|
Oorsprong en migraties van de Friezen
Het ontstaan van het woongebied der Friezen;
en de eerste bewoning
Hoe de kleigebieden langs de Noordzeekust ontstonden
(2000- 500 v.o.j.)
De kleigebieden die langs de Noordzeekusten van
Nederland, Duitsland en Denemarken liggen, waren vóór 700 v.o.j. onbewoonbaar.[1]
Alleen in het huidige West-Friesland woonden mensen.[2]
Rond 2000 v.o.j. ontstaat er langs de Noordzeekust,
van de Zeeuwse eilanden tot aan Denemarken, een duinenstrook. Achter deze
duinenstrook vormt zich een onbewoonbaar veengebied. Ten oosten van dit
veengebied liggen de hogere zandgronden die wel bewoond zijn (zie plaatje).[3]
[4] Grote rivieren zoals de Maas, Rijn, Oer-IJ, Eems, Weser, Elbe, Eider
doorsnijden de duinstrook, en monden uit in de Noordzee.
|
[groen] hogere zandgronden (bewoond)
[geel] duinenrij
[paars] veengronden (onbewoond)
|
 |
|
De Noordzeekust rond 2000 v.o.j.
|
Dan breekt rond 2000 v.o.j. de zee ten noordoosten
van Texel door de duinenrij heen, en ruimt het veen op. Daarbij wordt
een klei-afzetting gedeponeerd. Bij Terschelling, ten noorden van Ameland,
bij de mondingen van de Hunze en de Eems waren al doorbraken in de duinenrij
waardoor de zeeklei zich af kon zetten. Deze klei-afzettingen vormen de
basis voor de vroegste bewoning van het Fries-Groningse kleigebied zo'n
1300 jaar later.[5]
Tussen 800 en 500. v.o.j. zet zich langs de gehele
Noordzeekust, van Zeeland tot en met Zuidwest-Jutland, op de kwelders
achter de duinenrij, een vruchtbare kleidek af. Dit kleidek is met gras
begroeid, en daardoor zeer geschikt voor beweiding. Er zijn aanwijzingen
dat de bewoners van de hogere zandgronden zomers met hun vee naar de weidegronden
op de kleigebieden trekken, en daar het hele seizoen blijven.[6]
De eerste kolonisatie van kleigebieden langs
de Noordzeekust (3000 v.o.j.- 0)
West-Friesland
In West-Friesland had zich rond de monding van de Oer-IJ een kleidek gevormd,
waardoor van 3000 v.o.j. tot 800 v.o.j. bewoning mogelijk was. Na 800
v.o.j. werd door veenvorming de bewoning voor enkele eeuwen onmogelijk.[4]
Fries-Groningse kleigebieden
Pas vanaf 800 v.o.j. worden de eerste sporen van mensen op de Fries-Groningse
kleigebieden ontdekt. Dit zijn vuurstenen sikkels. Deze vuurstenen sikkels
zijn ook in zeer grote aantallen gevonden in West-Friesland (daterend
van 1200 tot 700 v.o.j.), Drenthe en Oost-Friesland. Ze werden gebruikt
voor het steken van plaggen. Deze plaggen werden o.a. voor de huizenbouw
gebruikt .[5]
Vanaf 600 v.o.j. vinden we de eerste nederzettingen op het Fries-Groningse
kleigebied (Texel, Tritsum, Hichtum, Wommels, Stapert, Hogebeintum, Ezinge
en Middelstum). Vanaf 550 v.o.j. is er sprake van een vrij massale kolonisatie.
Dan begint een terpenlandschap te ontstaan.[6]
|
[rood] Nederzettingsgebied van de eerste kolonisten van de Fries-groningse
kleigebieden
[groen] Bewoners van de hogere zandgronden
|
 |
|
|
De eerste nederzettingen op het Fries-Groningse
kleigebied
|
Oost-Friesland
700 v.o.j. vond een systematische kolonisatie van de (zoetwater)kleigebieden
van de Eems- en Weseroever plaats (Hatzum-Boomborg, Jemgum, Huntebrück-Wührden).[7]
Pas vanaf 100 v.o.j. werd door een verdergaande verlanding de zeekleigebieden
in het westen van Oost-Friesland gekoloniseerd.[8]
Noord-Friesland
500 v.o.j. zijn bij de monding van de Eider grote kleivlaktes opgeslibd.
