VIER VISIES OP HET BIJBELBOEK JEREMIA

0. Inleiding.

1) In de lijdenstijd van 2006 stonden gedeelten uit het bijbelboek Jeremia op het lezingenrooster van Kind op Zondag. Reden om wat achtergrond-informatie te lezen over dit bijbelboek. Ik vond die in de inleidingen van vier verschillende commentaren op Jeremia in mijn boekenkast: Rudolph (HAT), Wambacq (BOT), Carroll (OTL) en Van Selms (POT). Ik behandel ze in de volgorde van de 1e uitgaven.

2) Over de historiciteit van het bijbelboek Jeremia vinden we twee verschillende visies. Rudolph, Wambacq en Van Selms gaan er alle drie van uit dat dit bijbelboek woorden van en verhalen over de historische profeet Jeremia (ca 650 - na 586 voor Christus) bevat. Carroll daarentegen vindt in het bijbelboek Jeremia allerlei oorspronkelijk anonieme profetieën, die pas later op naam van de legendarische figuur Jeremia zijn gezet; en verhalen die de weerspiegeling vormen van belangen-tegenstellingen in de Joodse gemeenschap na de ballingschap.

3) Elk commentaar noemt het verschil tussen de Hebreeuwse versie (MT = Masoretische Tekst, die de grondslag vormt van de Nederlandse bijbel-vertalingen) en de Griekse versie (LXX = Septuaginta) van het bijbelboek Jeremia.
* De Griekse versie van Jeremia is aanzienlijk (ongeveer 12% / 2700 woorden) korter dan de Hebreeuwse. Zo ontbreekt in de Griekse versie ongeveer 50x luidt het Woord des HEREN en eveneens de aanduiding van Jeremia als de profeet.
* De Griekse versie van Jeremia neemt de profetieën tegen de volkeren (MT: hoofdstuk 46-51) op na 25:13, in een andere volgorde dan MT.

1. Wilhelm Rudolph: Jeremia (Handbuch zum Alten Testament), Tübingen, 1947 / 1958 / 1968:

Rudolph is een kritische exegeet. Hij heeft vele conjecturen (voorstellen tot tekst-wijziging) op zijn naam staan. Desondanks leest hij het boek Jeremia zoals het zich aandient: als een boek met woorden van en verhalen over de profeet. Rudolph weet natuurlijk best dat het boek Jeremia geen biografie is, maar op grond van dit bijbelboek weet Rudolph wel een biografie van Jeremia te schetsen.

Jeremia werd geboren rond 650 voor Christus in Anatot, dicht bij Jeruzalem. Al jong (+ 627) werd hij geroepen tot profeet. Hij wist zich geroepen Gods oordeel aan te kondigen vanwege het vereren van afgoden en beelden. Maar de prediking van het oordeel ging in tegen zijn hart. In + 622 voerde koning Josia na het vinden van het Wetboek een hervorming door. Uit deze tijd hebben we weinig of geen profetieën van Jeremia. In 609 kwam koning Josia om in de slag bij Megiddo. Hierna werd het beleid gestempeld door de sterk cultisch gerichte priesters. Koning Jojakim draaide de hervorming van zijn vader terug. Jeremia keerde zich daarop zowel tegen de priesters als tegen de koning en kwam daarmee in conflict met de overheid. Hij leed daar lichamelijk en geestelijk zwaar onder. In de jaren daarna werd de dreiging van koning Nebukadnezar van Babel voelbaar. Jeremia zag in hem Gods werktuig om zijn volk te straffen. In de jaren na de eerste val van Jeruzalem (597) stond Juda voor de keuze tussen opstand of onderwerping. In 588 kwam koning Zedekia in opstand tegen Babel en in 586 ging Jeruzalem ten onder. Daarna voegde Jeremia zich bij de nieuwbenoemde stadhouder Gedalja in Mizpa, die echter na enkele weken werd vermoord. De opstandige Joden vluchtten daarop naar Egypte en namen Jeremia en Baruch mee. Dat is het laatste wat het bijbelboek over hem vertelt. Sommige Joodse legenden vertellen dat Jeremia in Egypte door zijn volksgenoten is gestenigd; andere, dat hij in Egypte een vreedzame dood is gestorven. Het leven van Jeremia vertoont overeenkomsten met het leven van Jezus.

