|
|
|
Het Friese Heidendom (deel 2)
Het
geloof van de Friese heidenen In dit artikel
worden de goden in drie groepen verdeeld: de Asen, de Wanen en de andere
goden. Naast deze
driedeling worden de goden, in de wetenschappelijke literatuur, verdeeld
in de “hogere goden” en de “lagere goden”. De hogere goden spelen een
rol in de mythen, er vond een gecentraliseerde cultus voor hen plaats
waarin priesters een rol speelden en ze waren vooral gebonden aan de elite.
[[1]]
De lagere goden hadden te maken met de cultische verering van de krachten
van de natuur en vegetatie. De cultus was gedecentraliseerd en direct
verbonden aan de leefwereld van het volk. Rotsen, bomen en bronnen speelden
een belangrijke rol in de cultus [[2]] Ik behandel
alleen die goden waarvan we weten of vermoeden dat ze in Friesland voorkwamen.
In de subtitels geef ik eerst de Westgermaanse variant van de godennaam,
en vervolgens de Noordse (Scandinavische) variant. Nb. Als er
een sterretje voor een naam staat, is deze naam herleid door wetenschappers. Dit is de
godengroep waartoe de belangrijkste goden behoren (Odin, Thor, Balder
en Loki). De Asen zijn overwegend krijgsgoden. Jan de Vries
verklaart het woord Asen als zijnde 'leven of psyche of ziel'. Hij doet
dit door de Germaanse term ‘Asen’ te vergelijken met woorden uit andere
Indo-europese talen (asu- = leven in het Oudindisch). Een andere mogelijkheid
is dat het woord *Ans- uitgelegd wordt als “balk of paal”. Dan ligt een
verbinding met de verering van “houten paalgoden” voor de hand. [[3]]
Het begrip
“Asen” werd bij de Germanen gebruikt als algemene aanduiding voor ‘god’,
wat blijkt uit persoonsnamen zoals Ans-helm (dit betekent 'onder Gods
bescherming').[[4]] De oud-Friese
rechtspreker werd een “Asega” genoemd. De onderzoeker Willy Krogmann geeft
als woordverklaring van Asega het ‘oog van de Asen’. Huidige wetenschappers
wijzen deze woordverklaring af. Ze verklaren A-sega als ‘recht-zegger’.
De functie van de Asega was het vinden van, en het voorstellen van een
oordeel in rechtszaken.[[5]] Het woord
Asen is in het Fries waarschijnlijk terug te vinden in het woord Eswei.
Dit woord komt voor in de sage die het ontstaan van het recht in Friesland
beschrijft. Volgens deze sage heeft Karel de Grote de 12 Asegas (recht-zeggers)
van de 7 Friese zeelanden naar hun recht gevraagd. Toen de Asegas antwoorden
dat ze dat recht niet vinden konden, zette Karel ze op een schip zonder
roer. Na stuurloos op zee rond te dobberen verschijnt er, na een gebed,
een 13e persoon aan boord. Dit is een god met een gouden bijl. Met deze
bijl stuurt hij het schip aan land, laat een bron ontspringen en verkondigt
het Friese recht. De plaats waar het schip aan wal komt heet Eswei. De
onderzoeker Von Richthoven duidt de naam Eswei als zijnde “Asenweg”.[[6]] *Tîwaz/Tiu
/Tyr (weekdag: tiisdei) Het woord
Tîwaz komt overeen met het Oudindische ‘devah’ dat ‘schitterende/lichtende
God’ betekent.[[7]] De Germanen
hadden, volgens de Romeinen, een god die overeenkwam met Mars. Met deze
god bedoelden ze *Tîwaz [[8]]
of Tiu [[9]]
Bij de muur
van Hadrianus in Groot-Brittannië, zijn twee inscripties op geloftestenen
gevonden waarop de naam Marti Thingso (Mars Thingsus) voorkomt. De geloftestenen
stammen uit de eerste helft van de 3e eeuw na Chr.. Friese huursoldaten
(cuneus Frisiorum) in Romeinse dienst hebben hem opgericht De vertaling
luidt waarschijnlijk 'Tiu de Dinggod'. Tiu was de beschermheer van het
volksberaad (Ding). [[10]] In het Fries
komt de god *Tîwaz terug in de weekdag tiisdei [[11]] of tiwesdei [[12]].
