DUBBEL

In de Bijbel worden alle belangrijke dingen ten minste dubbel gezegd.
Alle belangrijke verhalen worden ten minste tweemaal verteld.
Alle belangrijke onderwerpen worden van ten minste twee kanten belicht.

Dit is een eenvoudige waarneming die elke Bijbellezer kan doen. Ik geef eerst een aantal voorbeelden. Daarna geef ik er enkele overwegingen bij.

Voorbeelden uit het Oude Testament:
Voorbeelden uit het Nieuwe Testament:
Ik realieer me dat over elk van deze voorbeelden veel meer te zeggen valt. Je kunt ook niet al deze gevallen over één kam scheren. Er zijn nog een heleboel andere voorbeelden te noemen. Ik denk dat ik met de genoemde teksten mijn punt heb gemaakt: In de Bijbel worden alle belangrijke dingen ten minste dubbel gezegd. Alle belangrijke verhalen worden ten minste tweemaal verteld. Alle belangrijke onderwerpen worden van ten minste twee kanten belicht. De vraag is nu wat dit betekent.

- De goedkope Bijbelkritiek scoort hier voor open doel: Zie je wel, de Bijbel staat vol tegenstrijdigheden! De Bijbel klopt niet, dus de Bijbel is niet waar. En daarmee is het christelijke geloof weerlegd. Je moet toch wel oliedom zijn om je levensovertuiging op zo'n boek vol tegenstrijdigheden en dus onjuistheden te baseren!
- Door de eeuwen heen hebben gelovigen zich geroepen gevoeld om de Bijbel tegen deze kritiek te verdedigen. Tegen de kritiek van buitenaf (zie de vorige regels) en tegen de kritiek van binnenuit (uit eigen kring en uit eigen hart), want het is soms best lastig om te geloven in teksten die elkaar tegenspreken. Gelovige Bijbellezers hebben geprobeerd de (schijnbaar) tegenstrijdige teksten te harmoniseren. Bijvoorbeeld door de twee geboorteverhalen Lucas 2 en Mattheus 2 (zie boven) achter elkaar te zetten als twee opéénvolgende episoden; door aannemelijk te maken dat het schijnbare verschil tussen Jacobus en Paulus enkel berust op een verschil in invalshoek (zie boven); en door de twee wegen en de zaligheid voor allen op te vatten als opéénvolgende fasen in Gods heilsplan (zie boven).
- Het probleem van de vier verschillende Evangeliën wordt het meest drastisch opgelost door ze te combineren tot één doorlopend verhaal. In de kerkgeschiedenis is het beroemde voorbeeld het Diatessaron van Tatianus (rond 170): een combinatie van bijna alle teksten van de vier Evangeliën (waarbij Tatianus veelbetekenend de geslachtsregisters van Mattheus 1 en Lucas 3 buiten beschouwing laat). De christelijke kerk heeft in haar canon niet het Diatessaron, maar de vier afzonderlijke Evangeliën opgenomen. Maar veel kinderbijbels herhalen (begrijpelijk om pedagogische redenen) de prestatie van Tatianus en combineren de verhalen uit de vier Evangeliën (een uitzondering: de kinderbijbel Woord voor Woord van Karel Eykman en Bert Bouman beperkt zich tot verhalen uit Lucas; wie enkel met deze kinderbijbel opgroeit, loopt de wijzen uit het oosten dus mis).
- Vooral de Duitse theologie van de 19e en 20e eeuw heeft de verklaring gezocht in verschillende auteurs, verschillende bronnen en verschillende tradities. Zo werd Genesis 1 met de Godsnaam God toegeschreven aan een priesterlijke auteur (P) en Genesis 2 met de Godsnaam HERE God aan een jahwistische auteur (J). Een latere redacteur (R) zou deze en andere "bronnen" hebben samengevoegd tot (een voorstadium van) het ons bekende boek Genesis. Er is niets onbetamelijks aan de veronderstelling dat de Bijbelschrijvers mondelinge of schriftelijke bronnen hebben gebruikt. De schrijver van de boeken 1 & 2 Koningen verwijst regelmatig naar de kronieken van de koningen van Juda en van Israël (niet te verwarren met onze boeken 1 & 2 Kronieken, die van later datum zijn). Lucas heeft over het leven van Jezus (mondelinge en / of schriftelijke) bronnen gekend en daaruit ongetwijfeld geput voor zijn Evangelie (Lucas 1: 1- 4). We krijgen de indruk dat de Bijbelschrijvers hun bronnen met groot respect hebben gehanteerd; en liever tegenstrijdigheden hebben laten staan dan dat ze hun bronnen harmoniseerden.
De vraag is wel wat we ermee opschieten als we de Bijbeltekst opsplitsen in verschillende bronnen. De resultaten van deze analyse zijn vaak speculatief. Vandaar het devies: R is Rabbênu: R (de redacteur, dus de Bijbeltekst zoals die voor ons ligt), dát is onze leermeester.
- Ik denk dat veel mensen de Bijbel zien als een bundel religieuze teksten waaruit je kiest wat jou aanspreekt, wat jou inspireert en waar jij wat mee kunt. Wat jou niet aanspreekt, wat jij niet inspirerend vindt en waar je niets mee kunt, dat laat je liggen. Voor orthodoxe christenen is dit natuurlijk een Schriftbeschouwing om van te rillen. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het in de praktijk wel altijd zo werkt, ook bij de meest rechtzinnige theologen. We lezen de Bijbel altijd selectief. Niet elke ketter, maar ook elke kerkvader heeft z'n letter. In het dilemma Paulus - Jacobus koos Luther vóór Paulus en tégen Jacobus, die hij "een strooien brief" noemde. De radicale dopersen uit de zestiende eeuw wilden de eed afzweren omdat Jezus zegt en Jacobus schrijft: zweer helemaal niet (Mattheus 5:34 en Jacobus 5:12) - de Heidelbergse Catechismus (zondag 37) beroept zich op rechtmatige voorbeelden van de eed in Oude en Nieuwe Testament; en elimineert daarmee en passant de radicaliteit van de Bergrede. Zoals gezegd: we lezen de Bijbel altijd selectief. Maar vergeten of veronachtzaamde Bijbelteksten kunnen in een nieuwe situatie ineens verrassend gaan spreken.
- Verscheidenheid en zelfs tegenstrijdigheid in de Heilige Schrift is geen monopolie van Jodendom en Christendom. Ook de Islam heeft ermee te maken: ook de Koran bevat tegenstrijdige uitspraken en bepalingen. Dit probleem wordt opgelost door het principe van de abrogatie (Nasiekh wa Mansoekh): oudere teksten worden ongeldig door jongere teksten. Nu staan teksten in de Koran niet in chronologische volgorde. Er komt een hele wetenschap aan te pas om te bepalen wat de jongste en dus de geldende teksten zijn; over een aantal gevallen verschillen de moslim-geleerden van mening. Afgezien van deze onzekerheid levert het principe van de abrogatie ons een Heilige Schrift zonder tegenstrijdigheden. - Het christelijk geloof heeft de oplossing in theorie niet in deze richting gezocht. In de praktijk heeft de christelijke kerk Hebreeën 8:13 herhaaldelijk toegepast op de verhouding van Oude Testament en Nieuwe Testament, en oudtestamentische teksten weggestreept tegen nieuwtestamentische uitspraken over hetzelfde onderwerp.

