Wisselkring over Israël

Ieder najaar houden we in onze gemeente een Wisselkring. Als vijf predikanten van Protestants Goes en 's-Heer Hendrikskinderen kiezen we samen een thema; elk van ons leidt
een avond over een deelthema. Voor het najaar van 2010 kozen we het thema ISRAËL. Voor dit onderwerp bleek er in onze gemeente veel belangstelling te zijn! Zelf sprak ik over het deelthema:
HET HEIL IS UIT DE JODEN

Een samenvatting van mijn verhaal volgt hieronder. Het valt uiteen in drie onderdelen.

1. VANWAAR MIJN EMOTIES?
Weinig onderwerpen in kerk en theologie ontroeren mij zó als Israël. Dat is opmerkelijk, want ik ontmoet weinig Joden (hier in Goes zijn er haast geen) en ik ben nooit in Israël geweest (ik ben geen reiziger). Toch - zodra het over Israël gaat, komt de ontroering bij mij boven. Vóór ik zakelijke informatie geef, vraag ik mij eerst af: waar komen die gevoelens vandaan?

1. De Bijbelse geschiedenis

Ik ben opgevoed met de Bijbelse geschiedenis. Mijn moeder las mij voor uit de kinderbijbel van W.G. van der Hulst. Op de School met den Bijbel kregen we gedegen Bijbelse geschiedenis (in mijn herinnering meer dan vaderlandse geschiedenis). Zo leerde je van kind af aan je te identificeren met Israël. In gedachten trok je met de Israëlieten door de woestijn (waar je je verder niets bij kon voorstellen). David was je held en Goliath was de vijand.

2. De Psalmen
Op de School met den Bijbel moesten we elke maandagmorgen ons Psalmversje opzeggen. Ook in de Gereformeerde Kerk werden er toen voornamelijk Psalmen gezongen. Die Psalmen gaan over Israël. Bij sommige Psalm-verzen dacht je (in de geest van de vervangings-theologie) misschien aan de christelijke kerk, maar de meeste Psalmen gaan overduidelijk over Israël.

3. Onze familie

Mijn moeder had als eerste voornaam Suzanna. Ze was indirect vernoemd naar haar overgrootmoeder Susanna Netto (1829-1856), een vrouw van Portugees-Joodse afkomst. In onze familie heeft altijd het besef geleefd: al zijn wij protestantse Nederlanders - we hebben Joods bloed; de Joden zijn onze bloedverwanten.

4. De Sjo'a


Voor mij is de Sjo'a (de vernietiging van de Joden in Nazi-Duitsland) het meest aangrijpende gebeuren van de 20e eeuw. Moet ik iets zeggen of kan ik beter zwijgen? Laat ik me beperken tot het verhaal over één Jood. Dat zegt meer dan het onvoorstelbare getal van 6.000.000. Marc Herman Boasson werd geboren in Middelburg op 11 october 1887. Hij trouwde met Bella Sanders. Boasson had in Middelburg een textielzaak op de Markt - op veel oude foto's van de Markt is het naambord duidelijk zichtbaar. Vanaf 1932 was hij wethouder van Middelburg; later ook loco-burgemeester. Een gezien en gewaardeerd mens in de Middelburgse samenleving. Op 10 mei 1940 vielen de Duitsers Nederland binnen. Op 17 mei 1940 werd de binnenstad van Middelburg in brand gebombardeerd; ook de zaak van Boasson ging in vlammen op. In de periode daarna werd Boasson gaandeweg van al zijn waardigheden en bezittingen beroofd. In maart 1942 werden de Zeeuwse Joden afgevoerd naar Amsterdam. In september 1942 werd het echtpaar Boasson vandaar gedeporteerd naar Auschwitz. Bella Boasson werd daar vrijwel onmiddellijk vergast - Marc Herman Boasson stierf waarschijnlijk in augustus 1943 in het kamp Gräditz door uitputting. Hun namen staan vermeld op het Joodse gedenkteken in Middelburg. Mogen hun zielen rusten in des Almachtigen schaduw.