Naast de naam in de weekdag is van de Friezen uit de vroege middeleeuwen
niets over Tîwaz bekend. [[13]] *Tîwaz schijnt
bij de Germanen ook onder een andere naam bekend geweest te zijn, te weten
Irmin. In Nederland kan de plaatsnaam Ermelo (Irminlo in 855 n.o.j..)
op Irmin terug gevoerd worden. De Saksen vereerden de Irminzuil (Irminsûl);
een reusachtige boomzuil die met de cultus van Irmin verbonden kan worden.
[[14]]
Religieuze voorstellingen die te maken hebben met een zuil, stam, balk
of staaf kennen we uit het gehele Germaanse gebied. Uit historische tijd
kennen we de stafr (een soort levensboom) uit het Noordgermaanse gebied.
Volgens de onderzoeker Moerman komt de plaatsnaam Stavoren (Stáveren in
het Fries) van staver = paal. Vanwege de hoge ouderdom van de naam (Stavorun,
991 n.o.j..) denkt Jan de Vries aan een religieuze voorstelling van
een paal. Een voorstelling die overeenkomt met de cultus van de Oudnoorse
stafr. [[15]]
Misschien hebben we in Stavoren met een cultus van Tiu te doen? Wodan/Odin
(weekdag: woansdei) De naam Wodan
is te verklaren als ‘heer van de woedenden’. [[16]] Wodan is namelijk
leider van een dodenleger, ook wel wôd genaamd. [[17]] Volgens Tacitus
vereerden de Germanen van alle goden Mercurius het meest, en brachten
zij hem op vaste dagen mensenoffers [[18]].
Tacitus bedoelt met deze god Wodan. [[19]] Wodan was
in Friesland bekend onder de naam Wêda [[20]] Friesland
is samen met Nedersaksen en het Frankische gebied het hoofdgebied van
de Wodancultus. De naam van de middelste weekdag was in al deze gebieden
namelijk 'Wodansdag'. [[21]]
Uit het Oudfries kennen we de namen wensdei [[22]] en wernsdei [[23]]
voor woensdag. Geografische
namen die met Wodan te maken hebben zijn in Friesland niet met zekerheid
aan te wijzen.[[24]]
Bij het plaatsje Warns (in 1486 in het Oudfries aangeduid als Wernse)
[[25]]
staat in het Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden (1839-1851) het
volgende vermeld: "Het (Warns) moet, volgens sommigen, zijnen naam
ontleend hebben aan Mercurius, welke bij de oude Friezen onder den naam
van Warns zoude vereerd zijn". [[26]]
(Wodan wordt zowel door de Romeinen als in middeleeuwse bronnen aangeduid als Mercurius) [[27]]
Gysseling herleidt Warns echter van *Wardas lauh. Dit betekent; 'het bos
van Ward'. [[28]] In een hoofdstukindeling
van een verloren gegaan boek, het 'Indiculus Superstitionem', dat in het
kloostercodex van Mainz (9e eeuw) zit, staat ook Mercurius/Wodan. Geschreven
staat dat er heiligdommen en feesten voor Wodan en Donar waren. De onderzoeker
Blok vermoedt dat de christenprediker Liudger de auteur van het document
is. [[29]]
Liudger Thiadgrimszoon (742-809) was een Fries. [[30]] Het is dus heel
goed mogelijk dat de inhoud van het document ook over Friesland gaat.
