling waar hij jaren doceerde – is omgebouwd tot toilet. Juist nu de belangstelling voor Popper wat terug lijkt te lopen, is er alle reden om – bij gelegenheid van zijn honderdste geboortedag – nog eens stil te staan bij de inhoud en betekenis van zijn filosofie.

 

Achtergrond

 

Karl Raimund Popper werd op 28 juli 1902 geboren in Wenen, als zoon van Simon Popper en Jenny Schiff. Hij had twee oudere zusters, Dora en Annie. Zijn vader was een welgestelde advocaat. De ouders van Popper waren geassimileerde joden, die hun kinderen opvoedden in de protestantse traditie. In later jaren beschouwde Popper zichzelf dan ook nadrukkelijk niet als jood, al had hij desondanks gevoelens van verbondenheid met vooral die joden die, waar ook ter wereld, het slachtoffer waren van discriminatie of vervolging. Zo ook voelde hij zich enigszins beschaamd over de politiek van de staat IsraŽl tegenover de Palestijnen. Popper groeide op in een veilige, beschermde omgeving, waarin hij niets tekortkwam. De Eerste Wereldoorlog – Oostenrijk verklaarde precies op de twaalfde verjaardag van Popper de oorlog aan ServiŽ – maakte een einde aan deze zorgeloze jeugd. Op zijn zestiende verliet Popper zijn ouderlijk huis en de middelbare school, nog voor het eindexamen. Al stond hij nadien formeel ingeschreven als student, hij studeerde niet, maar had uiteenlopende baantjes. Zo was hij onder meer in de leer bij een meubelmaker – in zijn autobiografie vertelt hij smakelijk over deze tijd – en hij werkte met verwaarloosde kinderen. In het verlengde van dit werk met kinderen lag zijn besluit, in 1925, zich in te schrijven aan het juist gestichte Pedagogisch Instituut in Wenen – dat werd opgericht als onderdeel van ingrijpende hervormingen van het onderwijs in Oostenrijk –, waar hij een opleiding tot onderwijzer volgde. Deze inschrijving bood hem bovendien de kans universitair onderwijs te volgen; omdat hij de middelbare school voortijdig had verlaten, had hij eerder geen toegang tot de universiteit gehad. Aan de universiteit volgde hij colleges in de wiskunde, theoretische natuurkunde, psychologie en filosofie. In deze tijd leerde hij Josefine Henninger, meestal 'Hennie' genoemd, kennen, met wie hij in 1930 in het huwelijk trad. Tot haar overlijden in 1985 hadden zij een zeer hechte relatie. Popper ging werken als leraar, en deed daarnaast filosofisch onderzoek. De neerslag daarvan was Die beiden Grundproblemen der Erkenntnistheorie, dat als typoscript circuleerde onder filosofen en natuurwetenschappers in Wenen, maar pas in 1979 zou worden gepubliceerd. Een verkorte versie van deze studie werd in 1934 gepubliceerd als Logik der Forschung. In deze tijd begon Popper te beseffen dat, in een klimaat van groeiend antisemitisme in Oostenrijk, een universitaire loopbaan in zijn vaderland niet voor hem zou zijn weggelegd. Ook al beschouwde hij zichzelf niet als jood, door anderen werd hij immers wel als jood gezien. Daarnaast baarden de politieke ontwikkelingen in Oostenrijk – er was een verrechtsing gaande die gepaard ging met veel geweld tegen andersdenkende politici – hem zorgen. Mede omdat zijn Logik der Forschung meteen na publicatie in de Engelstalige wereld de nodige aandacht had gekregen, besloot Popper met zijn vrouw naar Engeland te emigreren. Maar geen van de kansen die zich voordeden op een baan in Engeland leidde daadwerkelijk tot een benoeming. Toen er een vacature was aan Canterbury University College in Christchurch, Nieuw-Zeeland, solliciteerde Popper daar, en hij werd aangenomen.