Het leven van Jeremia heeft twee brandpunten: zijn God en zijn volk. Jeremia staat in Gods dienst maar zijn volk heeft hij lief. Jeremia weet zich geroepen door God en ziet in allerlei bijzonderheden Gods leiding. Sterker dan bij de andere profeten speelt zijn eigen ik een rol, ook tegenover God. God is voor Jeremia niet zozeer de Heilige, als wel de Gesprekspartner. Het begrip van de Geest (die in het Oude Testament vaak het menselijke ik uitschakelt) ontbreekt in Jeremia. Jeremia is middelaar tussen God en zijn volk: hij spreekt namens God tot zijn volk en hij pleit voor zijn volk bij God. Steeds is hij begaan met zijn volk dat hij Gods oordeel moet aanzeggen. Veel van Jeremia' s profetieën zijn opmerkelijk vervuld; maar enkele ervan (nog) niet, zoals de terugkeer van de Tien Stammen.

God is voor Jeremia de Schepper en daardoor de Heer der wereld. Maar God heeft ook de enkele mens in het oog. God heeft Israël verkoren uit vrije wil en goddelijke liefde: Ik zal uw God zijn en gij zult Mijn volk zijn (7:23 enz.). Jeremia wijst zijn volk erop dat verkiezing ook verplicht tot gehoorzaamheid aan Gods geboden, zowel de godsdienstige (geen afgoden dienen) als de zedelijke en maatschappelijke. Ongehoorzaamheid valt niet te compenseren met liturgie. De ondergang van tempel en cultus zal dat bewijzen. Jeremia preekt het komende oordeel om zijn volk tot bekering te wekken; dan zal God van het oordeel afzien (26: 3 enz.). Maar het volk blijkt onverbeterlijk tot in de wortel (17: 9). Dat maakt Gods oordeel onontkoombaar. Nebukadnezar is daarin instrument van God. Soms lijkt Jeremia de totale vernietiging van zijn volk te verwachten. Maar die kan hij niet rijmen met Gods verkiezing. Daarom verwacht hij ná de ondergang nieuw heil: een toekomst van herstel en vrede; een toekomst zonder cultus, omdat ieder dan God innerlijk zal kennen (31:31-34). Tegenover de heidense volkeren staat Jeremia opvallend ruimhartig. Ook zij zijn kinderen van God (3:19) en in hun religieuze trouw zijn ze voorbeeldig (2:10-11). Maar bij het komende heil van Israël zijn ze (slechts) toeschouwers.

Binnen het boek Jeremia onderscheidt Rudolph in hoofdzaak 3 bronnen:
1) Spreuken van Jeremia (losse spreuken en spreuken-verzamelingen), meestal ritmisch en vaak ingeleid met zo spreekt de Heer; een deel hiervan stond in de oer-rol genoemd in 36:4.
2) Verhalen over Jeremia, doorgaans toegeschreven aan zijn secretaris Baruch (in tegenstelling tot Jesaja horen we bij Jeremia niets over een kring van leerlingen), met nadruk op het lijden van de profeet.
3) Prediking van Jeremia in deuteronomistische bewerking, in proza, met een monotone boodschap: Juda en Jeruzalem zijn ten ondergang gedoemd omdat ze Gode ongehoorzaam zijn; vaak ingeleid met het woord dat van de Heer tot Jeremia kwam; Rudolph ziet in deze passages latere bewerkingen van woorden van Jeremia om het volk duidelijk te maken dat ze het oordeel aan zichzelf te wijten hebben.

