EERBIED VOOR HET LEVEN

Regelmatig krijg ik ethische vragen rond leven en dood, bijvoorbeeld: "Dominee, hoe denkt u over euthanasie? wat vindt u van voltooid leven?" Over zulke vragen gaat dit artikel.
Vooraf noteer ik al direct twee beperkingen.
- Een eerste beperking: ik ben geen ethicus, medicus of jurist - ik ben predikant (Schriftgeleerde dus) met een behoorlijk lange pastorale ervaring; niet meer en niet minder.
- Een tweede beperking: verwacht u van mij geen panklare antwoorden; als u die wilt hebben, moet u elders zoeken. Ik zet u liever aan het denken.
Dit artikel is ontstaan in gesprek en correspondentie met verschillende wijze mensen. Zij zullen er soms iets van hun wijsheid in terugvinden.

Een artikel over vragen rond leven en dood lezen of schrijven is mooi. Over zulke vragen met elkaar praten in maatschappelijk en kerkelijk verband is belangrijker. Het allerbelangrijkste maar ook het allermoeilijkste is het om over deze vragen te praten met onze allernaasten. Zeker op het moment dat ze niet langer theoretisch zijn, als de nood aan de mens komt. "Wat zou jij willen als ..." Wat zou ik willen als ...". Angst voor diepe emoties kan ons blokkeren. Het gesprek rond leven en dood vraagt om vertrouwen in elkaar en openheid voor elkaar - en vertrouwen in en openheid voor God.

Ik noem dit artikel EERBIED VOOR HET LEVEN. Niet helemaal een Bijbelse uitdrukking, eerder een eerbetoon aan Albert Schweitzer (1875-1965): de Duitse theoloog, filosoof en musicus, die koos voor de medische zending in Afrika. Eerbied voor het leven was voor Schweitzer de sleutelformule die zijn levensbeschouwing en levenshouding samenvatte. Hij vond deze formule toen hij op een avond, samen met anderen, in een uitgeholde boomstam op de Ogowe voer, door een kudde nijlpaarden. Toen viel Schweitzer dit woord te binnen. Eerbied, omdat dat woord nog meer aspecten omvat dan liefde of medelijden. Fundamenteel is daarin de idee: Ik ben leven dat leeft temidden van leven dat leven wil. Goed is: leven behouden, bijstaan, leven dat vatbaar is voor ontwikkeling tot de hoogste waarde brengen. Slecht is: leven vernietigen, benadelen, leven dat voor verdere ontwikkeling vatbaar is onderdrukken. Ethiek is voor Schweitzer het beseffen van onze universele verantwoording voor al wat leeft. Maar dit beginsel kunnen we niet absoluut doorvoeren. Vleesetende dieren kunnen we enkel in leven houden door ze vlees te voeren, anders gaan ze dood. Als arts moest Schweitzer microben doden om mensen te redden (naar: H. van der Linden, Johann Sebastian Bach. Een die de weg wijst, Baarn 1985, pag. 158-159).

Ik begin dit artikel met een aantal Bijbelse overwegingen rond leven en dood. Ze staan min of meer los naast elkaar - zoals in de Bijbel vaak overwegingen naast elkaar staan (de Bijbel geeft geen afgerond ethisch systeem). Daarna vermeld ik een aantal situaties waarin vragen rond leven en dood opkomen. Ik doe dat in grote bescheidenheid en met respect voor alle diepe emoties van betrokkenen.

OVERWEGINGEN

1. Onze eindigheid.

Ons leven is eindig. Dat weten we uit ervaring. Om het werkelijk te accepteren - daar kunnen we een heel leven voor nodig hebben. De droom van de onsterfelijkheid zit diep in onze ziel. De Bijbel ontnuchtert ons al gauw, al in Genesis 6: 4. Daar beperkt de HEER het mensenleven tot 120 jaar. In de latere Bijbelse geschiedenis bereikt enkel Mozes die leeftijd (Deuteronomium 34: 7). Mozes zelf schrijft over zeventig jaar, en als wij sterk zijn tachtig jaar (Psalm 90:10). Opmerkelijk dat dat nu, duizenden jaren later, nog steeds reële getallen zijn. De gemiddelde leeftijd ligt in Nederland rond de 80 (mannen wat jonger, vrouwen wat ouder). En die 120 lijkt ook voor de alleroudsten nog steeds een magische grens: ik vond in de recente geschiedenis maar één persoon die ouder werd: Jeanne Calment (1875-1997) werd 122 jaar. Afgezien daarvan: God heeft ons mensenleven getermineerd. Wij zijn geen onsterfelijke goden. Enkel God Zelf bezit de onsterfelijkheid (1Timotheus 6:16).