Popper kwam in maart 1937 aan in Christchurch. Hij was er de enige filosoof van zijn afdeling, en moest daarom alle onderwijs in de filosofie verzorgen: inleidende cursussen, geschiedenis van de filosofie, logica, ethiek, enzovoorts. Tijdens zijn verblijf in Nieuw-Zeeland schreef hij, terwijl in Europa en AziŽ de Tweede Wereldoorlog woedde, de twee werken die hem beroemd zouden maken: The Poverty of Historicism, dat in 1944 en 1945 in drie afleveringen verscheen in het tijdschrift Economica en pas in 1957 in boekvorm werd gepubliceerd, en The Open Society and its Enemies (1945). Beide werken vormen een krachtige aanval op totalitaire regimes, en een principiŽle verdediging van de democratie; Popper zelf betitelde ze als 'zijn oorlogsinspanning'. Vanuit Nieuw-Zeeland zette hij zich in voor met name Oostenrijkse vluchtelingen, die een goed heenkomen zochten in deze tijd van oorlog en jodenvervolging. Ondertussen had Popper gesolliciteerd naar een baan als lector in de logica en wetenschappelijke methode aan de London School of Economics. Zijn benoeming verliep niet zonder slag of stoot, maar in 1946 arriveerde Popper in Engeland, om aan zijn nieuwe baan te beginnen. Hij maakte snel naam, en in 1949 werd hij benoemd tot hoogleraar aan de beroemde instelling. Het hoogleraarschap werd hem daar niet in de laatste plaats aangeboden, omdat hem soortgelijke aanbiedingen door universiteiten in en buiten Engeland werden gedaan: de London School of Economics wilde hem graag behouden. In de volgende jaren werd Popper meer en meer een internationale bekendheid. Hij trok studenten uit binnen- en buitenland, en werd in tal van landen uitgenodigd voor lezingen en gastcolleges. Hij werkte aan een Engelstalige editie van Logik der Forschung, die in 1959 zou verschijnen als The Logic of Scientific Discovery. Tot 1972 bleef Popper doceren in Londen, en hij publiceerde over tal van aspecten van de wetenschappelijke methode en over andere filosofische problemen.

Ook na zijn pensionering bleef Popper volop actief – onder meer als gastdocent op instellingen vrijwel overal ter wereld. Zelfs in Oostenrijk was hij enkele maanden gasthoogleraar, hoewel hij zich na zijn emigratie had voorgenomen nooit meer naar zijn vaderland terug te keren, en lang had volhard in die beslissing. In 1965 was hij in Engeland in de adelstand verheven – sindsdien ging hij als Sir Karl door het leven –, en daarnaast ontving hij tal van prestigieuze prijzen en onderscheidingen. Met name in zijn laatste jaren werd hij bezocht door staatslieden en andere hoogwaardigheidsbekleders – de Dalai Lama, de keizer van Japan, de toenmalige president van Duitsland Richard von Weiszšcker, de Portugese president Mario Soares, de Duitse bondskanselier Helmut Schmidt en diens opvolger Helmut Kohl, en de Tsjechische dissidentenleider en latere president VŠclav Havel. Popper overleed op 17 september 1994.

 

Kritisch rationalisme

 

Popper noemt zijn filosofie het kritisch rationalisme. Het algemene uitgangspunt van dit kritisch rationalisme is dat de mens feilbaar is: of het nu gaat om wetenschap of om politiek, een mens kan zich vergissen, en daarom past hem intellectuele bescheidenheid. Juist omdat een mens zich kan vergissen, moet het menselijk denken en handelen steeds opnieuw aan een kritische analyse worden onderworpen, aldus Popper. Door kritisch na te denken over zijn handelen en denken kan de mens fouten op het spoor komen, en van gemaakte fouten kan een mens leren. Voor Popper was het kritisch rationalisme daarmee niet zozeer een inhoudelijke theorie als wel een grondhouding in de omgang met wetenschappelijke kennis, maar ook met politieke doelstellingen, met waarden en met normen. Als het kritisch rationalisme er een concrete agenda op na hield, dan was dit dat de voorwaarden moesten worden geschapen om een kritische discussie – zij het in de politiek, zij het in de wetenschap – mogelijk te maken. Met betrekking tot de politiek betekende dit, dat de staatsinrichting in een land van dien aard moest zijn dat een open discussie over politieke onderwerpen door die staatsinrichting mogelijk werd gemaakt en gegarandeerd.