Het boek Jeremia is opgebouwd naar zakelijke gezichtspunten. Rudolph onderscheidt 4 delen:
A) 1: 1-25:14: onheilsprofetieën over Jeruzalem en Juda:
Binnen dit deel is de stof vooral chronologisch geordend. Voor de eerste periode vormt de oer-rol de enige bron. Vanaf de tijd van Jojakim had de redacteur de beschikking over alle drie de hierboven genoemde bronnen. Hij gebruik bron 3) als stramien. Het kostte hem wel eens moeite daarin al zijn stof een logische plek te geven.
B) 25:15-38 en 46-51: onheilsprofetieën over de heidense volkeren:
De hoofdstukken 46-51 stonden eerst na hoofdstuk 25 (zo blijkt uit de Griekse versie van het boek Jeremia) en zijn later verplaatst naar het eind van het boek.
C) 26-35: heilsprofetieën voor Israël en Juda:
De redacteur heeft de stof hier zakelijk geordend. Opvallend is dat hij hier waarschuwende en vermanende profetieën heeft opgenomen vanwege en geordend naar een (soms ondergeschikt) heil-voorzeggend aspect.
D) 36-45: Baruchs verhaal over het lijden van Jeremia (voor zover nog niet tevoren gebruikt).
De redacteur is het meest verwant aan en mogelijk identiek met de schrijver van bron 3 (deuteronomistische bewerking). Hij staat ook het dichtst bij de latere Joodse geloofsbeleving. Waarschijnlijk vond de redactie van het boek Jeremia nog tijdens de ballingschap plaats.

Het verschil tussen de Hebreeuwse (MT) en Griekse (LXX) versie van Jeremia moeten we volgens Rudolph niet overdrijven. In sommige gevallen heeft de Griekse vertaler een wijdlopige Hebreeuwse tekst bekort. In andere gevallen is er sprake van latere toevoegingen aan de Hebreeuwse tekst.

2. B.N. Wambacq, Jeremias (Boeken van het Oude Testament), 1957:

Wambacq begint zijn inleiding met een schets van de historische achtergrond van Jeremia. Na de dood van koning Assurbanipal (626 voor Christus) viel het Assyrische rijk uiteen. Nabopolassar werd koning van Babylon. In 612 namen de Babyloniërs en de Mediërs samen Nineve (de hoofdstad van Assyrië) in. Zijn zoon Nebukadnezar (koning 605-562) maakte van Babylon een wereldrijk. Na hem kwam dit rijk in verval. In 539 werd Babel ingenomen door de Perzen. - In het koninkrijk Juda was de hervorming van koning Hizkia ongedaan gemaakt door zijn opvolgers Manasse (693-639) en Amon (639-638). Zijn jeugdige zoon Josia begon in 627 met een radicale opruiming van de afgodendienst, in zijn eigen rijk en daarna ook in het voormalige Noordrijk Israël. In ongeveer 622 werd het Wetboek (terug)gevonden: een nieuwe impuls tot hervorming. Maar in 609 sneuvelde koning Josia in de slag bij Megiddo. Onder koning Jojakim herleefde de afgodendienst weer. Bovendien vestigde men zijn vertrouwen op de tempel: sinds Josia het enige legitieme heiligdom van de Heer. In 587 werd Juda door Nebukadnezar van Babel ingenomen en verwoest. De door Nebukadnezar aangestelde stadhouder Gedalja werd al na drie maanden vermoord. Daarop vluchtte een deel van de Joden naar Egypte waar ze opnieuw vervielen tot afgoderij. - Wambacq gaat vervolgens nog nader in op de datum van de val van Jeruzalem. De bepaling van die datum hangt samen met de vraag of de bijbelschrijvers bij de regeringsjaren van Nebukadnezar en Zedekia rekenen met antedatering (het eerste gedeeltelijke kalenderjaar geteld als een heel jaar) of met postdatering (het eerste regeringsjaar laten ingaan op nieuwjaar ná de troonsbestijging). Na een uitvoerig betoog concludeert Wambacq dat de bijbelschrijvers hier rekenen volgens antedatering en dat Jeruzalem dan is gevallen in augustus 587 voor Christus.