Het achterliggende probleem is ons verlangen naar een consistent verhaal en betoog, zonder innerlijke tegenstrijdigheden.
a) Sinds Aristoteles baseren we onze logika op de wet van het uitgesloten midden (een uitspraak is waar of onwaar, een derde mogelijkheid is er niet: tertium non datur) en op de wet van de non-contradictie (een uitspraak en zijn ontkenning kunnen nooit tegelijk waar zijn). Dat lijken regels uit de formele logika, maar ze zijn fundamenteel voor ons denken en onze communicatie. Als tegenstrijdige uitspraken tegelijk waar kunnen zijn, weten we niet meer waar we in ons denken en spreken aan toe zijn. We moeten dus goed weten wat we doen als we aan deze wetten tornen.
b) Daartegenover staat de visie dat innerlijke tegenstrijdigheid juist wezenlijk is voor God en geloof. Een klassieke verwoording vinden we in het boek van Rudolph Otto: Das Heilige (1917). In godsdienst gaat het om het Heilige: het mysterium tremendum et fascinans = het geheimenis dat ons
vervult met diep ontzag (de vreze des Heren) én tegelijk met troost in en liefde tot God. Gij weet het, ik ben bang voor U / ontwijk U en verlang naar U (Nieuwe Liedboek 944: 1). Het begrip mysterium = geheimenis duidt op de innerlijke tegenstrijdigheid die alle logika tart en en alle rationaliteit te boven gaat (pag. 38-39). Als innerlijke tegenstrijdigheid wezenlijk is voor het Heilige, dan verwonderen tegenstrijdigheden in de Heilige Schrift ons niet.
c) Verscheidenheid in de Bijbel betekent niet enkel problemen qua logika, ze leidt ook tot geloofsproblemen. Neem het hier boven genoemde voorbeeld van Genesis 1: 3 en 4 naast Jesaja 45: 6 en 7. Stel dat gelovige mensen worden getroffen door een rampzalig ongeluk. Sommige gelovigen zullen troost putten uit Jesaja: God schept licht èn duisternis; dus ook de ramp die ons nu treft, komt ons toe niet door toeval, maar uit Gods vaderlijke hand  (Heidelbergse Catechismus zondag 10). Andere gelovigen zullen troost putten uit Genesis: het duister is er, maar God heeft in den beginne / het licht doen overwinnen  (Gz 1 in het Liedboek 1973 - Nieuwe Liedboek 513): God heeft met deze ellende niets te maken, Hij wil éénduidig ons geluk! Beide belevingen kom ik tegen; in het midden van de Protestantse Kerk de tweede meer dan de eerste. Beide belevingen respecteer ik. Maar welke boodschap draag ik zelf uit? - Of neem het boven genoemde voorbeeld over onze eeuwige toekomst. In de reformatorische kerken domineert de tweesprong naar óf hemel óf hel; na een overlijden vraagt de achterblijvende familie zich (soms vertwijfeld) af: "Waar zou hij / zij nu zijn?" - In grote delen van de christenheid leeft het troostrijke gevoel dat we na onze dood allemaal "naar de hemel" gaan, "naar beter", "naar het licht". Vragen stellen bij deze algemene zaligheid zou vloeken zijn in déze kerk.
d) De diepste religieuze moeite met de verscheidenheid en soms tegenstrijdigheden in de Bijbel komt voort uit ons geloof in de Bijbel als Gods Woord. Hoe precies de Bijbel (dat éne eeuwenoude boek, of liever: die verzameling boeken uit een eeuwenlange periode) en het spreken van God samenhangen, hebben kerk en theologie nooit écht bevredigend onder woorden kunnen brengen. Gods Woord in de vorm van Heilige Schrift is begonnen waar de HEER Zelf Zijn tien geboden op twee stenen tafelen schrijft (Deuteronomium 5:22); en waar Mozes al de woorden van de HEER opschrijft (Exodus 24: 4); en waar de profeten of hun leerlingen de woorden van de HEER opschrijven (Jeremia 36). Zó geldt ook van deze Heilige Schrift: alle Woord van God is gelouterd (Spreuken 30: 5). De woorden van de HEER zijn zuivere woorden (Psalm 12: 7). Psalm 119 zingt de lof van Gods Woord, in 22 (Hebreeuwse) letters geschreven. In het Nieuwe Testament herkennen we de Joodse eerbied voor de Heilige Schrift (de Tenach - voor ons het Oude Testament): Geen tittel of jota van de Wet en de Profeten zal vergaan (Mattheus 5:18). De Schrift kan niet gebroken worden (Johannes 10:35). De Schrift zegt (bijvoorbeeld in Galaten 3:22) betekent zoveel als: God zegt in / door de Schrift. Ook in Zijn geschreven Woord is het ondenkbaar dat God liegen zou (Hebreeën 6:18). Maar kan God Zichzelf in Zijn geschreven Woord wel tegenspreken?

