|
|
Friese Koningen in de vroege middeleeuwenInleiding Over het bestaan van Friese koningen in de vroege middeleeuwen, zoals Aldgisl en Redbad, is heel weinig bekend. Historische bronnen uit die tijd ontbreken of zijn onbetrouwbaar. Archeologische vondsten die in direct verband staan met een koninklijke hofhouding zijn nog niet gedaan. 450-650 (Oostergo en Westergo) Er zijn wel vermoedens over waar en wanneer er Friese koningen geweest zijn. In de late 6e en vroege 7e eeuw heeft de machtsbasis van de Friese koningen vermoedelijk in Westergo en Oostergo gelegen.[1] De rijke bodemvondsten zijn een vingerwijzing voor koninklijke bewoning. In de huidige provincie Friesland zijn grote hoeveelheden gouden voorwerpen gevonden. In totaal zo’n anderhalve kilo. Tevens is er in Wijnaldum een bijzonder spectaculaire mantelspeld gevonden, die niet onder doet voor de vondsten uit het koninklijke graf in Sutton Hoo (Suffolk). De goudvondsten zijn te dateren tussen 450 en 650.[2]
600-650 (Noord-Holland) In de loop van de zesde eeuw is de Hollandse kuststreek gekoloniseerd, waarschijnlijk door bewoners van de Friese kleigebieden. Voor het einde van de zesde eeuw speelde het Hollandse kustgebied waarschijnlijk geen “koninklijke” rol van betekenis. Het was eenvoudigweg nog te dun bevolkt. [3] W.A. van Es vermoedt dat de machtsbasis van het Friese koningschap van Aldgisl en Redbad in het Rijnmondgebied ontstaan is. [4] 650-719 (Groot Friesland) In de eerste helft van de 7e eeuw zijn Dorestad en Utrecht nog Frankisch. De Delta van de Rijn, Maas en Schelde zijn rond 650 veroverd op de Franken. Dit gebeurde door de voorgangers van koning Aldgisl.[5] De politieke machtsbasis van de Friese koningen is dus ontstaan in het Friese terpengebied, en vervolgens verschoven via de mond van de Oude Rijn, naar het centrale rivierengebied van Nederland. Waarschijnlijk is pas in de loop van de zevende eeuw een verenigd Fries koninkrijk ontstaan. Dat koninkrijk strekte van de Schelde tot aan de Weser. De rol van de ligging, de bodemgesteldheid en de economie van Friesland op het ontstaan van het Friese koningschap.[6] Vanaf de 5e eeuw ontstonden er in Frisia (=Friesland in de vroege middeleeuwen), koningshuizen die van regionale machtsbetekenis waren. Door de centrale ligging van Frisia in de Noordwest Europese handelsroutes en de bodemgesteldheid, konden koningen als Aldgisl en Redbad machtig worden. In het terpengebied van Frisia was veeteelt de belangrijkste activiteit. Er was wel landbouw, maar het zwaartepunt lag toch bij veeteelt. Het veen-, duin- en getijdengebied, dat aan het terpengebied grensde, was alleen maar geschikt voor veeteelt. Frisia lag in de vroege middeleeuwen op het knooppunt van de handelsroutes die waren ontstaan tussen de snel ontwikkelende Germaanse koninkrijken. In het zuiden, westen en noorden waren dat respectievelijk: de Franken, Angelsaksen en de Scandinaviërs. Handelswaar werd per schip vervoerd. In het waterrijke Frisia had men al veel nautische ervaring opgedaan, doordat vervoer bijna alleen per schip mogelijk was. Veeteelt is veel minder arbeidsintensief is dan landbouw, en minder grondgebonden. Daardoor ontstaat er voor de vroegmiddeleeuwse Friese boer, zowel in tijd als in ruimte, de mogelijkheid om zich te ontwikkelen als handelaren. Volgens sommige onderzoekers spelen de Friezen in de middeleeuwen zo’n belangrijke rol in de handel dat de woorden Fries en handelaar synoniem geworden zijn. Uit archeologische vondsten kunnen onderzoekers opmaken dat het vee niet primair voor het vlees gehouden werd, maar voor nevenproducten zoals wol en zuivel. Producten die belangrijk zijn voor de handel. Friese handelswaren zijn in die tijd vlees, huiden, vis, wol. Belangrijk zijn ook de “pallia Fresonica” Friese wollen mantels die in de literaire bronnen genoemd worden. Ook zout, dat plaatselijk werd gewonnen, diende als handelswaar. In tegenstelling tot bij landbouwers, waar land het belangrijkste goed was, speelde bij veehandelaren geld een belangrijke rol. Door verwerven van kapitaal ontstond de mogelijkheid om luxegoederen te verwerven. In de vroege middeleeuwen ruilde men geschenken uit om relaties (netwerken) te krijgen en te behouden. Des te groter de waarde van zo’n geschenk, des te groter de status van de gever. Een groot aantal luxegoederen was niet eens te koop, maar was uitsluitend bedoeld als relatiegeschenk. Aan de top van het geschenkennetwerk stond de koning. De macht van een koning werd dus niet bepaald door territoriaal bezit, maar door de hoeveelheid mensen die hij aan zich kon binden door schenkingen.[7] Door de handel ontstond in Frisia een accumulatie van kapitaal. Hierdoor kon zich in Frisia een koningsschap ontwikkelen, dat op zijn hoogtepunt op gelijke voet met de Franken stond. Zo werd de dochter van koning Redbad uitgehuwelijkt aan een Frankische prins.