5. Van Ruler

De theoloog wiens geschriften mij het meest hebben gevormd, is Arnold Albert van Ruler (1908 - 1970). Deze hervormde hoogleraar, geestverwant van de Gereformeerde Bond in de Hervormde Kerk en één van de geestelijke vaders van de hervormde kerkorde van 1951, heeft markante uitspraken gedaan over Israël, zoals: Wij ontmoeten meer van God, wanneer wij op straat een jood tegenkomen, dan wanneer wij inkeren in onze germaanse rasziel (Theologisch Werk III 51). In een paar zinnen (dus veel te grof): "Inkeren in onze germaanse rasziel" staat voor alle vormen van mystiek waarbij een mens God in zichzelf zoekt; daarmee vervallen we binnen de kortste keren tot gnostiek, voor Van Ruler pure ketterij. We zijn geen God in het diepst van onze gedachten, maar God is in de hemel en wij mensen leven op aarde (naar Prediker 5:1). Geestelijk leven is: ons aardse leven leven voor Gods aangezicht, volgens Gods geboden (het proefschrift van Van Ruler had als onderwerp: De Vervulling van de Wet). Het gaat om gerechtigheid (het sociale ideaal) maar ook om genieten (blij zijn met het zijn). Dat leren we van Israël: het volk dat Gods handelen in de aardse geschiedenis belichaamt. De eigenlijke Bijbel is de Heilige Schrift van Israël: het Oude Testament - het Nieuwe Testament is enkel het verklarende woordenlijstje achterin. Het Oude Testament leert ons over het Koninkrijk van God en over de Messias - het Nieuwe Testament zegt ons "enkel" dat de Messias Jezus van Nazareth heet.

2. HET OUDE TESTAMENT.
Als christen gebruik ik de aanduiding Oude Testament. Ik bedoel daarmee de Heilige Schrift die wij danken aan Israël. Het Oude Testament is voor ons Woord van God. Maar (het één is niet in strijd met het ander) het Oude Testament is ook uitdrukking van Joods zelfverstaan. Volgens deskundigen heeft het Oude Testament zijn huidige vorm gekregen tijdens en na de Babylonische ballingschap in de zesde eeuw voor Christus; met verwerking van veel ouder materiaal. Zo is het Oude Testament óók uitdrukking van hoe het toenmalige Jodendom zijn identiteit zag.

VERKIEZING EN VERBOND

Daarin spelen twee gedachten een wezenlijke rol:
VERKIEZING en VERBOND. Met opzet spreek ik van twee gedachten - ze kunnen worden uitgedrukt in verschillende begrippen, beelden en verhalen. Ik omschrijf ze:
* Met VERKIEZING bedoel ik: God heeft het initiatief genomen. Hij heeft uit alle volkeren het éne volk Israël gekozen. Zo is het Joodse volk als zodanig geen bijzonder volk (het is één van de vele volkeren) - maar het is door God tot een bijzonder volk gemaakt.
* Met VERBOND bedoel ik: de relatie tussen God en Israël
heeft een blijvende structuur. De twee stenen platen in de Ark van het verbond zijn daarvan symbool. God legt aan Zijn volk verplichtingen op, maar Hij verplicht Zich ook Zelf. Hij blijft trouw aan Zijn verbond met Israël.

Talloze teksten kan ik hierbij aanhalen. Ik beperk mij tot enkele. Ik citeer doorgaans uit de Nieuwe Bijbel Vertaling (NBV) van 2004.


Genesis 12: 2- 3 -
het verhaal van de roeping van Abram. De HEER zegt tot Abram:
Ik zal je tot een groot volk maken,
Ik zal je zegenen, Ik zal je aanzien geven,
een bron van zegen zul je zijn.
Ik zal zegenen wie jou zegenen,
wie jou bespot, zal Ik vervloeken.
Alle volken op aarde zullen wensen gezegend te worden als jij.
De NBG-vertaling van 1951 gaf deze laatste regel anders weer:
Met u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden.
Achter dit verschil zit een uitlegkundige discussie. De NBV vat "zegen" op als "zegenspreuk". "Alle volkeren zullen elkaar / zichzelf zegenen met Abram" betekent dan: ze zullen Abram als zegenspreuk gebruiken: "Wees gezegend zoals Abram" (vgl. Genesis 48:20). Dat zou de oorspronkelijke bedoeling van Genesis 12: 3 zijn. Maar in de latere Joodse en christelijke traditie is Genesis 12: 3 opgevat als: vanuit Abraham (het volk Israël - het Joodse volk) komt er zegen over alle volkeren ("zegen" niet als zegenspreuk maar als daadwerkelijk heil). Voor de Joodse traditie zie de Griekse vertaling van dit vers - voor de christelijke opvatting zie Galaten 3: 8 en 9.