Tegen deze historische achtergrond tekent Wambacq het leven van Jeremia. Hij moet geboren zijn rond 650 voor Christus. Hij stamde uit een priesterlijk geslacht, mogelijk uit de nakomelingen van Eli. Hij was vertrouwd met de geschriften van zijn voorgangers zoals Hosea. Rond 627 voor Christus werd hij door de Heer geroepen tot profeet. Van nature verlangde hij naar kalmte en rust - als profeet moest hij strijden en lijden. Hij stond achter de hervorming van koning Josia. Dat bracht hem in conflict met dienst opvolger Jojakim; ook met zijn medeburgers en met de priesters. Jeremia heeft het met al deze tegenstand heel moeilijk gehad. Zijn gebedsworsteling met de Heer getuigt daarvan. Jeremia is de innigste en persoonlijkste bidder in de bijbel. Het persoonlijke aspect van het geloof komt bij hem sterk naar voren. Daarom ook verwacht hij een nieuw verbond waarbij de wet geschreven zal staan in de harten. Jeremia is profeet van God bij de mensen - maar tevens pleiter voor de mensen bij God. - Bij Juda's laatste koning Zedekia (597-587) vond Jeremia meer gehoor dan bij koning Jojakim. Maar Zedekia had niet de moed gevolg te geven aan de oproep van Jeremia om zich te onderwerpen aan koning Nebukadnezar, door de Heer aangesteld als heerser over de wereld. Zedekia kwam in opstand tegen Nebukadnezar. Jeremia drong op overgave aan en werd daarom als landverrader opgesloten. Na de val van Jeruzalem koos hij ervoor in Juda te blijven. Na de moord op Gedalja werden Jeremia en Baruch meegesleept naar Egypte. Zijn protest tegen de afgoderij aldaar was tevergeefs. Over zijn levenseinde zijn er slechts na-bijbelse legenden: dat hij in Egypte (Tachpanches) gestenigd zou zijn; of dat hij later gestorven zou zijn in Babel. Menselijkerwijs is Jeremia dus mislukt. Maar al spoedig kreeg hij kanoniek gezag. In 2Makkabeeën wordt verteld hoe hij de ark, de tabernakel en het wierookaltaar heeft verborgen op de berg Nebo. In het Jodendom geldt Jeremia als voorspraak voor zijn volk. Christenen hebben allerlei overeenkomsten gezien tussen Jeremia en Jezus.

Daarna schetst Wambacq de theologie van Jeremia. Jeremia verkondigt de éne God, Die de wereld heeft geschapen en regeert. Aan God dankt Nebukadnezar zijn heerschappij. God heeft Israël verkoren tot Zijn volk. Deze verkiezing heeft Hij bezegeld met een verbond: Ik ben uw God - gij zijt Mijn volk. In dit verbond zijn belofte (Ik ben uw God) en eis (gij zijt Mijn volk) dus onverbrekelijk verbonden. Het volk voelde zich door Gods belofte veilig, maar stoorde zich niet aan Gods geboden. Daarom waarschuwt Jeremia zijn volksgenoten dringend. Als ze volharden in de zonde, zal God straffen: Zelf rechtstreeks of door tussenkomst van vreemde volkeren (de vijand uit het Noorden). Maar Gods gericht is niet Zijn laatste woord. Bekering blijft altijd mogelijk. En de Heer blijft trouw aan Zijn verbond. Jeremia verwacht na een langdurige ballingschap (70 jaar - 29:10 vgl. Daniel 9: 2) terugkeer naar het beloofde land, herstel van de samenleving en een nieuw verbond: Gods Wet geschreven in de harten. Geloof is voor Jeremia niet zozeer een cultische of collectieve, maar vooral een persoonlijke zaak: de persoonlijke verhouding van de mens tot God. In Jeremia's heilsverwachting speelt de Messias een ondergeschikte rol. Tegenover de buitenlandse volkeren is Jeremia mild; hun bekering ligt echter buiten zijn gezichtskring.

Tijdens de regering van Josia wordt het boek der Wet gevonden (+ 622 voor Christus). Men denkt hierbij vaak aan Deuteronomium. Daarin wordt het verbond van de Sinaï bevestigd en aangevuld. Zowel qua theologie als qua taal vertoont Jeremia overeenkomsten met Deuteronomium.

Uit de verschillende tijdsbepalingen blijkt dat in het bijbelboek Jeremia de stof niet chronologisch is geordend. Wel is er een thematische ordening van de stof. Wambacq komt tot 7 delen:
* hoofdstuk 1: de roeping van Jeremia
* hoofdstuk 2-25: woorden van Jeremia
* hoofdstuk 26-29: uit het leven van Jeremia
* hoofdstuk 30-35: beloften van heil
* hoofdstuk 36-39: het lijden van Jeremia
* hoofdstuk 40-45: na de verwoesting van Jeruzalem
* hoofdstuk 46-51: profetieën over de volkeren
* hoofdstuk 52: de ondergang met Jeruzalem
Binnen deze delen is de ordening globaal wel chronologisch.