In het zuiden van het schiereiland Eiderstedt vinden we de oudste nederzettingen
op de klei (warf Tofting). Deze dateert echter pas van het jaar nul. De
eilanden Sylt, Föhr, Amrum en het schiereiland Eiderstedt waren, als we
op de vondsten afgaan, dicht bevolkt. De bevolking woonde er op de hogere
zandgronden en gebruikten de uitgestrekte klei-kwelders, die slecht op
enkele honderden meters afstand lagen, als weidegrond. Deze kwelders waren
tussen 700 en 500 v.o.j. ontstaan in een gebied ten zuiden van Sylt tot
het schiereiland Eiderstedt. De hogere zandgronden van de eilanden waren
al veel eerder, namelijk vanaf 1500 v.o.j. bewoond.[9]
Zuidwest-Jutland
De zeekleigebieden in Zuidwest-Jutland konden (in het zuiden) rond 700
v.o.j., en in het noorden (bij Ribe) rond 500 v.o.j. als weidegebieden
gebruikt worden. Er zijn geen nederzettingen midden op de kleigebieden
aangetroffen. De kleigebieden waren slecht een paar kilometer breed, waardoor
de mensen op de hogere zandgronden konden blijven wonen.[10]
Friese Volk: haar Kern-, Herkomst- en
Brongebied
Het Friese Kerngebied
Van een lijst met geografische namen, die door de geograaf Claudius Ptolameus
rond 150 n.o.j. te Alexandrië werd samengesteld, werden in de 15e eeuw
in Europa landkaarten gemaakt.[11] Op deze kaart staan ook de namen vermeld
van de stammen die in het Noordzee kustgebied woonden. Hedendaagse onderzoekers
hebben de gegevens van deze kaart overgebracht op een moderne kaart. Hieruit
blijkt dat in Zuidwest-Jutland (vanaf Ribe), Noord-Friesland en Dithmarschen
tot aan de Elbe, Saksen woonden. Tussen Elbe en Weser woonden 'grote'
Chauken. In Oost-Friesland woonden 'kleine' Chauken. En van de Eems tot
de Rijn woonden Friezen. De beschrijving van Ptolameus komt overeen met
de culturen van het begin van de jaartelling, zoals die uit archeologische
vondsten gereconstrueerd zijn.[12]
 |
| Kaart met Germaanse stammen; naar Ptolemeus |
Uit het bovenstaande kunnen we concluderen dat
in Oost- en Noord-Friesland van oorsprong geen volken woonden die zich
in de Romeinse tijd Friezen noemden. West Friesland was door veenvorming
van 800 v.o.j. tot 400 v.o.j. onbewoonbaar geworden. Als ontstaansgebied
van de Friezen blijft over het Fries-Groningse kleigebied. Uit archeologisch
onderzoek is gebleken dat de eerste nederzettingen in het Fries-Groningse
kleigebied dateren uit een periode van 600 tot 400 v.o.j.. De nederzettingen
zijn in drie gebieden te onderscheiden: Texel, Hogebeintum en Ezinge.[13]
Het ontstaansgebied van de Friezen -de Fries/Groningse
kleigebieden- wordt door mij aangeduid als het Friese Kerngebied.
De herkomst van de eerste bewoners van het Friese
Kerngebied
Eems/Weser kolonisten (600 - 400 v.o.j.)
De eerste bewoners van de Fries-Groningse kleigebieden komen uit Noordwest
Nedersaksen, namelijk uit het gebied tussen de benedenloop van de Eems
en de Weser. Om precies te zijn een gebied van de linker Eemsoever, over
de Oostfriese geestgronden tot en met de Weser kleigebieden.(zie plaatje)[14]
(De bewoners van de Eemsoever zijn verwant aan die van Holstein. Het aardewerk
uit het Eemsgebied is namelijk beïnvloed door dat van Holstein.[15])
Drentse kolonisten (400 - 300 v.o.j.)
