Prediker 12: 7 - Prediker over het hiernamaals

"Hiernamaals" is geen bijbels begrip. Maar de bedoeling is duidelijk. Wat gebeurt er met ons als wij sterven? wat staat ons daarna te wachten? Een vraag van alle tijden - een vraag voor ieder mens. In een apart artikel ga ik erop in. Hieronder schrijf ik speciaal over het bijbelboek Prediker.

De eindigheid van het leven speelt een markante rol in het bijbelboek Prediker. Omdat het leven kort is, is het zo kostbaar. In Prediker horen we steeds het basso continuo van de dood. Dat roept de vraag op hoe Prediker denkt over het hiernamaals. Nu moeten we bij Prediker altijd oppassen. Hij zegt niet gelijk alles wat hij denkt. Hij beschrijft niet zozeer wat hij gelooft, als wel wat hij ziet. Toch doet hij enkele uitspraken over het hiernamaals.

In het Oude Testament wordt voor het hiernamaals vaak het begrip dodenrijk (sje'ool) gebruikt: een duister onderaards oord van schimmen zonder besef. Deze voorstelling vinden we met kleine variaties in de hele oud-oosterse wereld, zowel bij de oude Kanaänieten en Babyloniërs, als bij de oude Grieken en Romeinen. De schrijvers van het Oude Testament sluiten zich aan bij het gedachtengoed van hun omgeving. Ik noem twee voorbeelden. Als Jakob meent dat Jozef is verscheurd door een wild dier, klaagt hij: Rouw dragend zal ik tot mijn zoon in het dodenrijk neerdalen (Genesis 37:35 NBG: neerdalen, want het dodenrijk wordt voorgesteld als zich bevindend onder de aarde). En de Psalmdichter in doodsnood smeekt de HEER om hem te redden, want in de dood is Uwer geen gedachtenis; wie zou U loven in het dodenrijk? (Psalm 6: 6 NBG: in het dodenrijk is er geen besef en geen relatie met God; anders Psalm 139:8).

Bij deze algemeen oud-oosterse voorstelling sluit ook Prediker zich aan. Wie nog in leven zijn, weten tenminste dat ze moeten sterven, maar de doden weten niets. Er is niets meer dat hun loont, want ze zijn vergeten. Hun liefde en hun haat, alle hartstocht die ze ooit hebben gehad, ging allang verloren. Ze nemen nooit meer deel aan alles wat gebeurt onder de zon, want er zijn geen daden en gedachten, geen kennis en geen wijsheid in het dodenrijk (9: 5, 6,10 NBV - sje'ool in vers 10). Het dodenrijk is een sombere toestand: Prediker spreekt over de dagen der duisternis (11: 8 NBG).

Het is niet vanzelfsprekend dat Prediker zich aansluit bij de voorstelling van het dodenrijk. Ik houd Prediker voor één van de jonge boeken van het Oude Testament. In zijn tijd waren er naast de voorstelling van het dodenrijk binnen het Jodendom ook andere opvattingen in zwang geraakt. Zo preekten de latere profeten de opstanding der doden op de jongste dag: Velen van hen die slapen in de aarde, in het stof, zullen ontwaken, sommigen om eeuwig te leven, anderen om voor eeuwig te worden veracht en verafschuwd (Daniel 12:2). Als Prediker deze verwachting gekend heeft, is het een keuze wanneer hij het houdt bij het traditionele dodenrijk.

De eigen boodschap van Prediker horen we als Prediker ons aanspoort
om onze Schepper te gedenken vóórdat
het stof wederkeert tot de aarde, zoals het geweest is,
en de geest wederkeert tot God, Die hem geschonken heeft
(Prediker 12: 7 NBG)

Bij deze belangrijke uitspraak de volgende kanttekeningen:

  1. Deze zin is het slot van het betoog van Prediker. Na deze zin volgt nog de refreinregel (Lucht en leegte, zegt Prediker; alles is leegte - Prediker 12: 8 NBV), een slotwoord van een bewonderaar (Prediker 12: 9-11) en een tweede slotwoord van meer orthodoxe snit. Predikers laatste woord is dus dat bij het sterven onze geest terugkeert tot God. Dat deze uitspraak Predikers slotwoord is, geeft er extra gewicht aan.

