Filosofie en religie

 


   

Richtingen
 

De Natuur Filosofen
1. Thales van Milete
2. Anaximander
3. Anaximenes
4. Pythagoras van Samos
5. Heraclitus van Efese
6. Parmenides van Elea

De Sofisten
7. Protagoras van Abdera
8. Gorgias van Leontini

9. Socrates

Na Socrates
10. Plato
11. Aristoteles
12. Epicurus van Samos
13. Pyrrho van Elis
14. Plotinus

De Middeleeuwen

15. Aurelius Augustinus

De Scholastici
16. Johannes Scotus Eriugena
17. Anselmus van Canterbury
18. Petrus Abaelardus
19. Albertus Magnus
20. Thomas van Aquino
21. Mystici (van Bingen, Magdeburg, Eckhart)
22. Nicolaas van Cusa

De Nieuwe Tijd

Renaissance
23. Giordano Bruno
24. Galileo Galilei
25. Johannes Kepler
26. Francis Bacon
27. Thomas Hobbes

Staatsfilosofen
28. Thomas More
29. Nicolò Machiavelli

Rationalisme
30. René Descartes

Empirisme
31. John Locke
32. George Berkeley
33. David Hume

34. Baruch de Spinoza
35. Gottfried Wilhelm Leibniz

De Verlichting

36. Jean-Jaques Rousseau
37. Voltaire
38. Immanuel Kant




Duits Idealisme
39. Johann Gottlieb Fichte
40. Friedrich Wilhelm van Schelling
41. Georg Wilhelm Friedrich Hegel

42. Ludwig Feuerbach
43. Karl Marx & Friedrich Engels

Positivisten
44. Auguste Comte
45. John Stuart Mill

46. Arthur Schopenhauer
47. Søren Aabye Kierkegaard
48. Friedrich Nietzsche
49. Henri Bergson
50. Edmond Husserl
51. Max Scheler
52. Moritz Schlick
53. Rudolf Carnap
54. Ludwig Wittgenstein
55. Martin Heidegger
56. Jean-Paul Sartre
57. Ernst Bloch
58. Herbert Marcuse
59. Max Horkheimer
60. Theodor W. Adorno
61. Claude Lévi Strauss

Libertarisme - Vrijheid

 

ENKELE BELANGRIJKE DENKRICHTINGEN IN DE WESTERSE FILOSOFIE

 

Hoofdstuk 1: Van Plato tot de sceptici

Iedereen stelt zich Plato en Aristoteles alleen voor in de statige toga’s van schoolvossen. Maar zij waren geschikte kerels die, net als andere normale mensen, meelachten met hun vrienden. En als ze zich amuseerden met het schrijven van hun ‘Wetten’ en ‘Politiek manifest’ deden ze dat spelenderwijs. Dit was het minst filosofische en ernstige deel van hun bestaan; het meest filosofische was: eenvoudig en onbezorgd leven. Wanneer zij over politiek schreven, deden ze dat als het ware om orde te scheppen in een gekkenhuis. En wanneer ze voorwendden daarover te spreken als over Iets Groots, gebeurde dat alleen omdat ze wisten hoezeer de gekken tot wie zij richtten, zich inbeeldden koningen en keizers te mogen zijn.

Blaise Pascal, Pensées

1.1 PLATO

1.1.1 Plato’s leven

Welgesteld aristocraat, leerling van Socrates. Tegen democratie (leidde tot Atheense verliezen), neigde naar een Spartaanse constitutie.

 1.1.2 Elementen uit zijn leer

1.1.2.1 Plato wijst naar het 'hogere'

Plato wordt op de beroemde fresco van Rafaël voorgesteld met de vinger wijzend naar boven, en in de linkerhand de Timaeus (een kosmologisch traktaat), Aristoteles met de Ethica in de hand wijst naar beneden.

Plato denkt de realiteit in hogere sferen, Aristoteles bracht de filosofie van de hemel naar de aarde.

Deze voorstelling is te lukratief. Plato was de eerste om te herinneren aan de Griekse filosoof Thales die bij zijn studie over de sterren,... in een kuil viel. 'Boven' voor Plato betekent niet een verre ongezonde ruimte... Maar:

naar boven kijken is geen beeld van afwezigheid, maar van wijsgerige nauwkeurigheid. Zoals de stuurman voor buitenstaanders onbegrijpelijk op het schip nauwkeurig de poolster volgt om zijn koers te kunnen bepalen, zo volgt de filosoof het hogere. De kennis van het hogere (wat het zintuigelijke overstijgt is) geldt vooral, maar dient om deze wereld goed te begrijpen.

1.1.2.2 De ideëënleer in de Politeia

Het model dat inzicht en geluk garandeert is voor ons het idee van het goede. De idee van het goede, is zoals de zon: verweg en toch levensnoodzakelijk, en onveranderlijk. De zon is bron van het zijn, maar vooral ook de bron van het licht dat toelaat om de zijnden te zien.

In zijn werk de Staat vinden we een fragment dat goed het latere werk van Plato samenvat

" We beweren dat de schone, de goede dingen, en zo ook de diverse particuliere dingen, veelvuldig zijn: en zo onderscheiden we ze ook in de taal. (.) Doch we spreken ook van het schone op zichzelf, van het goede op zichezlf. En dat doen we ook voor alles wat we daareven als veelvuldig vooropstelden. We keren de verhouding ditmaal om, en stellen thans voor elke particuliere klasse één Idee voorop, in de overtuiging dat er maar één is; en dat noemen we de ‘wezenheid van elk ding’. Van de eerste beweren we dat we ze wel zien, doch niet met het verstand gevat kunnen worden, terwijl de Ideeën wel verstandelijk gevat worden, doch niet gezien."

Plato brengt dus een onderscheid aan tussen de particuliere objecten (een stoel, schone dingen) die we zien en het wezenlijke daarvan (bijv. stoelheid, schoonheid), de essentie (of Idee: ‘eidos, idea’: gestalte, type, vorm). De verschijningsvorm van de ideeën nemen we waar met de zintuigen, terwijl we de idee slechts vanuit het verstand kennen. Iets is bijvoorbeeld mooi, doordat het aan het ‘schone zelf’, ofwel aan de Idee van het schone deel heeft Aan de vele mooie dingen die we waarnemen, ligt met andere woorden de algemene Idee van het schone ten grondslag. Dit is het schone in zijn absolute volmaaktheid, de schoonheid zelf.

Zo bestaat er voor Plato naast onze zintuiglijke wereld ook een rijk der Ideeën. Want algemene begrippen (schoonheid, goedheid...) corresponderen volgens hem met de Ideeën, hoewel ze niet aan elkaar gelijkgesteld mogen worden. Ideeën zijn dus niet het produkt van menselijk denken, maar vormen de ware werkelijkheid, omdat zij de essentie zijn van de waargenomen dingen. Als object van zuiver denken kunnen zij gekend en in die zin aanschouwd worden. Daarmee heeft de Ideeën-wereld een autnnnom, van het denken onafhankelijk bestaan en gaat Plato uit van een obþectieve werkelijkheid boven de wereld van de zintuiglijke waarneming. De Ideeën liggen vast en zijn onveranderlijk. Ze zijn als het ware het voorbeeld volgens welke de zichtbare dingen gevormd worden. Of, in een ander beeld, de waarneembare dingen zijn afspiegelingen van de eeuwige Ideeën.

Plato schijnt met deze werkelijkheidsconceptie - zijn zogenaamde Ideeënleer - een antwoord te hebben willen geven op de vraag hoe algemene eigenschappen als mooi, groot of gezond aan verschillende, individuele objecten kunnen worden toegekend. Schoonheid, om ons tot het gekozen voorbeeld te beperken, wordt daarbijniet enkel opgevat als iets dat in de dingen gegeven is. Als essentie van al wat mooi is, bestaat het volgens Plato op zich. Daarmee onderscheidt hij twee niveaus van werkelijkheid, het ideële en het zichtbare en staan we voor het bekende Platoons dualisme.

Bij de lezing van Plato’s vergelijking van de grot... enkele punten:

1. Het is een filosoof die dit schrijft. Let even op het geweld dat in de gelijkenis gebruikt wordt: degene die echt inzicht heeft (en de grot even mocht verlaten) wordt later gekweld en gedood. Is dit niet het lot van elke filosoof?

2. Kennis is bij Plato herinnering. Plato verklaart hiermee het raadselachtige feit dat de menselijke kennis a priori is, voorafgaand aan ervaring of waarneming. De kennis is volgens Plato ontleend aan een vroeger bestaan, als een herinnering sluimerend in de ziel aanwezig en wakker geroepen door een concrete waarneming. Die waarneming herinnert aan het zien der ideeën, zoals de ziel dat heeft meegemaakt in een vorig bestaan, los van de kerker van het lichaam.