Deze principiŽle verdediging van de kritische discussie werd door Popper overigens bepaald niet altijd in praktijk gebracht. In openbare debatten gold hij als iemand die slecht luisterde naar de argumenten van zijn opponenten. Met name in zijn latere jaren had hij de neiging anderen in de rede te vallen, om hun argumenten te weerleggen nog voor zij de kans hadden gehad ze uiteen te zetten. Auteurs die aspecten van zijn werk bekritiseerden, verweet hij dat zij hem niet goed hadden begrepen: hij nam hun kritiek nauwelijks serieus, en hield met grote koppigheid vast aan eenmaal ingenomen standpunten. Om deze reden werd zijn hoofdwerk onder Engelse filosofen vaak spottend aangeduid als The Open Society by an Enemy. Deze houding van Popper had in een aantal gevallen tot gevolg dat zijn verhouding met voormalige studenten met wie hij vriendschappelijk omging, ernstig verstoord raakte als hij meende dat zij in hun publicaties geen recht deden aan zijn ideeŽn. Het meest bekende voorbeeld daarvan is zijn breuk met de Engelse, van oorsprong Hongaarse filosoof Imre Lakatos (1922-1974): Popper reageerde met grote bitterheid op de kritische beoordeling van aspecten van zijn wetenschapsfilosofische opvattingen door deze voormalige student en medewerker. Hij weigerde erop in te gaan, en noemde de naam van Lakatos nooit meer. Soms was de neiging van Popper om uit te gaan van zijn eigen gelijk ronduit hilarisch. Een voorbeeld daarvan is zijn ontmoeting, in de tweede helft van de jaren tachtig, met een Engelse filosoof die in 1948 zijn collega was geweest, en die sindsdien – in de bijna veertig jaar die ondertussen waren verstreken – uiterlijk nogal was veranderd. Toen deze tegen Popper zei: 'I'm John Wisdom', antwoordde hij met grote stelligheid: 'No you're not'.

 

Vroeg werk: wetenschapsfilosofie

 

In zijn vroege werk, waarvan Logik der Forschung de neerslag is, stelde Popper twee problemen aan de orde: het zogeheten 'demarcatieprobleem' en het probleem van de wetenschappelijke methode. Met het demarcatieprobleem doelde Popper op de vraag, hoe de grens tussen wetenschappelijke en niet-wetenschappelijke kennis kan worden bepaald. Op grond waarvan noemen we de ene uitspraak wetenschappelijk en de andere niet? Popper zocht het antwoord op deze vraag in de wetenschappelijke methode: een uitspraak is wetenschappelijk als die uitspraak verantwoord is volgens de wetenschappelijke methode. Maar van de wetenschappelijke methode bestond volgens Popper een verkeerd beeld. Het gangbare beeld van de wetenschappelijke methode was, aldus Popper, dat wetenschappers reeksen waarnemingen doen, en dan op grond van die waarnemingen een algemene uitspraak doen. Het even klassieke als eenvoudige voorbeeld is dat van de zwanen: men neemt honderd keer een witte zwaan waar, en komt op grond van die waarnemingen tot de algemene uitspraak dat alle zwanen wit zijn. Maar de stap van een eindig aantal waarnemingen naar een algemene uitspraak is logisch niet gerechtvaardigd: het feit dat alle zwanen die we tot nu toe hebben gezien wit zijn, garandeert geenszins dat ook de volgende zwaan die we zien wit zal zijn. Daarom heeft het volgens Popper geen enkele zin te zoeken naar alsmaar meer waarnemingen die de algemene uitspraak bevestigen. Hoeveel witte zwanen we ook zien – de volgende zwaan kan een andere kleur hebben. Daarom moet, aldus Popper, juist worden gezocht naar waarnemingen die de algemene uitspraak weerleggen: als we ťťn zwaan vinden die niet wit is, weten we zeker dat de algemene uitspraak dat alle zwanen wit zijn, niet juist is. In de wetenschap gaat het er daarom volgens Popper om, niet te zoeken naar bevestigingen van algemene uitspraken, maar juist naar weerleggingen. Wetenschap bedrijven is daarmee volgens Popper het formuleren van algemene uitspraken, en het proberen dergelijke algemene uitspraken te weerleggen. Zolang een algemene uitspraak niet is weerlegd, wordt deze voor waar aangenomen. Een wetenschapper die de algemene uitspraak doet dat alle zwanen wit zijn, dient dus te zoeken naar zwanen die niet wit zijn; zolang hij die niet heeft gevonden, neemt hij de uitspraak dat alle zwanen wit zijn voor waar aan. Dit betekent dat de waarheid van een algemene uitspraak voor Popper altijd een voorlopig karakter heeft: een algemene uitspraak wordt voor waar aangenomen totdat ze wordt weerlegd, en om principiŽle redenen moet er altijd rekening mee worden gehouden dat ze wordt weerlegd. Daarmee ontkent Popper het bestaan van een absolute waarheid: de waarheid van wetenschappelijke uitspraken is per definitie voorlopig, een wetenschappelijke uitspraak kan altijd weer ter discussie worden gesteld, en dan is het mogelijk dat ze wordt weerlegd.