De locaties waar de handel plaats vond, stonden onder bescherming van de Koning, en ontwikkelden zich tot belangrijke steden. Een van de belangrijkste handelscentra van Frisia was Dorestad. De handel van de Franken, uit het achterland van de Rijn en Maas, kwam hier samen met die uit Scandinavië en Engeland. Vanuit Dorestad kon men via drie vaarwegen op de Noord Zee komen: ten eerste over de Oude Rijn, ten tweede over de Lek en ten derde de route via de Kromme Rijn, Vecht, Almere en het Vlie. De locatie van de Friese koningsgebieden De Friese koningen Aldgisl en Redbad zetelden bij tijd en wijle in Utrecht en misschien ook in Dorestat.[8] Dit kan opgemaakt worden uit geschreven bronnen. Over de exacte locatie van het woongebied van de Friese koningen valt weinig te vermelden. De geschreven bronnen zijn niet betrouwbaar of laten ons in de steek. En archeologische vondsten (bv. een koningsgraf), die duidelijke aanwijzingen zouden kunnen geven, zijn nog niet gedaan. Door logisch redeneren, hebben onderzoekers wel enkele machtscentra van de Friese koningen en hun volgelingen kunnen aanwijzen. De zesde en zevende eeuw In het noordelijke deel van Westergo, in de huidige provincie Friesland, zetelden in de eerste helft van de zevende eeuw Friese koningen en hun gevolg. Dit concludeert Johan Nicolay aan de hand van de vondstdichtheid van gouden voorwerpen in de provincies Friesland en Groningen. In Westergo is namelijk een duidelijke concentratie waar te nemen van goudvondsten die in Friesland en Groningen gedaan zijn. Het merendeel van de sierraden die gevonden zijn, dateren uit een periode die ligt tussen 600 en 650. Naast de hoeveelheid gouden voorwerpen, zijn enkele in Friesland gevonden sieraden zo uitzonderlijk dat ze alleen aan koningen toebehoord kunnen hebben. De fibula die in Wijnaldum gevonden is, is zo’n uitzonderlijk voorwerp. In de vroege middeleeuwen ruilde men geschenken uit om relaties (netwerken) te krijgen en te behouden. Des te groter de waarde van zo’n geschenk, des te groter de status van de gever. Aan de top van het geschenkennetwerk stond de koning. [9]
In Westergo zijn drie plaatsen die door hun naam in aanmerking kunnen komen voor de woonplaats van een Koning: Wijnaldum, Sexbierum en Franeker. De plaatsnaam Wijnaldum kan verklaard worden als “winiwaldahaim”. In het Oudfries kan “win” stam of familie betekenen; “walda” heerser of stamhoofd; en “haim” woonplaats. Wijnaldum zou dan de woonplaats van het stamhoofd betekenen. Het tweede deel van de naam Sexbierum betekent huis of burg (“bere”; “burum”). Volgens de Friese kroniekschrijvers (Winsemius 1622) zou Sexbierum gesticht zijn door een Fries koningsgeslacht. De naam Franeker bestaat uit twee delen “fra” en “akker”, wat zoveel betekent als gebied van de heer.[10] De zevende en achtste eeuw Uit de geschreven bronnen weten we dat de Frankische koningen, na het bedwingen van de Friezen in de achtste eeuw, zogenaamd ‘koningsgoed’ in Frisia bezaten. Dit waren gronden die tot voordeel van de koning geëxploiteerd werden. [11] Deze Frankische koningsgoeden gaan waarschijnlijk terug op Friese koningsgoeden.