2. De mens als beeld van God.


Mensen zijn onverbeterlijk gewelddadig (Genesis 6: 13 en 8:21). Om het geweld in te dammen zegt God tegen Noach en zijn nakomelingen: Wie des mensen bloed vergiet, diens bloed zal door de mens vergoten worden, want naar het beeld Gods heeft Hij de mens gemaakt (Genesis 9: 6 NBG).
De vertaling "door de mens" (NBG en HSV) / "door mensen" (NBV)  is omstreden. Er zijn argumenten om te vertalen: "om die mens" (= omwille van het slachtoffer). Het bloed van het slachtoffer wordt verzoend door het bloed van de dader. Je kunt deze tekst beschouwen als Bijbelse basis voor de doodstraf. Maar als je op Bijbelse gronden de doodstraf wilt verdedigen, moet je óók rekenen met de vele Bijbelse verhalen over gerechtelijke dwalingen, van Nabot (1Koningen 21) tot Jezus. En een voltrokken doodstraf kun je nooit meer ongedaan maken.
God beschermt het leven van mensen, want naar het beeld Gods heeft Hij de mens gemaakt. Niet enkel de mens zoals hij uit Gods scheppende hand kwam (Genesis 1:26-27), maar ook de concrete mensen die we vandaag tegenkomen en die we in de spiegel zien: gemaakt naar het beeld van God. Daarom is het leven van ieder mens het beschermen waard.

3. Het zesde gebod.

Het tweede vijftal van de Tien Geboden begint met Gij zult niet doodslaan (Exodus 20:13 NBG) / Pleeg geen moord (Exodus 20:13 NBV). De plaats binnen de Tien Geboden: vóór het verbod op overspel, op diefstal en op valse getuigenis, geeft het belang van dit gebod al aan. Het gebruikte werkwoord is opmerkelijk. Er staat niet "je mag niet doden" (dat had er kunnen staan, het Hebreeuws heeft daar woorden voor; maar het staat er niet). Voor doodslaan / een moord plegen staat er in het Hebreeuws ratsach. Dat woord komt in de Hebreeuwse Bijbel niet zo vaak voor; nog het meest in Numeri 35, het hoofdstuk over de asielsteden voor mensen die doodslag hebben gepleegd. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen dood door schuld en moord met voorbedachten rade (in haat ... met opzet ... in vijandschap Numeri 35:20-21 NBG). Die laatste betekenis zal bedoeld zijn in het zesde gebod. De HEER verbiedt om een medemens opzettelijk en kwaadaardig om het leven te brengen. Pleeg geen moord (NBV) is daarom een goede vertaling. Moorden is doden, maar niet alle doden is moorden.

4. De liefde.

In het Nieuwe Testament worden de oudtestamentische geboden gebracht op de noemer van de liefde. De verboden om te moorden, overspel te plegen, te stelen enz. hebben de bedoeling om onze medemens geen schade toe te brengen (de uitdrukking "geen mens kwaad doen" komt ook voor in het begin van de eed van Hippocrates). De positieve kant van deze medaille is de liefde (Romeinen 13: 8-10). Jezus noemt de liefde tot God en medemensen het grote gebod (Marcus 12:28-31). Hij vult dat gebod concreet in met de zogenaamde gulden regel (Lucas 6:31): Behandel andere mensen zó, als je zelf behandeld wilt worden. Dat is in veel gevallen een hanteerbaar kriterium. Gesteld dat ik zelf in die situatie zou verkeren, hoe zou ik dan door mijn medemensen behandeld willen worden?

5. De Voorzienigheid.

We mogen vertrouwen dat ons leven in Gods hand is. Hij bestuurt alle dingen (Mattheus 10:29-31) en Hij doet alle dingen meewerken ten goede (Romeinen 8:28). Dit kostbare geloofsvertrouwen horen we terug in de Psalmregel Mijn tijden zijn in Uw hand (Psalm 31: 16). Al vóór onze geboorte stonden alle dagen van ons leven geschreven in Gods Boek (Psalm 139:16). Sommmige christenen trekken daaruit de conclusie dat we het moment van ons sterven moeten overlaten aan God.
Ook moslims trekken die zelfde conclusie. Bert Keizer schreef vanuit zijn jarenlange ervaring met het sterven van moslims: Het idee dat je de dood binnenvraagt of versnelt is hen een gruwel. Het is niet aan de mens om zich op een dergelijke sturende wijze met de dood te bemoeien. Wij zijn allemaal in Gods hand en Hij zal besluiten wanneer een mens sterft (TROUW van 3 maart 2017).
Voor moslims kan ik niet spreken, maar als christen plaats ik een kanttekening bij deze redenering: wij mensen zijn (in tegenstelling tot de dieren) voortdurend bezig ons leven zowel te verlengen als te verkorten.
- We verlengen ons leven door onze voedselvoorziening, door de moderne hygiëne, door veiligheidsmaatregelen (er kan geen risico opduiken of onze zorgzame overheid bedenkt een maatregel om ons er tegen te beschermen), door onze moderne medische mogelijkheden.
Die medische mogelijkheden roepen ook vragen op. Je kunt een behandeling beginnen (bijvoorbeeld medicatie of sondevoeding geven), maar hoe lang moet je doorgaan en wat zijn de kriteria om te stoppen?
- Maar we zijn ook voortdurend bezig om ons leven te verkorten: door ongezonde levensstijl, door het gebruik van producten (van tabak tot asbest) waarvan we de schadelijkheid pas later gewaar worden, door ons sneller en hoger te verplaatsen dan onze menselijke maat: per fiets, per auto, per vliegtuig ...
We zijn dus voortdurend bezig om, direct of indirect, invloed uit te oefenen op het moment van ons levenseinde. Als ik nu een acute blindedarmontsteking krijg, berust ik niet zomaar in Gods Voorzienig bestel, maar ik laat me opereren en ik bid God dat Hij de chirurg wil zegenen. Maar er kan een moment komen dat ik er dankbaar voor ben als een infectie een eind maakt aan mijn leven (longontsteking als the old man’s friend).
Samengevat: het heeft de Voorzienigheid behaagd om een grote verantwoordelijkheid voor onze levensduur bij onszelf te leggen.