  2. Over de mens wordt hier gesproken met twee woorden: stof ('afâr) en geest (roeach). Deze tweeheid herinnert aan Genesis 2:7. Daar wordt verteld hoe God de mens vormt uit stof ('afâr) en hem de levensadem (nisjmat chayim) in de neus blaast. Ik houd het ervoor dat tussen de levensadem uit Genesis en de geest uit Prediker inhoudelijk niet veel verschil bestaat (ook in Ezechiël 37: 8-10 is het de geest die het verschil maakt tussen dode en levende lichamen). In het algemeen is Prediker nauw verwant met Genesis 1-3. Zo noemt hij in het eerste vers van hoofdstuk 12 God je Schepper, daarmee herinnerend aan het woord scheppen in Genesis 1.

  3. Na de zondeval wordt de mens de dood aangezegd: stof ('afâr) ben je, en tot stof ('afâr) keer je terug (Genesis 3:19). Hoe het daarbij met de levensadem / geest gaat, wordt in Genesis niet nader benoemd.

  4. Prediker gaat daar wel op in. In eerste instantie schrijft hij: De mensen en de dieren treft hetzelfde lot. Zoals een dier sterft, zo sterft ook een mens; ze delen in dezelfde adem (roeach). Dat is hun beider lot. Een mens is niet beter af dan een dier, want alles is leegte. Alles gaat naar dezelfde plaats, alles is uit stof ('afâr) ontstaan en alles keert terug tot stof ('afâr). Wie zal ooit weten of de adem (roeach) van een mens naar boven opstijgt en die (roeach) van een dier afdaalt naar de aarde? (3:19-21 NBV). De bedoeling van de eerste woorden van vers 21 is al vandouds omstreden. De NBG-vertaling luidt: Wie bemerkt dat ... - daarmee is bedoeld: de geest van een mens stijgt op en de geest van een dier daalt neer; alleen: je kunt dat niet empirisch constateren. De NBV-vertaling: Wie zal ooit weten of ... suggereert een onzekerheid, die we nooit te boven zullen komen. Duidelijk is dat Prediker met opstijgen naar boven bedoelt: niet in de richting van het onderaardse dodenrijk, maar in de richting van de hemel, van God (Prediker 5:1).

  5. Aan het slot van zijn betoog (Prediker 12: 7) gaat Prediker een stap verder: zoals het stof terugkeert tot het stof waaruit het is genomen, zo keert de geest terug tot God Die hem geschonken heeft. Niet enkel het stof keert terug (tot stof - Genesis 3:19), maar ook de geest (tot God). Terugkeren is een markant thema in Prediker. In het begin van zijn boek (Prediker 1: 4-11) wijst Prediker op de eeuwige kringloop in de natuur: wind en water keren steeds terug (Prediker 1: 6- 7) - zinnebeeld van zinloosheid. Later betoogt Prediker dat het Gód is Die alles weer terughaalt (Prediker 3:15 NBV - NBG: opzoekt). Tenslotte past Prediker deze uitspraak toe op de individuele mens: het stof keert terug tot de aarde (als in Genesis 3:19) - de geest keert terug tot God. De eeuwige kringloop van de natuur en de mensheid aan het begin (Prediker 1: 4-11) correspondeert met de kringloop van de individuele mens aan het slot (Prediker 12: 7).

  6. De geest keert terug tot God Die hem gegeven heeft. Onduidelijk blijft wat Prediker zich precies voorstelt bij het woord geest (NBV: de adem van het leven). Gezien de overeenkomst met Genesis 2: 7 valt te denken aan de levensadem, de levenskracht, het leven zelf. God is de bron van het leven en het leven keert tot Hem terug. Daarmee zijn we nog niet bij het verlangen van Paulus om bij de Heer te zijn (Filippenzen 1:23) en de belofte van Jezus: Heden zul je bij Mij in het paradijs zijn (Lucas 23:43). Maar het klinkt wel positiever dan het gedachtenisloze en duistere dodenrijk van Prediker 9:10. Ik sluit niet uit dat mensen uit onze tijd Prediker dankbaar zijn voor deze uitspraak. Ik kom nooit iemand tegen die sterven opvat als neerdalen in het dodenrijk (Genesis 37:35 enz). Ik ontmoet wel mensen voor wie de nieuwtestamentische verwachting van de lichamelijke opstanding meer vragen oproept dan troost biedt. Misschien zijn zij geholpen met deze bijbelse gedachte dat ons leven eenmaal terugkeert tot God Die het gegeven heeft.

terug naar exegetische schetsen

TERUG NAAR INDEX