De beschrijving van de wetenschappelijke methode die Popper zo heeft ontwikkeld, noemt hij het falsificatieprincipe: het uitgangspunt, dat men in de wetenschap niet moet streven naar de bevestiging, maar juist naar de weerlegging ofwel falsificatie van algemene uitspraken. Aan de wetenschapper stelt dit de eis dat hij algemene uitspraken zo formuleert dat ze principieel weerlegbaar zijn. Als de weerman in zijn weerpraatje met betrekking tot de temperatuur meedeelt dat het de volgende dag kan vriezen of kan dooien, dan is die uitspraak niet te weerleggen: ze klopt altijd. Als hij daarentegen stelt dat het de volgende dag zal vriezen, dan is die uitspraak principieel weerlegbaar: we kunnen een dag later door het meten van de temperatuur vaststellen of de uitspraak juist was of niet. Op soortgelijke wijze dienen wetenschappers volgens Popper hun uitspraken zo te formuleren dat ze principieel weerlegbaar zijn. Op deze manier kunnen we wetenschappelijke uitspraken onderscheiden van niet-wetenschappelijke uitspraken: wetenschappelijke uitspraken zijn zo geformuleerd dat ze weerlegbaar zijn. En hoe vaker een algemene uitspraak pogingen om die uitspraak te weerleggen doorstaat, des te beter gefundeerd is die algemene uitspraak.

 

Oorlogsinspanning

 

Dat het zo is geformuleerd dat het in principe onweerlegbaar is, is een van de punten van kritiek op het marxisme die Popper in The Open Society and its Enemies naar voren bracht. Dit boek en The Poverty of Historicism duidde hij aan als zijn 'oorlogsinspanning': zijn persoonlijke bijdrage aan de Tweede Wereldoorlog, aan de strijd tegen totalitaire regimes. Dit komt onder meer tot uitdrukking in de opdracht die hij aan The Poverty of Historicism heeft meegegeven:

 

'In memory of the countless men, women and children of all creeds or nations or races who fell victims to the fascist and communist belief in Inexorable Laws of Historial Destiny.'3

 

Zoals gezegd, zijn beide werken een frontale aanval op totalitaire regimes en een principiŽle verdediging van de democratie.

In The Open Society keert Popper zich tegen de ideeŽn van drie filosofen – Plato, Hegel en Marx –, omdat hun denkbeelden naar zijn overtuiging de ideologische achtergrond van het totalitaire denken vormen. Het eerste deel van Poppers studie is gewijd aan Plato, het tweede aan Hegel en Marx. Popper bespreekt de ideeŽn van deze filosofen uiterst kritisch, maar vaak ook weinig genuanceerd. In passages over Plato en vooral over Hegel gaat hij daarbij wel erg ver: nu en dan ontaardt zijn betoog in regelrechte scheldpartijen. In vergelijking daarmee is hij tamelijk mild over Marx: hij waardeert zijn goede bedoelingen, maar beschouwt hem als een mislukte waarzegger, met zijn toekomstverwachtingen die niet zijn uitgekomen. Zijn afwijzing van marxisten die de denkbeelden van Marx die niet werden bevestigd door de loop van de geschiedenis, door middel van ad-hoc-hypotheses overeind probeerden te houden, was weer feller van toon. Een voorbeeld daarvan was de wijze waarop werd getracht de these van Marx dat de arbeidersklasse alsmaar armer zou worden, staande te houden. Toen deze these niet bleek uit te komen – ook de arbeidersklasse in Europa profiteerde van de groeiende welvaart – stelden marxistische theoretici dat Marx toch gelijk had, omdat de armen in de Derde Wereld armer werden. Dergelijke ad-hoc-hypotheses werden door Popper weggehoond.