De Bijbel is het Woord van God. Dat is de diepste reden waarom we in alle christelijke kerken elke zondag uitgerekend uit dit boek lezen. Dat is voor mij persoonlijk de diepste reden om mijn hele leven dienaar des Woords te zijn. Maar Gods Woord is blijkbaar iets anders dan één consistent betoog of geschiedverhaal. Juist op de belangrijke punten is de verscheidenheid onmiskenbaar (zie de voorbeelden hierboven). Ik waag de stelling dat die verscheidenheid geen lastige inconsequentie, geen menselijke gebrekkigheid en geen primitieve onbeholpenheid is; maar dat ze wezenlijk samenhangt met de manier waarop de Bijbel Gods Woord is. De Bijbel is Gods Woord in gesprek met zichzelf.  Het gaat dus niet om een keuze tussen uitspraak A óf uitspraak B (waarbij we met een meer of minder goed geweten een keuze doen en de andere uitspraak ter zijde leggen); maar om het horen van A en B in samenklank. Ik vergelijk het met kijken met twee ogen, waardoor we diepte zien; met luisteren naar muziek in stereo uit verschillende speakers; met polyfone muziek die méér is dan de afzonderlijke stemmen. Een Bijbelse achtergrond van deze meerstemmigheid is het getuigenis van ten minste twee getuigen ter bevestiging van de waarheid (Deuteronomium 19:15).
Daarbij let het natuurlijk nauw. Woordelijk identieke getuigenissen wekken de verdenking van afgesproken werk en doorgestoken kaart (1Koningen 21:13: het proces tegen Naboth). Tegenstrijdige getuigenverklaringen klinken ongeloofwaardig (Marcus 14:55-59: het proces tegen Jezus). Verschillende getuigenissen versterken elkaar als ze (a) onafhankelijk zijn en (b) op essentiële punten elkaar versterken.