[12] Ze kunnen dus informatie geven over het woongebied van de Friese koningen. De koningsgoeden vallen in drie typen te classificeren: ten eerste zijn het gebieden rondom de Romeinse castella, ten tweede belangrijke handelsplaatsen en ten derde gebieden die strategisch liggen aan riviermondingen. [13] In Holland waren de koningsgoeden Texel, Wieringen, Medemblik, Velsen en Muiden, Noordwijk en wellicht Maasland. Eddinghem en Northwalde zijn niet meer te lokaliseren. [14] [15] In het centrale rivierengebied Dorestat, Vechten, Utrecht, Leut, Leusden met bossen en Muiden. [16] [17] In de huidige provincie Friesland komen we bijna geen Frankische koningsgoeden tegen. In Westergo wordt het Camminga hunderi genoemd. D.P. Blok leidt uit de naam Fronakre (Franeker) af dat dit ook een koningsgoed geweest zou kunnen zijn. Het element Fro (frô=heer) [18] in de naam heeft namelijk betrekking op de koning. Hetzelfde kan ook gelden voor Vronen in Noord-Holland. [19] Noord-Holland, en niet Friesland, was volgens J.C. Besteman het centrum van de Friese machtsuitbreiding Aldgisl en Redbad. Het zo goed als ontbreken van koningsgoeden in Friesland is daar de aanwijzing voor. [20] De Koningen Koning Finn Folcwalding (~400)Koning Finn wordt in enkele Angelsaksische geschriften genoemd als koning der Friezen. Of deze naam historische waarde heeft, valt niet met zekerheid te zeggen.[21] In het oude Angelsaksische gedicht Widsith komen we de naam Fin (=Finn) Folcwalding tegen. Finn is volgens het gedicht heerser over de Friezen. Folcwalda zou, als men op de achternaam afgaat de vader van Finn zijn. [22] Het is mogelijk dat Finn Folcwalda een mythische deknaam is. Het vreemde is namelijk dat Finn als roepnaam in het Westgermaans nooit voorkomt. In Scandinavië daarentegen komt de naam veelvuldig voor. De Finnar zijn bijvoorbeeld het voorgermaanse volk van Scandinavië. In de Edda (Voluspa) staat een lijst met namen van de dwergenkoningen: Fjalarr, Frosti, Ginnarr en Finn. En in Deense en Noorse volkssagen is Finn een reuzen bouwmeester die een groot aantal kerken bouwde. [23] [24] Volgens Hans Kuhn is het verhaal over koning Finn een amalgaam van een Scandinavische sage en een mythe. De sage is de Beowulf (een verslag van een gevecht tussen Friezen en Denen). De mythe is een -onbekende- mythe van Frey en de reuzenbouwmeester Finn. Kuhns vermoedens over het bestaan van deze onbekende mythe zijn gebaseerd op het feit dat er in een gebied van centraal Zweden tot het Friese eiland Sylt, een sage van een bovennatuurlijke bouwmeester bestaat. Deze bouwmeester heet Finn. Hij is een dwerg of reus die meehelpt in de bouw van een kerk of kasteel. Als vergoeding vraagt hij de hand van de dochter van de opdrachtgever. Op het laatste moment glipt zijn bruid hem toch nog door de vingers. [25] [26] Ook Folc-walda is geen gewone roepnaam. Het is te vertalen als ‘leger-aanvoerder’. Deze naam komen we ook weer tegen in Scandinavië als folk-valdi goda (legeraanvoerder der goden), en is dan verbonden aan de god Frey. [27] Er zijn vijf historische documenten waarin verwijzingen staan naar Koning Finn. [28] [29] · In het oude Angelsaksische gedicht Widsith (hierin staan stamreeksen van Angelsaksische koningen) komen we de naam Fin (=Finn) Folcwalding tegen. · In het Beowulf-epos en het Finnsburgfragment (een gedeelte van een heldenlied) komt de naam Finn terug. De sage waarin koning Finn een rol speelt, is te dateren in de volksverhuizingtijd, en is waarschijnlijk ouder dan de Widsith. Het verhaal uit de Beowulf is te dateren in de Volksverhuizingperiode, en hangt samen met de verovering van Engeland door de Angelsaksen. · Een vermelding van koning Finn staat ook in de Angelsaksische kronieken (Stamreeksen van Angelsaksische koningshuizen). Hierin wordt een zekere Godulf