MUUS JACOBSE: De Drie Kooien, Kampen, 1946

Een gedicht dat mij heel dierbaar is, is het lange verhalende vers van Muus Jacobse: De Drie Kooien (Kampen, 1946, met houtsneden van Nico Bulder). Hieronder het gedicht met enige toelichting.

De dichter.
Muus Jacobse, geboren 1909 te Hoorn (Terschelling), pseudoniem voor Prof. dr. K. Heeroma, dichter en essayist, hoogleraar in de letteren te Groningen. Medewerker aan Nieuwe Psalmberijming en Liedboek voor de Kerken, publiceerde Bijbelse Gezangen (1962) en Nader tot een taaltheologie (1967). Overleden in 1972 te Groningen. - Aldus het persoonsregister van het Liedboek voor de Kerken, waarin een groot aantal liederen van Muus Jacobse staan, zoals het bekende Gz 477: Geest van hierboven.

Het Godsrijk te Munster (1534-1535).
We gaan in gedachten terug naar de beginjaren van de reformatie (ongeveer 1530). Naast volgelingen van Luther en Zwingli treden er doperse predikers op, zoals Melchior Hoffmann. In zijn prediking klinkt de verwachting door van het duizendjarig vrederijk, waarin Christus vergelding zal doen aan de vijanden van Zijn verdrukte gemeente. Zijn prediking wekte alom een wonderlijke vervoering, vooral in Nederland. Daar werd de noodlottige stap gedaan, die de revolutiegeest onder de dopersen ontketende. Jan Matthijsz, een bakker uit Haarlem, predikte dat de gelovigen zelf het ophanden zijnde Godsrijk moesten verwerkelijken. Hij hield zich voor de profeet Henoch. Terwijl deze geest over velen in Holland vaardig werd, wisten [de] anderen het bestuur over de stad Munster in handen te krijgen (1534). Vele roomsen en evangelischen verlieten toen de stad. En uit Holland en van elders stroomden de dopersen binnen. Jan Matthijsz kwam ook. Hier zou het nieuwe Jeruzalem worden verwerkelijkt! Onder de wever Knipperdolling, die nu burgemeester was, werd de wederdoop massaal bediend en een communistische gemeenschapsvorm ingevoerd. Kort daarop verscheen de bisschop van Munster met een leger voor de stad, om haar terug te winnen. Nu brak dus de heilige oorlog uit, waarin het Godsrijk zou worden opgericht. Men moest wel naar de wapenen grijpen. De geestdrijverij kende geen grenzen meer. Toen Jan Matthijsz sneuvelde, werd Jan Beukelszoon, een kleermaker uit Leiden, zijn opvolger. Hij grondde zijn rijk op innerlijke openbaringen van de Geest. Maar het was een geest zonder binding aan het Woord, al beriep de heerser zich wel op het Oude Testament toen hij veelwijverij invoerde. Jan van Leiden liet zich tot 'koning der gerechtigheid' uitroepen, omgaf zich met pracht en praal en oefende een schrikbewind uit. Op elke overtreding van de 'Wet Gods' stond de doodstraf. Intussen werd de nood in de belegerde stad steeds nijpender. Op 25 juni 1535 werd ze door de bisschop ingenomen. Er volgde een wrede wraakoefening. Munster werd weer een roomse stad. (H. Berkhof / O.J. de Jong, Geschiedenis der kerk, Nijkerk, 1967, 7e druk, 163-164).

De gevolgen. Sinds het Godsrijk te Munster zijn de grote kerken in West-Europa vuurbang voor alle geestdrijverij en chiliasme (= de verwachting van het Duizendjarig Rijk op aarde). Zo staat er in de belijdenissen van de Protestantse Kerk in Nederland dat diegenen vervloekt zijn die de joodse opvatting verbreiden dat vóór de opstanding van de doden de gelovigen de wereldheerschappij in handen zullen krijgen (Augsburgse Confessie art. 17) en dat wij de wederdopers en andere oproerige mensen afwijzen, en in het algemeen allen die overheden en magistraten verwerpen en de rechtsorde omver willen werpen door het invoeren van gemeenschap van goederen en die de goede zeden, die God onder de mensen ingesteld heeft, verstoren (Nederlandse Geloofsbelijdenis art. 36).

Het gedicht.

De Drie Kooien

Heer, dit gedicht keer tot U weer!
De ketters van dit lied schiept Gij,
Het lied der ketters is van mij:
Mocht het maar klinken tot Uw eer!

Gij hebt Uw Kerk geschapen, maar
Wat die Kerk deed was mensenwerk:
De ketters misten in Uw Kerk
Uw Geest en hunkerden ernaar.