6. Plezierig leven.

We zijn niet enkel bezig, vaak met succes, om ons leven te verlengen (de gemiddelde leeftijd in de ontwikkelde wereld is de laatste eeuw met sprongen gestegen). We willen ook graag plezierig leven (natuurlijk, wie niet? ik tenminste wel). Een volgende stap is de gedachte dat we recht hebben op een plezierig, makkelijk en gelukkig leven; en dat we verongelijkt zijn als het met dat plezierig, makkelijk en gelukkig tegenvalt. Ook in dat opzicht is er in de laatste eeuw veel veranderd. Een eeuw geleden maakten onze overgrootouders zich weinig illusies over het leven: voor de meesten was het leven voornamelijk afzien.
Die ervaring werd bevestigd door de grote religieuze tradities. Elders schreef ik:
Alle bestaan is lijden, zegt de Boeddha.
Zelfs het beste van ons leven is moeite en leed, zegt Mozes (Psalm 90:1).
IJdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid, zegt de Prediker.
Het aardse leven van een mens is een slavendienst, zegt Job (Job 7: 1).
Door veel verdrukkingen moeten we Gods Rijk binnengaan, zegt de apostel (Handelingen 14:22).
Het menselijk leven op aarde is een voortdurende beproeving, zegt Augustinus (Confessiones X  paragraaf 39 slot).
Wie had er eigenlijk beloofd dat het leven altijd leuk zou zijn?
De moderne verwachting van het plezierige leven werkt ook door in de verwachting van een plezierige dood. We vinden het moeilijk (moeilijker dan vroeger, denk ik) om aftakeling en afhankelijkheid, lichamelijk en geestelijk lijden te accepteren.

7. Geneigd tot alle kwaad.

Deze onsympathieke uitdrukking heb ik uit zijn verband gerukt. Dat verband is de Heidelbergse Catechismus zondag 4, waar gezegd wordt dat we geneigd zijn tot alle kwaad, tenzij we door Gods Geest worden wedergeboren - die laatste hoopgevende zin hoort er wel bij! Ik zou ook een Bijbeltekst kunnen citeren: Arglistig is het hart boven alles; ja, verderfelijk is het; wie kan het kennen? (Jeremia 17: 9). U mag mij verdenken van een negatief calvinistisch mensbeeld. Het punt dat ik wil maken: mensen zijn geen heiligen. We hebben allemaal onze belangen; en vaak zijn we ons onvoldoende bewust van onze diepste motieven. - Om een concreet voorbeeld te noemen. We hopen natuurlijk dat familieleden en verzorgenden een terminale patiënt met pure liefde omringen. Vaak doen ze dat ook. Maar ze kunnen óók hun eigen (bewuste of onbewuste, openlijke of verborgen) belangen hebben. Dat kunnen grove materiële belangen zijn (geld); dat kunnen ook subtielere belangen zijn (behoefte aan vrijheid, behoefte om te verzorgen, moeite met lijden en dood, schuldgevoelens tegenover de patiënt, moeite om los te laten, eigen angst voor de dood). Persoonlijk vind ik het grootste belang van de euthanasie-wetgeving dat zij patiënten beschermt tegen onzuivere belangen van familieleden, artsen, verzorgenden en andere betrokkenen.

8. De komende heerlijkheid.

"Dominee, als de hemel werkelijk zo mooi is als in de kerk wordt gepreekt, waarom willen we dan nog langer hier op aarde blijven?" - die vraag wordt me wel eens spottend-kritisch gesteld. Bij die onvoorstelbaar mooie toekomst kunnen we denken aan wat Paulus schrijft: Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen, al wat God heeft bereid voor degenen, die Hem liefhebben (1Corinthe 2: 9 NBG). Over zichzelf schrijft Paulus: Ik word naar twee kanten getrokken: enerzijds verlang ik er naar te sterven en bij Christus te zijn, want dat is het allerbeste; anderzijds is het omwille van u beter dat ik blijf leven (Filippenzen 1:23-24 NBV). Die laatste zin betekent een relativering van een ongebreideld verlangen naar de hemel: blijven leven om wille van onze naasten. En om wille van de lofprijzing van de HEER, zingt koning Hizkia in zijn danklied na genezing van zijn ernstige ziekte: Nee, het dodenrijk zal U niet loven, de dood prijst u niet ... Maar hij die leeft - leeft! - zal U loven, zoals ik doe op deze dag (Jesaja 37:18-19).

9. Terug naar God.

Wat is sterven? De Bijbel en de geloofstraditie reiken troostrijke beelden aan. In het nieuwe Jeruzalem zal God al onze tranen afwissen (Openbaring 21: 4). Het lied Er is een land van louter licht (Nieuwe Liedboek 753) doet me denken aan een bijna dood-ervaring. Het Bijbelboek Prediker gebruikt veel kleinere woorden. De hele wereld is een voortdurende kringloop. Alles keert terug. Dat maakt in eerste instantie een indruk van zinloosheid. Zo begint het boek Prediker (Prediker 1: 2-11). Aan het eind komt Prediker terug op die kringloop. Ook sterven is terugkeren. Als we sterven keert het stof terug tot de aarde zoals het is geweest, en de geest / levensadem keert terug tot God Die hem geschonken heeft (Prediker 12: 7). Naar mijn overtuiging bedoelt Prediker dat positief. Ons leven keert terug tot zijn Schepper. Voor mij persoonlijk is dat troostrijker dan gouden straten en paarlen poorten.