[[31]] Donar/Thor
(weekdag: tongersdei) De naam Donar
wordt verklaard als zijnde ‘de donderaar’. Donar heeft dus met het natuurverschijnsel
de donder te maken. [[32]] In de Romeinse
geschriften wordt Donar eerst aangeduid als Hercules en later als Jupiter/Jovis.
[[33]] In het Oudfries
wordt de donderdag aangeduid als thunresdei [[34]] of thunersdei. [[35]]
Donar heet zowel bij de Friezen als bij de Saksen Thuner. [[36]] In het Indiculus
Superstitionem, dat in het kloostercodex van Mainz uit de 9e eeuw zit,
staat tevens de god Jovis. Er staat geschreven dat er heiligdommen en
feesten voor Wodan (Mercurii) en Donar (Jovis) waren. Zoals we eerder
lazen vermoedt Blok dat de Friese christenprediker Liudger de auteur van
het document is. [[37]]
In Friesland
zijn in grafvelden obeliskvormige hangers als bijgave aangetroffen. Deze
hangers, soms versierd met puntcirkels, worden ‘Donar-amuletten’ genoemd.
Ze zijn gemaakt van gewei of van ivoor en soms groen gekleurd. Er zijn
bronzen en zilveren knotsvormige hangertjes uit de Romeinse tijd gevonden,
waarop het opschrift DEO HER(CULI) voorkomt. Door vormovereenkomst met
deze 'Romeinse' hangertjes, schrijft men de benen hangertjes uit onze
streken aan Donar toe. [[38]] [[39]] Frîja/Frigg (weekdag: freed) De naam Frîja
is verwant aan het Oudindische woord priya, dat ‘geliefde’ betekent. [[40]] In de Romeinse
geschriften ontbreekt een verwijzing naar Frîja. Uit de vertaling van
het Latijnse woord voor vrijdag ‘dies Veneris’ weten we dat Frîja gelijkgesteld
werd aan Venus. [[41]] In het Oudfries
wordt vrijdag aangeduid als frigendei [[42]] Fosite/Forseti De woordverklaring
van Fosite zou ‘Voorzitter’ kunnen zijn. Hij wordt gezien als een beschermer
van recht en wet. [[43]] In het middeleeuwse
geschrift de ‘Vita Sancti Willebrordi’ wordt verteld over de reis die
de zendeling Willibrord aan het eind van de 8e eeuw naar een eiland maakt
dat op de grens van Denemarken en Friesland ligt. Fositesland zoals dat
eiland heette, werd vernoemd naar de god Fosite. Dit eiland was waarschijnlijk
het huidige Helgoland. [[44]] In de sage
die het ontstaan van het recht in Friesland beschrijft komt misschien
ook de god Fosite voor. Volgens deze sage heeft Karel de Grote de 12 Asegas
(recht-zeggers) van de 7 Friese zeelanden naar hun recht gevraagd. Toen
ze antwoorden dat ze dat recht niet vinden konden, zette Karel ze op een
schip zonder roer. Na stuurloos op zee rond te dobberen verschijnt er,
na een gebed, een 13e persoon aan boord. Dit is een god met een gouden
bijl. Deze god
verkondigt het Friese recht aan de Asegas. Von Richthofen zag in deze
god Fosite. Volgens Jan de Vries is dit slechts een hypothese. [[45]] De overeenkomst
in naam tussen de Friese god Fosite en de Noorse god Forseti is groot.
Volgens Jan de Vries kunnen we uit deze overeenkomst concluderen dat er,
zo rond het jaar 700, dusdanig culturele betrekkingen waren tussen Friesland
en Zuid-Noorwegen, dat de kult van Fosite zich noordwaarts (rond de Oslofjord)
verbreid heeft. [[46]] Wanen
(vruchtbaarheidsgoden) De Wanen
zijn in de eerste plaats vruchtbaarheidsgoden (o.a. Njord, Freyr en Freya.