Hebt Gij niet het onwaardige
Schaap in Uw armen thuisgehaald,
Omdat het dieper was verdwaald
In U dan de rechtvaardigen?

Verduisterd was hun arme blik
– Vergeef mij als ik dat vergeet –
Maar ik bemin ze omdat ik weet:
Gij hebt ze meer bemind dan ik.

  Zij kwamen bijeen uit dorpen en steden:
God was het die hen riep en samenbracht,
Want in Munster werd vrij Gods Woord beleden
En op het komen van Zijn Rijk gewacht.

De schepen zeilden aan van alle kant
Om de scharen van Amsterdam te halen,
En verder trokken zij, in 't Overland,
Oostwaarts over de heuvels van Westfalen.

Uit Haarlem kwam de bakker Jan Matthijssen:
Wie eenmaal van het brood des levens eet
En uitverkoren werd tot Gods profeet,
Verlaat zijn huis en moet naar Munster reizen.

Jan Beukelszoon was kleermaker in Leiden:
Wie God heeft aangegord met een nieuw kleed
En uitverkoren heeft tot Zijn profeet,
Trekt uit naar Munster om voor God te strijden.

Want de bisschop van Munster, die was verdreven,
Was de rijken der aarde rondgegaan
En naderde met een geweldig leger
Om de heilige stad naar het hart te staan.

En Jan Matthijssen was nauwelijks binnen,
Of de bisschop stond buiten al voor de poort!
Toen heeft Jan Matthijssen een stem gehoord:
“Vrees niet, Ik zal de wereld overwinnen!"

Wie riep niet mee: "God zal ons háást ontzetten"?
En Jan Matthijssen ging de scharen voor.
Psalmzingend trokken zij de poorten door:
"Wanneer God mèt ons is, wat zou ons letten?"

Maar de bisschop van Munster had ze zien komen
En sloeg ze neer in een felle slag.
En Jan Matthijssen, met vele vromen,
Zou niet meer opstaan vóór de jongste dag.

En er is stilte op de stad gevallen -
Tot eenmaal Jan van Leiden, opgericht,
Heenstaren bleef naar een hemels gezicht,
En hij, de ogen ver over hen allen,

Stamelde: "Ik zie Jan Matthijs van Haarlem!
O, nog een kleine tijd, dan ziet gij hem
Weerkeren in een nieuw Jeruzalem,
Waar goud de straat is en de poorten paarlen!

Nog is het nacht, maar God, die ons behoedt,
Zal strijden met de bisschop en zijn benden
En zijn doodsengel wrekend tot hen zenden,
Die in de nacht met pestilentie woedt.

Eens als wij uitgaan in het morgenroden,
Zal ons een stilte melden, hoe God streed...
Hoor, hoor, één lange jubelende kreet,
Schallend over het leger van de doden!

Trompetter van de dag, steek de trompet!
Klim op de hoogste toren, mijn trompetter,
En breek de grauwe morgen met geschetter,
Want achter is de nacht! Steek de trompet!

Klim op de hoogste toren! Wek tot daden!
God zelf heeft ons Zijn heilig zwaard gewet!
O mijn trompetter, steek nu de trompet
Over het jubeljaar van de genade!

Wat wij het onze noemden, rukt het af,
Om naakt te staan en alles nieuw t'ontvangen
Van God, zodat wij enkel zijn omhangen
Met het geheiligd kleed dat Hij ons gaf!

O dit beloofde land van melk en honing!
Geen rijkdom is er meer, geen armoe meer,
Maar allen zitten aan één tafel neer
Als bruiloftsgasten van de grote Koning!"

En Jan van Leiden reed door Munster rond
En zat als rechter op de markt en rechtte:
Gods zwaard sloeg over hen naar híj beslechtte,
Gods wil sprak uit de woorden van zíjn mond.

Soms in een visioen van bloed wegduizelend
Zag hij de beesten uit de Openbaringen,
Vlammen en rookdamp die de zon verduisterden,
En steeg op zijn wit paard, de ogen starende.

Maar als hij neerlag in zijn hoog paleis,
Koning van Sion, werd zijn staren zachter.
Wist hij zich weer met vurig zwaard de wachter
Over een nieuwgeboren paradijs.

Dan rees voor hem van die zijn zusters waren
De zachtste en schoonste: was dit niet de dag
Dat Adam voor het eerst zijn Eva zag,
Van God gegeven om met hem te paren

Tot wellust van zijn hoge eenzaamheid?
Liet God hem niet, om zich hem t' openbaren,
In haar omhelzingen ten hemel varen,
Zoals Hij zijn beminden had bereid?