Exodus 19: 4- 6:
Jullie hebben gezien
hoe Ik ben opgetreden tegen Egypte,
en hoe Ik je op adelaarsvleugels gedragen heb
en je hier bij Mij heb gebracht.

Als je Mijn woorden ter harte neemt
en je aan het verbond met Mij houdt,
zul je een kostbaar bezit voor Mij zijn,
kostbaarder dan alle andere volken
– want de hele aarde behoort Mij toe.
Een koninkrijk van priesters zul je zijn,
een heilig volk.
Martin Buber noemt Exodus 19: 4 de adelaarsspreuk (Mozes, pag. 107-116). Ik citeer uit zijn uitleg (pag 108-109):
... er moet op dit moment in de vorm van een gelijkenis iets fundamenteel belangrijks uitgesproken worden over de historische verhouding van JHWH tot Israël. Dat gebeurt dan wel in een voor ons begrip al te beknopt beeld, maar de vroege hoorder of lezer heeft er de betekenis zeker van begrepen. Later kan het toch gewenst gebleken zijn om het te verklaren, en een dichterlijk commentaar, waarvan wij mogen aannemen, dat het de overgeleverde opvatting weerspiegelt, is ons bewaard gebleven in het late 'lied van Mozes' (Deuteronomium 32,11). Hier wordt JHWH in zijn historische verhouding tot Israel met de adelaar vergeleken, die zijn jongen opjaagt en boven het nest heen en weer zweeft om ze vliegen te leren; dat met de jongen de volkeren bedoeld worden, kan niet twijfelachtig zijn, omdat kort tevoren in het lied (v. 8) staat, dat de Hoge aan de naties hun gebied toebedeeld en hun grenzen vastgesteld heeft. De grote adelaar breidt zijn vleugels uit over de jongen, neemt een van hen, die niet durft of vermoeid is, op en draagt het op zijn vleugels, totdat het zelf de vlucht aandurft en de vader kan volgen, die in steeds hogere kringen cirkelt. Hier is uitverkiezing, redding en opvoeding in één. - Buber accenteert daarmee een tegenstelling tussen Deuteronomium 32:11a en 11b. In vers 11a staat een meervoud (over zijn jongen zweeft) - volgens Buber: de volkeren; in vers 11b staat een enkelvoud (neem hem op en draagt hem op zijn vleugels) - volgens Buber: Israël. In de NBG-vertaling van 1951 is dat verschil weergegeven met er een opneemt. In de NBV staat het hele vers in het meervoud, evenals overigens al in de Griekse vertaling (Septuaginta). Daarmee is het onderscheid tussen de volkeren en Israël eruit verdwenen.
In Gz 434: 2 van het Liedboek is de adelaarsspreuk losgemaakt van Israël en algemeen-christelijk gemaakt. 

Met Buber komen we bij Deuteronomium 32: het lied van Mozes. Uit deze lange en indrukwekkende tekst drie passages.


A. Deuteronomium 32: 8- 9:
Toen de Allerhoogste land toewees aan elk volk
en de mensen ieder hun deel gaf,

bepaalde Hij de grenzen voor alle volken
naar het aantal nazaten van Israël,
want voor de HEER gold dat volk als het Zijne,
Jakob was het deel dat Hij Zichzelf toemat.
a) Het aantal nazaten van Israël: in de Hebreeuwse tekst staat: het aantal zonen van Israël. Met dat aantal wordt blijkbaar het getal 70 bedoeld, immers: met 70 mensen trok Jakob = Israël naar Egypte (Genesis 46:27; Deuteronomium 10:22); Israël had 70 of 72 oudsten (Numeri 11:16; 25-26) en het Sanhedrin telde 70 leden; Jezus zond 70 of 72 leerlingen uit (Lucas 10:1). Dienovereenkomstig telde de Joodse traditie in de lijst van Genesis 10 het aantal van 70 of 72 volkeren. Het Joodse volk staat zo dus model voor de volkeren-wereld.
b) In de Griekse versie staat: het aantal van Gods engelen. Deze versie gaat blijkbaar terug op het aantal zonen van God. Met deze lezing komen we bij de intrigerende gedachtenwereld van
dr F. de Graaff (1918-1993). In enkele zinnen geschetst: De Graaff gaat ervan uit dat met de aardse geschiedenis een geschiedenis in de geestelijke wereld correspondeert. Zoals men vroeger sprak van fysica en meta-fysica, zo kun je spreken van historie en meta-historie. Met ieder volk op aarde correspondeert een geestelijke macht. Ieder volk heeft zijn eigen "engelenvorst" (vgl. bijvoorbeeld Daniël 10:20)  - behalve het volk Israël: dat valt rechtstreeks onder de HEER Zelf:  Jakob was het deel dat Hij Zichzelf toemat.
Het aantal zonen van Israël (Hebreeuws) of het aantal zonen van God (Grieks) - beide lezingen drukken op een verschillende manier de unieke positie van Israël uit: God verkiezing van en verbond met Israël.