Bij deze groep werd gebeden voor een goede oogst, zon, regen, een goede
wind etc.. De naam Wanen
is misschien verwant met het Duitse woord ‘Wonne’, wat zaligheid, genot
of verrukking betekent. [[47]] Van de Scandinavische
naam ‘Wanen’ ontbreekt in Friesland ieder spoor. Nerthus(v)
en *Nerthus(m) /Njörd(m) en *Njörd(v) De naam Nerthus
stemt overeen met Njörd, en de betekenis is misschien af te leiden van
‘ner’, een Indo-europees woord voor beneden. Dit beneden zou weer kunnen
wijzen op de onderwereld. [[48]] Volgens Tacitus
werd door de bewoners van de Noordzeekust een "moeder aarde"
godin vereerd. Volgens hem heette deze godin Nerthus (Nerþuz). Hedendaagse
mythologen hebben uit vergelijkingen met de latere Scandinavische godsdienst
kunnen afleiden dat Nerthus een tweeling broer had die ook Nerthus heette.
[[49]]
De Scandinaviërs kenden hetzelfde godenpaar Njord en zijn zus. Er zijn uit
het Middeleeuwse Friesland geen overleveringen van Nerthus. Frô (of
Inguz) en ?/Freyr en Freyja Frô betekent
‘heer’. Freyja betekent ‘vrouw’. [[50]] Tacitus deelt
in zijn Germania mee dat een stammengroep ,de Ingaevones, de nakomelingen
van de god Mannus zijn. Deze Ingaevones (Ingwaeonen) woonden langs de
Noordzeekust. Uit het woord Ingwaeonen kunnen we afleiden dat deze groep
een goddelijke voorvader had die Ingwaz* heette. In 1914 werd
in Wijnaldum een stuk van een gewei gevonden met daarop de runeninscriptie
??zinguzngz (de eerste twee runen zijn door verwering niet meer te lezen).
Volgens Sipma komt in deze runenrij drie keer de naam van de God Inguz
terug. [[51]]
[[52]] Bij de Scandinaviërs
komen we deze god weer tegen en daar heet hij Yngvi. Yngvi is dan een
bijnaam voor Freyr. Freyr is de Scandinavische benaming van de Westgermaanse
Frô. [[53]]
In het Fries heet hij Frâ. [[54]] Volgens Jan
de Vries is in de naam Franeker te verklaren als 'Frâ's-akker'. Frô was
de god van de vruchtbaarheid die, op een aan hem gewijd akker, vereerd
werd. [[55]] In het Angelsaksische
gedicht Widsith staat, dat er bij de Friezen een heerser was die Finn
Folcwalding heette. In het Oudengelse epos Beowulf lezen we ook over een
Friese koning Finn wiens vader Folcwalda heette. In de Edda wordt de term
folk-valdi goda (legeraanvoerder der goden) als kenteken voor Frey gebruikt.[[56]]
[[57]] Freyja(ON)
is de tweelingzus van Frô. Over haar bestaan is bij de Friezen niets bekend. Andere
Goden Matronae
of Matres (moedergodinnen) In het gehele
Westgermaanse gebied komen moedergodinnen voor. Ze werden meestal in drietallen
vereerd. In de buurt van Xanten is een wijsteen uit de Romeinse tijd gevonden,
met een inscriptie die naar Friezen verwijst (’MATRES FRISIAVAE PATERNAE’).
De moedergodinnen hebben drie functies, te weten: beschermers van het
huiselijk geluk, schutsvrouwen voor een nederzetting of stam en schikgodinnen.
[[58]]
[[59]] Baduhenna De Romein
Tacitus schrijft over Baduhenna. Zij was waarschijnlijk een Friese krijgsgodin.