Maar plotseling opwakend in verbazing
- Zag hij een vreemde? - schudde hij haar neer,
Greep andren, en verstiet ze weer,
In uiterste huivring, opperste verdwazing.

En in zijn rode koningsmantel schreed
Hij lege straten door en zocht verkwikking,
Wankelend van verrukking naar verschrikking:
Vloekend de vijanden van Gods profeet.

En somber keek hij uit over de wallen
En zag de galgen met gehangenen:
Dat waren boden en gevangenen
Die de bisschop in handen waren gevallen.

Want de bisschop deed het langzaam maar zeker,
En zijn soldaten en zijn bondgenoten
Hadden de stad àl nauwer ingesloten,
Zodat er geen bode meer door kon breken.

Ach Jan van Leiden, zij konden niet komen,
De vrienden, de Hollanders en de Friezen.
Zij gingen op weg om voor God te kiezen
Als kinderen, de slagorden der vromen.

Zij die Gods Rijk hadden willen beveiligen,
Waren allen verslagen en verstrooid,
Stierven in pijn, of zwierven nu berooid
Ver van hun huis, ver van de stad der heiligen.

En toen in Munster het verraad begon,
Er naar de bisschop gingen, die hem zeiden,
Waar de wal 't zwakste was, wist Jan van Leiden
Dat God alleen zijn stad nog helpen kon.

Maar God is ver gebleven en Zijn Rijk
Is door de macht der wereld overrompeld,
Als een te vroege bloei ineengeschrompeld,
En neergevallen, en vertrapt tot slijk.

De bisschop en de bondgenooten lachten
Uit een stadhuisraam naar een rood schavot.
Zij hadden voor de stad lang moeten wachten,
Maar kregen nu waar voor hun geld, bij God!

"Komaan, koning Jan Beukelszoon van Leiden,
Is dit hoge schavot geen mooie troon?
De beul zal je een bloedrood maal bereiden:
Wacht als een koning nu een koningsloon!"

De beul heeft zijn vlees met tangen geknepen
En van zijn beenderen afgerukt.
En toen zijn hart diep uit zijn borst gegrepen
En in zijn mond gedrukt.

En toen koning, stadhouder en profeet
Zo stukgescheurd waren met gloeiende tangen,
Zijn er drie grote kooien voor ze gesmeed
Om ze hoog aan de toren op te hangen.

Berend Knipperdolling hing in de linkerkooi.
Hij was uit Munster, uit een goed geslacht.
Zijn moeder had het zeker nooit gedacht,
Dat hij zou hangen aan zo'n hoge galg.

En Berend Rotman hing in de rechterkooi.
Hij had het boekje "Van de Wraak" geschreven,
Maar 't heeft hem niets tegen de wraak gegeven.
Hij moest toch rotten als een vogelprooi.

Maar de bovenste kooi was voor Jan van Leiden!
Voor hem was de hoogste plaats bewaard,
Want men had hem zo dikwijls heen zien rijden,
Hoog op zijn koninklijk paard.

Uit Leiden naar Munster was hij gekomen,
Een wilde vogel met een zó hoog lied,
Dat aller hart vervuld werd van zijn dromen,
Maar de kooi ontging hij niet.

De bisschop wist die vogel wel te vangen:
O Jan van Leiden, Jan van Leiden,
Waarom kun je je nu niet uit je kooi bevrijden?
Waarom zing je nu niet je oude zangen?

Je hebt gedroomd ons allen te bevrijden,
Nu moet je zelf hoog aan de toren hangen.
O Jan van Leiden, Jan van Leiden,
Waarom zing je nu niet je oude zangen?

God houdt van wilde vogels in het bos
En wil niet dat ze in een kooi versmachten:
Drie vogels liet hij naar de hemel los,
Drie kooien bleven aan de toren achter.

Drie lege kooien bleven aan de toren,
En zijn gebleven tot op deze dag,
Opdat een waarschuwende stem zou horen
Al wie die drie kooien daar hangen zag.

En wie in Munster komt, moet niet vergeten
Dat er drie kooien aan de toren hangen.
Van Leiden tot Munster moet ieder weten:
Ergens staat een kooi kláár om ons te vangen.

Want men kan van Leiden naar Munster reizen,
Ergens staat een kooi kláár om ons te vangen.
O Jan van Leiden, Jan van Leiden,
Niets is er vrij dan het oneindige verlangen.

Wie dus dit lied lezen of horen lezen,
Wilt allen dit leren, ouden en jongen,
Om wijzer dan Jan van Leiden te wezen.
Dan is zijn lied niet tevergeefs gezongen.