3. De ziel bestaat al voor de geboorte. De ziel heeft volgens Plato, los van het lichaam, bestaan voor ons leven hier op aarde. Zoals bij Phytaghoras is er sprake van een cyclus van geboorten en wederegeboorten.

4. Het voor-bestaan impliceert ook een voortbestaan. De ziel is zonder einde (en zonder begin). De ziel staat los van de dood (a-thanatos).

5. Als geboorte en dood maar incidenten zijn in een cyclisch proces dat eeuwig duurt, is het lichaam waarin de ziel woonr slechts van secundair belang. Al voor Plato bestond de leer dat het lichaam een kerker is, een graf.

6. De Platonisten hebben Plato’s dualisme sterker doorgetrokken dan Plato zelf... Het is dit Platonisme dat een eigen leven gaat leiden en op eigen wijze de christelijke en westerse cultuur dus beïnvloedde inzake het standpunt omtrent het dualisme lichaam-ziel.

 

1.1.2.3. Platoons dualisme en opvoeding

Plato had vanuit zijn algemene leer een eigen visie omtrent opvoeding: enkele voorbeelden...

* Theater: jongeren mochten geen theater bezoeken. Het theater is een plaats vol onwaarheid : zouden jongeren niet verward raken wanneer ze teveel keken naar mannen die vrouw speelden, of hoorden hoe iemand zegt van iemand te houden (en na het toneel daarvan niets meer meent!)...

* Homeros moest men niet door jongeren laten lezen: Homeros liet de goden schaterlachen (wat niet welvoegelijk is), of hij liet de mensen bang zijn voor de dood (de dood hoeft men toch niet te vrezen)...

* Muziek: slechts bepaalde toonaarden mochten gebruikt worden.

 

1.2. Aristoteles (384-322)

De vraag is gesteld of men kinderen moet leren zingen en muziek spelen of niet. Het is duidelijk dat een karakter aanzienlijk sterker wordt beïnvloed als men een kunst persoonlijk beoefent. Wie dat niet doet, kan andermans prestaties ter zake bezwaarlijk of helemaal niet goed beoordelen. Bovendien moet kinderen iets te doen worden gegeven. De ratel die de mensen aan hun kinderen geven om zich te amuseren en om te voorkomen dat ze allerlei dingen in hun huis breken, was een kapitale uitvinding want jongeren kunnen nu eenmaal niet stilzitten. Een ratel is speelggoed dat past bij een kinderlijke geest, voor oudere kinderen is de beste ratel, het beste speelgoed, de opvoeding. Wij besluiten dus dat hun muziek moet worden aangeleerd, niet zozeer om te beluisteren maat om te beoefenen. Niets overtreft haar als intellectueel genot.

1.2.1 Leven

Aristoteles, zoon van een arts, wordt als 17-jarige de ijverigste leerling van Plato. 20 jaar is Plato zijn leermeester. Zelf wordt hij later onder meer opvoeder van Alexander de Grote. Zijn reizen naar Klein-Azië en Macedonië wekten zijn interesse voor de natuurwetenschappen.

1.2.2 Werken

Zijn oeuvre is geheel anders dan dat van Plato. Zelden zijn er dialogen, wel echte traktaten. Aristoteles is ook de eerste die een eigen filosofisch jargon ontwikkelt. Dat jargon past in zijn drang om alles precies weer te geven en te systematiseren. Zijn -wellicht een jeugdwerk- Organon, later Logica genoemd, is een voorbeeld van die drang. En ook de filosofie wordt gesystematiseerd tot: theoretische (fysica, ontologie, logica) en de praktische (ethica, politiek, poëtica).

De vermelde logica wordt nog steeds bestudeerd. Vooral in de syllogistiek. Een syllogisme is een argument waarin uit gegeven uitspraken andere noodzakelijkerwijze volgen. Het logisch vierkant behoort hiertoe.

 

Het bewijs uit het ongerijmde kennen we reeds van bij Aristoteles: bijv. als geen papegaai een roofvogel is, maar sommige vogels zijn wel roofvogels, dan zijn sommige vogels geen papegaaien"

 

1.2.3. Act - potentie / hyle - morfisme

Alles wat is bestaat uit een stof en een vorm. Een kiem wordt plant. De kiem is plant in potentie. Alles (stof) heeft in zich een drang om iets te worden (volgens bepaalde vorm). Dingen zullen veranderen conform hun potentie die vervat ligt in de materie waarin ze zijn samengesteld. De mens heeft van nature uit de drang om zich te verwezenlijken, en van nature uit wil de mens gelukkig zijn. Zoals voor de kiem de plant, is voor de mens een gelukt bestaan de verwerkelijking.

1.2.4. Kennis als het geluk voor de mens?

Hoe kunnen we als mens gelukkig zijn. Voor Aristoteles is de gelukkige mens, de mens met inzicht, kennis (let op kennis te verengen tot abstracte kennis: kennis omvat hier wat wij verstaan onder wetenschappelijke kennis, maar ook kunde, vaardigheden). Hier verschilt Aristoteles duidelijk met Plato. De mens dient niet de Ideeën te volgen, maar wel datgene wat reeds van het begin in zijn eigen wezen vervat ligt.

1.2.5. Hoe kunnen we die ‘kennis’ verwerven.

Om een gelukkige mens te zijn hebben we een aantal elementen nodig:

* deugden: het verstand gebruiken, de matiging, de zelfbeheersing en de gulden middenweg (nooit té)

* wetenschappelijke kennis wordt verworven via:

  • INDUCTIE (van het particuliere naar het algemene) op basis van waarneming, ervaring = VERALGEMENING(Waarneming, ervaring leiden tot kennis waarbij we algemene uitspraken -bevestigen- bijv. mensen zijn sterfelijk
  • DEDUCTIE: vanuit de inductie aangeleverde kennis kunnen we -volgens logische wetten - meer te weten komen over het particuliere. Een triviaal voorbeeld is: We ervaren dat elke mens sterfelijk is. Dat leidt tot een kennis waarbij we stellen dat elke mens sterfelijk is (dat is niet echt te bewijzen, maar we nemen dit aan in zover niemand onsterfelijk is).

Deze algemene kennis kunnen we toepassen op een concrete persoon, volgens de logische wetten:

Elke mens is sterfelijk --En Socrates is een mens ==> Socrates is sterfelijk.

De logica die Aristoteles uitbouwde is dus een methode om op correcte wijze te kunnen redeneren. Ze bewijst zeker niet de algemene stellingen die we aan de hand van inductie hebben verworven.

1.2.6. Plato versus Aristoteles

Plato stelt de vraag wat het werkelijke zijn is, en geeft als antwoord dat er een wereld van de verschijnselen is en een van de ideeën, waarin het ware wezen van het Zijn ligt. Aristoteles ziet niet in de idee het ware wezen van de dingen, maar vindt in elk zijn zelf het vermogen en het doel van zijn bestaan, dat volmaaktheid heet. Bij Aristoteles is de vorm niet los van de natuur van iets, bij Plato wel.

Vanwaar komt die "entelechie", of het beginsel van de vormende energie in elk zijn? Vanwaar komt de menselijke drang om mens te worden?

 1.3. Epicurisme - Stoïcisme - Scepticisme

Het is onmogelijk een plezierig leven te leiden als dat niet gebeurt op een zinnige, fatsoenlijke en rechtschapen manier; en het is onmogelijk wijs, fatsoenlijk en rechtschapen te leven als dat niet plezierig kan. (Epicurus)

Doorgaans wordt de periode na Socrates, Plato en Aristoteles slecht gewaardeerd. Men spreekt over de post-aristotelische periode bijv., of men stelt dat er een soort rust optrad in het Griekse denken en dat de filosofen een veiliger bestaan opzochten in een dreigende en snel veranderende wereld. We kunnen echter de kwaliteit van de filosofie uit die tijd niet beoordelen, omdat er zo weinig teksten overbleven. Toch lijkt het dat in deze periode de filosofen -meer dan voordien- strikt bezig zijn met filosofie én dat het debat zich richt tussen de filosofen onderling én minder tussen wetenschap en filosofie. Het nadenken over het scepticisme leidde tot een min of meer moderne kennisleer. Bovendien zijn de vorderingen in de logica uit deze tijd niet te versmaden...

Er zijn drie scholen die tot in de Romeinse tijd aanhangers zullen vinden.