Het eerste deel van haar naam, 'badu-', komt overeen met *badwa dat strijd
betekent. [[60]] Hludana Er zijn vijf
inscripties bekend waarop de godin Hludana voorkomt. Eén van die inscripties
is gevonden op een geloftesteen in de terp van Beetgum (dit is waarschijnlijk
een importproduct uit de buurt van Nijmegen, zie hieronder). Uit de Oudnoorse
mythologie kennen we een godin Hlodyn. Deze naam vertoont zo’n opvallende
overeenkomst met Hludana, dat men ervan uitgaat dat ergens in de 8e eeuw
de Noordgermanen deze godin van de Friezen overgenomen hebben. Hlodyn
is een aard- en vruchtbaarheidsgodin. [[61]] Er is ook
een theorie die de naam Hludana verknoopt met Holda (=vrouw Holle). [[62]]
Deze Holda of Hel of vrouw Holle kwam ook voor in Friese volksverhalen.
Volgens Waling Dykstra heet het dat in het noorden van Friesland de kleine
kinderen uit een holle boom (de boom van vrouw Holle) gehaald worden.
Deze boom staat ergens in de wouden. [[63]] J. M. Bos
gaat er echter vanuit dat de geloftesteen uit Beetgum een secundaire vondst
is. De steen is in dat geval na de Romeinse tijd in Friesland terechtgekomen.
De steen komt dan waarschijnlijk uit het Midden-rijngebied waar ook de
andere soortgelijke geloftestenen gevonden zijn. [[64]] Alaisiagae Op de twee
gelofte stenen uit Groot-Brittannië waar de naam Mars Tincsus op voorkomt,
komen we ook de godinnengroep 'Alaisiagae' tegen. In paren heten ze Bede/Fimmilene
en Baudihillie/Friagabi. Het achterhalen van de betekenis van de naam
Aliasiagae en de vier andere namen is problematisch. De ‘eerbiedwaardigen’
is tot nu toe de beste verklaring geweest. [[65]] Zonnegod
en Maangodin (weekdag: snein en moandei) De verering
van een zonnegod en een maangodin vinden we onder andere terug in de weekdagen
zondag en maandag. [[66]]
In de bronstijd
zijn in Scandinavië kring- en radvormige symbolen op gebruiksvoorwerpen
en op rotstekeningen gemaakt. Samen met de 'zonnewagen van Trundholm'
zijn dit aanwijzingen van een zonnecultus bij de Germanen. [[67]] Veel van de kring-
en radvormige symbolen komen zowel op archeologische vondsten, als ook
op hedendaagse gebruiksvoorwerpen van de Friezen terug (o.a. het 'ûleboerd',
op vensters boven deuren, op koekplanken, op aardewerk en op oud houtsnijwerk).
[[68]] Koningschap
van twee mythische broers In de Germaanse
sagen komen we redelijk vaak het verhaal tegen van een stam die, onder
aanvoering van twee (mythische) koninklijke broers, zijn geboortegrond
verlaat, om ergens anders nieuw land te veroveren. Zo zijn er bij de Lagobarden
de tweelingbroers Ibor en Aio, bij de Wandalen Ambri en Assi en bij de
Angelsaksen Hengist en Horsa. Uit de Griekse en Romeinse mythen kennen
we de goddelijke tweelingbroers (Dioskuren) als stichters van steden.
Ze worden voorgesteld als ruiters te paard. Jan de Vries stelt dat de
broers Hengist en Horsa overeenkomen met de Dioskuren, omdat hun namen
hengst en paard betekenen. Ook de geveltekens op Saksische boerderijen
(twee paardekoppen) werden in Holstein Hengist en Hors genoemd. De geveltekens
op Friese boerderijen (het ûleboerd) zijn twee zwanen. De zwaan is weer
de meest geliefde verschijningsvorm van de Dioskuren. [[69]]
Ligt er aan deze twee zwanen misschien ook een -verloren gegane- stamsage
van de Friezen en twee koninklijke broers ten grondslag? De wezens
uit de lagere mythologie In de vakliteratuur
wordt een onderscheid gemaakt tussen goden en andere niet menselijke wezens.