Maar wie zoo dwaas zal zijn als Jan van Leiden,
Zou God hem laten smachten in een waan?
Hij zal hem zeker op Zijn dag bevrijden
En de kooi openen van zijn bestaan.

Wie dan als Jan van Leiden zit gevangen,
Zou hij nog mensen zien die langs hem trekken?
Hij kan alleen maar blindelings zich rekken
Ver naar de horizon van zijn verlangen,

En in gedachten zwerven duizend mijlen
Buiten de grenzen van zijn vergezicht,
En zijn vleugels stukslaan tegen de spijlen,
Tot God hem laat uitvliegen in het licht.
 

De drie kooien hangen nog altijd aan de Lambertikirche in Munster, vlak boven de wijzerplaat. De drie stoffelijke overschotten zijn inmiddels verwijderd.

   

De kerkgeschiedenis.
is vaak geschreven als de geschiedenis van kerk en ketters. Zoals Goethe spottend zei:
Zwei Gegner sind es, die sich boxen, / Die Arianer und die Orthodoxen.
Geschiedenis wordt veelal geschreven door de winnaars, in dit geval: door de kerk. Veel ketters uit de oude kerkgeschiedenis kennen we enkel uit de geschriften van hun rechtzinnige tegenstanders; het is de vraag of die een zuiver beeld konden geven. De Unparteiische Kirchen- und Ketzerhistorie van de Duitse pietist Gottfried Arnold (1699) benadert de kerkgeschiedenis vanuit het gezichtspunt van de ketters en secten. Ook dit gedicht van Muus Jacobse geeft kerkgeschiedenis. De feiten kloppen met de handboeken. Maar uit dit lied spreekt meer sympathie voor Jan van Leiden dan voor de bisschop.

Establishment en revolutie.
Met zijn kerkelijke titel en zijn leger staat de bisschop voor het establishment. Nergens blijkt dat hij enig gevoel heeft voor het religieuze verlangen van de gewone mensen (De ketters misten in Uw Kerk / Uw Geest en hunkerden ernaar). - De doperse radicalen preken de revolutie. De verbeelding aan de macht. Gods Rijk tegenover de machten van deze wereld. Het wordt een grote teleurstelling. De gevestigde orde is sterker dan de rebellie. En vooral: de revolutie eet haar eigen kinderen op. De nieuwe vrijheid wordt in Munster nieuwe onderdrukking. Tot mislukken gedoemd.

De secte.
Het gedicht laat zich lezen als typering van een secte. Een van de vele secten die gefascineerd zijn door de toekomstverwachting. Doordat de bisschop Munster belegert, radicaliseert de beweging binnen de stad. Het is een proces dat zich telkens herhaalt. Als een godsdienstige groep zich miskend en geïsoleerd voelt, sluiten zich de gelederen. De opvattingen worden extremer. Voor nuances is geen ruimte meer. Wie niet voor ons is, is tegen ons. Een charismatische leider komt aan de macht.

De secteleider.
Jan van Leiden is het type van de secteleider. Hij ziet het grootse visioen. Hij profeteert de nabije verlossing. Hij krijgt onbegrensde volmachten. Hij spreekt Gods Woord, over leven en dood van zijn volgelingen. Zelf staat hij boven de wet. Hij beschikt over zijn vrouwelijke volgelingen. Tegelijk is hij zelf ten prooi aan sterk wisselende gevoelens: wankelend van verrukking naar verschrikking. Je kunt dat godsdienstwaanzin noemen. Je kunt zo'n secteleider afschilderen als een gevaarlijke psychopaat, die zijn macht en zijn volgelingen misbruikt.

Mededogen en verlangen.
Mij treft het mededogen waarmee Muus Jacobse schrijft over Jan van Leiden. Slachtoffer van de gevestigde orde en van zijn eigen visioenen. Verraden door zijn volgelingen en in de steek gelaten door God: Maar God is ver gebleven en Zijn Rijk / Is door de macht der wereld overrompeld. Jan van Leiden heeft zich vergist: wij kunnen Gods Rijk niet forceren, want dat loopt uit op een fiasco: als een te vroege bloei ineengeschrompeld. Daarom waarschuwt de dichter ons Om wijzer dan Jan van Leiden te wezen. Maar hij voegt er gelijk aan toe: Maar wie zo dwaas zal zijn als Jan van Leiden / Zou God hem laten smachten in een waan? Hij zal hem zeker op Zijn dag bevrijden / en de kooi openen van zijn bestaan. Het verlangen naar Gods Geest en Rijk blijft bestaan. Dat verlangen is geen vergissing. Het laat zich in geen kooi opsluiten. Tenslotte laat God ons uitvliegen in het licht.

terug naar diversen

terug naar boeken

TERUG NAAR INDEX