Een tweede groep kolonisten komt uit Drenthe en de aangrenzende zandgebieden
van Groningen en Friesland.[16]
|
[groen] woongebied van de eerste groep kolonisten
[lila] woongebied tweede groep kolonisten
|
|
| |
De herkomstgebieden van de eerste Friezen
|
Herkomst van de Eems/Weser groep
De eerste boeren van het Eems/Weser gebied waren de hunebedbouwers (Trechterbekercultuur)
die zo'n 3400 jaar v.o.j. opdoken. Deze boeren kwamen waarschijnlijk uit
een gebied dat rond de Elbe en Saale lag. Ze vormden een culturele eenheid
met de eerste boeren van de Drentse zandgronden. Deze eerste boeren troffen
in het Eems/Weser gebied een bevolking van jagers en verzamelaars aan.
Van deze jagers/verzamelaars zijn na de migratie van de boeren geen sporen
meer aangetroffen. Over de omgang tussen die twee groepen is niets bekend.[17]
Herkomst van de Drentse groep
Van 4000 - 3400 v.o.j. zijn er geen sporen van bewoning van de Drentse
zandgebieden. Er waren misschien wel enkele jagers/verzamelaars groepjes
in de beekdalen. Vanaf 3400 v.o.j. vinden we de eerste sporen van de trechterbekercultuur
beter bekend als de hunebedbouwers. Deze hunebedbouwers zijn boeren en
komen waarschijnlijk uit Denemarken en Sleeswijk-Holstein. Ondanks veranderingen
in o.a. grafrituelen (hunebed naar grafheuvel) geeft Fokkens in zijn proefschrift
aan dat er toch sprake is van een culturele continuïteit.[18] Hieruit
kunnen we concluderen dat de "Drentse" groep kolonisten van het Friese
Kerngebied van oorsprong uit Denemarken en Sleeswijk-Holstein komt. Het
brongebied van de Friezen is te herleiden als het herkomstgebied van de
kolonisten uit het Eems/Weser gebied en de kolonisten van het Drents-,
Fries-, Groningse zandgebied. Dit brongebied overlapt voor een groot deel
het gebied van de Trechterbekercultuur uit de oudste periode: Denemarken,
Sleeswijk Holstein en het Eems-Saale gebied.[19]
 |
Brongebied van de eerste Friezen
|
West-Friesland was geen herkomst gebied (800 v.o.j.)
Taayke geeft in zijn zeer verdienstelijke proefschrift aan, dat het aardewerk
uit West-Friesland en het Friese Kerngebied niet op elkaar aansluiten.
Hij sluit een vroege kolonisatie vanuit West-Friesland uit.[20]
Gebiedsuitbreiding van de Friezen
Ontstaan van de Oer-Friezen (400 - 200 v.o.j.)
Tussen 400 en 200 v.o.j. ontwikkelt zich uit de Eems/Weser- en de Drentse
groep kolonisten een groep met een eigen identiteit. Sommige archeologen
noemen dit de Proto-Friese cultuur (De archeoloog Ernst Taayke houdt echter
een slag om de arm; volgens hem lijkt het aardewerk van deze "Proto-Friezen"
wel op elkaar, maar houdt dit niet perse een sterke onderlinge band in).
Deze Oer-Friezen woonden in een gebied dat tussen Leiden en Delfzijl ligt.[21]
Uitbreiding van Rijn tot Eems (200 v.o.j. - 0)
De 'Proto-Friezen' breiden in de volgende eeuwen hun woongebied uit. In
het jaar 0 loopt het woongebied van Wijk bij Duurstede tot aan de Eems.
[22] Dit gebied komt precies overeen met de beschrijvingen die Ptolameus
geeft van het woongebied der Friezen. (Het type aardewerk dat kenmerkend
is voor deze "vroege" Friezen komt vooral in de huidige provincie Friesland
voor; meer naar het oosten neemt het aantal vondsten snel af. -Mededeling
van Ernst Taayke-)
 |
Uitbreiding van het Friese woongebied: Rijn tot Eems
in de Romeinse tijd |
De ontwikkeling van Frisia Magna
Rond 802 n.o.j. wordt, in opdracht van Karel de
Grote, de Lex Frisionum opgesteld. De Lex Frisionum is een in het Latijn
geschreven wetstekst waarin het volksrecht van de Friezen opgetekend is.
