DR. A. JOBSEN: Numeri 2, in de serie: Verklaring van de Hebreeuwse Bijbel. Commentaar voor Bijbelstudie, onderwijs en prediking, Kok Kampen 2010,  255 pag.
Auteur  AARNOUD JOBSEN was eerder predikant in Grijpskerke en Zierikzee; en werkte als studentenpredikant aan de Hogeschool Zeeland in Vlissingen. Sinds 2001 is hij één van mijn naaste collega's hier in Goes. Hij promoveerde in 1987 op Krisis en Hoop. Een exegetisch-theologisch onderzoek naar de achtergronden en tendensen van de rebelliecyclus in Numeri 11:1-20:3. Hij was daarom de aangewezen exegeet om een commentaar op Numeri te schrijven. In het eerste deel behandelt hij Numeri 1 tot en met 20. Dit tweede deel geeft uitleg van Numeri 21 tot en met 36.
Het boek JOBSEN geeft een uitleg van de Hebreeuwse tekst. Die wordt - waar nodig - weergegeven in transcriptie; je hoeft dus geen Hebreeuwse letters te lezen. JOBSEN geeft een uitleg van de Hebreeuwse tekst zoals wij die nu kennen; hij houdt zich dus niet bezig met de vijftig jaar geleden zo geliefde opsplitsing van de tekst in verschillende achterliggende bronnen. JOBSEN onderscheidt in ieder hoofdstuk een aantal scènes, die hij achtereenvolgens toelicht (dus geen uitleg woord-voor-woord of vers-voor-vers). Na de uitleg van ieder hoofdstuk volgt een - soms forse - literatuurlijst, maar de uitleg zelf concentreert zich op de tekst. Anders dan in sommige andere commentaren blijft een overzicht van alle voorgaande uitleggers ons bespaard. Wel verwijst JOBSEN soms naar de grote Joodse exegeten. JOBSEN is steeds wetenschappelijk-voorzichtig in zijn uitspraken. Het boek leest makkelijk: heldere stijl, korte zinnen. Het is mooi uitgegeven: gebonden boek, harde kaft, duidelijke druk.

Een commentaar laat zich niet samenvatten. In plaats van een samenvatting een aantal opmerkingen en vragen. Teken dat het boek mij aan het denken heeft gezet - en dat is het grootste compliment dat je een studieboek kunt maken.
Indeling Belangrijk voor de uitleg is de indeling van Numeri (zie ook mijn bespreking van deel I). 
  • De hoofdstukken 1 tm 10 tekenen een ideaal-beeld van Israël. Hier komt de verbondenheid tussen de HEER en de gemeenschap sterk tot uiting. De uit Egypte bevrijde groep mensen kan ideaal worden gezien als een Pesachgemeenschap (pag. 15). De typering Pesachgemeenschap gebruikt JOBSEN door het hele boek heen als verwijzing naar dit ideaal.
  • De hoofdstukken 11 tm 20 vormen dan het tweede hoofddeel: de rebelliecyclus (onderwerp van de dissertatie van JOBSEN). Ideaal en werkelijkheid in schril contrast naast elkaar.
  • In de hoofdstukken 21 tm 25 begint de thematiek van de confrontatie met de volken, met daarin centraal de Bileam-cyclus.
  • Numeri 26 tm 36 zijn geen woestijn-ervaringen meer, maar grens-ervaringen: op de grens van het beloofde land worden de thema's van identiteit en solidariteit opnieuw actueel.
Dabar-relatie Een belangrijke rol in Numeri speelt de unieke relatie tussen de HEER en Mozes. Die wordt gelijk al in Numeri 1:1 gemarkeerd met: de HEER sprak tot Mozes. Deze zinswending komt door heel het boek Numeri telkens terug. Van de twee gangbare werkwoorden voor spreken ('amar en dabar) wordt in deze zinswending consequent dabar gebruikt. JOBSEN spreekt daarom van de dabar-relatie. Het unieke karakter van de dabar-relatie wordt benoemd in Numeri 12:6- 8 (zie deel 1). Ook in dit tweede deel van het commentaar wijst JOBSEN telkens weer de dabar-relatie van de HEER - Mozes - Israël aan,  bijvoorbeeld op pag 27, 38, 104, 105, 126, 130 en 179. Als de HEER Zelf het initiatief neemt om via Mozes een opdracht aan het volk te geven, staat er in het Hebreeuws het werkwoord dabar - als de HEER reageert op een voorgaande gebeurtenis het werkwoord 'amar. We kunnen dat onderscheid in het Nederlands wel proberen te laten uitkomen door verschil te maken tussen De HEER sprak (= dabar) en De HEER zei (= 'amar), maar dat onderscheid zal de meeste lezers niet opvallen.  - JOBSEN benoemt het verschil tussen dabar en 'amar telkens wanneer de tekst daar aanleiding toe geeft. Maar om het belang van dit verschil goed te zien, moet je eigenlijk de beide delen van dit commentaar lezen én overzien. Wie voor de uitleg van een bepaalde passage enkele bladzijden leest, mist veel. Het boek had aan bruikbaarheid gewonnen als thema's zoals de dabar-relatie één keer samenhangend waren behandeld, met verwijzing daarnaar bij de andere teksten. Bij deel 1 maakte ik een dergelijke opmerking over de kwestie van de tent van de ontmoeting. Maar misschien passen excursen niet in het format van deze serie.
Numeri 21:
Israël en de volken. Crisis en strijd
De volkeren lijken een ondoordringbaar kordon te vormen rondom het land dat de HEER zal geven. Hoe breekt Israël door dit kordon heen? (pag. 20). Hoewel er in Numeri 21 allerlei aardrijkskundige namen voorkomen, gaat het hier volgens JOBSEN niet in eerste instantie om geografie maar om theologie (pag. 21). Hij verwijst naar het boek Jozua, dat niet gaat over genocide maar over de strijd tussen twee identiteiten, in de vorm van de metafoor van de oorlog tussen Israël en de volken (pag. 22). Wanneer Israël de Kanaäniet met de ban slaat (Numeri 21:3), gaat het niet over totale vernietiging, maar over totale toewijding aan de HEER (pag. 23).