Centraal in The Open Society staat de tegenstelling tussen wat Popper een 'open' en een 'gesloten' maatschappij noemt. Kenmerkend voor gesloten maatschappijen is het zogeheten 'stamverband': men leeft er als een collectiviteit die is onderworpen aan het gezag van ťťn of enkele leiders. Binnen een dergelijk stamverband heerst een strikt stelsel van normen en waarden. In een open maatschappij daarentegen acht men zich niet langer gebonden aan overgeleverde ideeŽn, normen en waarden. De toekomst van een open maatschappij wordt bepaald door die maatschappij zelf, in een vrije discussie tussen de leden ervan. Een dergelijke discussie vraagt van hen een kritische betrokkenheid bij het geheel. Uiteindelijk gaat het Popper bij dit alles om een ethische kwestie, meer in het bijzonder om de vraag naar de grondslagen van de ethiek. Ontleent de mens zijn ethiek aan iets buiten zichzelf, zoals de traditie of de natuur? Of bepaalt de mens zelf zijn ethiek? In een gesloten maatschappij wordt de ethiek niet door de mens zelf bepaald, in een open maatschappij wel – en Popper betoont zich een uitgesproken voorstander daarvan, dat de mens zelf zijn ethiek bepaalt, en, in samenhang daarmee, ook zelf de verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen.

Popper plaatst de tegenstelling tussen de gesloten en de open maatschappij in historisch perspectief: de overgang van een gesloten naar een open maatschappij heeft zich, zo stelt hij, voor het eerst voorgedaan in de Griekse Oudheid, meer in het bijzonder in het denken van de presocratische filosofen. Maar de overgang naar de open maatschappij heeft nooit zijn beslag gekregen: in de loop van de geschiedenis is de open maatschappij steeds opnieuw aangevochten – bij voortduring dreigde de terugval naar een gesloten maatschappij. Popper interpreteerde de Tweede Wereldoorlog als een aanval op de open maatschappij, en de ideologische achtergrond van deze aanval op de open maatschappij werd naar zijn stellige overtuiging gevormd door de ideeŽn van Plato, Hegel en Marx. Vandaar dat hij juist hun ideeŽn zo fel bestreed in The Open Society.

In The Poverty of Historicism ging Popper nader in op ťťn aspect van de ideologie die ten grondslag aan de aanval op de open maatschappij lag: de idee dat men op basis van inzicht in de geschiedenis voorspellingen met betrekking tot de toekomst kon doen. Deze idee noemt Popper het historicisme; het is een karakteristieke eigenschap van fascisme en communisme – men denke bijvoorbeeld aan de marxistische idee dat de klassenstrijd onafwendbaar zou uitmonden in de vestiging van de socialistische staat –, maar kan ook in de sociale wetenschappen worden onderkend. In The Poverty of Historicism gaat Popper met name in op de sociale wetenschappen. Hij analyseert de verschillende soorten argumenten die worden aangevoerd voor de idee dat het opstellen van toekomstvoorspellingen het voornaamste doel van de sociale wetenschappen is, en probeert deze argumenten te weerleggen. Net als in The Open Society gaat het hem daarbij niet in de eerste plaats om een theoretische analyse, maar om de bestrijding van ideeŽn die naar zijn opvatting in de praktijk funest waren. Een van die ideeŽn is bijvoorbeeld dat van de 'maakbare samenleving': de idee dat men een blauwdruk van een ideale samenleving kan opstellen, en deze vervolgens in de praktijk kan verwezenlijken. Aan die idee zijn talloze mensen ten offer gevallen – bijvoorbeeld tijdens de gedwongen collectivisatie van de landbouw in de toenmalige Sovjet-Unie onder Stalin. Als alternatief suggereert Popper wat hij noemt de 'stuksgewijze benadering', waarbij een maatschappij niet als geheel wordt hervormd, maar waarbij wordt geprobeerd de problemen in een maatschappij ťťn voor ťťn op te lossen.