Het bijbelboek Jeremia is samengesteld uit verschillende bronnen. In het jaar 605 laat Jeremia Baruch zijn profetieën tegen Juda en Jeruzalem opschrijven in een boekrol. Deze werd door koning Jojakim verbrand. Daarna moest Baruch een nieuwe rol maken met dezelfde inhoud als de eerste. Deze nieuwe rol werd nadien voortdurend aangevuld. Zo'n rol kon een flinke inhoud hebben. Mogelijk bevatte de oer-rol alle uitspraken van Jeremia zelf die nu zijn opgetekend in hoofdstuk 1-20. Daarnaast vinden we in hoofdstuk 2-25 de leer van Jeremia, weergegeven voor een ander (Baruch?). In de hoofdstukken 26-44 (de lotgevallen van Jeremia) vindt Wambacq drie bronnen: hoofdstuk 26-29 (over het optreden van de profeet); hoofdstuk 36-39 (over het lijden van de profeet) en hoofdstuk 40-44 (Jeremia's lotgevallen na de ondergang van Jeruzalem). De heilsprofetieën in de hoofdstukken 30-35 bedoelen de weergave van Jeremia's prediking hoopvol af te sluiten. De geïnspireerde redactor heeft herhaaldelijk aan concrete uitspraken van Jeremia een universele betekenis gegeven.

Het verschil tussen de Hebreeuwse (MT) en Griekse (LXX) versie van Jeremia wijst volgens Wambacq op twee verschillende tekst-overleveringen. In LXX zijn twee vertalers aan het werk geweest (de eerste in hoofdstuk 1-29 en de tweede in hoofdstuk 29-52). Voor vertaling en uitleg baseert Wambacq zich op MT.

3. Robert P. Carroll: Jeremiah (Old Testament Library), Londen, 1968:

Het bijbelboek Jeremia is het omvangrijkste van de grote profeten (Jesaja, Jeremia en Ezechiel). Het verhaalt over de ondergang van Juda en Jeruzalem vanuit het gezichtspunt van de profeet Jeremia. Daarmee is het nog geen biografie van Jeremia, integendeel: we lezen niets over zijn geboorte en dood, en slechts weinig bijzonderheden over zijn leven. De klassieke uitleg van dit bijbelboek vindt er de woorden en daden van de historische Jeremia in. Carroll leest Jeremia als een verzameling van vele verschillende traditie-lagen.

Om te beginnen valt het boek uiteen in twee grote delen: hoofdstuk 2-25 en hoofdstuk 26-45. In het eerste deel wisselen poëzie en proza elkaar af; slechts hier en daar wordt als spreker Jeremia genoemd (bijvoorbeeld in 7:1 en 11:1). Het tweede deel bevat verhalen over de profeet Jeremia. Tussen beide hoofddelen zijn er ook inhoudelijk verschillen; in het eerste deel lijkt hij alleen te staan (15:17) - in het tweede deel heeft hij machtige vrienden (26:24); enz.

Nadere analyse brengt Carroll tot vier delen: hoofdstuk 2-25; 26-36; 37-45; en 46-51, met een proloog (hoofdstuk 1) en een epiloog (hoofdstuk 52). De verschillende delen en onderdelen beginnen met een formulering die het vervolg aanduidt als Gods Woord gesproken door Jeremia. Met name op dit punt is Carroll kritisch, zo men wil: skeptisch. Hij acht het waarschijnlijk dat uiteenlopende anonieme profetieën achteraf zijn toegeschreven aan de profeet Jeremia (pagina 47-48).

Hier komt nog iets bij. Carroll gaat ervan uit dat de Griekse versie (LXX) van het bijbelboek Jeremia teruggaat op een Hebreeuws origineel, dat oorspronkelijker is dan onze Hebreeuwse versie. De Hebreeuwse versie (MT) zou dan dus een later stadium van het bijbelboek Jeremia vormen, waarin de figuur van Jeremia is opgewaardeerd (bijvoorbeeld door de veelvuldige titel "de profeet").