Israël wordt niet enkel van buitenaf bedreigd: door (de mentaliteit van) de volken - ook van binnenuit. In Numeri 21: 4- 9 komt het rebelliemotief, dat zo typerend was voor het geheel van de hoofdstukken 11-20, opnieuw voor. Het volk spreekt verwijtend tegen God en Mozes. Daarmee staat de zaak volledig op zijn kop (pag. 25). Daarop zendt de HEER vurige slangen (NBG) / giftige slangen (NBV) op het volk af. In het Hebreeuws staat er saraf: in de cultuur van de Kanaänieten een demonisch dier, vaak voorgesteld als een gevleugelde slang; in de Bijbel (Jesaja 30: 1- 7) verbonden met het Egypte-motief
(pag. 27). JOBSEN ziet in dit verhaal een duidelijke afwijzing van kwalijke ideeën en praktijken uit de tijd die aan de ballingschap voorafging: vertrouwen op een coalitie met Egypte in plaats van te leven in het verbond met de HEER en het deelnemen aan godsdienstige praktijken die als Kanaänitisch kunnen worden gekenschetst (pag. 28-29). Hij gaat ervan uit dat het boek Numeri zijn huidige vorm heeft gekregen in de periode ná de ballingschap, pakweg ná het jaar 500 voor Christus. Maar het feit dat de genezende slang van koper is gemaakt (Numeri 21: 9) verbindt hij met koperwinning in deze omgeving in de dertiende en twaalfde eeuw voor Christus (pag. 29).

In de intrigerende passage Numeri 21:10-30 lijken oudere bronnen te worden aangehaald, zoals het boek van de oorlogen van de HEER. De vraag is in hoeverre dit boek een fictie is (pag. 31). Dat zal een vraag blijven tot er ooit zo'n boek uit de puinhopen of uit het woestijnzand wordt opgediept; wat vaker is gebeurd met fictief geachte geschriften. Daarna volgt een scène waarin de geografie plaats moet maken voor de theologie met het lied van de bron; een hoopvolle correctie op de bronverhalen bij Meriba én een vooruitblik op de bronnen die de HEER Israël zal geven in Kanaän 
(pag. 32).

Het hoofdstuk eindigt met de confrontatie met de koningen Sihon en Og. Volgens Deut. 3:11 en Jozua 12: 4 is Og een van de laatste Refaïeten. Waarschijnlijk verwijst de aanduiding Refaïeten naar een klasse van hooggeplaatste en uiterst kundige militairen. De naam Og is van niet-Semitische oorsprong.  ... Deut. 3:11 bevat het legendarische materiaal over het kingsize bed van ijzer van koning Og. Een bed van negen el lang en vier el breed, het bed voor een reus (pag. 38). Zelf word ik bij zo'n tekst altijd nieuwsgierig naar de historische achtergrond van zo'n legende, maar JOBSEN bepaalt ons bij de boodschap van deze tekst voor het Joodse volk na de ballingschap: Van de legendarische koning Og blijft niets over. Hij staat model voor alle megalomane heerders waar Israël in de loop van de geschiedenis onder heeft geleden. Het verhaal over de afloop van de strijd is bemoedigend voor een volk dat op geen enkele wijze in staat is, welke oorlog dan ook te voeren (pag. 39).
Numeri 22:
De profeet op afroep
Toen zei Moab tot de oudsten van Midjan ... (Numeri 22: 4) - deze zin is voor JOBSEN aanleiding om in te gaan op de onheldere verhouding tussen Moab en Midjan. Blijkbaar bestaat er een nauwe verwantschap. Het is niet onmogelijk, dat op dat moment Moab als een vazalstaat aan te merken is van Midjan (pag. 44). Ook bij Numeri 25: 6- 9 (pag. 96) en Numeri 31: 1-2 (pag. 167) vermeldt JOBSEN de verhouding tussen Moab en Midjan. Een mogelijke bedreiging van de godsdienstige identiteit (Moab) gaat kennelijk samen met de herinnering aan de bedreiging van de veiligheid (Midjan). Overigens verschuift het perspectief dan volledig van Moab naar Midjan (pag. 167). Ook dit thema zou een korte excurs waard geweest zijn.

De Moabitische koning Balak brengt tegen het volk Israël een geheim wapen in stelling: de "profeet" Bileam. In teksten die gevonden zijn bij archeologisch onderzoek in Deir Alla, in de Jordaanvallei in Jordanië komt de naam van Bileam als belangrijke profeet voor. Dat maakt Bileam waarschijnlijk ook tot een historische gestalte. De tekst die gevonden is, roept het beeld op van een profeet die vanaf de achtste eeuw voor de jaartelling bekend was als ziener en vervloeker ... Het lijkt erop, alsof in het boek Numeri het personage van Bileam wordt gepersifleerd (pag. 46). - JOBSEN gaat in op enkele Hebreeuwse termen. Zo vertaalt hij qesamim (Numeri 22: 7) niet met
waarzeggersloon (NBG), maar met orakelvoorwerpen. Hij wijst op het onderscheid tussen twee termen voor vervloeken: 'arar (Numeri 22: 6) en qabab (Numeri 22: 11), waarbij het tweede werkwoord wat milder klinkt dan het eerste (pag. 49 en 50) - later maakt hij het onderscheid tussen 'arar voor een vervloeking in algemene zin en qabab voor magische handelingen die de vervloeking bekrachtigen (pag. 68). Voort wijst hij op de voortdurende afwisseling van God en de HEER in de Bileam-cyclus. De betekenis van dit onderscheid is niet steeds duidelijk. Wij neigen ertoe, dat de eindredactie verantwoordelijk is voor deze schijnbare verwarring (pag. 65).