1.3.1. Epicurisme: ‘lust’

Epicurus had een duidelijke visie omtrent leven en lijden. Zijn ‘leer’ of leefwijze werd door de epicuristen later uitgewerkt in een leer van de lust. Bij Epicurus heeft de lust echter minder betrekking op het lichamelijke. Pas wanneer de lichamelijke lusten uitgebannen zijn, betreedt de lust het niveau van het verstand. Pas dan is de toestand van de hoogste lust (de zielsrust), de blijmoedigheid (ataraxia) bereikt. (Zie tekst p.14)

1.3.2 Stoïcijnen: rust

Deze school omstreeks 300 v. Chr. gesticht door Zeno van Citium gaat ervan uit dat de mens maar gelukkig kan zijn als hij leeft volgens het levensbeginsel van de natuur. De mens moet zijn Ik zo harmonisch met de natuur, die de goddelijke wereldrede is, in overeenstemming brengen, dat hij, omdat hij door de rede aan God verwant is, deugd en wijsheid kan bereiken. Vrij is slechts de mens die innerlijk vrij is. De stoïcijnen bedoelen hier vooral dat men vrij moet worden van hartstochten. Deze stoïcijnse rust is ook het doel van de wijsheid.

 1.3.3 Scepticisme: scepsis

Een minder belangrijke school, gesticht door Pyrrho van Elis, evenzeer rond 300 v. Chr. Hun uitgangspunt is de scepsis: de zekerheid dat alles...onzeker is. Men spreekt van aphasie: omdat er geen kennis mogelijk is en de waarheid ontoegankelijk is, kan men niet anders dan zich terug te trekken in een eigen prive-wereld.

1.4. Een thema uit de Griekse filosofie: de sorites: over een pluizige wereld.

1.4.1. Het sorites-argument

Verschijnt aldus in een geschrift van de arts Galenus:

"Ik zeg dus: ‘Vertel eens, denk je dat een enkele korrel graan een hoop is?’ Daarop zeg je: ‘Nee.’ Ik zeg dan: ‘Wat zeg je van twee korrels? Het is mijn bedoeling je een serie vragen te stellen, en als je niet toegeeft dat twee korrels een hoop zijn, dan ga ik eenzelfde vraag stellen over drie korrels. En ik zal doorgaan en je ondervragen over vier korrels, dan over vijf en zes en zeven en acht en je zult vast en zeker zeggen dat geen daarvan samen een hoop vormen. Ook negen en tien en elf korrels zijn geen hoop. Want het begrip hoop zoals dat in de ziel gevormd wordt en in de verbeelding opgeroepen wordt, wil zeggen dat het, afgezien van aparte deeltjes bij elkaar, een zekere hoeveelheid en grootte heeft van aanzienlijke omvang..."

De sorites-problematiek gaat over het feit dat veel begrippen en definities uit onze wereld niet zo precies zijn als men veronderstelt.

1.4.2. Een pluizige wereld

Wanneer is iemand kaal? Tot hij ziet dat hij opeens kaal is?

Als ik van een hoop korrels één korrel aftrek, dan heb ik nog een hoop. Als ik er duizenden van aftrek? Hoeveel korrels moet ik van een hoop aftrekken om geen hoop meer te hebben.

Sorites-achtige predikaten hebben niet noodzakelijk met hoeveelheden te maken. In de literatuur vinden we nog andere: beroemd of berucht zijn, de prijs van een ziel, rood - oranje. Guepin illustreert ook dat begrippen als gestoei voor de ene, incest voor de andere betekent. Of dat er een overgang kan zijn van werkloosheid naar passend werk vinden.

1.4.3 Oplossingen

1.4.3.1 Platoonse oplossing

Opmerking vooraf: Plato en Aristoteles kenden het sorites-probleem niet op zich. We kunnen wel vanuit zijn filosofie sporen aanhalen van mogelijke reacties indien hij met dit probleem zou geconfronteerd worden.

Kernidee: Je kunt niets precies zeggen over de diameter van de zon, bijvoorbeeld dat hij exact 17879879 kmeter is; de zon is dus een pluizig voorwerp. Je hebt in dit geval wel de overtuiging dat het voorwerp een precieze afmeting heeft, alleen, je houdt op een gegeven moment op met de meting te preciseren, omdat je genoegen neemt met een marge, een tolerantie, van je meetresultaat. De beslissing hoe groot, lang of zwaar een voorwerp is, heeft altijd iets willekeurigs; hij hangt af van de precisie van ons meetmateriaal.

Maar je kunt ook de andere kant op redeneren. Je merkt dan op hoe gemakkelijk het is om iets in gedachten te preciseren en hoe alles in de werkelijkheid daarbij tekortschiet. Dat is de weg die Plato ging. De idee was werkelijker dan de concrete voorstellingen ervan.

Uitwerking: De eerste propositie van Euclides verkondigt: als lijn A gelijk is aan lijn B en lijn B is gelijk aan lijn C, dan is lijn A gelijk aan lijn C; maar probeer het maar eens na te meten met een precieze centimeter. Een platinum staaf in Parijs gold vroeger als standaardmeter. Maar was hij op een atoom nauwkeurig één meter lang? Was de temperatuur altijd precies gelijk?

Je komt dan op het idee dat er hier op aarde niets precies te vinden is, niets is recht of zuiver rond. Je construeert dan een tegenstelling tussen geest en materie. De geest heeft er geen enkele moeilijkheid mee om zich een balk van 90 cm voor te stellen, daar 10 cm van af te halen om 80 cm over te houden, en de meetkundige kan precieze bewijzen opstellen met zijn rechte en gebogen lijnen; terwijl je weet dat dere figuren in de werkelijkheid altijd tekortschieten.

Je begint een beetje op Plato te lijken, want je maakt een onderscheid tussen de zuivere meetkundige Vormen die wij eventueel kunnen begrijpen in de geest en de steeds onvolmaakte atbeelding ervan in de materie.

Plato bewondert de meetkunde omdat zij onweerlegbare bewijzen construeert, op voorwaarde dan wel dat we de geometrische lijnen zonder dikte niet verwarren met de altijd onbeholpen lijnen die we in het zand of met potlood op korrelig papier met bevende hand langs een gekartelde lineaal trekken. Plato legt dat uit in zijn Zevende Brief, 342a e.v.


Hij onderscheidt daar vijf elementen in alle kennis: de naam, de definitie, de atbeelding, de wetenschap, het kenbare en in waarheid zijnde object. Als voorbeeld dient de cirkel: ten eerste met zijn naam `cirkel' en ten tweede met zijn definitie die luidt: datgene waarvan de uitersten overal dezelfde afstand hebben tegenover het middelpunt. Ten derde is er de afbeelding die men maakt en die vergankelijk is. Maar de cirkel zelf ondergaat niets van dit alles en is dus heel iets anders. Ten vierde: de wetenschap er over, die niet in de willekeurige klanken van de naam zit of in de vergankelijke figuren, maar in het verstand zetelt. Het verstand is het dichtste bij het vijfde element, waarvan het inzicht opeens kan oplichten, na lange dialectische discussies.

 

1.4.3.2 Aristoteles ethiek

Noot: zie noot bij Plato

Idee: Er is een verschillende houding voor ethiek en logica. Aristoteles zou gesteld hebben dat wat ethische zaken betreft de sorites onontkoomlijk zijn en dat elk geval apart moet bekeken worden. De ethiek wordt hier een casuïstiek.

Voor niet ethische zaken verwijzen we naar de aristotelische logica waarin verondersteld wordt dat de sorites te vermijden waren. We verwezen eerder al naar het logisch vierkant waarbij uitspraken ingedeeld werden als contradictoir (nooit gelijke waarheidswaarde), contrair (nooit beiden waar) ...

Uitwerking: In zijn Ethica Nicomachea zegt Aristoteles geen preciese wetenschappelijke beschrijving te kunnen geven van het menselijk gedrag. Universele waarheden gaan bij het menselijk bedrijf altijd maar ten dele op, het zijn vuistregels en voor beslissingen hebben we geen theoretische wijsheid maar praktische bezonnenheid nodig. En ook als vaststaat dat de deugd in het midden ligt, dan moet van geval tot geval beslist worden hoe erg de afwijking van het midden is. (Ethica II, 1109b20-23): "In hoeverre en hoe groot iemand blaam verdient, valt niet gemakkelijk door de rede af te bakenen, en dat is ook niet het geval met enig ander waargenomen ding. Dergelijke dingen moeten van geval tot geval bekeken worden en de beslissing ligt in de waarneming."