Ook kritisch staat Carroll tegenover de verhalen over Jeremia en Baruch. Hij ziet geen bewijs dat deze verhalen historische herinneringen aan Jeremia en Baruch bevatten (pagina 59). Eerder ziet hij er legenden in die werden doorverteld in de Joodse gemeente na de ballingschap (pagina 60). Hij illustreert dat aan de hand van de figuur Baruch. Die speelt slechts een bescheiden rol in het boek. In de latere legendevorming wordt hij steeds belangrijker (de Apokalyps van Baruch!). Kan hetzelfde al eerder zijn gebeurd met de figuur Jeremia zelf?

Theologisch is Jeremia verwant met Deuteronomium. Zonde (met name afgoderij) leidt tot straf. Zo wordt de ondergang van Juda en Jeruzalem geduid als Gods straf over de afgoderij van het volk. Maar opvallend is dat het bijbelboek weinig feitelijke informatie geeft over de belegering en ondergang van Jeruzalem (behalve in hoofdstuk 39, naar 2Koningen 25). Daardoor lijkt het meer op latere theologie, op afstand van de historische feiten.

Carroll let in het bijbelboek Jeremia op de "belangen" van verschillende groepen in de Joodse gemeenschap na de ballingschap. Zo herkent hij in de kritiek op koning Jojachin (22:24-30) het belang van een groep na de ballingschap die zich verzette tegen het leiderschap van Zerubbabel (de kleinzoon van Jojachin - pagina 71). Dergelijke belangen ziet Carroll in de verschillende schuldigen die worden aangewezen voor de ondergang van Jeruzalem: de koningen; de priesters; het volk; de profeten.

Met name de profeten krijgen de schuld. De traditionele uitleg ziet hierin het conflict tussen de ware profeet Jeremia en de valse profeten. Carroll ziet er een terug-projectie in van latere anti-profetische polemiek (Zacharia 13: 2-6). Ironisch genoeg wordt Jeremia in de latere traditie (MT!) zélf steeds meer de profeet bij uitstek: in tegenstelling tot de godsdienstig-actieve "valse" profeten wordt hij voorgesteld als de passieve ontvanger van het Woord (Als een robot wordt hij geprogrammeerd om enkel te handelen op goddelijk bevel - pagina 77). Toen alle instituties van Israël en Jeruzalem in 587 voor Christus wegvielen (koning en staat, tempel en liturgie), bleef enkel het Woord over (Jesaja 40: 6b- 8). In zijn passiviteit belichaamt de figuur Jeremia (zoals met name de Hebreeuwse versie hem tekent) het zuivere Woord van God: een fase van de ontwikkeling naar het Jodendom.

Terecht onderstreept Carroll zelf voortdurend dat zijn benadering sterk hypothetisch is. Hij vindt in het bijbelboek Jeremia oudere lagen en latere ontwikkelingen, die hij verbindt met diverse groepen en belangen uit verschillende periodes. Maar a) dat alle opschriften zoals 14:1 later boven anonieme profetieën zijn gezet om ze aan Jeremia toe te schrijven, is évenmin te bewijzen als dat deze profetieën inderdaad van Jeremia zijn; dat alle verhalen over Jeremia latere legenden zijn is évenmin te bewijzen als dat ze historische gegevens over Jeremia bevatten; en b) over de verschillende groepen en belangen waarmee Carroll de tradities uit Jeremia verbindt, weten we heel weinig - zeker als we álle bronnen (ook de andere bijbelboeken) éven kritisch benaderen als Carroll het bijbelboek Jeremia.

4. A. van Selms: Jeremia deel I, II en III (inclusief Klaagliederen) (Prediking van het Oude Testament), Nijkerk, 1980.

Aan het begin van deel I (12-15) van zijn commentaar behandelt Van Selms al direct het verschil tussen de Hebreeuwse (MT) en Griekse (LXX) versie van Jeremia. Van Selms geeft hiervoor de volgende verklaring:
= De LXX gaat terug op het kladschrift van Baruch, waarin hij gaandeweg de profetieën en lotgevallen van Jeremia noteerde en dat hij meenam op de vlucht naar Egypte (Jeremia 43: 5- 7). Deze versie van het boek Jeremia is dus het oorspronkelijkst. Ze bleef in Egypte bewaard en werd daar eeuwen later vertaald in het Grieks.
= De MT gaat terug op het netschrift van Baruch. In Egypte bewerkte en fatsoeneerde Baruch zijn kladschrift tot een netschrift. Dit was door voor Baruch zelf de definitieve vorm van zijn boek. Baruch stuurde het naar de ballingen in Babel. Daar bleef het bewaard en werd de grondslag van de Hebreeuwse versie van Jeremia.
In de eeuwen nadien hebben beide versies elkaar wederzijds beïnvloed.