10. Altijd van de Heer.

Of we nu leven of sterven, we zijn altijd van de Heer (Romeinen 14: 8). Leven en dood ervaren we als een absolute tegenstelling. Maar Paulus relativeert die tegenstelling. In leven en dood zijn we het eigendom van de Heer. Volgens de Heidelbergse Catechismus zondag 1 is dat onze enige troost: de vertrouwensbasis bij uitstek onder ons leven.
Opvallend is de motivatie die Paulus geeft bij deze geloofsuitspraak. Hij schrijft niet: ook Jezus heeft geleefd en is gestorven, net als wij allemaal. Dat had Paulus kunnen schrijven, maar hij schrijft wat anders: Want daartoe is Christus gestorven en levend geworden: om Heer te zijn over doden en levenden (Romeinen 14: 9). Dat we het eigendom van de Heer zijn, baseert Paulus dus niet op de (mede)menselijkheid van Jezus, maar op de dood en opstanding van Christus.
We zijn altijd (het eigendom) van de Heer: deze geloofsuitspraak doorkruist radicaal alle liberale autonomiegeloof ("ik ben eigen baas over mijzelf en ik bepaald zelf mijn leven en dood"). Maar in Romeinen 14 geeft Paulus zelf een andere toepassing. Ook de ánder is "in leven en sterven" het eigendom van de Heer. Dus oordeel niet over een ander. Laat het oordeel over je medemensen over aan de Heer. Tegenover Hem zal ieder mens zich eens persoonlijk moeten verantwoorden (Romeinen 14:10-11). Vanuit dát besef schrijft Paulus: Laat iedereen zijn eigen overtuiging volgen (Romeinen 14: 6 NBV). In persoonlijke verantwoordelijkheid tegenover de Heer mag ieder mens haar / zijn eigen afwegingen maken - ook inzake leven en dood (voeg ik er aan toe). Zoals iemand het wijs uitdrukte: Over je eigen leven moet je zélf beslissen - in overleg met God.

SITUATIES

a. Zelfdoding.


Zelfmoord zeiden we vroeger. In dat woord klonk afkeuring door. Tegenwoordig zeggen we zelfdoding of suicide. Die woorden klinken neutraler. De afkeuring van zelfdoding loopt door de hele christelijke traditie. Die traditie kon zich beroepen op afschrikwekkende voorbeelden uit de Bijbelse geschiedenis: Saul, de koning die Gods spoor bijster raakte (1Samuel 31); Achitofel, de adviseur die partij koos voor de opstandige prins Absalom (2Samuel 17); Judas, de apostel die Jezus overleverde aan het arrestatieteam (Mattheus 27 en Handelingen 1). Daar staat tegenover dat suicidale gevoelens in de Bijbel geen taboe zijn. Elia wil dood (1Koningen 19: 4- 5); sommige passages in Job zijn onverbloemd suicidaal (bijvoorbeeld Job 7). Maar Elia wordt opgebeurd door een engel en Job blijft worstelen met God. In sommige andere culturen werd / wordt zelfdoding milder beoordeeld. De Romeinse wijsgeer Seneca (circa 4 - 65 na Christus) maakte - zij het op bevel van keizer Nero - zelf een einde aan zijn leven, in gezelschap van zijn vrouw en vrienden. De Japanse Samoerai pleegden seppuku of harikiri om verlies van eer te voorkomen. Ik denk dat we met een algemene uitspraak over geoorloofd of ongeoorloofd niet verder komen. Soms kunnen mensen het leven niet (meer) aan. Ik begrijp dat. Ik houd het ervoor dat God dat ook wel begrijpt: Hij Die ons door en door kent (Psalm 139). Zalig de treurenden, want zij zullen troost vinden bij God (Mattheus 5: 4). Maar haast elke zelfdoding betekent een traumatische ervaring voor de omstanders. Zij blijven achter met vragen, met schuldgevoelens en met boosheid. Het is een vreselijke gedachte dat je geliefde in alle eenzaamheid een zelfgekozen dood gestorven is. En het is een vreselijke ervaring voor degene die getuige is van de zelfdoding (de treinbestuurder) of die de overledene vindt.

b. Zelfopoffering en martelaarschap.

Van zelfdoding naar zelfopoffering: de stap is kleiner dan hij lijkt. Telkens weer zijn er mensen geweest die hun leven hebben gewaagd of zelfs gegeven voor medemensen, voor hun overtuiging of voor een hoger ideaal. Socrates had kunnen ontkomen, maar dronk de gifbeker voor zijn overtuiging. In de tijd van de Makkabeeën lieten sommige orthodoxe Joden zich liever doodmartelen dan de wet van de HEER te overtreden (in het deuterokanonieke boek 2Makkabeeën vindt u de gruwelijke verhalen). Jezus had Zichzelf kunnen verlossen maar Hij gaf Zijn leven, gehoorzaam aan de wil van Zijn Vader en als losprijs voor velen (Marcus 10:45). Volgens sommige historici liet Julius Caesar het erop aankomen dat hij werd vermoord, als offer voor de toekomst van Rome. Er wordt wel verondersteld dat Bonifacius opzettelijk naar de Friezen ging óm te worden vermoord (aan zijn kerkelijke carrière ontbrak nog slechts het martelaarschap). In de zestiende eeuw gingen protestanten én katholieken voor hun geloofsovertuiging het schavot of de brandstapel op. Veel onbekenden gingen in de (medische) zending naar de tropen om mensen te helpen en bekochten hun menslievendheid met de dood. Jan Carel van Speijk ging liever de lucht in dan een infame Brabander te worden; nadien werd hij bejubeld als een nationale held, maar volgens een recente biograaf was hij een depressieve zelfmoordenaar. Bewondering en verguizing liggen dicht naast elkaar.