genoemd als vader van Finn. · In de Noordse Snorra-Edda wordt Finn ook vermeld. De Zweedse koning Adils (in de Beowulf Eadgils) zou een pantser bezitten aan koning Finn toebehoorde. Koning Finn leefde waarschijnlijk rond het jaar 400. Dit kan worden afgeleid uit het feit dat een opponent van Finn, Hengest de veroveraar van Kent is. Kent werd veroverd in 450. Het Finnsburg verhaal speelt zich af in de jeugd van Hengest en moet dus in de vroege 5e eeuw geplaatst worden; rond 425. [30] Waar koning Finn leefde is uit de geschriften niet te achterhalen. Waarschijnlijk leefde hij in Westergo. In het gebied bij de grote rivieren en in Noord-Holland woonden nog geen Friezen. Jan Zijlstra vermoedt dat in Westergo drie plaatsen door hun naam in aanmerking kunnen komen voor de woonplaats van koning Finn. De plaatsen zijn Wijnaldum, Franeker en Sexbierum. (Voor de uitleg van de namen zie een paragraaf eerder)[31] Koning Audulfus (~600) Het is mogelijk dat in het centrale rivierengebied van Nederland, aan het begin van de zevende eeuw, een Friese koning Audulfus heerste. De geschreven bronnen maken geen vermelding van deze vorst, maar er zijn vijf munten gevonden waarop “Audulfus” en “Frisia” staat. Bij vier munten staat op de voorzijde AUDULFUS FRISIA en op de achterzijde VICTORIA AUDULFO. Bij één munt staat AUDULFUS op de voorzijde, en FRISIA op de achterzijde. De munten zijn gevonden in Escharen, in Engeland en in de omgeving van Arnhem. Ze zijn waarschijnlijk tussen 600 en 630 geslagen.[32] Koning Aldgisl (~678) Koning Aldgisl is de eerste Friese koning waarvan zeker is hij bestaan heeft. In de levensbeschrijving van Wilfried, bisschop van York, wordt een “rex Aldgislus” heersend in “Freis” genoemd. Deze vorst had Wilfried een half jaar lang gastvrijheid geleend aan zijn hof in Friesland. Volgens de geschriften was dit in 678 en 679.[33] Ald- betekent 'oud'; en -gisl kan of 'gijzelaar' of 'staaf / speer' betekenen (bron: H.T.J. Miedema in Amsterdamer Beiträge zur älteren Germanistik, Band 29, 1989) In die levensbeschrijving staat dat Aldgisl de bisschop van York ontvangt, die vanuit Engeland op doorreis naar Rome is. Aldgisl krijgt per brief het verzoek van de Franken om Wilfried aan hen uit te leveren, maar hij weigerde, en verscheurde demonstratief de brief. De gastvrijheid strekte zover dat de koning de bisschop toestond gedurende de winter het christendom te prediken. Er wordt verteld dat er duizenden bekeerd werden, maar dat is een vrome overdrijving, blijvend resultaat had de bekering niet gehad.[34] [35] Helaas staat in de levensbeschrijving van Wilfried niet waar Aldgisl zetelde. Herrius Halbertsma geeft als theorie dat de koning in de buurt van Dorestad zetelde, omdat deze plaats in die tijd de belangrijkste handelsstad van Friesland was. Wilfried maakte voor de overtocht van Engeland naar Friesland waarschijnlijk gebruik van handelsvaartuigen die hun lading kwamen halen en brengen in Dorestad.[36] Uit de levensbeschrijving vernemen we verder nog hoe belangrijk het gastrecht en een gegeven woord voor Aldgisl waren. Zoals boven beschreven was de Frank Ebroin (Everwin; de hofmeier van koning Theodorik), Wilfried zeer slecht gezind. En vroeg om de uitlevering van de bisschop. Er stond koning Aldgisl zelfs een aanzienlijk geldbedrag in het vooruitzicht. Aldgisl weigerde Wilfried uit te leveren, daar de bisschop van het gastrecht genoot. In het Germaanse drama is het breken van een belofte en de daaraan verbonden ondergang van de eedbrekers een vast thema. Het komt terug in het Nibelungenlied en de Beowulf.