 

1.4.3.3 De stoïcijnse oplossing

Voorstelling: De stoïcijnen onderscheidden tussen deugd en zonde - die je moet ornhelzen of verwerpen - een groot aantal dingen waarje onverschillig tegenover kunt staan waaronder zij het leven zelf rekenden, gezondhoid, rijkdom, schoonheid, genot en hun tegendelen.


Kernidee: Het gebied van de onverschillige zaken is daarom zo uitgebreid. omdat voor de stoïcijnen alleen de deugd telt en de hele rest is dwaasheid. Als Chrysippus (uit de derde eeuw voor Christus) stijfkoppig een tijdje zijn mond houdt, ontstaat er (terwijl de ander doorgaat met zijn graankorrels) een gat tussen twee extremen: het is óf het geringe aantal graankorrels óf de grote hoop graan, het is óf een weelderige haardos óf een volkomen kale kop. Uit de voorbeelden die mij voorgesteld worden voor de invulling van de schema's van de stoïcijnse logica, kan men vermoeden dat het logisch denken disjunctief is: ‘het is dag of het is niet-dag', en het semantisch om polaire tegenstellingen gaat: ‘als het dag is, is het licht’, `het regent of het sneeuwt'. De schemering tussen ‘dag en nacht’ de ‘pluizige’ grens, wordt kennelijk geweerd uit de definitie van ‘dag' en ‘licht' , terwijl het ‘of’ van `het regent of het sneeuwt' toch wel aut zal zijn in plaats van vel, zodat vele andere mogelijkheden uitgesloten lijken.

Uitwerking: In zo'n tweedeling verkeert de redenering van Chrysippus als hij de vreselijke waarheid bewijst dat er geen gradatie bestaat van juiste handelingen, evenmin als van verkeerde (SVF von Arnim, uit Diogenes Laërtius VII,120):

"Want als het ene ware niet meer waar is dan het andere, dan is ook niet de ene onwaarheid meer onwaar dan de andere. En zo is ook het ene bedrog niet meer dan het andere bedrog en het ene verkeerd handelen meer dan het andere verkeerd handelen. Want wie honderd mijl van Kanobos af is en wie er één van af is, zijn geen van tweeën in Kanobos, zo ook wie meer en wie minder verkeerd handelt bevindt zich niet in het juiste handelen."

De tegenstelling waar/onwaar is echter in het correcte taalgebruik een tegenstelling met een limiet aan één kant. Andere voorbeelden van dit type tegenstelling zijn: er zijn allerlei gradaties van beharing op het hoofd, maar er is een limiet: kaal. Vergelijk hiermee ‘gelijk en ongelijk’, ‘recht en krom’. Mensen zijn op maar één manier gelijk, en op alle andere manieren ongelijk, een lijn is maar op één manier recht, en dus op ontelbaar veel manieren krom. Met ‘recht’ komen we in de buurt van het ‘juiste’ , de waarheid. Als er maar één waarheid is, is het aantal mogelijke onwaarheden ontelbaar min één: iets is of een hond of een niet-hond, en een niet-hond kan van alles zijn: een paar schoenen, kool, en ook een mens. Het is soms bcter om, met Aristoteles, de mogelijkheden van de waarheid van logische uitspraken tot één genus te beperken, tot rechte en kromme lijnen (het onderwerp van gesprek). Dan is een niet-hond allerlei soorten huisdier, en nog steeds niet per se een kat.

Chrysippus doet echter of de tegenstelling van het type is ‘even of oneven', ‘ja of nee’ : als je weet dat iets niet-even' is, weet je dat het oneven is, want er zijn maar twee mogelijkheden, het is waar of onwaar. Voor ‘onwaar' gebruikt Chrysippus de term pseudos, ‘leugen’, vergelijk in andere talen dan de onze’false,falsch, faux’. Maar juistde term pseudos of ons `vals’ had Chrysippus op het idee moeten brengen dat er allerlei gradaties van onwaarheid bestaan, waarvan de leugen een limiet is.Hij heeft de scalaire tegenstelling tussen het volkomen de waarheid spreken en de keiharde leugen gepolariseerd: ‘óf waarheid óf leugen' , en ook `óf goed óf ‘slecht'.

Ik kan die polarisatie begrijpelijk maken door een horlogemaker voor ogen te stellen die een asje moet draaien. Dat asje moet recht rijn binnen een afgesproken tolerantie, alle asjes die krommer zijn dan toegestaan worden verworpen, of ze nu nog maar een beetje krom zijn of heel erg.

De enige uitweg uit de schemerzones van de sorites was de vlucht naar voren: naar het absolute, het totale, het Goed, het Kwaad, de Wijsheid, de definieerbare essentie. Zo kwam het fatale antwoord van de Stoa op de sorites tot stand.

De stoïcijnse oplossing...: We vinden de tweedeling of-of terug in het evangelie bij Paulus (Rom. 14,23): ‘Al wat niet uit geloof is, is uit zonde. ' Harde woorden. Zo ook de kerkvader Augustinus in De uitl. cred. `Want elke daad die niet op de juiste wijze gedaan is, is een zonde.' In zijn heftige strijd tegen de vrijzinnige Pelagius, die meende dat mensen, zelfs ongelovigen, op grond van hun eigen verdiensten in de hemel konden komen, riep Augustinus in steeds heftiger bewoordingen uit dat alle werken van de ongelovigen zonde zijn. De deugden van de ongelovigen zijn in waarheid niet anders dan zonden. De menselijke natuur is volkomen bedorven, alle niet-gelovigen zijn van God afgevallen en door de duivel beheerst, ze kennen geen ware kuisheid, matig heid, hescheidenheid, noch barmhartigheid. Alle goedheid is genade. Vandaar ook Augustinus’ harde predestinatieleer, waar Calvijn hem in volgde.

Gruwelijke gedachte van Stoa, Jezus, Paulus, Augustinus en Calvijn: een kleine flirt is al overspel, een racistische grap even erg al joden vergassen; ook de zonde kent geen gradatie, evenmin als de wijsheid of de zaligheid.

 Onze reactie op deze stoïcijnse oplossing: Het + of - denken is af en toe populair geweest. Deze logica werd in 1800 populair door de ontdekkingen in electriciteit en magnetisme. Daar geldt inderdaad ofwel positieve of negatieve pool. Dit binair denken zien we ook in het structuralisme waar allerlei taalverschijnselen met een + of - worden versierd, of waar hiërarchische boomdiagrammen met louter tweedelingen ontwikkeld werden. Er zijn echter weinig echt sorites-bestendige tegenstellingen. We noemen even of oneven, - of +. Niet sorites-bestendig zijn bijv. licht en donker...

Let wel de stoïcijnse oplossing kennen we vandaag nog steeds als ‘stekelig probleem’. Hellende vlakken zijn bijv. de abortuskwestie (het moment waar iemand mens wordt!) en de beoordelingen van geweld en individu (bijv. Amnesty International).

 

1.4.3.4 De sceptische ‘oplossing’

Kernidee: De sceptici erkennen dat de omgangstaal bol zit van onduidelijke termen. Iemand kan gehuwd zijn, maar gedraagt zich soms meer als een vrijgezel... Is hij dan in wezen ‘gehuwd’ of in wezen een’vrijgezel’. Cicero (Acad. II, XXVII-XXIXI,92-94) verdedigt het sceptisisme van de postplatoonse Academie:

Voorbeeld: Wat kan de rede ontwaren? Jullie [ = de stoïijnen) zeggen dat de dialectiek is uitgevonden als onderscheider en rechter van het ware en onware. Maar pas op jullie, die zoveel waarde aan die kunst hechten, dat hij zich niet totaal tegen jullie keert, als jullie in de eerste stappen vrolijk de elementen van het betoog behandelen en het inzicht in dubbelzinnige stellingen en de methode van de sluitreden, en dan beetje bij beetje bij de sorites komen, een glibberige en gevaarlijke plaats, die jij daarnet een drogreden noemde. Hoezo? Is dat een fout waar wij de schuld van moeten krijgen? De natuur der dingen heeft ons geen enkel inzicht in grenzen gegeven waardoor we kunnen bepalen hoever we waarin dan ook kunnen gaan. En dat niet alleen in de hoop tarwe waar het argument zijn naam aan ontleent, maar in elk ding wat dan ook, als we beetje bij beetje ondervraagd worden; of iemand rijk of arm, beroemd of obscuur is, of iets veel of weinig, groot of klein, lang of kort is, breed of smal, we weten niet hoe we met zekerheid moeten antwoorden bij hoeveel er toegevoegd of weggenomen is. Maar de sorites is toch een drogreden! Breek hem dan maar, als je kunt, opdat hij je niet in moeilijkheden brengt, want dat doet hij, alsje niet oppast

Hoofdstuk 2. De middeleeuwse filosofie en de scholastiek

2.1 Inleidend

Wanneer het christendom meer en meer organisatorisch uitgebouwd wordt, komt de vraag naar de verhouding tussen godsdienst en filosofie op. Is de godsdienst een nieuwe filosofie? Geeft het Christendom een antwoord op de vragen van de antieke denkers? Kan de rede een fundament geven voor dat wat in het geloof beleden wordt? Deze vragen zullen eeuwen na elkaar onderzocht worden. Let wel, ‘filosofie’ wordt dan doorgaans bedreven door kloosterlingen en het is dan ook niet verwonderlijk dat het duurt tot de ‘hoge middeleeuwen’ en wel bij Thomas van Aquino eer een goede verstandshouding tussen filosofie en godsdienst voorgesteld wordt.