B. Deuteronomium 32:18-20:
U vergat de God die u gebaard heeft,
u verwierp de rots die u ter wereld bracht.
Toen de HEER zag wat u deed,
bemerkte hoe Zijn kinderen Hem krenkten,
ontstak Hij in hevige toorn
en zei: Ik zal Me van hen afkeren
en dan eens zien hoe het hun vergaat.
Want dit is een verdorven geslacht,
niemand van hen is te vertrouwen.
Waar de NBV vertaalt: "ontstak Hij in hevige toorn", gaf de NBG-vertaling: "heeft Hij hen verworpen". Die vertaling riep ongelukkige associaties op. - Verkiezing en verbond betekenen beslist niet dat Israël onfeilbaar wordt verklaard of dat de fouten van het Joodse volk worden vergoelijkt. Bovenstaande passage staat model voor de (vaak felle en emotionele) kritiek van de profeten op hun eigen volk.

C. Deuteronomium 32:43:

Laat alle volken Zijn volk toejuichen,
omdat Hij het bloed van Zijn dienaren wreekt;
Hij neemt wraak op Zijn vijanden
en de schuld van Zijn land en Zijn volk wist Hij uit.
Verkiezing en verbond betekenen wel dat de band tussen de HEER en Zijn volk toch blijft. Ondanks hun zonden blijft Israël het volk van de HEER.

ISRAËL EN DE VOLKEREN

Verkiezing en verbond - tot zegen van alle volkeren.
Dat roept een spanning op die door het hele Oude Testament heen voelbaar is:
(a) Het gebod van de HEER en de neiging van Israël om zich af te zonderen: "in het isolement ligt onze kracht".
(b) Openheid naar de omringende volkeren: een bron van zegen zul je zijn.
Bij beide polen zijn talloze verhalen te noemen. Exemplarisch vermeld ik er twee: Ezra en Jona.

Ezra: In Ezra 9 en 10 wordt verteld hoe Ezra diep geschokt is omdat veel Joden getrouwd zijn met niet-Joodse vrouwen. Er wordt gekozen voor een rigoreuze oplossing: al deze Joden moeten hun vrouw met bijbehorende kinderen wegsturen. In de situatie van Ezra (een kwetsbare groep Joden temidden van een heidense overmacht) is deze angst voor ethnische en religieuze verwatering wel begrijpelijk, maar de oplossing blijft voor ons onsympathiek. En niet alleen voor ons; maar ook voor andere Bijbelschrijvers, die positief schrijven over heidense vrouwen zoals Rachab (Jozua 2) en Ruth.

Jona: De verteller van dit boekje tekent een caricatuur van de zelfgenoegzame Jood, die op z'n gemak zit toe te kijken hoe de grote boze buitenwereld ten onder gaat. Terwijl God in dit kostelijke verhaal met alles en iedereen goed overweg kan: met de heidense zeelui en met de heidense Ninevieten; met de zeestorm en met de woestijnstorm; met de vis, de boom en de worm - behalve met Jona (= Israël). Subtiele en humoristische profetische kritiek.
PROFETISCHE VERWACHTING
De oudtestamentische profeten verwoorden de verwachting dat de heidense volkeren tenslotte voor hun goddeloosheid zullen boeten - maar ook de verwachting dat de volkeren tenslotte hun heil zullen zoeken bij Israël. Dat heil heeft concreet tot inhoud de Thora. De volkeren verlangen ernaar te leven naar Gods goede geboden en ze zoeken die bij het Joodse volk. Enkele teksten:

Jesaja 2: 2 en 3:

Alle volken zullen daar samenstromen,
machtige naties zullen zeggen:
‘Laten we optrekken
naar de berg van de HEER,
naar de tempel van Jakobs God.
Hij zal ons onderrichten,
ons de weg wijzen,
en wij zullen Zijn paden bewandelen.’
Vanaf de Sion klinkt zijn onderricht,
vanuit Jeruzalem spreekt de HEER.