[37] Aldgisl heeft een of meer voorgangers gehad, want anders is niet te verklaren hoe de Friezen de Franken uit Utrecht en Dorestad werpen en het rivierengebied tot de Maas en Waal onderwerpen. In het westen komt het hele gebied tot aan Zeeland onder het gezag van de Friezen. Hoe deze voorgangers heetten is niet bekend. In 650 zijn de Franken uit Utrecht, Dorestad en het westelijk kustgebied tot aan Zeeuws-Vlaanderen (Frisia citerior) verdreven. Het is onbekend hoe dit gegaan is, en onder leiding van welke Friese koningen dit gebeurd is. Dat het rond 650 gebeurd is kan opgemaakt worden uit archeologische vondsten. Bewijzen voor de Friese expansie zijn: - Vernieling van het Utrechtse kerkje dat door de Franken gesticht was; - de muntslag in Dorestad houdt in circa 650 op.[38] Volgens D.P. Blok woonden er in Frisia citerior van oorsprong geen Friezen maar Bataven, Franken en andere groepen.[39] Koning Redbad (sterfjaar is 719) Inleiding Koning Redbad is één van de hoofdrolspelers in het drama dat zich aan het begin van de achtste eeuw in West-Europa afspeelt. Friesland is tijdens het bewind van deze heidense koning op zijn grootst en machtigst. Het centrale rivierengebied van Nederland, de slagader van de handel uit het Rijnland naar Engeland en Scandinavië, is in handen van de Friezen. Op het toppunt van zijn macht heerst koning Redbad over een gebied dat van de Schelde tot aan de Weser loopt. In het Lex Frisionum (in 802 op last van Karel de Grote opgesteld) wordt namelijk aangegeven dat Frisia van de Sinkfal in het zuiden tot aan de Weser in het noorden loopt.[1] Zoals eerder gezegd is de bron van deze macht de handel over de Noordzee. Belangrijk zijn de handelsplaatsen zoals Dorestad en Medemblik. Medemblik wordt rond 700 opgericht als handelsplaats aan de “Almere route”. Dat het een belangrijke handelslocatie is blijkt uit het feit dat Medemblik, net als Dorestad, één van de handelsplaatsen is waarin de Karolingische tijd door de Franken tol geheven wordt. Het is volgens J.C. Besteman heel goed mogelijk dat Medemblik door Koning Redbad gesticht is. Er is namelijk ook een legende uit de 16e eeuw, die Redbad met Medemblik verbindt.[2] Dat Redbad een figuur van groot historische belang geweest is blijkt ook uit de vele volksvertellingen, sagen, legenden en topografische vernoemingen die overgeleverd zijn. Deze overleveringen zijn in een gebied van Noord- tot aan West-Friesland terug te vinden.[3] De naam Redbad (Rêdbâd = Oudfries) is de ver-Friessing van het Hollandse Radboud of Radbod. [4] Red- betekent 'raad'; -bad betekent 'bold' (dapper); Historie Redbad is de opvolger van koning Aldgisl. Of Redbad de directe opvolger, en of hij verwant is aan Aldgisl valt niet met zekerheid te zeggen.[5] Er wordt voor het eerst over Redbad geschreven in de levensbeschrijving van de Angelsaksische geestelijke Wigbert. Deze geestelijke komt in 688 in Friesland aan om daar te kerstenen. Van koning Redbad krijgt hij geen enkele steun, en na twee jaar keert de missionaris onverrichte zake terug. [6] Rond 716 bezoekt Winfrid, later Bonifatius genoemd, koning Redbad in Utrecht. Ook hij kan maar weinig mensen bekeren en keert terug naar Engeland.[7] In de Frankische geschiedbronnen wordt Redbad aangeduid als hertog (dux). In de Angelsaksische als koning (rex).