De naam ‘scholastiek’ verwijst enerzijds naar de schoolse vorm van het filosofisch denken (men vertrekt van een lezing van een andere auteur - lectio- om van daaruit vragen te stellen -quaestio- en de discussie aan te brengen - disputatio). Anderzijds verwijst ‘scholastiek’ inhoudelijk naar een stroming waarbij de filosofie als dienstmaagd functioneert voor het geloof. De filosofie is hier een didactische filosofie of voorbereiding voor de theologie. De eerste scholasticus van naam is Johannes Scotus Eriugena (810-877).

De vragen omtrent geloof, God en waarheid komen voor ons erg klassiek over. Maar des te meer dienen we te beseffen dat hier diep-menselijke vragen aan bod komen: wat is het begin van ons bestaan, de oorsprong. Wat betekent ons leven uit-eindelijk? Het zijn vragen die ons niet steeds koud hoeven te laten...

We gaan even in op de klassiek Godsbewijzen. Kun je het bestaan van God met behulp van de rede bewijzen? Eén vraag, twee filosofen.

 

2.2 Het godsbewijs van Anselmus

In de leestekst vindt u het (ontologisch) godsbewijs van Anselmus. De gedachtegang is erg eenvoudig. Ons denken verplicht ons te veronderstellen dat het meest volmaakte, zo volmaakt is dat het ook bestaat. Het denken verplicht aan het volmaakte (wat wij God noemen) om ook te bestaan. God bestaat dus

Dit godsbewijs komt steeds verrassend over en bevat talrijke filosofische moeilijkheden.

 

2.3 De godsbewijzen van Thomas van Aquino

2.3.1 De verhouding tussen geloven en weten bij Thomas

Thomas onderscheidt de geopenbaarde kennis (kennis die door de geloofstraditie meegegeven wordt: bijv. schepping, de triniteit, de menswording, de sacramenten) en de natuurlijke kennis (kennis die we door onze rede en zintuigen opbouwen: bijv. het bestaan van God, de onsterfelijkheid van de ziel). Er is tussen de geopenbaarde kennis (geloven) en de natuurlijke kennis (weten) geen strijd. Ze zijn aanvullend: wat je niet kunt begrijpen komt uit het geloof.

2.3.2 De Godsbewijzen bij Thomas

"(...) Voor het bestaan van God kan men vijf bewijzen aanvoeren. Het eerste en duidelijkste is het bewijs uit de verandering of "beweging". Het is immers zeker - we nemen het door de zinnen waar - dat er dingen in de wereld veranderen, of "bewogen’ worden. Welnu, alles wat bewogen wordt, wordt door iets anders bewogen. Niets toch wordt bewogen, dan in zoverre het in aanleg is tot datgene, waartoe het bewogen wordt. Maar alleen datgene wat in akt is kan iets bewegen, daar iets bewegen niets anders is dan iets doen overgaan van aanleg tot akte. Niets echter kan gebracht worden van aanleg tot akte, tenzij door iets dat in akte is. (.) Het is dus onmogelijk, dat iets in hetzelfde opzicht beweegt en bewogen wordt, of dat het, in andere woorden, zichzelf beweegt. Alles wat bewogen wordt, moet derhalve door iets anders worden bewogen. Maar wanneer nu datgene, waardoor iets bewogen wordt, zelfook weer bewogen wordt, dan moet het ook door iets anders worden bewogen, en dat ook weer door iets anders. Maar zo kan men niet opklimmen tot in het oneindige, want dan zou er geen eerste beweger zijn, en zelfs geen enkele andere beweger, want de ondergeschikte bewegers kunnen alleen iets bewegen, in zoverre zij door een eerste beweger zelf worden bewogen: zo brengt een stok alleen dan iets in beweging, wanneer hij zelfdoor de hand bewogen wordt. We moeten dus tor een eerste beweger komen, die door geen ander wordt bewogen, en hieronder verstaat een ieder God.

Het tweede bewijs berust op het begrip van de werkende oorzaak. Het is immers een feit, dat er in de stoffelijke wereld een aaneenschakeling is van werkende oorzaken. Men vindt echter nergens een wezen, en het is ook onmogelijk om er een te vinden, dat de werkende oorzaak van zichzelf zou zijn, want dan zou het eerder dan zichzelf moeten zijn, en dit is uitgesloten. Het is evenwel ook niet mogelijk om in de reeks van de werkende oorzaken tot in het oneindige op te klimmen, daar in een reeks van werkende oorzaken, die onderling verband houden, de eerste de oorzaak is van de tussen-oorzaken, en de tussenoorzaken de oorzaak zijn van de laatste, hetzij er slechts één ofwel meerdere tussen-oorzaken zijn. Neemt men echter de oorzaak weg, dan neemt men ook de uitwerking weg. Is er dus geen eerste werkende oorzaak, dan is er ook geen laatste en geen tussen-oorzaak. Maar wanneer men in de reeks van de werkende oorzaken zo tot in het oneindige voortging, dan kon er nooit een eerste werkende oorzaak zijn, en dus ook geen laatste uitwerking, noch werkende tussen-oorzaken, wat een duidelijke ongerijmdheid is. Wij moeten dus een eerste werkende oorzaak aannemen, die door allen God genoemd wordt.

Het derde bewijs wordt genomen uit het mogelijke en het noodzakelijke. Het is het volgende: Er zijn in de wereld dingen die kunnen zijn en niet-zijn. Sommige dingen immers ontstaan en vergaan, en kunnen derhalve zijn en niet-zijn. Welnu, het is onmogelijk dat dergelijke dingen altijd zouden zijn; wat immers ook niet kan zijn, is eenmaal niet. Maar wanneer alle dingen ook niet zouden kunnen zijn, dan bestond er eenmaal niets. Maar dan zou er ook nu niets bestaan, want wat niet is begint toch enkel te zijn door iets wat wel is. Was er dus niets, dan zou er ook niets tot het bestaan komen, en bijgevolg zou er nu ook niets zijn, wat zeker onjuist is. Niet alle wezens zijn dus mogelijke wezens, maar er bestaat ook een noodzakelijk wezen. Alles nu wat noodzakelijk is, heeft ofwel buiten zich een oorzaak van zijn noodzakelijkheid, of heeft er geen. Het is echtet niet mogelijk om in de reeks van de wezens die buiten zich een oorzaak hebben van hun noodzakelijkheid, op te stijgen tot in het oneindige, evenals dit onmogelijk is voor de werkende oorzaken, zoals we hierboven hebben bewezen. Men moet dus aannemen dat er een wezen is dat uit zichzelf noodzakelijk is, en de oorzaak van zijn noodzakelijkheid niet buiten zichzelve vindt, maar integendeel de oorzaak is van de noodzakelijkheid van andere wezens, en dit wezen noemen allen God.


In het vierde bewijs voert men als bewijsgrond aan de graden, die in de dingen worden gevonden. Er zijn immers in de wereld meer of minder goede, ware en edele dingen. Welnu, "meer" en "minder" zegt men van verschillende dingen met het oog op hun verschillende verhouding tot het optimale; het warmere bijv. is datgene wat dichter bij het warmste staat. Er is dus iets dat het meest ware, het beste en het edelste is, en dus het hoogste wezen is, daar volgens het 1lde Boek van de Metafysica4) (Bk. I, Hfdst. I, 5) de meest ware wezens ook het hoogste zrjn hebben. Wat nu in een bepaalde soort het hoogste is, is de oorzaak van alles wat tot die soort behoort: zo is bijv. het vuur, dat warmer is dan wat dan ook, de oorzaak van alle warmte, zoals in hetzelfde Boek gezegd wordt. Er is dus iets, dat voor alle wezens de oorzaak is van het zijn, van de goedheid en van welke volmaaktheid ook, en dit wezen noemen wij God.