Zacharia 8:23:
Dit zegt de HEER van de hemelse machten:
Als die tijd is gekomen,
zullen tien mannen uit volken met verschillende talen
een Joodse man bij de slip van zijn mantel grijpen met de woorden:
“Wij willen ons bij u aansluiten,
want we hebben gehoord dat God bij u is.”

Zacharia 14:16:
De overlevenden van de volken die Jeruzalem hebben belaagd,
zullen dan jaarlijks naar de stad komen
om de HEER van de hemelse machten als koning te vereren
en het Loofhuttenfeest te vieren.
De heidense (niet-Joodse) volkeren zullen bij Israël het heil van de Thora zoeken - die verwachting correspondeert met het gegeven dat het Jodendom (vergeleken met veel andere religies en levensbeschouwingen) een markant ethisch karakter heeft. "Het geweten is een Joodse uitvinding", moet Hitler hebben geschreven - en dat is (waarschijnlijk onbedoeld) een groot compliment.

3. HET NIEUWE TESTAMENT
heeft ten aanzien van Israël iets dubbelzinnigs:
JEZUS: DE MESSIAS VAN ISRAËL - DE HEILAND DER WERELD

Des te opmerkelijker is de boodschap van het Nieuwe Testament: Jezus is de Messias van Israël. Enkele teksten:


Lucas 1:31-33
(de boodschap van de engel Gabriël aan Maria):

Je zult zwanger worden en een zoon baren,
en je moet hem Jezus noemen.
Hij zal een groot man worden
en Zoon van de Allerhoogste worden genoemd,
en God de Heer, zal hem de troon van zijn vader David geven.
Tot in eeuwigheid zal hij koning zijn over het volk van Jakob,
en aan zijn koningschap zal geen einde komen.

Op die boodschap reageert Maria in haar lofzang:

Lucas 1:54-44:
Hij (de HEER) trekt Zich het lot aan van Israël, Zijn dienaar,
zoals Hij onze voorouders heeft beloofd:
Hij herinnert Zich Zijn barmhartigheid
jegens Abraham en zijn nageslacht, tot in eeuwigheid.
Deze teksten (evenals de lofzang van Simeon, hieronder) passen in de sfeer van Advent en Kerst. We horen er daarbij makkelijk overheen dat de zoon van Maria koning zal worden over het volk van Jakob als teken dat de HEER Zich het lot van Israël heeft aangetrokken. Zó ziet ook Jezus Zelf later Zijn taak. Als een niet-Joodse vrouw Hem om hulp vraag voor haar zieke kind, antwoordt Hij:

Mattheus 15:24:

‘Ik ben alleen gezonden naar de verloren schapen van het volk van Israël.’

Dat antwoord klinkt ons niet sympathiek in de oren. De Here Jezus wil toch zeker iedereen helpen? Maar het heeft te maken met bevoegdheid. Jezus ontleent Zijn genezende kracht aan Zijn opdracht. En die opdracht is beperkt: ‘Ik ben alleen gezonden naar de verloren schapen van het volk van Israël.’

Romeinen 15: 8- 9:
Christus is een dienaar van de Joden geworden
om hun te tonen dat God trouw is
en om de beloften aan de aartsvaders te vervullen ...
Een bijzondere uitspraak van Paulus. Jezus is allereerst de Messias van Israël: dienaar van de Joden. Maar daarnaast krijgt Hij een tweede taak:

... maar Hij is ook gekomen om de heidenen in staat te stellen
God te loven om Zijn barmhartigheid,
zoals geschreven staat:
    Daarom zal ik u prijzen onder de heidenen,
    psalmzingen ter ere van Uw naam.
En verder staat er:
    Verheug u, heidenen, samen met Zijn volk.