In deze wetstekst wordt het Friese rechtsgebied aangewezen als zijnde
van de Sincfal (Vlaanderen) tot aan de Weser.[23] [24] Dit gebied wordt
ook wel aangeduid als Frisia Magna (Groot Friesland).[25] Dit Frisia Magna
is veel groter dan het Friesland zoals dat op de kaart van de geograaf
Claudius Ptolameus uit de Romeinse tijd staat. De volksbeweging die plaats
vond in de zeshonderdvijftig jaar, die tussen de kaart van Ptolameus en
die van Karel de Grote zit, kan aan de hand van archeologische vondsten
gereconstrueerd worden.
Romeinse tijd
Verlies van het Groningse kleigebied aan de Chauken (0 - 250)
Door de komst van de Romeinen in de zuidelijke Nederlanden, in 12 v.o.j.,
kunnen de Friezen hun woongebied niet verder naar het zuiden van de Amstel
en de Rijn uitbreiden.[26] Ook verliezen de Friezen in de eerste eeuw
van de jaartelling de Groningse kleigebieden aan de Chauken, die oprukken
uit Oost-Friesland.[27]
Ontvolking van de Friese kleigebieden (250 - 400
)
Er vindt tussen 250 en 400 n.o.j.een nagenoeg gehele ontvolking plaats
van de Friezen in Noord Holland en het Friese kleigebied. De Friese aardewerkstijl
verdwijnt en de potten gaan sterk op die van de oosterburen (Chauken?,
Saksen?) lijken (Mededeling van Ernst Taayke). Deze ontvolking vindt niet
alleen in het Friese gebied plaats, ook in de Baltische- en Noord-West
Europese kustgebieden trekt de bevolking aan het einde van de tweede eeuw
de binnenlanden in.[27a]Over de oorzaak van deze ontvolking tasten wetenschappers
nog in het duister; voor overstromingen en zeespiegelrijzing zijn nog
geen bewijzen gevonden.[27b] Misschien moeten we denken aan misoogsten,
veepest, of betere economische perspectieven andere streken.
Waar de Friezen naar toe verhuizen is niet met zekerheid te zeggen. Het
is mogelijk dat ze in de derde eeuw eerst naar Vlaanderen geëmigreerd
zijn, en vandaar overstaken naar Kent in Engeland. Er is namelijk Fries
aardewerk (Tritzumer aardewerk) gevonden in Vlaanderen en in Kent.[27c]
Een tweede mogelijkheid is dat de Friezen zijn opgegaan in het stammenverbond
van de Franken. Zo rond 300 n.o.j. ontstaat een nieuwe stam die de naam
Franken draagt. Kerst Huisman oppert dat de Friezen van de overstroomde
kleigebieden naar Oost-Friesland getrokken zijn, en daar samen met de
Chauken de stam der Franken gevormd hebben.[28]
Ook In het Noord-Duitse terpengebied (Oost Friesland
en de Noord Friese eilanden) vindt een nagenoeg gehele ontvolking plaats,
echter pas in de 5e eeuw.[29]
Volksverhuizings periode
Herbevolking van de Friese kleigebieden (400 - 600)
Na 400 n.o.j. is er weer sprake van bewoning in het Fries-Groningse kleigebied.[30]
Gebruiksvoorwerpen van deze nieuwe groep kolonisten vertonen, na 450 n.o.j.,
een sterke overeenkomsten met gebruiksvoorwerpen van de kustgebieden van
Noord-Duitsland en Zuid-Denemarken uit die tijd.[31] Deze kustgebieden
bij de Elbe en van Sleeswijk-Holstein waren in de vijfde eeuw de woongebieden
van de Saksen, Angelen en Juten. Aangenomen wordt dat de nieuwe kolonisten
van de Fries-Groningse kleigebieden de Saksen, Angelen en Juten waren,
die zich vermengden met een zeer kleine groep achtergebleven Friezen uit
de Romeinse periode.