De bewijsgrond van het vijfde bewijs is het bestuur van de wereld. We stellen immers vast, dat redeloze wezens, zoals de natuurlichamen, handelen om een doel te bereiken, wat hieruit blijkt, dat ze steeds of minstens gewoonlijk op dezelfde wijze te werk gaan om datgene te bereiken wat het beste is. Zij bereiken dus hun doel niet bij toeval, maar op een wijze, waaruit toeleg blijkt. Dingen echter die geen kennis hebben, streven alleen naar een doel in zoverre ze geleid worden door een wezen met verstandelijke kennis, zoals de pijl op het doel gericht wordt door de schutter. Er is dus een verstandelijk wezen, waardoor al de natuurdingen op hun doel gericht worden, en dit wezen noemen wij God. " (Theologische summa, Dl. I, Questio. II, Art. III, Leetstelling.)

 3. Van rationalisme en empirisme tot het criticisme van Kant

3.1 Inleiding

In de zeventiende en achttiende eeuw, de periode van de Verlichting(Aufklärung, enlightenment, l'âge de raison) konden de filosofen zich niet langer op de Openbaring beroepen, zonder van "onwetenschappelijk denken of bijgeloof" verdacht te worden. Wel waren de meesten onder hen gelovig, maar dat geloof had in principe niets met hun denken te maken. Pas in de achttiende eeuw, onder de radicale mechanische materialisten, vinden we uitgesproken atheïsten, maar zij vormden toen nog een uitzondering. Zelfs zulke onverbiddelijke vijanden van de kerk als Voltaire ("Ecrasons l'infâme !") geloofden in een Opperste Wezen, een deus (vandaar de naam 'deïsten'). Maar op hun vakterrein ging het er toen vooral om na te gaan :

-hoe we kunnen kennen (kennisproces);

-hoe betrouwbaar onze kennis is;

-of we tot een absolute waarheid kunnen komen.

De rationalisten (Descartes, Spinoza, Leibniz, Wolff) namen aan dat we de waarheid door ons verstand, onze ratio, konden vinden. Het waren bijna uitsluitend Franse en Duitse denkers, in tegenstelling tot de Engelsen die als empiristen de zintuiglijke waarnemingen als basisinstrumenten aanzagen.

3.2. Descartes en Leibniz als rationalisten en het vraagstuk over lichaam en geest

3.2.1 René Descartes (1596-1650)

De eerste grote rationalist was René DESCARTES (1596-1650). Hij leefde in een wereld waarin de natuurwetenschappen (fysica, astronomie) zich enorm aan het uitbreiden waren, en die uitbreiding beïnvloedde zijn filosofie. Voor de eerste keer sinds Aristoteles botsen we op een denker die een heel filosofisch systeem vanop de grond opbouwt, anders gezegd die niet op het gezag van Oudheid of Middeleeuwen steunt. We staan aan het echte begin van de moderne filosofie. Als wetenschapper was hij overtuigd van het gelijk van Galilei, die in 1616 zijn stellingen moest intrekken, en als gevolg daarvan besliste Descartes, een boek over astronomie, Le Monde, maar niet uit te geven. De laatste twintig jaar leefde hij in vrijwillige ballingschap in Nederland, toen het land met de grootste vrijheid van denken.

3.2.1.1 De methodologische twijfel

Naast zijn bijdragen aan de meetkunde, de optica, de geneeskunde en de fysica is hij als filosoof vooral bekend door zijn essay Discoursde la méthode (1637) en zijn Méditations (1642). Volgen we even de lijn van dat beroemde essay. Descartes begint met een methodische twijfel (twijfel als methode, als weg om tot de waarheid te komen) om te zien of er iets is, waaraan uiteindelijk niet meer getwijfeld kan worden. De twijfel begint met de zintuiglijke waarneming :

Kan ik eraan twijfelen, dat ik hier in mijn kamerjas bij het vuur zit ? ja, want soms heb ik dat gedroomd en toch lag ik naakt in bed. Ook hebben krankzinnigen vaak hallucinaties die ze voor werkelijkheid aanzien.

Maar dromen, hoe knotsgek ze soms ook zijn, gaan toch over reële, tastbare dingen ? (Je droomt over een paard met een kattekop, omdat je èn een paard èn een kat in het echt gezien hebt. ) Hoe ga je nu aan de materiële dingen twijfelen ? Maar ook dat kan een illusie zijn. Dus kan ik redelijk betwijfelen dat ik een lichaam heb, maar ik kan er niet aan twijfelen dat ik denk. Dat zou absurd zijn.

Cogito, ergo sum. Ik denk, dus ben (besta) ik.

 

3.2.1.2 Het Cogito ergo sum als vertrekpunt

Hier houdt de twijfel op, en van hier moet ik opnieuw beginnen om rationeel een werkelijkheid op te bouwen. Dit is voor Descartes het eerste principe van de filosofie. Hoe gaat hij nu te werk ? Zolang ik denk, besta ik, en om te denken heb ik een ziel nodig. Ook zonder lichaam zou ik nog kunnen denken en dus bestaan. En waarom ben ik zo zeker dat ik denk? Omdat het "clair et distinct" is, duidelijk en van de rest onderscheiden. We moeten dus op zoek gaan naar "des idées claires et distinctes'; want alleen die zijn waar. En daar we niet op de zintuigen kunnen rekenen, moeten we het bestaan van andere werkelijkheden, naast ons 'cogito; alleen door ons verstand vinden. Het eerste "idée claire et distincte" dat we vinden is het bestaan van God. Hier volgt hij in feite de klassieke redenering van de scholastiek ("Het is toch evident dat God bestaat !"), al drukt hij het anders uit : de Godsidee kan ik mezelf niet gegeven hebben, want ze bevat de volmaakte realiteit, die ik niet bezit. Dus moet God zelf de oorzaak van deze idee zijn. De idee van God is dus het bewijs van Zijn bestaan. God bestaat en God is per definitie waarachtig. Daaruit volgt dat alles wat ik klaar en duidelijk ken, waar moet zijn.


Na het bestaan van God bewijst hij dan het bestaan van de maferiële wereld (de wereld van de uitgebreidheid). We hebben een klare en duidelijke voorstelling van deze wereld, dus bestaat ze. Daarmee hebben we nu al : God, het denken (cogitatio) en de materiële wereld (extensio). God is niet geschapen, de wereld van de geest en de uitbreiding wel. De mens is verdeeld tussen deze twee werelden : cogitatio en extensio, hij is een 'denkend ding' (res cogitans).

3.2.1.3 De relatie lichaam en geest als onopgelost vraagstuk.

Ons lichaam is een machine, net zoals de lichamen van de dieren. Het grote probleem bij Descartes was dat van de verhouding tussen lichaam en geest, een probleem dat trouwens de rationalisten zal bezighouden. Ze stelden zich onder meer de volgende vragen :

- Hoe verklaren we de wisselwerking tussen lichaam en geest ? - Als de materie door strenge natuurwetten bepaald is, is er dan nog plaats voor de vrije wil?

3.2.2 De oplossing van Leibniz

LEIBNIZ (1646-1716), een van de grootste Duitse rationalisten, geeft daarop een heel origineel antwoord dat meteen aantoont hoe ver deze intelligente filosofen hun verklaringen gingen zoeken : hij begint met de beschrijving van het atelier van een uurwerkmaker (de zeventiende en achttiende eeuw waren gefascineerd door mechaniek) die alle klokken volledig gelijk laat lopen. God is de Grote Uurwerkmaker, die dë bewegingen van de ene klok, ons lichaam, op voorhand heeft afgestemd op die van de andere klok, onze geest (harmonia praestabilita), zodat we de indruk krijgen dat er een direct verband is tussen lichaam en geest. Dit voorbeeld, dat slechts één nogal extreem aspect van Leibniz' denken belicht, wil niet de indruk geven dat de bijdrage van deze denker zich tot zulke spitsvondigheden beperkt . Maar het toont wel aan, dat de rationalisten met een aantal problemen bleven zitten, die in hun systeem niet konden worden opgelost. Dit verklaart ook het bestaan van een andere benadering van de realiteit, die vooral in het politiek, economisch en wetenschappelijk verder geëvolueerde Engeland de filosofie zal beheersen, het empirisme.