Voor een aantal van de hierna te noemen situaties heb ik de website van de NVVE (www.nvve.nl) geraadpleegd. NVVE was een afkorting van Nederlandse Vereniging voor Vrijwillige Euthanasie, maar heet tegenwoordig Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde. De NVVE geeft voorlichting en informatie over euthanasie en hulp bij zelfdoding, verstrekt wilsverklaringen, doet onderzoek en ondersteunt en faciliteert initiatieven met betrekking tot het zelfgewilde levenseinde. De NVVE zet zich in voor keuzevrijheid aan het einde van het leven. De autonomie-gedachte van de NVVE deel ik niet, maar op haar website staat veel goede informatie.

c. Euthanasie.


Volgens de Euthanasiewet (officieel: Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding) kan een arts volgens een nauwkeurig geformuleerd protocol het leven van een patiënt beëindigen als de arts ervan overtuigd is dat er sprake is van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van de patiënt en dat er sprake is van uitzichtloos en ondraaglijk lijden van de patiënt. In het jaar 2016 werden er ruim 6000 gevallen van euthanasie gemeld.
Rond een euthanasie zijn er verschillende "rollen".
- De patiënt: Dat kunnen we morgen allemaal zelf zijn. Wat zouden wij zelf willen als we bij vol bewustzijn uitzichtsloos en ondraaglijk lijden? Dit is geen suggestieve of retorische vraag. Sommigen van ons zullen tot elke prijs willen doorleven. Voor anderen kunnen pijn, aftakeling en uitzichtsloosheid te zwaar worden om nog langer te dragen. Ik weet eerlijk niet hoe dat in een dergelijke situatie voor mijzelf zal zijn.
- De familie: Je allerliefste vreselijk zien lijden is soms een nog erger lijden. Ik kan me voorstellen dat familieleden rond het ziekbed ongeduldig worden. Waarom mag hij / zij nu nog niet sterven? De wettelijk voorgeschreven procedure kost enige tijd. Voor de familie kan elk uur uitstel er één te veel zijn.
- De arts: Voor de meeste artsen is het uitvoeren van een euthanasie erg ingrijpend. Je maakt actief een eind aan een mensenleven. Ook al doe je dat op uitdrukkelijk verzoek van de patiënt om haar / hem verder lijden te besparen. Het is belangrijk te beseffen dat een arts niet verplicht is om een euthanasie uit te voeren. Als de arts de gevraagde euthanasie niet kan uitvoeren, moet hij doorverwijzen naar een collega.
- De SCEN-arts: SCEN staat voor Steun en Consultatie bij Euthanasie in Nederland. De SCEN-arts is beschikbaar om als tweede arts een onafhankelijk advies aan de behandelend arts te geven bij een euthanasieverzoek. Deze formele consultatie is een wettelijke vereiste. De SCEN-arts toetst of aan de zorgvuldigheidseisen van de euthanasiewet is voldaan en geeft hierover een advies aan de behandelend arts.
- De pastor: Als predikant maak ik een enkele keer mee dat een gemeentelid euthanasie ontvangt (mij is overigens nooit gevraagd bij de euthanasie zelf aanwezig te zijn). Als de patiënt bij het afscheidsbezoek in vol geloofsvertrouwen tegen mij zegt: "Vanavond ga ik naar Jezus", dan kan ik daar geen ethische bezwaren tegen hebben. In het algemeen moet ik zeer terughoudend zijn met afkeuren of goedkeuren van zulke persoonlijke keuzes. Wel mag ik aan deze mens aan het eind van het leven de zegen van de HEER geven: ...de HEER geve u vrede.
- De wetgever: De wetgeving heeft - voor mijn gevoel - allereerst ten doel om alle mogelijke vormen van onzorgvuldigheid en misbruik tegen te gaan. Daarom formuleert de wet allerlei voorwaarden waaraan moet worden voldaan en een zorgvuldig protocol om euthanasie uit te voeren. Euthanasie is een niet-natuurlijke dood en moet daarom achteraf worden getoetst. Wie euthanasie in alle gevallen onaanvaardbaar vindt, zal ook de euthanasiewet afwijzen. Op mij maakt de huidige euthanasiewet een zorgvuldige indruk.

d. Palliatieve sedatie.