Met zijn oorlogsinspanning heeft Popper een krachtige bijdrage geleverd aan de bestrijding van totalitaire regimes – niet alleen van de totalitaire regimes van zijn eigen tijd, waartegen zijn geschriften natuurlijk in de eerste plaats waren gericht, maar, doordat Popper zijn strijd tegen het totalitarisme op een principieel niveau voerde, tegen totalitarisme als zodanig. Dat maakt de beide boeken die hij tijdens de Tweede Wereldoorlog schreef – ondanks alle aanmerkingen die er zeker op kunnen worden gemaakt – tot een indrukwekkende verdediging van de vrije, kritische discussie die de grondslag vormt van de democratie.

 

Naoorlogse jaren

 

In de naoorlogse jaren – toen hij aanvankelijk lector, later hoogleraar was aan de London School of Economics – ging de aandacht van Popper weer voornamelijk uit naar kentheoretische problemen met betrekking tot de natuurwetenschappen, net zoals in de jaren dertig. Zo dacht hij na over de vraag of, en zo ja, welke betekenis de quantummechanica had voor de kentheorie. Desondanks publiceerde hij ook wel over kentheorie in relatie tot de sociale wetenschappen en de geschiedenis. Maar eerst en vooral werkte hij aan een Engelstalige editie van zijn Logik der Forschung: The Logic of Scientific Discovery. Deze uitgave bevatte tal van toevoegingen en uitweidingen waarin Popper de inzichten verwerkte die hij sinds 1934, toen Logik der Forschung verscheen, had ontwikkeld.

In de jaren zestig publiceerde Popper bovendien ideeŽn die hij had ontwikkeld ten aanzien van menselijke kennis in het algemeen, en van wetenschappelijke kennis in het bijzonder. Een interessant voorbeeld daarvan is de opvatting over kennis, die hij met name in zijn boek Objective Knowledge (1972) heeft uitgewerkt. De titel van zijn essay 'Epistemology without a knowing subject' geeft in een notendop aan wat deze opvatting inhoudt. Uitgangspunt is het onderscheid dat Popper maakt tussen drie 'werelden': de wereld van fysische objecten; de mentale wereld van bewustzijnstoestanden; en de wereld van ideeŽn in objectieve zin. Deze 'derde wereld' is door de mens geschapen, maar tegelijkertijd vrijwel onafhankelijk van de mens. Tot deze derde wereld behoort bijvoorbeeld de taal, maar daarnaast ook wetenschappelijke theorieŽn. De relativiteitstheorie van Einstein is een voorbeeld van zo'n theorie: het is mogelijk min of meer objectief te omschrijven wat deze theorie inhoudt, en de inhoud van deze theorie staat los van de bewustzijnstoestanden van de persoon Einstein. Popper spreekt in dit verband van de 'objectieve geest', als tegengesteld aan de 'subjectieve geest': de 'subjectieve geest' is die van de bewustzijnstoestanden van het individu, de 'objectieve geest' omvat kennis die onafhankelijk van het individu bestaat.

Een ander idee dat Popper ontwikkelde, is de gedachte dat kennis – wetenschappelijke kennis en kennis in het algemeen – teruggaat op een patroon van 'gissingen en weerleggingen'4. Dit patroon – volgens Popper ligt het zelfs ook ten grondslag aan het handelen van dieren – is door Popper weergegeven in het volgende schema, dat onder andere in zijn autobiografie is opgenomen:

 

P1 -> TT -> EE -> P2

 

Uitgangspunt in dit patroon is een probleem (P1). Voor de oplossing van dit probleem wordt een voorlopige theorie bedacht (TT, 'tentative theory'). Vervolgens wordt deze voorlopige theorie kritisch onderzocht: er wordt geprobeerd de fouten uit deze theorie te halen (EE, 'error elimination'). Maar daarmee is de cyclus niet ten einde: het betekent dat het oorspronkelijke probleem in een nieuw perspectief wordt gezien; daarmee ontstaat een nieuw probleem (P2), en de cyclus wordt herhaald.