 

3.3 Het empirisme en John Locke als voorbeeld

3.3.1 Empirisme

Het empirisme (empirie, zintuiglijke ervaring) is een filosoische stroming die alle kennis uit de ervaring van de zintuigen afleidt. Daarop moeten elke wetenschap en elk moreel handelen gegrond zijn. We behandelen hier John Locke (1632-1704) die het latere empirisme van Berkeley en Hume inleidde.

3.3.2 John Locke (1632-1704)

John Locke is belangrijk als filosoof, als opvoeder en als theoreticus van de Engelse Revolutie van 1688. Hij is zowel een van de grondleggers van de politieke en sociale wetenschappen als van de empirische kennisleer.

3.3.2.1 Kennisleer

Deze kennisleer zette hij uiteen in zijn Essay concerning human understanding (1687, gepubliceerd in 1690). Hij begint met het verwerpen van aangeboren concepten of morele ideeën. De mens begint dus als een onbeschreven blad. Door zintuiglijke ervaringen krijgt ons bewustzijn een inhoud (zoals een kind de dingen leert kennen) en deze inhoud noemt Locke 'ideeën'. Deze ideeën komen dus volledig van buitenaf. Onze ervaring is tweeledig : uiterlijke zintuiglijke ervaring (sensation) en innerlijke zelfobservatie (reflection). Elk van ons, en elke bevolkingsgroep, heeft verschillende ervaringen, waardoor zelfs onze hoogste principes van elkaar moeten verschillen. Als er dan toch een zekere overeenkomst te bespeuren is, dan komt dat door de natuur (die dezelfde blijft) of door de gewoonte.


De dingen die we waarnemen hebben primaire en secundaire eigenschappen. Primair heeft elk ding grootte, vorm, getal, positie, bewegingofrust. Deze eigenschappen zijn onlosmakelijk met alle dingen verbonden. De secundaire eigenschappen zijn onder meer kleur, geur, smaak enzovoort, en die ontstaan door inwerking van onzichtbare stofdeeltjes die op onze zintuigen inwerken. De primaire eigenschappen zijn dus objectief (in de objecten zelf), terwijl de secundaire eigenschappen pas door de waarneming, dus subjectief (in het waarnemende subject) ontstaan.

3.3.2.2 Waarheid?

Hoe komen we volgens Locke tot de waarheid ? Van zijn filosofische voorgangers aanvaardt hij de zekerheid van ons eigen bestaan, van het bestaan van God en van de waarheid van de wiskunde. Voor de rest gelooft hij niet in absolute zekerheden en vindt hij het redelijk altijd een zekere mate van twijfel te bewaren. Deze twijfel leidde hem in de politiek tot religieuze tolerantie, tot parlementaire democratie en tot de laisser-fairetheorieën van het klassieke liberalisme.

3.3.2.3 Concreet samenleven bij empiristen?

De invloed van deze ideeën wordt duidelijk in de drie grote revoluties van de moderne tijd, de Engelse van 1688, de Amerikaanse van 1776 en de Franse van 1789, onder meer door Voltaire, die de ideeën van Locke en anderen in Frankrijk verspreidde. In elk van die drie bewegingen, die de grondslag gelegd hebben van de moderne maatschappij, is er sprake van parlementaire democratie (waarom zou het standpunt van je tegenstander eigenlijk minder waar zijn dan dat van jou ?), religieuze tolerantie (geen enkele godsdienst kan de absolute waarheid voor zich opeisen) en van een grote bewegingsvrijheid voor handel, industrie en financiën. Locke pleitte voor onderling begrip, omdat je niet mag verlangen dat anderen, vanuit een andere ervaring, automatisch door jouw inzichten overtuigd zullen worden. Alleen op die basis is een samenleving in vrede, wederzijds respect en vriendschap mogelijk tussen mensen met verschillende opinies. Daar mensen met minder opvoeding en kennis gewoonlijk ook minder verdraagzaam zijn, is een grondige opvoeding een voorwaarde voor een tolerante maatschappij.

 

3.4 Kant: tussen rationalisme en empirisme

Kant stond voor het volgende kennistheoretische probleem. Enerzijds zeggen de empiristen dat kennis uitsluitend van de zintuiglijke waarnemingen afhangt, en dat lijkt erg waarschijnlijk, maar dan komen ze tot stellingen die het bestaan van alle materie ontkennen (Berkeley). Anderzijds zeggen de rationalisten, dat je de zintuigen niet kan vertrouwen en dat je alleen met het verstand (de ratio, die Vernunft) kan kennen, en ook dat klinkt overtuigend. Maar hoe kan je de evidentie van de zintuiglijke waarnemingen volledig loochenen en hoe sla je een brug tussen de wereld van de geest en die van de stof (het probleem van Descartes, Leibniz en anderen)?

3.4.1.De copernicaanse revolutie: Kritik der reinen Vernunft


In zijn eerste belangrijke boek, Kritik der reinen Vernunft (1781) waarmee een mijlpaal, ‘een copernicaanse revolutie’, in de geschiedenis van de filosofie geslagen werd, komt hij tot de volgende oplossing van het probleem. De werkelijkheid op zich (das Ding-an-sich) zendt zintuiglijke waarnemingen uit die ons verstand bereiken - tot zover gaat hij akkoord met de empiristen. Ons verstand is echter geen onbeschreven blad, maar een gestructureerd instrument, dat die waarnemingen in bepaalde, in ons aangeboren, vakjes of categorieën plaatst, zo bijvoorbeeld de algemene denkvormen van tijd en ruimte en verder de twaalf categorieën van

- kwantiteit: eenheid, veelheid, totaliteit;

- kwaliteit: realiteit, negatie, beperking;

- relatie: substantie-toevalligheid, oorzaak-gevolg, wederkerigheid ; en

- modaliteit: mogelijkheid, bestaan, noodzaak.


Belangrijker dan de opsomming van deze categorieën is het inzicht, dat ons verstand de zintuiglijke ervaring automatisch 'vervormt; zodat we - en hier komt de schokkende vaststelling in feite over het Ding-an-sich niets kunnen weten (de gekleurde bril, de contactlenzen). Kant noemde het Ding-an-sich ‘Noumenon' en de ervaringen van de zintuigen 'Fenomenen' (verschijnselen).


Om dit duidelijk te maken onderscheidde Kant twee sets van oordelen die we elk op zich moeten bekijken : analytisch tegenover synthetisch, en empirisch tegenover 'a priori'.

a) Een analytisch oordeel is een oordeel, waarbij het gezegde al in het onderwerp zit, bijvoorbeeld "een hoge boom is een boom".


Een synthetisch oordeel brengt elementen uit de ervaring : "Napoleon is een groot generaal'; of "Antwerpen is een havenstad".


b
) Een empirisch oordeel berust vo11edig op de ervaring, de onze of die van iemand die we kunnen vertrouwen.

Een `a priori' oordeel heeft meer nodig dan louter observatie : zo kan de sprong van het observeren van twee appels en nog eens twee appels is vier appels tot de formule '2 + 2 = 4' niet louter op observatie teruggaan.


Hieruit volgt dat alle synthetische oordelen empirisch zijn, maar is een `synthetisch oordeel a priori' mogelijk?


Dit leidt hem tot zijn kennisleer, waarin hij de (synthetische) ervaringen van de zintuigen verbindt met de (a priori) structuren van het verstand.


Het gevolg van deze theorie was, dat hij geen enkele van de grote waarheden van de filosofie meer kon bewijzen, bijvoorbeeld het bestaan van God, de menselijke vrije wil of de onsterfelijkheid. Dit inzicht, waarop Kant later vanuit een andere hoek zal terugkomen, had tijdens de Duitse romantiek een enorm effect en leidde tot grote wanhoop en zelfs zelfmoord "Als er niets zeker is, zelfs niet het bestaan van God, zelfs niet de mensen en dingen die ons dierbaar zijn, heeft het dan nog zin verder te leven ?"

 3.4.2 De Kritik der praktischen Vernunft

In 1786 schreef Kant zijn tweede boek Kritik der praktischen Vernunft, waarin hij stelt dat er om morele redenen rechtvaardigheid nodig is (geluk dat afhangt van de beoefening van de deugd). Deze rechtvaardigheid kan alleen maar door God worden verzekerd, en het is duidelijk dat we in dit leven deze rechtvaardigheid meestal niet ervaren. Dit bewijst dus 'moreel' het bestaan van God en de onsterfelijkheid, en om deugdzaam te kunnen zijn is de vrije wil nodig, anders kan de mens zelf niet beslissen.

 3.4.3 De Kritik der Urteilskraft (1790) als brug

De eerste twee Kritiken leiden tot een kloof tussen natuur en vrijheid.