Palliatieve sedatie is het toedienen van onder andere slaapmedicatie ... tijdens de stervensfase van een patiënt als het overlijden binnen een tot twee weken wordt verwacht. Hierbij wordt de onderliggende ziekte niet meer behandeld en overlijdt een patiënt uiteindelijk aan zijn ziekte; een natuurlijke doodsoorzaak (Wikipedia). Bij continu sederen "slaapt" de patiënt tot het moment van overlijden. Anders dan bij euthanasie wordt het moment van overlijden niet rechtstreeks door menselijk handelen bepaald. Voor het toepassen van palliatieve sedatie zijn er richtlijnen, maar niet zo'n strak protocol als voor euthanasie. Palliatieve sedatie geldt als een natuurlijke dood. Als het levenseinde duidelijk nabij is en als de patiënt lichamelijk of geestelijk erg lijdt, heb ik alle begrip voor palliatieve sedatie.

e. Dementie.

Voor de meesten van ons is dementie een schrikbeeld. Er zijn verschillende soorten dementie met heel uiteenlopende ziektebeelden; maar in het algemeen ervaren we dementeren als mens-onterend en het gaandeweg verliezen van een geliefde door dementering als intens verdrietig. Een begrijpelijke reactie is: Zó wil ik zelf nooit worden; als ik dement word, wil ik euthanasie. Gezien vanuit de euthanasiewet is dat lastig. Want de euthanasiewet veronderstelt dat de patiënt wilsbekwaam is. Euthanasie wegens dementie is dus wettelijk enkel mogelijk als de patiënt nog wilsbekwaam is en tegelijk al zo dement dat hij / zij daaraan ondraaglijk lijdt. Bij gevorderde dementie is een weloverwogen verzoek van de patiënt niet meer mogelijk. En het is soms moeilijk in te schatten of een diep-demente patiënt ondraaglijk lijdt. Sommige demente patiënten lijden zeker: ze zijn onrustig en angstig, ze voelen zich duidelijk ongelukkig (wat nog niet hoeft te betekenen dat ze dood willen). Andere demente patiënten maken op mij geen ongelukkige indruk: ze genieten van liefdevolle aandacht, ze kunnen lekker eten en enthousiast meezingen met bekende liederen. Weer anderen reageren voor het oog helemaal niet meer. Volgens welke kriteria zou je op welk moment euthanasie mogen toepassen? dat los je niet eenvoudig op door een wilsverklaring-bij-voorbaat. Wie in elk geval lijden, zijn de familieleden. Maar de euthanasiewet is er voor de patiënt zelf, niet voor de omstanders.

f. Psychiatrie.

Sommige mensen met een psychiatrisch ziektebeeld lijden vreselijk. Voor mijn gevoel kan psychisch lijden erger zijn dan lichamelijk lijden. En psychisch lijden kan veel langer duren. Sommige psychiatrische ziekten duren levenslang; en dat kan heel lang zijn. Maar net zoals er allerlei verschillende lichamelijke ziekten zijn, zijn er allerlei verschillende psychiatrische ziekten. Ook de ervaring van lijden kan enorm verschillen. Zelfs bij één en de zelfde patiënt. Bijvoorbeeld bij een bipolaire stoornis. Tijdens depressieve periodes kan het psychische lijden vreselijk zijn. Maar tijdens manische periodes lijdt de omgeving vaak meer dan de patiënt zelf. Mensen die ondraaglijk psychisch lijden, zien soms geen andere uitweg dan zelfdoding (zie boven). Is het dan niet beter dat de patiënt door een arts geholpen wordt om op een waardige wijze en zo mogelijk omringd door familie zelf een einde aan zijn of haar leven te maken? Deze "hulp bij zelfdoding" vertoont veel overeenkomst met euthanasie, met als verschil dat de patiënt hier zelf de medicatie tot zich neemt. Er bestaat een uitvoerige Richtlijn omgaan met het verzoek om hulp bij zelfdoding door patiënten met een psychiatrische stoornis. Het probleem zit in de kriteria. Bij psychisch lijden is het veel moeilijker om te beoordelen of er geen behandeling of verbetering meer mogelijk is. Ik maak het herhaaldelijk mee: iemand lijdt psychisch vreselijk, mogelijk maanden lang - maar voelt zich een jaar later veel beter en is blij nog te leven. Voor zover ik weet wordt er in Nederland maar enkele malen per jaar door een arts hulp bij zelfdoding verleend. Dat is een fractie van het totale aantal zelfdodingen in Nederland: 1871 in 2015.

g. Voltooid leven en geestelijk lijden.