In deel III (82-100), na de uitleg van het boek Jeremia, gaat Van Selms in op algemene vragen rond Jeremia. Hij neemt daarvoor zijn uitgangspunt in hoofdstuk 42, waarvan ik enkele fragmenten in de Nieuwe Bijbel Vertaling weergeef: 1 De bevelhebbers van het leger ... kwamen met de andere Judeeërs, van jong tot oud, naar de profeet Jeremia 2 en zeiden tegen hem: 'Wij zouden u willen vragen om voor ons, overlevenden, tot de HEER, uw God, te bidden ... 3 Laat de HEER, uw God, ons de weg wijzen en zeggen wat ons te doen staat.' 4 De profeet Jeremia antwoordde: 'Goed, ik zal doen wat u vraagt en tot de HEER, uw God, bidden. En ik zal u alles zeggen wat de HEER u antwoordt, ik zal niets achterhouden.' ... 7 Tien dagen later richtte de HEER zich tot Jeremia, 8 waarna deze (de Judeeërs) bij zich riep. 9 Hij zei: 'Op uw verzoek heb ik tot de HEER gebeden. Dit zegt de HEER, de God van Israël: ... Van Selms trekt hieruit de volgende conclusies over het profetische ambt van Jeremia:
1. Jeremia kon niet vrij over het Godswoord beschikken.
2. Sinds zijn roeping blijft steeds de mogelijkheid dat God tot Jeremia spreekt.
3. In gebed bereidt Jeremia zich voor op het ontvangen van een openbaring.
4. Jeremia kon onderscheiden tussen zijn eigen gedachten en Gods Woord.
5. Jeremia geeft het Godswoord door áls Godswoord: Dit zegt de HEER: ...

Jeremia heeft steeds geworsteld met de valse profetie. De waarheid van profetie is niet objectief te bewijzen. Elke profetie veronderstelt geloof bij de profeet en geloof bij zijn gehoor. De boven genoemde punten markeren wel verschilpunten met de valse profeten. De valse profeten traden op in het kader van de cultus. Hun boodschap was in de geest van de machthebbers. Ze vertelden het volk wat het graag wilde horen. Maar ook Jeremia preekte in de tempel, had invloedrijke vrienden (Ahikam 26:24) en wilde gehoor vinden bij het volk. En valse profeten konden hun boodschap ook oprecht menen. Voor de tijdgenoot was het onderscheid tussen Jeremia en de valse profeten moeilijk te maken!

De natuurlijke vorm van profetie was in Jeremia's tijd poëtisch. Jeremia's stijl is elegisch (klagend-muzikaal). Maar Jeremia is ook prozaïst; het is onjuist alle proza-gedeelten uit het boek als secundair te schrappen. Jeremia uitte zich in proza in
1) brieven, nodig vanwege de verspreiding van het volk (Juda - Babel - Egypte);
2) prediking voor de gemeente in de toen gangbare "deuteronomistische stijl".

In 605/4 dicteerde Jeremia zijn profetieën uit de voorafgaande 23 jaar (25:1-3) aan Baruch (36:1-4). Wat er precies in deze oer-rol heeft gestaan, weten we niet. Koning Jojakim heeft haar verbrand (36:23). Daarop heeft Baruch een tweede rol gemaakt met de inhoud van de eerste rol; bovendien werden er veel woorden van gelijke strekking aan toegevoegd (36:32). Opmerkelijk dat Jeremia zich zijn prediking van de voorbije 23 jaar kan herinneren. Daarbij valt te bedenken:
a) In culturen die weinig schrijven, hebben mensen vaak een formidabel geheugen;
b) Jeremia zal verschillende profetieën telkens weer hebben herhaald.
Wanneer Jeremia zich de profetie niet meer woordelijk kon herinneren, vatte hij haar samen in proza. Al dicterend zal hij ook verduidelijkingen hebben toegevoegd. Zo is Jeremia zelf de eerste exegeet van zijn voorafgaande profetieën. Daarbij actualiseert hij ze ook: de vijand uit het noorden, oorspronkelijk de Assyriërs, blijkt bij nader inzien de koning van Babel te zijn.