Bileam gaat tenslotte mee met de vorsten van Balak. Maar de bode van de HEER blokkeert zijn weg. Meestal vertaalt men: engel van de HEER. Ongetwijfeld terecht merkt JOBSEN op dat de schrijver hier (nog) niet het klassieke beeld van de engel als een geslachtloos wezen met vleugels voor ogen had, maar wat hij zich dan wel voorstelde bij deze bode wordt niet helemaal duidelijk. Wel dat het verhaal hier wordt tot een persiflage met komische elementen: de ezelin ziet meer dan de ziener (pag. 53) - de HEER opent niet de mond van de profeet, maar van de ezelin (pag. 55). Interessant is de vergelijking die JOBSEN maakt met andere verhalen uit de Tora, waarin de hoofdpersoon stuit op een onverwachte blokkade. Abraham, Izaäk, Jakob en Mozes worden op een beslissend moment in hun leven met de HEER als tegenstander geconfronteerd.  Daardoor groeit juist de intensiteit van de relatie met de HEER (pag. 53). Ook weerspiegelt Bileam de dabar-relatie die de HEER met Mozes onderhoudt (pag. 58).
Numeri 23:
Bileam in het spanningsveld tussen de HEER en Balak
Koning Balak vraagt Bileam om Israël te vervloeken, maar Bileam zegent Israël. Numeri 23 bevat de eerste twee zegenspreuken van Bileam. Bileam zondert zich af om de HEER / God te ontmoeten - een ontmoeting die een mens niet kan forceren. God (Elohim) laat zich inderdaad ontmoeten. Niet de HEER (pag. 66). Elohim kan ook staan voor de goden van de heidense volkeren, goden die niet kunnen spreken (Psalm 115). Dan is er sprake van een persiflage wanneer Balak en Bileam offergaven brengen aan goden die niet kunnen antwoorden. Vanuit die optiek is te begrijpen, waarom in vs. 5 de HEER dan weer als handelend subject optreedt (pag. 66). De stijl van Bileams zegenspreuken past in het taalregister van Balak en zijn vorsten. JOBSEN wijst dat aan in Numeri 23:24: Het beeld van de leeuw die het bloed van de overwonnen tegenstanders drinkt, past slecht binnen het strikte verbod op het drinken en eten van bloed dat in de traditie van Israël voorkomt (pag. 73-74).
Numeri 24:
De profeet wil zich bewijzen
Numeri 23 is een eenheid: vers 29-30 corresponderen met vers 1- 2 en sluiten daarmee het hoofdstuk af. In hoofdstuk 24 begint het verhaal opnieuw (pag. 61). Ook dit hoofdstuk bevat twee zegenspreuken van Bileam. Maar Numeri 24: 1 toont het verschil. De eerste twee keren (in Numeri 23) raadpleegde Bileam God door middel van bezweringen (NBG) / voortekens (NBV) - JOBSEN vertaalt met orakelvoorwerpen (vgl. Numeri 22: 7). Nu in Numeri 24 komt de Geest van God over Bileam. JOBSEN denkt daarbij aan profetische extase. Maar die biedt beslist geen garantie, dat de HEER de woorden inderdaad geeft te spreken. Profetische extase kan ook leiden tot valse profetie (pag. 78 - 79). In zijn eerdere boekje over Bileam maakte JOBSEN dezelfde opmerking. Hij formuleerde de tegenstelling tussen hoofdstuk 23 en 24 toen nog sterker: De eigenlijke zegen van YHWH is dan te vinden in de twee eerste spreuken. De literair hoogstaande derde en vierde spreuk moeten dus zeer kritisch gelezen worden. Zijn ze werkelijk een zegen voor Israël? (Bileam. Profeet tussen Israël en de volken, pag. 65). Hoe dat ook zij - de latere traditie heeft uitgerekend aan de vierde zegenspreuk grote waarde gehecht. Een ster gaat op uit Jakob, een scepter rijst op uit Israël (Numeri 24:17) zijn opgevat als Messiaanse profetie: in de latere Joodse traditie, in de geschriften van Qumran en in het Nieuwe Testament. Voor het Nieuwe Testament verwijst JOBSEN naar Mattheus 2 (de ster van Bethlehem) en naar Openbaring 1:20; 3:16 en 22:16 (pag. 86). Ook de Opgang uit de hoogte in de lofzang van Zacharias (Lucas 1:78) wordt veelal beschouwd als een herinnering aan de Numeri 24:17.

Verder gaat JOBSEN in op twee bijzondere Godsnamen. In de derde en vierde zegenspreuk horen we de Godsnaam Sjaddaj (NBG: Almachtige / NBV: Ontzagwekkende) (Numeri 24: 4 en 16). Deze Godsnaam komt voor in een groot gebied van het Midden-Oosten, mogelijk ook als aanduiding van een godin: god/godin van de wildernis en god van de dieren. Deze godsnaam komt ook voor in de geschriften van
Deir Alla, waarin het personage van Bileam een rol speelt. Bileam gebruikt in Num. 24: 4.16 dus een voor hem bekende godsnaam, een naam die tot het geheel van de Kanaänitische godsnamen behoort (pag. 81). JOBSEN suggereert dat Bileam opzettelijk Kanaänitische en Israëlitische godsdienst vermengt, zoals hij later verantwoordelijk wordt gehouden voor de deelname van de Israëlieten aan de cultus van Baäl-Peor (pag. 81). - In de vierde zegenspreuk komt de Godsnaam Eljon voor (Numeri 24: 16 - NBG en NBV: Allerhoogste). Ook dit is een Kanaänitische godsnaam, die voorkomt in talloze relevante buiten-Bijbelse teksten. Enerzijds spreekt JOBSEN van een van El te onderscheiden godheid in de Kanaänitische godenwereld - anderzijds van een algemeen voorkomend epitheton ... voor elke godheid die als superieur werd voorgesteld. Het epitheton kan zowel op El als op Baäl worden toegepast. In elk geval kan in het Oude Testament Eljon met God / de HEER worden vereenzelvigd (pag. 85). In de geest van Bileam?