Dat elkaar op essentiële punten versterken (b) illustreer ik met enkele van de genoemde voorbeelden.
Maar de boodschap van de Bijbel is niet beperkt tot de punten van overeenstemming tussen parallelle getuigenissen. Gods Woord klinkt niet enkel in het kleinste gemene veelvoud. Gods Woord is méér dan een consistent betoog of geschiedverhaal. Als we uit de Bijbel één consistente dogmatiek of geschiedenis willen halen, betekent dat - ondanks de beste en gelovigste bedoelingen! - een willekeurige reductie. Een reductie omdat we de verschillende getuigenissen terugbrengen tot één theorie of verhaal. Willekeurig omdat we (bewust of onbewust) onze eigen voorkeur laten spreken: voor Spreuken of voor Prediker, de synoptische Evangeliën of voor Johannes, voor Jacobus of voor Paulus. Klinken de verschillende getuigenissen naast elkaar, in harmonie of contrast, dan horen we de Bijbel in zijn levende dynamiek: Gods woord in gesprek met zichzelf.

In de kerkgeschiedenis is steeds weer gezocht naar een consistente dogmatiek: een logisch kloppend leersysteem. Maar dat blijkt niet goed te lukken. Verschillende christelijke belijdenissen markeren de grens van de logika. Ik noem twee voorbeelden. Het concilie van Chalcedon sprak in 451 uit dat de goddelijke en de menselijke natuur in Christus onvermengd, onveranderd, ongedeeld, ongescheiden zijn. Volgens de synode van Dordrecht (1618/1619) zijn we ten volle zelf aansprakelijk om het Evangelie van Christus te geloven, terwijl tegelijk ons geloof ten volle het werk van God is. Twee geloofsuitspraken die de logika tarten. Om met Van Ruler te spreken: Het is in het christendom om crazy te worden. Er is niet één principe. Er zijn er vele tegelijk. (Theologisch Werk III 106). Dat is geen bewijs van de domheid van het geloof. Het vloeit logisch (!) voort uit de bron van het christelijk geloof: de Bijbel.

Dat de veelstemmigheid wezenlijk behoort tot de aard van de Bijbel, blijkt ook uit de geschiedenis van de canon-vorming. De christelijke Bijbel bestaat uit het Oude en het Nieuwe Testament. Die hebben elk hun eigen ontstaansgeschiedenis: binnen de Joodse gemeenschap vormde zich de canon van de Tenach (ons Oude Testament) - en later binnen de christelijke kerk de canon van het Nieuwe Testament. In beide gevallen ging het tenslotte om een besef van evidentie: dít zijn de Heilige Schriften. Het opmerkelijke is nu dat in beide afzonderlijke  processen Bijbelboeken en Bijbelgedeelten in hun verscheidenheid naast elkaar zijn blijven staan. De Joodse rabbijnen en de christelijke kerkvaders hebben de spanningen heel goed gezien (ze lazen veel nauwkeuriger dan wij tegenwoordig meestal doen); maar ze hebben in de verscheidenheid Gods stem gehoord, een heilige Stem die ze niet het zwijgen durfden opleggen door de éne tekst weg te strepen tegen de andere. Ze hebben de polyfone canon als openbaring aanvaard. Zo zijn Jodendom en Christendom twee getuigen van Gods Woord in gesprek met zichzelf.

terug naar diversen

TERUG NAAR INDEX