Mensen die hun leven voltooid vinden, zijn meestal niet ongeneeslijk ziek. Wel kunnen ze lichamelijk aftakelen, afhankelijk worden van anderen en te maken krijgen met het verlies van regie over het leven, het wegvallen van het sociale netwerk en het verlies van doel en zingeving. In combinatie kunnen dit soort factoren leiden tot levensmoeheid (Website NVVE). Bij "voltooid leven" denken we al gauw aan ouderen. Ik ontmoet veel van zulke ouderen in mijn werk als predikant. Het leven kost steeds meer moeite en het levert steeds minder vreugde op. Het ergste is vaak de zinloosheid. "Ik beteken niets meer voor de samenleving. Ik voel me tot last voor mijn kinderen (al zijn ze nog zo lief voor me). Voor de overheid ben ik een kostenpost waarop zo veel mogelijk wordt bezuinigd. Waarvoor leef ik eigenlijk nog?". Wat daarbij ook een rol speelt is het wegvallen van bijna alle leeftijdgenoten: er zijn geen familieleden en vrienden meer om herinneringen aan vroeger mee te delen.
Een mens geeft zin aan de dingen door er over te vertellen. Als je met niemand je verhaal meer kunt delen, wordt je leven zin-loos. Daarom is het zo waardevol als mensen echt geïnteresseerd zijn in het levensverhaal van ouderen: een kleinkind, een verzorgster, een pastor ... - maar dit terzijde.
Vaak hoor ik "Ik hoop dat dit mijn laatste verjaardag was" en "Ik wilde wel dat ik morgenochtend niet meer wakker word". Het is geen schande om dat gevoel uit te spreken. Job stierf oud en van het leven verzadigd (Job 42:17). Het mag een keer genoeg zijn. Prediker typeert de ouderdom als de jaren waarin je zegt: "D'r is niks meer aan" (Prediker 12:1). - De ervaring van zinloosheid kan er ook midden in het leven zijn. U kunt daar allerlei omstandigheden bij bedenken (verlies van partner, verlies van werk, verlies van contacten, verlies van mobiliteit, enz.). Is dat altijd te diagnostiseren als een psychische ziekte? Ik zou willen spreken van geestelijk lijden.
In het najaar van 2016 heeft het kabinet voorgesteld om hulp bij zelfdoding in geval van voltooid leven onder strikte voorwaarden mogelijk te maken. Dit voorstel roept vragen op:
- Het kabinetsvoorstel wil deze mogelijkheid openen voor ouderen maar noemt geen leeftijdsgrens. Wanneer ben je oud genoeg om je leven als voltooid te beschouwen?
- Volgens het kabinet gaat het slechts om een kleine groep ouderen (voor de commissie-Schnabel een argument om geen afzonderlijke regeling te maken). Maar als de mogelijkheid eenmaal geopend is, gaat daarvan een suggestieve werking uit. Het aanbod roept de vraag op.
- Naast de zorgvuldige procedure van de euthanisatiewet zou deze mogelijkheid een alternatieve route vormen. Is dat wenselijk?
- Vooronderstelling van dit voorstel is het liberale geloof in de individuele autonomie. Vandaar de kritiek van partijen als enerzijds SP (verantwoordelijkheid van de samenleving) en anderzijds SGP en CU (het leven als geschenk van God) .
De discussie gaat voort.
In de serie Handreikingen voor het Pastoraat publiceerde de Protestantse Kerk in Nederland enkele jaren geleden een brochure over voltooid leven: Levensmoe. Deze brochure neemt een duidelijk ethisch standpunt in: dat wanneer iemand levensmoe is, euthanasie en zelfdoding niet als ethisch verantwoorde opties beschouwd kunnen worden. Dit standpunt is gebaseerd op de interpretatie van de Bijbel en de christelijke traditie (pag. 7). Afgaande op de gegevens uit de Bijbel en de christelijke traditie is het uitgesloten dat zelfdoding bij levensmoeheid moreel verantwoord kan zijn (pag. 16). Het leven is een gave van God (pag. 16). Het gebod 'Gij zult niet doden'  (Exodus 20:13), is vrijwel altijd verstaan als een gebod om ook het eigen leven te beschermen en te bewaren en dus als een verbod op zelfdoding (pag. 17). Maar de brochure wil in geval van zelfdoding niet spreken van een onvergeeflijke zonde, zoals in de christelijke traditie soms is gebeurd. Gods vergeving is nooit te klein voor het menselijk handelen (pag. 17). De brochure wijst ons als omgeving (gemeente - familiekring - huisarts - zorginstelling) op onze verantwoordelijkheid voor de ouderen. Aan het zesde gebod 'Gij zult niet doden' gaat het vijfde gebod vooraf: 'Eer uw vader en uw moeder' (pag. 17-18). Voor het pastoraat is het uitgangspunt: nabij zijn en toch niet meegaan in een vraag om een zelfgekozen einde (pag. 18). De brochure werkt dat praktisch uit met: Het gaat erom de pastorant weer als mens tussen anderen te plaatsen. Om de pastorant weer zijn betekenis te laten ervaren en daarmee de zin van het er nog steeds zijn (pag. 27). Naar mijn eigen ervaring is dat makkelijker geschreven dan gedaan.

h.  Versterving.

Vooral bij mensen op hoge leeftijd komt het regelmatig voor - ook zonder aanwijsbare lichamelijke of psychische ziekte - dat dorst en honger verdwijnen. Op de aansporing van familie of verzorgenden "U moet wel genoeg drinken hoor!" is de reactie: "Ja maar ik heb geen dorst". Alsof de lichamelijke processen gaandeweg tot stilstand komen. - Versterving kan ook een bewuste keuze zijn: door het weigeren van vocht en voedsel zelf een einde maken aan het leven. Meestal volgt binnen enkele weken de dood door uitdroging. Versterving wordt wel beschouwd als een alternatief voor euthanasie: je bent niet afhankelijk van een arts, je doet het zelf. In mijn werk als predikant heb ik nooit een versterving in deze zin van het woord meegemaakt. De ervaringen met versterving lopen uiteen. Soms lees je dat het met de dorst en honger in de loop van het verstervingsproces meevalt. Soms hoor je dat er een grote wilskracht nodig is om vocht en voedsel te weigeren: een lijdensweg voor de stervende en de omstanders.

i. Orgaandonatie.