[8] De Frankische bronnen zullen Redbad als hertog hebben aangeduid om hem neer te halen. De Franken waren van mening dat Friesland eigelijk Frankisch gebied was. Aangenomen wordt dat Redbad in Friesland als koning aangesproken werd. Dat de Franken Redbad toch als een formidabele tegenstander inschatten, blijkt uit het feit dat de jongste zoon van Pippijn, Grimoald, trouwt met de dochter van Redbad, Theudesinde.[9] Tussen 688 en 695 trekt de Frank Pippijn met een leger op naar het noorden, en verslaat bij castrum Duristate koning Redbad. Pippijn keert, volgens de geschriften, met buit beladen terug. In 696 beheerst Pippijn Utrecht en de Frankische munt wordt weer in Dorestad geslagen.[10] De eindstrijd tussen Redbad en Pippijn zou op een versterking ter hoogte van Duurstede plaats gevonden hebben. Deze versterking zou Fresdore kunnen zijn.[11] De naam betekent Friezenfort. De locatie zou Vreeswijk of Cothen kunnen zijn; in een nog onontdekt Romeins grensfort. [12] Vanaf 690 handhaaft Pippijn de Rijn als rijksgrens (vanaf Duurstede tot aan de Noordzee).[13] De Utrechtse Vechtstreek blijft, in ieder geval voor een deel, in Friese handen.[14] Pippijn schenkt vele landerijen in het veroverde Zuid Friesland (Frisia Citerior) aan Frankische getrouwen. Deze groep komt als aparte stand terug in Frankische geschriften en wordt de homines Franci genoemd. [15] In het kielzog van de Franken komen de missionarissen. Willibrord wordt tot aartsbisschop der Friezen gewijd, en hij krijgt Utrecht als zetel voor zijn aartsbisdom. Willibrord herbouwt het verwoeste kerkje van Dagobert I (gewijd aan Sint Maarten), en sticht er een tweede kerk naast (gewijd aan Sint Salvator). [16] Het kerkje van Dagobert I dat in Utrecht binnen de muren van het Romeinse castellum gebouwd was, is mogelijk door Redbad verwoest. [17] In 714 overlijdt Pippijn. Grimoald wordt kort na het overlijden van zijn vader in 714 te Luik vermoord. Van Theudesinde, Redbads dochter, wordt niets meer vernomen. In geschriften wordt de vrouw van graaf Ebroin van Kleef Theodswinth genoemd, misschien is deze vrouw wel dezelfde als de dochter van Redbad. [18] Na het overlijden van Pippijn ontstaat er een felle binnenlandse strijd in het Frankenrijk. Redbad maakt van de situatie gebruik door het Friese gebied ten zuiden van de Rijn te heroveren. Het hele gebied tot aan de Schelde valt in handen van Redbad. In het centrale rivierengebied worden de kerken verbrand en de priesters verjaagd. De toestand van voor 690 wordt hersteld.[19] In de tussen tijd was een bastaard zoon van Pippijn, Karel Martel (zijn bijnaam was Karel de Hamer) aan de macht gekomen. Redbad sluit verbonden met opponent van Karel Martel zoals de Frank Raganfred. In 716 ligt Redbad zelfs met een vijandelijke vloot voor Keulen. [20] Karel Martel begint in het jaar daarop met zijn veldtochten. Zo verslaat hij in 717 de Neustriërs en in 718 verdrijft hij de Saksen en houdt strafexpedities in hun gebied tot aan de Weser.[21] In 719 sterft Redbad na een slepende ziekte van 6 jaar.[22] Karel verovert het Friese gebied in Holland tot aan de Vlie, de huidige provincie Utrecht en wellicht de Veluwe tot aan de IJssel. In 734 verovert Karel Friesland tot aan de Lauwers, door de Friezen onder leiding van hertog Bubo, bij de Boorne te verslaan. [23] Het is niet bekend of hertog Bubo (ook wel Poppo genoemd) verwant is aan Redbad.[24] De nazaten van Koning Redbad Er wordt van nogal wat personen vermoedt dat zij afstammen van Koning Redbad. Van de heidense Deense koning Godfried wordt vermeldt dat hij een kleinzoon van Radbod is.