Na het tweetal zegenspreuken bevat Numeri 24 nog een drietal losse spreuken. Vers 24 luidt letterlijk: En schepen van de hand van de Kittiërs! JOBSEN denkt hierbij voorzichtig aan Alexander de Grote, die het Perzische Rijk (" Assur" ) omverwierp. Deze laatste spreuk zou dan een toevoeging van latere datum zijn. ... maar ooit gaan ook zij te gronde (NBV). Geen enkele macht houdt stand. De HEER doet de vijanden van Israël te gronde gaan (pag. 90).

Al met al roept Bileam gemengde gevoelens op. Tot viermaal toe zegent Bileam Israël - zijn zegenspreuken hebben in de traditie doorgewerkt. Maar over het tweede tweetal zegenspreuken (Numeri 24) schrijft JOBSEN kritisch. En in Numeri 31 wordt Bileam duidelijk als de kwade genius gezien die de afgoderij bij Baäl-Peor heeft georganiseerd ... Hoewel Bileam in de Bileam-cyclus van Num. 22-24 zich min of meer als werktuig van de HEER laat gebruiken ten gunste van Israël, is er een wijdverbreide anti-Bileamtraditie te vinden in Bijbelse (Deut. 23:5v, Joz. 13:22, 2Petrus 2:15v, Judas 11 en Openb. 2:14) en in buiten-Bijbelse bronnen. Die traditie komt nu in Numeri 31 aan de orde (pag. 171).
Numeri 25:
De ontrouw van de Pesachgemeenschap. De affaire Peor
Met de trouw van de HEER in Numeri 22-24 (verwoord in de zegen van Bileam) contrasteert de ontrouw van Israël in Numeri 25. Het hoofdstuk begint met Israël verbleef in Sittimde verleiding zich te vestigen in heidens gebied (pag. 93) en daar te hoereren (Staten-Vertaling) met de dochters van Moab: overspel zowel in sexuele als in religieuze zin (pag. 94). Daarop ontbrandt de toorn van de HEER. De leiders van het volk (?) moeten worden opgehangen (NBG en NBV). Volgens de Septuaginta moeten ze tot een (afschrikwekkend) voorbeeld gesteld worden. JOBSEN vertaalt: dat de leiders bijeengebracht worden om getuige te zijn van een strafgericht dat de HEER gaat voltrekken (pag. 95). In de volgende verzen (Numeri 25:15) wordt ingezoomd op het provocerende gedrag van de Simeoniet Zimri en de Midjanitische Kozbi, die door Pinchas, de kleinzoon van Aäron, worden gedood. Het voorbeeldige optreden van Pinchas past in het patroon van Numeri, waarin de positie van de priesters wordt versterkt ten koste van de Levieten (pag. 97). De naam Zimri heeft in de Bijbel een negatieve klank. In 1Koningen 16: 8-20 wordt verhaald over de staatsgreep van Zimri; in 1Koningen 9:31 blijkt "Zimri" een scheldwoord te zijn. De Zimri uit Numeri 25 behoort tot de stam van de Simeonieten, een stam die een marginale positie innam. Wil Zimri vanuit zijn marginale positie de macht van Mozes overnemen? (pag 100). De Midjanitische vrouw Kozbi is de dochter van Tsur, een familiestamhoofd (Numeri 25:15 NBG) en vorst (Numeri 25:18 NBG) (pag. 100). In Numeri 31: 8 is deze Tsur de middelste van de vijf koningen van Midjan, die door de Israëlieten worden gedood. Tsur is te vinden in het hart van Midjan. Het woord tsur betekent letterlijk ' rots'. De ' Rots' van Midjan wordt verslagen, samen met al degenen die hem steunen (pag. 170). Zo gaat achter deze schijnbaar kleine geschiedenis van drie personen (Zimri, Kosbi en Pinchas) een wereld van geschiedenis en betekenis schuil.
Numeri 26:
De tweede telling
"Numeri", de Latijnse naam van dit Bijbelboek, betekent "getallen". Het boek begint met de telling van Israël aan het begin van de woestijntocht (Numeri 1). In Numeri 26, aan het eind van de woestijntocht, wordt het volk opnieuw geteld. In deze telling zijn, anders dan (in) die in Numeri 1, een aantal biografische details opgenomen (pag. 105). Het totaal van 601.730 is lager dan dat in Numeri 1: 603.550 (pag. 112). Per stam zijn er grote verschillen: sommige stammen zijn groter geworden, andere kleiner. De kwestie van de grote verschillen in aantal blijft in ieder geval intrigeren. Te meer ook omdat in de Septuaginta afwijkingen zijn te vinden in de vss. 7, 18, 27, 34, 41, 43, 47 en 50. ... Naar de zin van deze afwijkingen blijft het gissen (pag. 113).
Numeri 27:
Zicht op het land. De dochters van Selofchad en de opvolging van Mozes
Numeri 27 bestaat uit twee episodes: de eerste (Numeri 27: 1-11) over het erfrecht van de dochters van Selofchad en de tweede (Numeri 27:12-23) over het uitzicht van Mozes op het beloofde land. Het verbindende thema is de erfenis (pag. 119).

De vijf dochters van Selofchad maken aanspraak op het erfdeel van hun vader. In Exodus 1- 2 komen vijf + zeven "dochters" voor: de twee vroedvrouwen, de moeder en de zus van Mozes, de dochter van de Farao; en de zeven dochters van Jetro). In Numeri 26-27 komen zeven + vijf dochters voor: zeven dochters in de telling van Numeri 26 (in vers 33 de vijf dochters van Selofchad, in vers 46 Serach en in vers 59 Jochebed - waarbij overigens ook Mirjam wordt genoemd) - in Numeri 27 nogmaals de vijf dochters van Selofchad. Zeven + vijf = twaalf.  Het getal twaalf verwijst naar de twaalf stammen van Israël. De twaalf stammen die te herleiden zijn op de twaalf ' zonen' van Jakob. Door nu twaalf ' dochters' te noemen, komt des te meer tot uiting, dat het volk Israël uit ' zonen' én uit ' dochters'  wordt gevormd (pag. 123). Verder wijst JOBSEN op de "hoofdletter" aan het eind van het woord haar (mv.) rechtsvraag in Numeri 27: 5, in het Hebreeuws iets bijzonders (pag. 123).