Zo'n 20 jaar geleden (midden jaren '90) organiseerde de overheid een campagne om je te laten registreren als orgaandonor. Ik heb dat toen gedaan zonder veel diepere gedachten dan "als ik dood ben, heb ik mijn organen niet meer nodig; en als iemand anders er dan plezier van kan hebben ...". Nog altijd sta ik geregistereerd als donor. Als predikant maak ik mee hoe een donor-orgaan (nier, hoornvlies) voor de ontvanger een uitkomst kan zijn. Iemand noemde zijn donor-nier "mijn grootste schat". Maar een donor-orgaan is voor de ontvanger niet probleemloos; voortdurend is er de angst voor afstoting en de medicijnen daartegen zijn ingrijpend. Het kriterium voor het uitnemen van organen is hersendood; enkele deskundigen (Van Lommel, Eindeloos Bewustzijn, 328-336) stellen daar vragen bij: is hersendood wel echt en definitief dood? Uit levensbeschouwelijk oogpunt wordt soms de schending van de integriteit van het lichaam als bezwaar aangevoerd. Maar volgens Jezus kun je beter met een hand, voet of oog minder in Gods Rijk komen, dan met een ongeschonden lichaam in de hel (Marcus 9:43-48 - het gaat Jezus in deze krasse uitspraak uiteraard niet om orgaandonatie; maar de integriteit van ons lichaam is blijkbaar voor Jezus niet absoluut). Voor familieleden kan het moeilijk zijn om afscheid te nemen van een warm en ademend lichaam met een kloppend hart. Dat vraagt grote zorgvuldigheid en inlevingsvermogen van behandelende artsen en verpleegkundigen.
Wat doet een donor-orgaan met de identiteit van de ontvanger? Volgens de neurobioloog Swaab "zijn wij ons brein": ons bewustzijn (gedachten, herinneringen, gevoelens) is gelocaliseerd in onze hersenen. Dan kun je dus, behalve de hersenen, alle organen gerust transplanteren. - Volgens Van Lommel (Eindeloos Bewustzijn, 276-277) bemiddelt het DNA in élke lichaamscel tussen het "eindeloze bewustzijn" en de individuele persoon. Dat geeft merkwaardige effecten bij transplantatie van een orgaan: het DNA in het getransplanteerde orgaan blijkt soms nog als resonantieplaats of interface van het bewustzijn van de donor te dienen, zodat de orgaanontvanger zich flarden van gevoelens en ideeën bewust kan worden die later lijken te passen bij de persoonlijkheid en het bewustzijn van de overleden donor. Wie heeft gelijk: Van Lommel of Swaab? of geen van beiden?
Ik schrijf dit stukje in de week nadat de Tweede Kamer (met 75 tegen 74 stemmen) het initiatiefvoorstel van mw. Dijkstra (D66) voor actieve donor-registratie heeft aangenomen (najaar 2016). Wie zich niet actief laat registreren als voor of tegen, wordt geregistreerd als "geen bezwaar". Tegenstanders vrezen dat de overheid nu kan beschikken over onze organen. Het laatste woord is nog niet gezegd. Voor mij is het eerste woord: zoals u zelf wilt worden behandeld door uw medemensen, zó moet u hen behandelen (Lucas 6:31).

j. Abortus.

Onlangs zag ik een film over een meisje van 15 dat zwanger was geraakt. Haar vriendje hield het voor gezien, maar zelf wilde ze heel graag moeder worden: "Ik houd nu al van mijn baby". Ouders, vriendinnen en leerkrachten praatten stevig op haar in. Je bent zelf nog een kind. Je overziet het niet wat het betekent om moeder te zijn. Hoe kun jij nu alleen een kindje opvoeden? Je wilt toch eerst nog van je tienertijd genieten? Denk aan je opleiding, denk aan je toekomst! - Tenslotte laat ze het vruchtje weghalen. Iedereen opgelucht. Probleem opgelost. - Ik kon die opluchting niet meemaken. Natuurlijk: tienermoeders hebben het heel zwaar, dat weet ik uit pastorale ervaring. Maar uit pastorale ervaring weet ik ook dat een abortus een grote en soms levenslange impact op het leven van een vrouw kan hebben. Over abortus schrijf ik nog terughoudender dan over euthanasie. Het is immers goed denkbaar dat ik zelf ooit ondraaglijk en uitzichtsloos zal lijden en dan snak naar het einde; maar ongewild zwanger raken zal mij niet overkomen. Met die terughoudendheid: in het geding zijn twee mensenlevens: dat van de vrouw én dat van haar ongeboren kind. God kent een mensenkind al in de moederschoot. Met een algemeen oordeel ("Baas in eigen buik" of "Abortus is moord") komen we niet veel verder. Meisjes en vrouwen in nood moeten in elk geval hulp krijgen. Daarom ben ik al lang geleden donateur geworden van de VBOK (Vereniging ter Bescherming van het Ongeboren Kind). Uit de VBOK is Siriz voortgekomen: een professionele organisatie voor iedereen die met onbedoelde zwangerschap te maken krijgt. Siriz biedt hulp bij het maken van een keuze en biedt waar nodig opvang. Siriz gaat het open gesprek met jongeren aan met het oog op preventie en bewustwording. Over preventie gesproken: in Nederlands is abortus gratis en kost anticonceptie voor vrouwen boven de 21 jaar geld. Aborteren is dus goedkoper dan voorkomen: een ongewenste financiële prikkel.

Dit artikel wordt in de komende tijd uitgebreid.

terug naar diversen

TERUG NAAR INDEX