Met deze en andere ideeŽn bleef Popper tot op hoge leeftijd de aandacht trekken. Zodoende kreeg hij met recht de reputatie een van de meest vooraanstaande en invloedrijke filosofen van de twintigste eeuw te zijn geweest. Deze invloed bleef niet beperkt tot de filosofie, maar deed zich gelden in de meest uiteenlopende vakgebieden. Zo zijn er natuurwetenschappers, geneeskundigen en sociale wetenschappers die verklaren schatplichtig te zijn aan het kritisch rationalisme van Popper. Maar ook de vermaarde kunsthistoricus Ernst Gombrich (1909-2001), met wie Popper een lange en hechte vriendschap onderhield – net als Popper was Gombrich oorspronkelijk afkomstig uit Wenen – zei sterk door hem te zijn beÔnvloed.

 

Afsluiting

 

Popper slaagde er als weinig anderen in, eenvoudig en helder over zeer complexe filosofische problemen te schrijven. Juist daardoor kon hij zijn ideeŽn krachtig naar voren brengen – of het nu ging om zijn wetenschapsfilosofische gedachten, of om zijn inzichten in de politiek-sociale filosofie. Zijn stijl van schrijven imponeert des te meer, als men beseft dat het Engels niet zijn moedertaal was, maar een taal die hij zich op latere leeftijd eigen had gemaakt. Daarbij heeft Popper een aantal begrippen geÔntroduceerd die grote bekendheid hebben gekregen en zelfs algemeen in gebruik zijn geraakt. 'Open samenleving' is een voorbeeld, maar daarnaast kan worden gedacht aan begrippen als 'conspiratietheorie' en 'vulgair marxisme'.

Wat is nu de betekenis van Popper, honderd jaar na zijn geboorte? Met betrekking tot zijn opvattingen over wetenschapsfilosofie kan met recht worden gesteld, dat Popper in deze tak van filosofie de meest invloedrijke auteur van de twintigste eeuw is geweest. Ook wanneer er tegenwoordig kritiek wordt geleverd op zijn ideeŽn, Popper heeft als geen ander de agenda van de wetenschapsfilosofie in de twintigste eeuw bepaald. Het is dan ook geen toeval dat tal van toonaangevende vertegenwoordigers van deze tak van filosofie bij Popper hebben gestudeerd of zijn medewerker zijn geweest: de eerder genoemde Imre Lakatos, maar bijvoorbeeld ook T.S. Kuhn (1922-1996), Paul Feyerabend (1924-1994), en Joseph Agassi (1927). Zij ontwikkelden hun denkbeelden veelal in aansluiting op, later ook als afwijzing van ideeŽn van Popper, – maar veel van hun opvattingen kunnen alleen in relatie tot Popper ten volle worden begrepen.

De ideeŽn van Popper met betrekking tot de politieke en sociale filosofie zijn zo mogelijk nog invloedrijker geweest. Als zijn naam tegenwoordig in het publieke debat niet meer zo vaak wordt genoemd, dan is dat niet zozeer omdat zijn ideeŽn over de open maatschappij en over de waarde van vrije discussie achterhaald zijn, als wel omdat ze algemeen ingang hebben gevonden. De afwijzing van totalitaire systemen en de verdediging van de democratie die Popper in The Open Society en The Poverty of Historicism biedt, hebben een veel principiŽler karakter dan bijvoorbeeld de opportunistische en warrige apologie voor het democratische systeem van de Amerikaanse publicist Francis Fukuyama in The End of History and the Last Man (1992). Met name in landen waar de democratie niet de welhaast vanzelfsprekende verworvenheid is die ze inmiddels in de westerse wereld is geworden, bestaat dan ook nog altijd veel belangstelling en waardering voor Popper.

Vanwege deze verdiensten is het – honderd jaar na de geboorte van Karl Popper en acht jaar na zijn overlijden – nuttig om van tijd tot tijd zijn publicaties nog eens op te slaan, en stil te staan bij de ideeŽn van een denker die met recht en reden tot de belangrijkste filosofen van de twintigste eeuw wordt gerekend.