[25] Godfried deed in 810 aanspraken op Friesland en Saksen. Friese overlevering schrijven Redbad zelf ook een Deense herkomst toe. De naam Redbad komt voor bij de graven van Holland. Daarom vermoeden sommige auteurs een verwantschap tussen deze graven en koning Redbad. Volgens Russchen is deze naam echter te algemeen voorkomend, om te kunnen concluderen dat het nazaten van Koning Redbad zijn. Ook wordt vermeldt dat twee bisschoppen van Utrecht, Frederik van Adelen en Redbad, nazaten zijn van Koning Redbad. Dit is echter allerminst zeker.[26] [1] Heidinga, H.A., Frisia in the First Millenium, An Outline, Utrecht, 1997 [2] Nicolay, J., Goud, macht en Identiteit, De opkomst van een Fries Koningschap (450-650), in Spiegel Historiael, no. 6, jaargang 34, juni 1999 [3] Es van, W.A., e.a., Romeinen, Friezen en Franken, In het Hart van Nederland, ROB, 1994 [4] Es van, W.A., e.a., Romeinen, Friezen en Franken, In het Hart van Nederland, ROB, 1994 [5] Blok, D.P., De Franken in Nederland, Bussum, 1979 [6] Besteman, J.C., North Holland AD 400-1200: turning tide or tide turned?, in Medieval Archaeology in the Netherlands, Assen, 1990 [7] Nicolay, J., Goud, macht en identiteit, De opkomst van Fries koningschap (450-650), in Spiegel Historiael, nummer 6, jaargang 34, juni 1999 [8] Halbertsma, H., Aldgisl, Koning in Friesland, in Earebondel Dr. G.A. Wumkes, Boalsert, 1950 [9] Nicolay, J., Goud, macht en identiteit, De opkomst van Fries koningschap (450-650), in Spiegel Historiael, nummer 6, jaargang 34, juni 1999 [10] Zijlstra, J., Friesland en de Finnsburg, Een Hypothese vanuit Fries Perspectief, (in eigen beheer) 1999 [11] Blok, D.P., De Franken in Nederland, Bussum, 1979 [12] Besteman, J.C., North Holland AD 400-1200: turning tide or tide turned?, in Medieval Archaeology in the Netherlands, Assen, 1990 [13] Blok, D.P., De Franken in Nederland, Bussum, 1979 [14] Besteman, J.C., North Holland AD 400-1200: turning tide or tide turned?, in Medieval Archaeology in the Netherlands, Assen, 1990 [15] Blok, D.P., De Franken in Nederland, Bussum, 1979 [16] Besteman, J.C., North Holland AD 400-1200: turning tide or tide turned?, in Medieval Archaeology in the Netherlands, Assen, 1990 [17] Blok, D.P., De Franken in Nederland, Bussum, 1979 [18] Holthausen, F., Altfriesisches Wörterbuch, Heidelberg 1925 [19] Blok, D.P., De Franken in Nederland, Bussum, 1979 [20] Besteman, J.C., North Holland AD 400-1200: turning tide or tide turned?, in Medieval Archaeology in the Netherlands, Assen, 1990 [21] Kuhn, H., Finn Folcwalding, in Studia Frisica, in memoriam Prof. Dr. K. Fokkema 1898-1967 scripta, Fryske Akademy Nr. 332, Groningen 1969 [22] Kuhn, H., Finn Folcwalding, in Studia Frisica, in memoriam Prof. Dr. K. Fokkema 1898-1967 scripta, Fryske Akademy Nr. 332, Groningen 1969 [23] Kuhn, H., Finn Folcwalding, in Studia Frisica, in memoriam Prof. Dr. K. Fokkema 1898-1967 scripta, Fryske Akademy Nr. 332, Groningen 1969 [24] Russchen A., Finnsburg – A Critical Approach, in Miscellanea Frisica, Fryske Akademy, nr. 643, Assen, 1984 [25] Kuhn, H., Finn Folcwalding, in Studia Frisica, in memoriam Prof. Dr. K. Fokkema 1898-1967 scripta, Fryske Akademy Nr. 332, Groningen 1969 [26] Russchen A., Finnsburg – A Critical Approach, in Miscellanea Frisica, Fryske Akademy, nr. 643, Assen, 1984 [27] Kuhn, H., Finn Folcwalding, in Studia Frisica, in memoriam Prof. Dr. K. Fokkema 