De goden worden gerekend tot de hogere mythologie en de andere wezens
(reuzen, dwergen, watergeesten enz.) tot de lagere mythologie. De wezens
uit de lagere mythologie komen we tegen in de Germaanse volkssagen en
–sprookjes. [[70]]
Of de wezens uit de lagere mythologie die in Friese sagen voorkomen teruggaan
tot de heidense tijd is moeilijk te zeggen. Reuzen vertegenwoordigen
de vijandige krachten van de natuur, waar de mens in zijn omgeving mee
te maken krijgt, zoals overstroming of storm. Reuzen hebben het vooral
voorzien op vruchtbaarheid. De dondergod is, al sinds Indo-europese tijd,
de vijand van de reuzen. [[71]] In de Friese
sagen lezen we over twee reuzen die hun ergernis met elkaar uitvochten.
Eén reus zat op de dom in Utrecht de ander op de Oldehove, vandaar schoten
ze met pijlen op elkaar. Deze sage vertoont overeenkomsten met de Noordse
mythe van de strijd tussen Thor en Hrungnir. [[72]] Dwergen zijn,
over het algemeen, vriendelijke en bijzonder wijze wezens, die in bergen
en rotsen wonen. Ze vrezen zonlicht en worden gezien als uitstekende smeden
en hoeders van schatten. In Friesland
heten dwergen “ierdmantsjes”. Ze leefden onder de haardkuil. De ierdmantsjes
wisten waar schatten verstopt waren. Het verhaal gaat dat ze waakten over
gouden en zilveren beelden die verstopt lagen in de kelders van een verdwenen
klooster te Hallum. [[73]] Natuurgeesten Ook water,
stenen, bomen en dieren werden vereerd. Ze kunnen ook tot de lagere mythologie
gerekend worden (mits ze geen attribuut van een godheid zijn). [[74]]
De vorm van de steen of de grootte van de boom was niet de reden voor
verering. In de boom of steen werd een goddelijke aanwezigheid gevoeld.
[[75]] [1] Noort, G., Germaanse Cultuur en Christianisatie van Noordwest-Europa, Utrecht-Leiden, 1993 [2] Noort, G., Germaanse Cultuur en Christianisatie van Noordwest-Europa, Utrecht-Leiden, 1993 [3] Vries, J. de, Altgermanische Religionsgeschichte, band II, Berlin, 1957 [4] Hasenfratz, H., Die religiöse Welt der Germanen, Ritual, Magie, Kult, Mythus, Herder, Freiburg, 1997 [5] Algra, N.E., Zeventien keuren en Vierentwintig landrechten, Doorn, 1991 [6] Vries, J. de, Altgermanische Religionsgeschichte, band II, Berlin, 1957 [7] Hasenfratz, H., Die religiöse Welt der Germanen, Ritual, Magie, Kult, Mythus, Herder, Freiburg, 1997 [8] Vries, J. de, Altgermanische Religionsgeschichte, band II, Berlin, 1957 [9] Helm, K. Altgermanische Religionsgeschichte, Die nachrömische Zeit, teil II Die Westgermanen, Heidelberg 1953 [10] Vries, J. de, Altgermanische Religionsgeschichte, band II, Berlin, 1957 [11] Vries, J. de, Altgermanische Religionsgeschichte, band II, Berlin, 1957 [12] Helm, K. Altgermanische Religionsgeschichte, Die nachrömische Zeit, teil II Die Westgermanen, Heidelberg 1953 [13] Helm, K. Altgermanische Religionsgeschichte, Die nachrömische Zeit, teil II Die Westgermanen, Heidelberg 1953 [14][Vries, J. de, Altgermanische Religionsgeschichte, band II, Berlin, 1957 [15] Haan, Tj. W.R. de, Het Noorderland, Tweede Jaargang, (blz. 133-140), Groningen, 1942-1943 [16]Hasenfratz, H., Die religiöse Welt der Germanen, Ritual, Magie, Kult, Mythus, Herder, Freiburg, 1997 [17] Vries, J. de, Altgermanische Religionsgeschichte, band II, Berlin, 1957 [18] Tacitus, Germania, Fryske oersetting mei ynlieding en oanteikeningen fen Dr. W. Kok, Boalsert, 1937 [19] Vries, J. de, Altgermanische Religionsgeschichte, band II, Berlin, 1957 [20] Farwerck, F.E., Noordeuropese mysteriën en hun sporen tot heden, Deventer, 1978 [21] Helm, K. Altgermanische Religionsgeschichte, Die nachrömische Zeit, teil II Die Westgermanen, Heidelberg 1953 [22] Helm, K. Altgermanische Religionsgeschichte, Die nachrömische Zeit, teil II Die Westgermanen, Heidelberg 1953 [23] Vries, J. de, Altgermanische Religionsgeschichte, band II, Berlin, 1957 [24] Helm, K. Altgermanische Religionsgeschichte, Die nachrömische Zeit, teil II Die Westgermanen, Heidelberg 1953 [25] Bosma, A.A. en Miedema H.T.J., Wijckel en verwante bosnamen van Esdorpen in Gaasterland en Omgeving, in Naamkunde 7e jaargang (afl. 1-2), 1975 [26] Aa, A.J. van der, Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden, Gorinchem, 13 delen, (1839-1851) [27] Vries, J. de, Altgermanische Religionsgeschichte, band II, Berlin, 1957 [28] Bosma, A.A. en Miedema H.T.J., Wijckel en verwante bosnamen van Esdorpen in Gaasterland en Omgeving, in Naamkunde 7e jaargang (afl. 1-2), 1975 [29] Schuyf, J., Heidens Nederland, Zichtbare overblijfselen van een niet-christelijk verleden, Stichting Matrijs, Utrecht, 1995 [30] Sierksma, K., Liudger Thiadgrimszoon, Leven en voortleven van een Christus-prediker (742-809), Franeker, 1995 [31] Schuyf, J., Heidens Nederland, Zichtbare overblijfselen van een niet-christelijk verleden, Stichting Matrijs, Utrecht, 1995 [32] Hasenfratz, H., Die religiöse Welt der Germanen, Ritual, Magie, Kult, Mythus, Herder, Freiburg, 1997 [33] Vries, J. de, Altgermanische Religionsgeschichte, band II, Berlin, 1957 [34] Vries, J. de, Altgermanische Religionsgeschichte, band II, Berlin, 1957 [35] Helm, K. Altgermanische Religionsgeschichte, Die nachrömische Zeit, part II, Die Westgermanen, Heidelberg 1953 [36] Krogmann, W., Die heilige Insel, Ein beitrag zur altfrisischen Religionsgeschichte, Assen, 1941 [37] Schuyf, J., Heidens Nederland, Zichtbare overblijfselen van een niet-christelijk verleden, Stichting Matrijs, Utrecht, 1995 [38] Knol, E., Magische Voorwerpen in vroeg-middeleeuwse Graven in Nederland, in Terpen en Wierden in het Fries-Groningse Kustgebied, Groningen, 1989 [39] Roes, A., Bone and Antler Objects