Die tweeledigheid vinden we telkens in het Nieuwe Testament. Paulus was er zijn brief aan de Romeinen al direct mee begonnen:

Romeinen 1:16: Het Evangelie is:
Gods reddende kracht voor allen die geloven:
voor de Joden in de eerste plaats,
maar ook voor andere volken.
(Jood en Griek, stond er in de NBG-vertaling)

Lucas 2:31-32 (de lofzang van Simeon):
... de redding die U bewerkt hebt ten overstaan van alle volkeren:
licht tot openbaring van de heidenen
en glorie van Uw volk Israël.

Het heil vanuit Israël naar alle volkeren is ook te verstaan vanuit de boodschap van Jezus. Jezus vat de Thora samen in het dubbelgebod van de liefde tot God en de naaste. Maar die is niet beperkt tot één volk - liefde is universeel. Dat geldt van de liefde tot God. Over een heidense centurio zegt Jezus: Zelfs in Israël heb Ik zo'n groot geloof niet gevonden (Lucas 7: 9). In gesprek met Griekse geïnteresseerden zegt Paulus dat alle mensen zoeken naar God, want in Hem leven wij, bewegen wij en zijn wij (een citaat van de Griekse dichter Epimenides - Handelingen 17:28). En aan de Efesiërs schrijft Paulus over het geheimenis / mysterie dat ook de heidenen door Christus delen in de erfenis (= het heil - Efese 3: 6). Ook de liefde tot medemensen is universeel. Hét voorbeeld van naastenliefde is de barmhartige Samaritaan (een niet-Jood dus, Lucas 10:25-37). En bij het oordeel van de Mensenzoon over alle volkeren telt enkel de praktische liefde: zieken verzorgen, hongerigen te eten geven, gevangenen bezoeken, enz. (Mattheus 25:31-46).

We kunnen het ook historisch uitdrukken. Historisch gezien is het te danken aan Jezus en Zijn volgelingen dat mensen wereldwijd (christenen) geloven in de God van Israël; de Schriften van Israël lezen; de Psalmen van Israël zingen; en willen leven naar de geboden van de HEER.

Het heil is uit de Joden - in het Oude en het Nieuwe Testament is de beweging tegengesteld:
* in het Oude Testament de beweging naar Israël toe:
    alle volkeren komen naar Jeruzalem (Jesaja 2 en Zacharia 8 en 14)
* in het Nieuwe Testament de beweging vanuit Israël:
    Ga op weg,
maak alle volkeren tot Mijn leerlingen en leer ze te leven naar Mijn geboden (Mattheus 28:19-20)

Het heil is uit de Joden - de titel van dit verhaal is ontleend aan Johannes 4:22-23 (NBG).
In de NBV luidt deze uitspraak van Jezus tot de Samaritaanse vrouw:

Jullie (Samaritanen) weten niet wat je vereert,
maar wij (Joden - hier spraakt Jezus als Jood) weten dat wel;
de redding komt immers van de Joden.
Maar er komt een tijd, en die tijd is nu gekomen,
dat wie de Vader echt aanbidt, Hem aanbidt in Geest en in waarheid.
Met Jezus breekt het moment aan dat Gods heil zich verbreidt uit Israël over alle volkeren.
De evangelist Johannes denkt daarbij aan de christelijke kerk, die bestaat uit gelovigen uit allerlei volkeren.
Die beweging naar buiten roept wel een probleem op, waar de jonge kerk mee heeft geworsteld:


DE VERHOUDING TUSSEN JODEN EN NIET-JODEN

Moeten de niet-Joodse christenen Joden worden
om te delen in het heil van de Messias en de God van Israël? De vraag spitst zich toe op de geboden van de Thora. Liefde tot God en medemensen is universeel, maar de Thora bevat ook veel specifieke geboden, die essentieel zijn voor de Joodse identiteit: het vieren van de sabbat, de spijswetten, de besnijdenis van mannen, de liturgische geboden. Moeten niet-Joodse christenen zich aan al deze geboden houden? In de tijd van Paulus was dat een heet hangijzer.Volgens Handelingen 15 werd er op een "synode" in Jeruzalem een compromis gesloten:
... dat we de heidenen die zich tot God bekeren
geen al te zware lasten moeten opleggen,
maar dat we hun moeten schrijven
dat ze zich dienen te onthouden
van wat door de afgodendienst bezoedeld is,
van ontucht,
van vlees waar nog bloed in zit
en van het bloed zelf.
Deze laatste vier regels noemen we wel de Noachitische geboden. Die term staat niet in Handelingen 15 - het is een begrip uit het Jodendom, Zie http://nl.wikipedia.org/wiki/Noachitische_geboden - van deze pagina citeer ik:
De Noachitische Geboden ... zijn een rabbinale constructie op grond van de Hebreeuwse Bijbel (Genesis 2:16 en 9:4 en verder), die speciaal bestemd is voor niet-Joden die willen leven zoals God het bedoeld zou hebben. Men noemt dit ook wel Briet Noach, het Verbond van Noach. De Noachitische Geboden zijn als volgt verwoord:
   1. Gebod om rechtvaardigheid te betrachten, rechtbanken in te stellen en in stand te houden om de volgende verboden te kunnen handhaven.
   2. Verbod om de Schepper te vervloeken of Zijn Naam te gebruiken of om (iets van) het geschapene te vervloeken.
   3. Verbod op afgoderij (schepselen dienen of aanbidden).
   4. Verbod om te doden.
   5. Verbod op onzedelijkheid zoals incest.
   6. Verbod om te stelen of iemand te ontvoeren.
   7. Verbod op het eten van het vlees van een nog levend dier.
In de regels van de synode van Jeruzalem uit Handelingen 15 herkennen we de nummers 3, 5 en 7 van dit Joodse zevental. - Zoals gezegd: het besluit van de synode is een (wijs) compromis. Paulus stelt het principiëler:

Galaten 5: 6:

In Christus Jezus is het volkomen onbelangrijk of men wel of niet besneden is.
Belangrijk is dat men gelooft en de liefde kent, die het geloof zijn kracht verleent.

(NBG: ... maar geloof, door liefde werkende)

Galaten 6:15-16:

Het is volkomen onbelangrijk of men wel of niet besneden is;
belangrijk is dat men een nieuwe schepping is.
Laat er vrede en barmhartigheid zijn
voor allen die bij deze maatstaf blijven,
en voor het Israël van God.

Paulus is en blijft zelf Jood. Maar hij wil aan niet-Joden geen enkele rituele voorwaarde stellen. Belangrijk is enkel door de Geest van Christus herschapen zijn tot geloof en liefde. Maar daarmee neemt Paulus geen afstand van Israël: hij bidt om Gods vrede en barmhartigheid voor het Joodse volk. Daarmee komen we bij het laatste deel van dit verhaal.


DE TOEKOMST VAN ISRAËL

Daarover schrijft Paulus in Romeinen 9 tot en met 11. Paulus schrijft door de hele Romeinenbrief heen over Israël, zie de citaten hierboven uit Romeinen 1 en Romeinen 15. Maar de hoofdstukken 9 tm 11 zijn helemaal aan Israël gewijd.

In de brief aan de Romeinen heeft de Heidelbergse Catechismus zijn grondstructuur van ellende, verlossing en dankbaarheid gevonden. Maar als we deze drieslag naast Romeinen leggen, blijkt direct de blinde vlek van de reformatorische belijdenis:
Romeinen Heidelbergse Catechismus
Romeinen  1  -  3 ellende zondag  2  -  4
Romeinen  3  -  8 verlossing zondag  5  - 31
Romeinen  9  - 11 Israël -
Romeinen 12 - 16 dankbaarheid zondag 32 - 52

In Romeinen 9 - 11 worstelt Paulus met de weigering van de meeste van zijn Joodse volksgenoten om Jezus als de Messias te aanvaarden. Hij heeft daar ontzettend veel verdriet over. Maar hij blijft geloven in de toekomst van Israël. Hij schrijft daarover aan de (overwegend niet-Joodse) christenen in Rome:

Romeinen 11:25-36:
Er is, broeders en zusters, een goddelijk geheim dat ik u niet wil onthouden,
omdat ik wil voorkomen dat u op uw eigen inzicht afgaat.
Slechts een deel van Israël werd onbuigzaam,
en dat alleen tot het moment dat alle heidenen zijn toegetreden.

"Een goddelijk geheim" (NBG: geheimenis) beschouw ik als aanduiding voor een profetie. Paulus had profetische gaven. Profetische inzichten over de laatste dingen kan hij aanduiden als geheimenis: in 1Corinthe 15:51 over de opstanding; en hier over de redding van Israël. Geheim(enis) betekent dus niet dat dit inzicht geheim gehouden moet worden, maar dat het ons onbekend zou zijn als God het niet als profetie had geopenbaard.