Natuur = de deterministische fenomenale natuur (het geheel der verschijnselen waarvan de vorm door het kennend subject is bepaald, )=> theoretische filosofie, fysica, wiskunde. Vanuit de natuur kan niets gezegd worden over de menselijke vrijheid.

Vrijheid: de praktische rede ‘kent’ die niet, maar moet ze wel postuleren opdat de moraal mogelijk zou zijn.

En toch zou er een verband moeten zijn: de menselijke vrijheid zou niet van belang zijn voor het beoordelen van het morele gedrag, indien ze niet doorwerkte in de wereld der verschijnselen waartoe de te beoordelen handelingen behoren.

In de Kritik der Urteilskraft wordt een brug gelegd door de volgende gedachte: we kunnen op subjectief geldige wijze een verband leggen tussen de vrijheid (of het rijk der doeleinden) en de natuur (of het rijk der oorzaken) door de natuur te beschouwen als het rijk van doeloorzaken.

Kant past dit toe op drie gebieden:

1. op het gebied van de empirische natuurwetmatigheden

De natuurwetenschapper moet de empirische wereld, inzoverre ze niet door ons eigen verstand gestructureerd is, opvatten alsof ze bepaald is door een ander verstand, het verstand van God. Dan ziet hij de empirische werkelijkheid als een doelgericht systeem.

2. op het gebied van de kunst

Kant interpreteert het kunstwerk als een fenomenale uitdrukking van het noumenale (an sich bestaande) rijk van de vrijheid. Schoonheid is dus een zinnebeeld van het moreel goede.

3. op het gebied van de levende organismen

De teleologie heeft een belangrijke functie bij het verklaren van de levende organismen:

In zijn persoonlijk en politiek leven was Kant een groot voorvechter van de Verlichting `het uittreden van de mens uit de onmondigheid; en van de democratie, en een van de eersten die na de Middeleeuwen een tractaat over 'De eeuwige Vrede' schreef. Met zijn moraal oefende hij een grote invloed uit op de Duitse klassieken (Goethe en Schiller). Zijn agnosticisme en zijn verwerping van de metafysica zullen een aanzet vormen om opnieuw tot de absolute waarheid door te dringen in het Duitse idealisme van Fichte, Schelling en vooral Hegel.

 4. Het Hegeliaans struikelblok

idealisme <-> materialisme Feuerbach en Marx

optimisme <-> Schopenhauer --> Nietzsche

ondergeschiktheid van de mens <-> Kierkegaard --> existentialisme

4.1 Hegel en het Duitse idealisme

Hegel is de belangrijkste filosoof uit de beweging van het Duits idealisme (met ook J. G. Fichte en W. Von Schelling). Hegels filosofie is een goed startpunt om andere filosofen te begrijpen.

4.1.1 Kenmerken van Hegels filosofie

4.1.1.1 Een idealisme.

Volgens Hegel wordt de geschiedenis geleid door een redelijkheid, de geest en wel volgens een dialectische methode.

Dialectisch: thesis T - antithesis A -=> synthese S bijv.

zijn T - niet-zijn A => worden S

absolute monarchie T - volksmacht A => constitutionele macht S

Kenmerkend is: 1.ontwikkeling kan maar gebeuren via een negatie

2. De Synthese is de negatie van de negatie en bevat dus steeds elementen van de thesis en de antithesis

3. De synthese is een vooruitgang en een nieuwe thesis.

5 Schopenhauer en Nietzsche

5.1 Schopenhauer (zie apparte nota’s)

5.2. Friedrich Nietzsche (1844-1900)

5.2.1. Biografie

° Zoon van dominee (Saksen), Interesse voor Griekse mythologie, op 24 jaar hoogleraar te Bazel (!) tot 1879. In 1888 krankzinnig genoemd.

5.2.2 Eerst werk: Die Geburt der Tragodie aus dem Geiste der Musik (1871-2)

Noot: In 1ste editie lofrede voor Wagner. In de 2de editie vervalt dit en wordt het werk: "Die Geburt der Tragodie oder Griechentum und Pessimismus"

Nietzsche stelt dat de Griekse cultuur vergleed:

    • Heraclitus erkende nog het tragische van en in alles <->Socrates - Plato: brengen de theoretische decadentie
      Het leidt tot de erge beslissing van Rousseau: weg van de mens, weg van de beschaving!
    • wereld: appolinisch (ordend) & dionysisch (extatische, roes/ Dionysos is de god van de lente, wijn en roes). Het appolinische heeft het (bijna) gehaald

Er moet een terugkeer zijn van de echte cultuur (cfr. Goethe), van het echte (volle) leven. Mythes en tragedie. De filosofie van het zijn moet zich omkeren naar het worden.

5.2.3 Problemen met Nietzsches werk

  • Vervalsing door zus Elisabeth: (Nietzsches aversie tegen Bismarck en het Duitse Rijk wordt omgedraaid naar een Joodse aversie)
  • Geen afgewerkte leer, wel aforismen "Versuchphilosophie"
  • Nietzsche wordt gezien als een cultuurcriticus, cultuurfilosoof en in de Amerikaanse kringen beschouwt men hem als een prozaïst (en geen filosoof). Hij is de "Letzte aller Metaphysiker"

5.2.4. Allerlei thema’s kunnen gebruikt worden als invalshoek

  • Uebermensch (=/ arische mens, wel de held. De held is zeker niet de christelijke Parsifal zoals Wagner voorstelde)
  • Wille zur Macht
  • De eeuwige terugkeer van hetzelfde
  • Filosofie van de toekomst: "De mensheid tot besluiten dwingen dit over elke toekomst beslissen.
  • Filosofie van de wording
  • Filosofie van de balancerende mens

 5.2.5 Enkele topics uit Nietzsches filosofie

5.2.5.1 Van taal en interpretatie tot extatisch nihilisme

De taal komt tot stand op het moment waar de onwetendheid begint. Taal is een vorm van begrijpen van wat we niet echt omvatten. Verwoorden is daarom ook steeds ontoereikend. Nu zijn woorden nooit zomaar iets zoals etiketten op iets. Ze doen ook iets. Woorden zoals ‘ik’, ‘wereld’, ‘macht’ zijn FICTIES die we nodig hebben om onszelf en de wereld op te bouwen of overeind te houden.

Interpretatie is het vertalen binnen een ruimer geheel. Het verdichten, ‘Dichtung’. Interpretatie actualiseert (zet iets in onze tijd) en realiseert dus ook. Interpretatie is machtig. Maar let wel: de interpretatie is een interpretatie van ‘feiten’ die echter zelf een geheel zijn van interpretaties van mezelf of van anderen. DE interpretatie bestaat niet, er zijn altijd diverse perspectieven.

Dit leidt tot NIHILISME: alle waarden storten in, zowel God of het absolute bestaat niet. Het zijn woorden voor iets dat we niet kennen, voor een gemis aan duidelijkheid en zekerheid. In het extatisch NIHILISME , zoals bij Nietzsche, wordt dit ten uiterste doorgetrokken: niet alleen weten dat alles fictie is, maar dit ook ten volle aanvaarden. En dit vraagt de deugdzaamheid van een Uebermensch.

5.2.5.2 Zur Genealogie der Moral (1887) - Wil tot macht

Hierin brengt Nietzsche een analyse van het ontstaan van waarden.

* herenmoraal: moraal van de ‘voorname mens’: verheerlijkt alles wat edel is. Hier geldt de wil tot macht: het leven zelf, dit leidt tot zelfbehoud maar ook zelfvernietiging. Let wel de heer is heer omdat hij kan overheersen over slaven. Indien de slaven opstaan... is hij geen heer meer. Zo is eigenlijk de heer de slaaf der slaven.

* slavenmoraal: moraal van de onderdanige mens: predikt levensvijandige waarden zoals gelijkheid, medelijden, volgzaamheid en nederigheid. Het is de moraal van het Christendom. Ook het geweten praat mezelf en anderen voortdurend schuldgevoelens aan. Het geweten is het instinct van de wreedheid.

5.2.5.3 De Uebermensch

= iemand die zichzelf overwint zonder zichzelf te verachten

= de kuntstenaar die de wereld schept en die wat hij wil ook verwerkelijkt

= is iemand gelooft dat alles wat er is, er gewoon is en daarom niet goed of slecht is. Blijf de aarde trouw zegt Nietzsche.

5.2.5.4 Nieuwe waarden?

De onderiteling van zijn boek "Wille zur Macht"is Die Umwertung aller Werte. Wie zich bevrijdt van alles wat moet en niet mag, wordt nieuwe mens en ontdekt het ‘heilige’ leven (aldus Nietzsche)