Mozes moet daarna de berg Abarim beklimmen. Letterlijk betekent dat ' Overgangen' . Een grensgebergte.  ... Vandaar deze naam Abarim en niet de elders voorkomende naam Nebo (Deut. 34:1) (pag. 126). Daar zal Mozes sterven. Dan spreekt Mozes tot de HEER (Numeri 27:15). Deze laatste formulering komt alleen hier voor. De rollen lijken omgedraaid. Mozes neemt in deze situatie een initiatief (pag. 128). Hij vraagt de HEER een opvolger aan te stellen. Hier wordt het belangrijke woord paqad  = zorg dragen voor gebruikt, dat elders in Numeri onder andere tellen betekent. Mozes gebruikt de bijzondere uitdrukking de HEER, de God der geesten van alle levende schepselen (Numeri 27:16 NBG) - JOBSEN gaat op deze uitdrukking helaas niet in. - De HEER antwoordt dat Mozes Jozua moet nemen (Numeri 27:18). Uit de formulering concludeert JOBSEN: Het leiderschap van Mozes is niet overerfbaar, zoals dat voor priesters en koningen wel geldt (pag. 129). Mozes moet een deel van zijn aanzien (hod) op hem leggen (pag. 129-130 - de NBG-vertaling heerlijkheid roept misverstanden op). Maar anders dan Mozes, dien de HERE gekend heeft van aangezicht tot aangezicht (Deuteronomium 34:10 NBG), zal Jozua de HEER raadplegen door bemiddeling van het priestelijke orakel: de Urim en de Tummim. Dat maakt de positie van Jozua totaal anders dan die van Mozes. Na Mozes komt er nooit meer iemand als Mozes ...  (pag. 130 - vgl. Deuteronomium 34:10).
Numeri 28: De gaven van de HEER In Numeri 7 staat een "stapellied" waarin bezongen wordt hoe op twaalf opeenvolgende dagen alle twaalf de stammen, dezelfde gaven brengen (pag. 133). In de hoofdstukken 28 en 29 gaat het opnieuw over de gaven van de HEER, nu in het kader van een liturgische kalender. In Numeri 28 worden behandeld: de dagelijkse opstijggave (pag. 135) in de morgen en tegen de avond; de extra gave voor de sabbat; de gave bij het begin van de nieuwe maand; en de gaven voor de feesten Pesach en Sjavoe'ot. Het gaat om de gaven van de HEER: wat mensen aan de HEER als gave brengen, is strikt genomen al van Hem (pag. 135).

Tweemaal gaat JOBSEN in op de verwarrende kwestie van het nieuwjaar. Oudtijds begon men het nieuwe jaar in de herfst (
wellicht - pag. 149). Maar Pesach wordt gevierd op de veertiende dag van de eerste maand (Exodus 12: 1 en 6; Numeri 28:16). Dat veronderstelt een kalender, die het nieuwe jaar in de lente laat beginnen  (pag. 143). Volgens pag. 149 dateert die lente-kalender van na de ballingschap. Volgens DE VAUX (Hoe het oude Israël leefde I, pag. 340) is de Babylonische lente-kalender ingevoerd tijdens koning Jojakim van Juda, toen Juda vazalstaat van Babel was geworden. Tegenwoordig wordt het Joods nieuwjaar aan het begin van de zevende maand gevierd (pag. 143) - dus een combinatie van herfst-kalender en lente-kalender.
Numeri 29:
De gaven van de HEER in de zevende maand
Hoofdstuk 29 geeft voorschriften voor de gaven van de feesten in de zevende maand (in het najaar dus): op Rosj Hasjana (Nieuwjaar - volgens de herfstkalender), Jom Kippoer (Verzoendag) en Soekkot (Loofhutten - hét feest bij uitstek; bijvoorbeeld in Johannes 5: 1 (pag. 156)). Op de feestelijke afsluiting van het Loofhuttenfeest op de achtste dag heeft later Simchat Tora (Vreugde der Wet) een plaats gekregen (pag. 154). In deze teksten over de zevende maand spelen de getallen zeven (pag. 155) en zeventig (pag 153) een veelbetekenende rol. Het getal zeventig kan verwijzen naar de traditie van de zeventig volkeren. Het Loofhuttenfeest heeft een universele betekenis, bijvoorbeeld in Zacharia 14:16-19 (pag.153-154).
Numeri 30:
Geloften
Mannen en vrouwen kunnen een gelofte afleggen. Zulke geloften kúnnen onbezonnen of schadelijk zijn. Over de verantwoordelijkheid voor geloften geeft Mozes hier uitsluitsel namens de HEER; in het bijzonder voor de geloften van vrouwen. JOBSEN bestrijdt het opschrift van NBG en NBV dat het hier uitsluitend over de gelofte van vrouwen zou gaan (pag. 159). Verschillende levenssituaties van vrouwen komen aan de orde: vóór haar huwelijk, tijdens haar huwelijk, na overlijden van of verstoting door haar man. 
Numeri 31: 1-24:
Midjansdag. Intenties en consequenties
Deze episode geeft geen historisch verslag weer van wat als een ' heilige oorlog' kan worden beschouwd,  maar is allereerst een tekst met een theologisch doel (pag. 166). Dit is één van de opmerkingen in het boek die de vraag oproepen naar de verhouding van historie en theologie (zie onder). Dat geldt ook voor de uitleg van vers 4. Voor de strijd tegen Midjan levert elke stam duizend man. Daarmee wordt des te duidelijker dat deze missie tegen Midjan een zaak is die heel Israël aangaat. In feite wordt hier een ' ideaal Israël' voorgesteld: een hecht stammenverbond met één visie en één samenhangende identiteit. Dit ideale Israël is vanuit historisch perspectief een fictie. Theologisch gezien is die ideale identiteit echter van groot belang. De HEER wil een bondgenootschap aangaan met heel Israël (pag. 169). Hetzelfde geldt voor de opmerking bij Numeri 31:49: De strijd tegen Midjan is allereerst een morele strijd, die zich ook grotendeels binnen Israël zelf moet voltrekken. Een oorlog op zo grote schaal is historisch gezien zeer onwaarschijnlijk. Het gaat om een ' geïdealiseerde oorlog' , een prototypische afrekening met het kwaad van de afgoderij en van het geweld, waarvoor Midjan model staat (pag. 183).
Numeri 31: 25-54:
De bestemming van de buit
Van de op Midjan veroverde buit wordt een schatting voor de HEER geheven. Voor schatting (NBG) / heffing (NBV) staat in het Hebreeuws de bijzondere term mèchèm,  door JOBSEN vertaald met taks (pag. 179). Deze taks bedraagt 1/500 van de ene helft van de buit (bestemd voor het leger) en 1/50 van de andere helft van de buit (bestemd voor het volk). De buit bestaat uit schapen, ezels, runderen en mensen. Als argeloze lezer vraag je je af wat er gebeurde met de buitgemaakte mensen: 32.000 maagden (vers 35): voor het leger 16.000, waarvan 32 voor de HEER (vers 40) - voor het volk 16.000 (vers 46), waarvan 1/50 (dus 800) voor de HEER (vers 47). JOBSEN laat ons daarover in het ongewisse.