from the Frisian Terp-Mounds, Haarlem, 1963 [40] Hasenfratz, H., Die religiöse Welt der Germanen, Ritual, Magie, Kult, Mythus, Herder, Freiburg, 1997 [41] Vries, J. de, Altgermanische Religionsgeschichte, band II, Berlin, 1957 [42] Vries, J. de, Altgermanische Religionsgeschichte, band II, Berlin, 1957 [43] Vries, J. de, Altgermanische Religionsgeschichte, band II, Berlin, 1957 [44] Krogmann, W., Die heilige Insel, Ein beitrag zur altfrisischen Religionsgeschichte, Assen, 1941 [45] Vries, J. de, Altgermanische Religionsgeschichte, band II, Berlin, 1957 [46] Vries, J. de, Altgermanische Religionsgeschichte, band II, Berlin, 1957 [47] Hasenfratz, H., Die religiöse Welt der Germanen, Ritual, Magie, Kult, Mythus, Herder, Freiburg, 1997 [48] Hasenfratz, H., Die religiöse Welt der Germanen, Ritual, Magie, Kult, Mythus, Herder, Freiburg, 1997 [49] Hasenfratz, H., Die religiöse Welt der Germanen, Ritual, Magie, Kult, Mythus, Herder, Freiburg, 1997 [50] Hasenfratz, H., Die religiöse Welt der Germanen, Ritual, Magie, Kult, Mythus, Herder, Freiburg, 1997 [51] Sipma, P., Eat oer Fryske Runen, in Fryske Studzjes, Assen, 1960 [52] Looijenga, T., On the Origin of the
Anglo-Frisian Runic Innovations, in Frisian Runes and neighbouring
traditions, Amsterdammer beiträge zur älteren Germanistik, band 45,
Amsterdam/Atlanta, 1996 [53] Vries, J. de, Altgermanische Religionsgeschichte, band II, Berlin, 1957 [54] Vries, J. de, De Goden der Germanen, Amsterdam, 1944 [55] Vries, J. de, Altgermanische Religionsgeschichte, band II, Berlin, 1957 [56] Kuhn, H., Finn Folcwalding, in Studia Frisica, In Memoriam Prof. Dr. K. Fokkema 1898-1967 Scripta, Groningen, 1969. [57] Alexander, M., Beowulf, Penguin Classics,
1986 [58] Vries, J. de, Altgermanische Religionsgeschichte, band II, Berlin, 1957 [59] Schuyf, J., Heidens Nederland, Zichtbare overblijfselen van een niet-christelijk verleden, Stichting Matrijs, Utrecht, 1995 [60] Vries, J. de, Altgermanische Religionsgeschichte, band II, Berlin, 1957 [61] Vries, J. de, Altgermanische Religionsgeschichte, band II, Berlin, 1957 [62] Noort, G., Germaanse Cultuur en Christianisatie van Noordwest-Europa, Utrecht-Leiden, 1993 [63] Dykstra, W., Uit Friesland’s Volksleven, Van Vroeger en Later, tweede deel, 1895 [64] Bos, J. M., Beetgum en Tolsum: Heilige Huisjes in de Friese archeologie?, in It Beaken, Tydskrift fan de Fryske Akademy,1995 [65] Noort, G., Germaanse Cultuur en Christianisatie van Noordwest-Europa, Utrecht-Leiden, 1993 [66] Schuyf, J., Heidens Nederland, Zichtbare overblijfselen van een niet-christelijk verleden, Stichting Matrijs, Utrecht, 1995 [67] Derolez, R.L.M., De Godsdienst der Germanen, Roermond, 1959 [68] Sierksema, K., Germaenske Sinbylden yn Fryslân, in, Sljucht en Rjucht, 1939 [69] Vries, J. de, Altgermanische Religionsgeschichte, band II, Berlin, 1957 [70] Hasenfratz, H., Die religiöse Welt der Germanen, Ritual, Magie, Kult, Mythus, Herder, Freiburg, 1997 [71] Vries, J. de, Altgermanische Religionsgeschichte, Band I, Berlin und Leipzig,1935 [72] Molen, S. J. van der, Frysk Sêgeboek, Diel I, 1939 [73] Molen, S. J. van der, Frysk Sêgeboek, Diel I, 1939 [74] Hasenfratz, H., Die religiöse Welt der Germanen, Ritual, Magie, Kult, Mythus, Herder, Freiburg, 1997 [75] Derolez, R.L.M., De Godsdienst der Germanen, Roermond, 1959 |
|
|
|