Jeremia dicteerde zijn profetieën aan Baruch. Baruch was een belangrijke ambtenaar aan het hof. Hij zag geen heil in opstand tegen Babel. Waarschijnlijk bekleedde hij een belangrijke post onder de stadhouder Gedalja. Samen met Jeremia werd hij meegenomen door de vluchtelingen naar Egypte. - Waarschijnlijk was hij getuige van verschillende belangrijke momenten in het optreden van Jeremia, zoals zijn tempelprediking in 609. Jeremia dicteerde hem de eerste en de tweede boekrol. Na 605/4 voegde Baruch daaraan telkens gedeelten toe: zowel oudere als nieuwe profetieën, documenten, verhalen over de lotgevallen van Jeremia en persoonlijke herinneringen; meestal geordend naar zakelijke gezichtspunten. Pas in de hoofdstukken 37-44 ordent Baruch zijn materiaal meer chronologisch. Bij het componeren gebruikt Baruch vaak de telescoop-techniek: van woord en wederwoord maakt hij één rede. Na de dood van Jeremia bewerkt Baruch zijn manuscript tot een persklaar boek, bestemd voor de Joodse gemeenschap in Babel. Dit netschrift vormt de grondslag voor de MT - Baruchs oorspronkelijke kladschrift vormt de grondslag voor de LXX (zie boven).

Jeremia zegde zijn volk Gods oordeel aan. Als zij zich op zijn prediking hadden bekeerd, was het oordeel nog afgewend. Maar Jeremia merkte dat zijn volk onverbeterlijk was. Josia's hervorming had niet geleid tot innerlijke bekering en koning Jojakim verbrandde de profetie. Daarom achtte Jeremia het oordeel onontkoombaar. Maar hij was niet enkel geroepen tot afbreken en uitrukken, maar ook tot bouwen en planten (1:10). Ook na Gods oordeel blijft Zijn verkiezing van kracht. Jeremia verwachtte na en door de dood van de ballingschap de opstanding van het herstel: een nieuw verbond: terugkeer van de ballingen, herstel van het koningschap, herstel van de eredienst in Jeruzalem, innerlijke vernieuwing van het volk. Hier en daar duidt Jeremia zelfs op een analoge weg voor heidense volkeren: door de dood tot het leven.

Het definitieve boek Jeremia, door Baruch verzonden naar Babel, heeft weerklank gevonden als gezaghebbend Godswoord. Invloed ervan vinden we bij de profeten Ezechiël en Deuterojesaja. Aan dit al spoedig kanonieke bijbelboek sloten zich andere geschriften aan: de Klaagliederen "van Jeremia"; de Brief van Jeremia in LXX; de pseudepigraaf 3Baruch; het apokriefe boek Baruch in de LXX; de Apokalyps van Baruch in verschillende versies. In 2Makkabeeën wordt verteld hoe Jeremia het heilige vuur meegeeft aan de priesters die in ballingschap worden gevoerd. In het Nieuwe Testament wordt Jeremia vaak aangehaald (bijv. in Hebreeën 9: 8-12 over het nieuwe verbond). In de 19e en 20e eeuw ontbrandt de strijd om de echtheid van de teksten. Van Selms legt de bewijslast bij wie de echtheid ontkennen. Semitisten zijn daarbij doorgaans veel conservatiever dan theologen.

Van Selms baseert zich in zijn commentaar op MT = de Hebreeuwse medeklinkertekst. Van de masoretische vocalisatie wijkt hij herhaaldelijk af. Toch moet hij af en toe ook ten aanzien van MT een conjectuur (voorstel tot tekstwijziging) plegen; of een niet elders gevonden woordbetekenis aannemen.

terug naar index

TERUG NAAR DIVERSEN