"Tot het moment dat alle heidenen zijn toegetreden": er is  - zeker in de Griekse bewoording - een opvallende parallel met de profetie van Jezus dat Jeruzalem door heidenen vertrapt zal worden "totdat de tijden der heidenen vervuld zullen zijn" (Lucas 21:24 NBG - in NBV voorbij zijn ontbreekt de gedachte van de vervulling die ook in Romeinen 11:25 zit: de volheid der heidenen). Volgens het profetische inzicht van Jezus en Paulus leven we nu in het heidense (niet-Joodse) intermezzo, totdat ...

... Dan zal heel Israël worden gered, zoals ook geschreven staat:
'De redder zal uit Sion komen,

en wentelt dan de schuld af van Jakobs nageslacht.
Dit is Mijn verbond met hen, wanneer Ik hun zonden wegneem.’

Wie is de redder? Volgens sommige uitleggers: God (zoals in Jesaja 59:20, de tekst die Paulus hier aanhaalt). Volgens andere uitleggers: Jezus (als historische persoon). Zelf kies ik voor een derde mogelijkheid: de Messias bij Zijn komst ("wederkomst", zeggen wij als christenen vaak). Volgens verschillende deskundigen werd Jesaja 59:20 ook in de Joodse traditie al Messiaans opgevat. Zowel Joden als christenen verwachten de komst van de Messias. We moeten daarbij aantekenen dat, zowel binnen het Jodendom als binnen het christendom, die verwachting heel verschillend wordt beleefd en ingevuld. Sommige (chassidische) Joden zien verlangend uit naar de Messias, zoals sommige christenen dagelijks opzien naar de wolken of ze de Heer al zien verschijnen. Veel Joden en christenen hebben weinig of geen boodschap aan zulke concrete verwachtingen. Dat is in onze tijd zo - het was in de tijd van Paulus net zo. Paulus zelf gaat in elk geval uit van een gedeelde verwachting van de Messias. De Messias zal komen uit Sion. Opnieuw is er verschil in uitleg. Sommige christelijke uitleggers denken aan het hemelse Jeruzalem (Galaten 4:26). Zelf neem ik aan dat Paulus, in de geest van oudtestamentische profetieën en Joodse verwachtingen, denkt aan de concrete stad Jeruzalem, waar de Messias zal verschijnen (ik herinner nog eens aan de parallel met Lucas 21:24: Jeruzalem zal worden vertrapt door de heidenen, totdat ... - en dan volgt de profetie van de verschijning van de Mensenzoon). Waar het Paulus om gaat: ook als het Joodse volk het Evangelie van Jezus Christus niet aanvaardt (hoe verdrietig Paulus dat ook vindt) - de Messias zal bij Zijn komst hun zonden vergeven. De Messias is en blijft allereerst de Redder van Israël.

... Ze (Israël) zijn Gods vijanden geworden
opdat het evangelie aan u (niet-Joden) kon worden verkondigd,
maar God blijft hen liefhebben omdat Hij de aartsvaders heeft uitgekozen.
De genade die God schenkt neemt Hij nooit terug,
wanneer Hij iemand roept maakt Hij dat niet ongedaan.

In het voorafgaande verhaal zaten steeds de gedachten van VERKIEZING (God heeft Israël een unieke plaats gegeven te midden van alle volkeren) en VERBOND (God blijft in Zijn beleid consequent en betrouwbaar). In deze verwachting van Paulus spelen beide gedachten een essentiële en troostrijke rol. Dit profetische inzicht brengt Paulus zelf tot verrukking:

Hoe onuitputtelijk zijn Gods rijkdom, wijsheid en kennis,
hoe ondoorgrondelijk Zijn oordelen en hoe onbegrijpelijk Zijn wegen.

'Wie kent de gedachten van de Heer, wie was ooit Zijn raadsman?
Wie heeft Hem iets gegeven dat door Hem moest worden terugbetaald?'
Alles is uit Hem ontstaan,
alles is door Hem geschapen,
alles heeft in Hem zijn doel.
Hem komt de eer toe tot in eeuwigheid. Amen.

TERUG NAAR INDEX