1898-1967 scripta, Fryske Akademy Nr. 332, Groningen 1969 [28] Kuhn, H., Finn Folcwalding, in Studia Frisica, in memoriam Prof. Dr. K. Fokkema 1898-1967 scripta, Fryske Akademy Nr. 332, Groningen 1969 [29] Russchen A., Finnsburg – A Critical Approach, in Miscellanea Frisica, Fryske Akademy, nr. 643, Assen, 1984 [30] Russchen A., Finnsburg – A Critical Approach, in Miscellanea Frisica, Fryske Akademy, nr. 643, Assen, 1984 [31] Zijlstra, J., Friesland en de Finnsburg, Een Hypothese vanuit Fries Perspectief, (in eigen beheer) 1999 [32] Faber, K.P.H., Audulfus, een Friese Koning!, in Fryslân, Nieuwsblad voor geschiedenis en cultuur, no.4, 4e jaargang, december 1998 [33] Halbertsma, H., Aldgisl, Koning in Friesland, in Earebondel Dr. G.A. Wumkes, Boalsert, 1950 [34] Blok, D.P., De Franken in Nederland, Bussum, 1979 [35] Schäferdiek, K., Missionnsgeschichtl., in Reallexikon der Germanischen Altertumskunde, Band 10, Lieferung ½, Berlin/New York 1996 [36] Halbertsma H., Aldgisl, Koning in Friesland, in Earebondel Dr. G.A. Wumkes, Boalsert, 1950 [36] Blok, D.P., De Franken in Nederland, Bussum, 1979 [37] Halbertsma H., Aldgisl, Koning in Friesland, in Earebondel Dr. G.A. Wumkes, Boalsert, 1950 [37] Blok, D.P., De Franken in Nederland, Bussum, 1979 [38] Blok, D.P., De Franken in Nederland, Bussum, 1979 [39] Blok, D.P., De Franken in Nederland, Bussum, 1979
[1] Halbertsma, H., Het Friese koninkrijk, in Geschiedenis van Friesland, Leeuwarden 1973 [2] Besteman, J.C., North Holland AD 400-1200: turning the Tide or the Tide turned, in Medieval Archaeology in the Netherlands, Assen 1990 [3] Wiersma, J.P., Friese Sagen en Mythen, Leeuwarden, 1973 [4] Miedema, H.T.J., Fries en Nederlands, in Leeuwarden, Groningen en Utrecht, i.e.b. 1987 [5] Halbertsma, H., Het Friese koninkrijk, in Geschiedenis van Friesland, Leeuwarden 1973 [6] Halbertsma, H., Het Friese koninkrijk, in Geschiedenis van Friesland, Leeuwarden 1973 [7] Blok, D.P., De Franken in Nederland, Bussum, 1979 [8] Halbertsma, H., Het Friese koninkrijk, in Geschiedenis van Friesland, Leeuwarden 1973 [9] Halbertsma, H., Het Friese koninkrijk, in Geschiedenis van Friesland, Leeuwarden 1973 [10] Blok, D.P., De Franken in Nederland, Bussum, 1979 [11] Halbertsma, H., Het Friese koninkrijk, in Geschiedenis van Friesland, Leeuwarden 1973 [12] Es, van, W.A., Romeinen Friezen en Franken, in het Hart van Nederland, 1994 [13] Halbertsma, H., Het Friese koninkrijk, in Geschiedenis van Friesland, Leeuwarden 1973 [14] Blok, D.P., De Franken in Nederland, Bussum, 1979 [15] Blok, D.P., De Franken in Nederland, Bussum, 1979 [16] Blok, D.P., De Franken in Nederland, Bussum, 1979 [17] Halbertsma, H., Het Friese koninkrijk, in Geschiedenis van Friesland, Leeuwarden 1973 [18] Russchen, A., New light on Dark-Age Frisia, Drachten, 1967 [19] Halbertsma H., Het Friese koninkrijk, in Geschiedenis van Friesland, Leeuwarden 1973 [20] Halbertsma, H., Het Friese koninkrijk, in Geschiedenis van Friesland, Leeuwarden 1973 [21] Blok, D.P., De Franken in Nederland, Bussum, 1979 [22] Halbertsma H., Het Friese koninkrijk, in Geschiedenis van Friesland, Leeuwarden 1973 [23] Blok, D.P., De Franken in Nederland, Bussum, 1979 [24] Russchen A., New light on Dark-Age Frisia, Drachten, 1967 [25] Halbertsma H., Het Friese koninkrijk, in Geschiedenis van Friesland, Leeuwarden 1973 [26] Russchen A., New light on Dark-Age Frisia, Drachten, 1967 |
![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
|
|