Op pag. 182 merkt JOBSEN op dat het woord duizendtallen ook kan worden vertaald met afdelingen. Deze opmerking doet denken aan de hypothese van MENDENHALL, dat ook bij de tellingen in Numeri 1 en Numeri 26 (en elders) het woord 'èlèf niet moet worden vertaald met "duizend", maar met "afdeling" (vgl. deel I pag. 37 over Nummeri 1). Afgezien van deze terloopse opmerking gaat JOBSEN niet verder op deze hypothese in.

Aan het eind van het hoofdstuk naderen de opzieners (peqoedim, verwant met het in Numeri belangrijke werkwoord paqad = tellen) met een vrijwillige gave, groot 16.750 sikkels aan gouden sieraden (Numeri 31:53), om voor onze zielen verzoening te doen (Numeri 31:50 NBG). Bij de uittocht uit Egypte vroegen en kregen de Israëlieten van de Egyptenaren gouden en zilveren voorwerpen (Exodus 12:35-36). Die werden gebruikt voor het gouden kalf (Exodus 32: 3- 4), dat door Mozes werd vernietigd (Exodus 32:20). Nu, bij de intocht in Kanaän, wordt goud buitgemaakt op de Midjanieten, en afgestaan aan de HEER - een bijdrage tot wat later de ' tempelschat' kan worden genoemd (pag. 185).
Numeri 32:
Rijkdom als splijtzwam. De afgedwongen solidariteit van de Ruibenieten en Gadieten
De stammen Ruben en Gad willen blijven wonen in het gebied ten oosten van de Jordaan. Ze hebben daarvoor een ekonomisch motief: zij hadden veel vee en de plaats is een plaats voor vee (Numeri 32: 1). Voor de plaats staat er hammaqom, waarin de gedachte aan dé plaats bij uitstek meeklinkt: Jeruzalem. Het dilemma is dus ekonomie of theologie, God of Mammon. JOBSEN herinnert eraan dat de opstandige Datan en Abiram Rubenieten waren en dat zij vooral economische motieven naar voren brengen voor hun afwijzing van het leiderschap van Mozes (pag. 189 - zie Numeri 16:13-14). Ruben en Gad spreken over het land dat de HEER heeft geslagen (Numeri 32: 4); niet gegeven (zoals het normaliter wordt uitgedrukt), maar geslagen: de terminologie van de heilige oorlog, die tot gebiedsuitbreiding zal leiden (JOBSEN maakt van de gelegenheid gebruik om het boek Jozua vrij te pleiten van deze ideologie). De rijkdom van Gad en Ruben wordt uiteindelijk hun ondergang. Zij gaan als eersten in ballingschap (1Kron. 5:26) (pag. 190). Zover zijn we nu nog niet. Op het verzoek van Ruben en Gad reageert Mozes verontwaardigd. Tenslotte sluit hij met Ruben en God een contract om de onderlinge solidariteit tussen de stammen te waarborgen (pag 199). Daarin is als sanctie opgenomen de gijzeling van Gad en Ruben - met deze vertaling wijkt JOBSEN af van de gebruikelijke vertalingen (pag. 199). In vers 33 wordt opeens naast Gad en Ruben ook de halve stam van Manasse genoemd. Manasse heeft dan een erfdeel aan twee kanten van de Jordaan. Manasse ... is dan de verbindende schakel tussen de twee Overjordaanse stammen en de stammen die zich binnen het land Kanaän vestigen. ... Het idee dat de twaalf stammen een eenheid vormen, is eerder een door de theologie ingegeven wens, dan een historische realiteit  (pag. 201). In diezelfde geest schrijft JOBSEN bij Numeri 32:39-40 (over de Machirieten die deel uitmaken van de stam Manasse): Het aantal van twaalf stammen is vanuit historisch perspectief gezien een theologische constructie. In vs. 39 komt tot uiting dat de situatie historisch gezien veel gecompliceerder is (pag. 202).
Numeri 33:
Opbreken en legeren
Ook de lijst van pleisterplaatsen van Numeri 33 dient in eerste instantie als een theologische constructie te worden gezien. Een exacte geografische locatie van de plaatsen is tot nu toe immers mislukt (pag. 204). Tussen Sinaï en Kadesj bevinden zich exact veertig plaatsen. Dit getal veertig correspondeert uiteraard met de veertig jaren in de woestijn. Er is sprake van 42 etappes. Uitgaande van het belang van de zeventallen in het boek Numeri kan men dan concluderen dat er zes keer zeven etappes plaatsvinden. De afsluitende zevende cyclus vindt dan plaats bij de intocht in het beloofde land (pag. 205).

Mozes schrijft de lijst van pleisterplaatsen op (Numeri 33: 2). Met dat gegeven legt de verteller de nadruk op het authentieke karakter van deze lijst (pag. 208). Ook driemaal in het boek Exodus schrijft Mozes:
1) In Exodus 17:14 geeft de HEER Mozes opdracht de overwinning op Amalek ter gedachtenis op te schrijven in een boek (de uitvoering van de opdracht wordt niet vermeld).
2) In Exodus 24: 4 schrijft Mozes alle woorden op, die de HEER heeft gesproken en die door het volk zijn beaamd.
3) In Exodus 34:27 geeft de HEER Mozes opdracht de woorden van het verbond op te schrijven. Volgens JOBSEN zijn daarmee de Tien Woorden bedoeld, die Mozes nu op de stenen tafelen schrijft (pag. 208). Blijkbaar beschouwt JOBSEN Mozes als het onderwerp ook van Exodus 34:28b. Volgens andere uitleggers (zoals HOUTMAN) is er in Exodus 34 sprake van twee schrijvers. De HEER schrijft de Tien Woorden op de nieuwe stenen tafelen (Exodus 32: 1 en 28b) - Mozes schrijft de verbonds-verordeningen op (Exodus 32:27), vgl. Exodus 24: 4. 
Afgezien van deze laatste kwestie nog een opmerking van mijn kant. Exodus 17:14 (zie hierboven, over Amalek) is de eerste keer dat het werkwoord schrijven (Hebreews katab) voorkomt in de Bijbel. Zoals gezegd: Mozes is daar degene die schrijft. Dit is een belangrijk moment. Sinds de ballingschap speelt in het Jodendom de Schrift de centrale rol. Met de priester-schriftgeleerde Ezra begint de dienst van het Woord (Nehemia 8). De inhoud en vorm van Psalm 119 vertolken de vreugde der Wet: dat God Zich in letters openbaart (in de 22 letters van het Hebreeuwse alfabet). Aan het Jodendom danken Christendom en Islam de centrale rol van de Heilige Schrift. Met de schrijvende Mozes is dat allemaal begonnen ...

Vervolgens gaat JOBSEN in op de namen van de pleisterplaatsen. Die leveren de nodige problemen op. Een aantal eerder vermelde plaatsen wordt niet genoemd. In de lijst komen zestien plaatsnamen voor die elders in de Bijbel voorkomen, zonder dat ze betrekking hebben op de woestijntocht (pag. 209).
JOBSEN noemt enkele meer of minder aannemelijke benaderingen van de lijst (pag. 209):
- deze lijst is door de redactor samengesteld uit een aantal lijsten.
- hier wordt een oude pelgrimsroute over Arabisch grondgebied beschreven.
- wat is een aannemelijke reis-route van het volk Israël?
- de woestijntocht is een fictie en de lijst een theologische constructie.
Numeri 34:
Het land Kanaän als erfdeel voor de Israëlieten
Volgens Exodus 33:52a NBG en NBV moeten de Israëlieten de bewoners van Kanaän verdrijven. Die vertaling heeft oude papieren; de Septuaginta vertaalt zelfs met te gronde richten (apoleite). In navolging van JAGERSMA vertaalt JOBSEN: in beslag nemen. De bedoeling zou dan zijn dat de Israëlieten de inwoners van Kanaän niet met geweld verdrijven, maar de ruimte geven te integreren in de Torasamenleving in het land. Volgens Exodus 33:52b moeten de Israëlieten alle heidense afgodsbeelden vernietigen: Strikt genomen gaat het dus om een radicale cultische zuivering en niet om een etnische zuivering (pag. 219). Overigens gaan cultisch misbruik en ekonomisch misbruik hand in hand. 'Beslag leggen op de inwoners van het land' betekent dus het bestrijden van vormen van onrecht waarbij de cultus wordt misbruikt, ook in economisch opzicht. Het is duidelijk, dat daar niet één bevolkingsgroep verantwoordelijk is, maar dat deze mentaliteit ook binnen het volk van de HEER zelf voorkomt (pag. 219). In feite is er waarschijnlijk gedurende lange tijd een co-existentie geweest van Kanaänieten en Israëlieten in het ene land (pag. 219).

Hoofdstuk 34 beschrijft de grenzen van het beloofde land. Theologisch motief (het is de HEER Die de grens bepaalt en het land geeft) en politieke realiteit (ligt aan Numeri 34: 3- 4 een concreet grensverdrag met Egypte ten grondslag?) (pag. 222) naast elkaar. De noordelijke grens (Numeri 34: 7- 9) is in geografische zin het meest problematisch. De pointe van de tekst moeten we dan ook niet in geografische maar in theologische zin opvatten: zo is de grens door de HEER bedoeld, ongeacht de politieke realiteit. Vooral vanuit het Noorden is Israël bedreigd: door Assyrië en Babel. Maar vanuit het Noorden keren ook de ballingen terug: een element van hoop! (pag. 224).
Numeri 35:
Woonplaatsen van de Levieten en vrijsteden
In Numeri 35: 1- 8 worden aan de Levieten 48 "steden" (naar onze maatstaven veelal dorpen) toegewezen (waarbij terloops in vers 6 zes vrijsteden worden genoemd). De Levieten woonden verspreid door heel Israël. Ze hadden waarschijnlijk een belangrijke taak in het doorgeven en uitleggen van de Tora. Zo vormden ze het bindmiddel van het volk Israël (pag. 231). Terwijl de andere Israëlieten in Kanaän leefden van de landbouw, voorzagen de Levieten in hun levensonderhoud door het houden van vee (pag. 232) - een herinnering aan de goede oude (nomadische) tijd?

Numeri 35: 9-34 gaat nader in op de vrijsteden. Als de ene mens de andere om het leven brengt, vindt de dader in een vrijstad een asielmogelijkheid tegenover de losser (Numeri 35:12a). NBG en NBV vertalen hier bloedwreker, maar JOBSEN wijst erop dat hier hetzelfde woord (go'el) staat als bijvoorbeeld in Ruth (2:20 enz.) en Job (19:25). Het mannelijke familielid dat het nauwste verwant is aan het slachtoffer, heeft de zware taak van de bloedwraak (pag. 235). Asiel van de dader in een vrijstad schept ruimte voor een eerlijk proces. Daarin moet worden bepaald of er sprake is van een onopzettelijk dodelijk ongeval of van dood door schuld / moord met voorbedachten rade (pag 237-242). Dit hoofdstuk kan gelezen worden als een integere poging om een humane rechtspleging tot stand te brengen (pag. 242).
Numeri 36:
De kwestie van het erfdeel
In Numeri 27 hebben de vijf dochters van Selofchad recht gekregen op het erfdeel van hun vader. Zouden zij buiten hun stamverband trouwen, dan zou dat leiden tot een herschikking van de indeling van het erfdeel tussen de verschillende stammen. Daarom bepaalt Mozes (namens de HEER) dat erfdochters enkel binnen hun stam mogen trouwen (pag. 244). Dat betekent wel een beperking van het zelfbeschikkingsrecht van de dochters van Selofchad (pag. 248). JOBSEN plaatst deze casus in het grotere kader van het evenwicht van enkeling en samenleving: het belang van de samenleving als geheel mag niet ten koste gaan van het recht van de enkeling. Tegelijkertijd kan het belang van de enkeling niet zo ver gaan, dat individualistische keuzes worden gerechtvaardigd ten koste van de gemeenschap (pag. 252).

Nog in een ander opzicht is dit slothoofdstuk van Numeri voorbeeldig. Elke religie kent het probleem van de toepassing van een oude heilige regel in een concrete, en vooral: in een nieuwe situatie. De rabbijnse traditie volgt daarbij een dynamische weg van vernieuwing en herinterpretatie. De Tora wordt uitgebreid met gezaghebbend commentaar. Naast de schriftelijke Tora volgt de mondelinge Tora. Uiteindelijk leidt dat in de Joodse traditie tot de ontwikkeling van de Misjna en Gemara, die samen de Talmoed vormen. Maar ook dan stopt het overleg niet. De Tora blijkt zo een open einde te hebben. Dat maakt de Tora tot een dynamisch gegeven. In de specifieke situatie van Numeri 36 is Mozes nog beschikbaar om een uitspraak namens de HEER te doen. Latere generaties zullen door een integere studie en discussie tot een uitspraak moeten komen. Zonder dat Mozes daarbij lijfelijk aanwezig is, maar in de praktijk wel met hetzelfde gewicht, alsof Mozes gesproken heeft (pag. 247).
Historie en theologie Door het hele boek schrijft JOBSEN over teksten dat ze niet historisch, maar theologisch bedoeld zijn; geen geografie maar theologie. Over die onderscheiding mijmer ik nog wat door.
1) Ongetwijfeld is het hele boek Numeri theologie. Het getuigt van de bedoeling van de HEER met Zijn volk. Het maakt niet voor niets deel uit de Tora, voor het Jodendom het heiligste deel van de Heilige Schrift.
2) Dat wil nog niet zeggen dat het boek Numeri alleen maar een historische inkleding van goede gedachten (zoals humaniteit) is. Dat zou natuurlijk wel makkelijk zijn, want dan waren we verlost van de slechte gedachten (zoals het geweld dat hier en daar de kop opsteekt - ondanks de uitleg van JOBSEN). Dat was één van de motieven achter de allegorische uitleg van de kerkvaders. Maar voor ons besef is allegorese geen uitleg.
3) Het boek Numeri is in elk geval historisch en geografisch omdat het zijn huidige vorm heeft gekregen in een bepaalde tijd en op een bepaalde plaats. Met de meeste moderne uitleggers denkt JOBSEN aan de kleine Joodse gemeenschap rond Jeruzalem na de ballingschap. Voor deze gemeenschap hebben verschillende teksten uit het boek Numeri een duidelijke relevantie (bijvoorbeeld pag. 28 en 90). Overigens houdt JOBSEN voorzichtig rekening met de mogelijkheid van latere toevoegingen, zelfs uit de tijd van Alexander de Grote (pag. 90).
4) De hele oudheid was traditioneel in die zin dat men tradities koesterde. Zelf ga ik ervan uit in dat in verschillende Bijbelboeken (mondelinge en schriftelijke) tradities aan het woord komen, die al vele eeuwen bestonden. Zo spreekt JOBSEN over teksten van ver vóór (de huidige vorm van) het boek Numeri, waarin Bileam wordt genoemd (pag. 46); en ook van een anti-Bileamtraditie die doorloopt tot de tijd van het Nieuwe Testament (pag. 171).
5) Ook eeuwenoude tradities kunnen fictief zijn, zoals in Nederland de legende van de vos Reynaerde. Maar (in een onbewaakt ogenblik?) noemt JOBSEN Bileam een historische gestalte (pag. 46) - hetzelfde moge gelden van zijn grote tegenhanger Mozes. De betekenis van Numeri berust niet op historiciteit - maar zonder een historische gestalte Mozes komt Numeri voor mijn gevoel wel erg in de lucht (zo men wil: hemel) te hangen.
6) Theologie en geografie, theologisch ideaal en historische realiteit laten zich niet zo makkelijk scheiden. Dat weet JOBSEN beter dan ik: hij heeft zich jarenlang intensief bezig gehouden met de situatie in het huidige Israël. Voor sommige orthodoxe Joden en voor sommige christenen (voor Israël) betekenen de grenzen van Numeri 34 beslist méér dan enkel theologie.
terug naar boeken

TERUG NAAR INDEX