In een rond 802 n.o.j. opgestelde wetstekst (het
Lex Frisionum) wordt een gebied van de Sincfal (Vlaanderen) tot aan de
Weser aangewezen als zijnde bewoond door Friezen.[32] Hoe is het te verklaren
dat de Angelsaksische en Juutse kolonisten van de vijfde eeuw zich in
een negende eeuws geschrift laten aanduiden als zijnde Friezen? Kerst
Huisman geeft daarover de volgende theorie: In het Fries-Groningse kleigebied
hadden zich veel mensen gevestigd uit het Elbegebied en Sleeswijk-Holstein.
Dat deze Angelen, Saksen en Juten in de latere geschiedbronnen aangeduid
wordt als Friezen, komt doordat de Friese elite (die in 300 n.o.j. samen
met de Chauken de Frankische stam vormden) weer terug keerden naar de
Fries-Groningse kleigebieden. Door de komst van deze Friese elite gingen
de Anglosaksische en Juutse kolonisten zich Friezen noemen. Bij Germaanse
stammen uit die periode was het de gewoonte dat de naam van de politiek
leidende laag gekoppeld was aan die van de stam.[33]
Frisia Magna
Het in de vierde eeuw ontvolkte Noord Holland wordt na 500 n.o.j. weer
gekoloniseerd tot aan de Oude Rijn.[34] [35] In de volgende 150 jaar veroveren
de Friezen het kustgebied ten zuiden van de Oude Rijn tot aan het riviertje
de Sincfal in Vlaanderen.[36] Rond 650 n.o.j. veroveren de Friezen het
deltagebied van de Rijn, de Maas en de Schelde op de Franken. In dat gebied
liggen de belangrijke handelsplaatsen Dorestad en Utrecht.[37]
In Oost-Friesland en de Noordfriese eilanden hadden
de overstromingen in de 3e e 4e eeuw minder effect gehad dan in de FriesGroningse
kleigebieden, maar in de loop van de Volksverhuizingsperiode waren beide
gebieden vrijwel geheel ontvolkt.[38]
Rond 600 n.o.j vestigen zich in Oost-Friesland en in Butjadingen en in
Wursten, op de kleigebieden, kolonisten. Deze kwamen van de Groningse
kleigebieden.[39]
De expansiedrift van de Friezen door kolonisatie en verovering leidt er
toe, dat in 690 n.o.j. Koning Redbad heerst over een gebied dat reikt
van de Schelde tot aan de Weser, het bekende Frisia Magna uit de Lex Frisionum.
|
[rood] Fries gebied rond 605 n.o.j.
[paars] Friese verovering na 650 n.o.j.
|
 |
| |
Koning Redbad's Frisia Magna |
Frankische Periode
In het Lex Frisionum wordt het Friese rechtsgebied
door de Franken in drieën verdeeld. Deze driedeling wordt gemarkeerd door
rivieren. In het zuiden is het het gebied tussen het Sincfal en het Vlie,
in het midden tussen het Vlie en de Lauwers en in het Noorden tussen de
Lauwers en de Weser. Deze driedeling heeft waarschijnlijk te maken met
de drie fasen waarin de Friezen door de Franken onderworpen zijn.[40]
In 720 wordt Friesland tot aan het Vlie veroverd vervolgens wordt in 734
Friesland veroverd tot aan Lauwers, en met de overwinning op Wittekind,
in 782, volgt ook het gebied tussen Lauwers en Weser.[41] [42]
Noord-Friesland werd in twee golven opnieuw gekoloniseerd.
Als eerste worden de Noordfriese eilanden gekoloniseerd door Friezen die
komen uit het gebied tussen de Weser en het IJsselmeer. Hiertoe behoren
de eilanden Sylt, Föhr, Amrum en vermoedelijk ook Helgoland en de hoger
gelegen delen van Eiderstedt. Dit gebeurt in de 7e en 8e eeuw. [43] [44]
In de tweede kolonisatiegolf die in de 9e en 10e eeuw plaatsvindt wordt
het vasteland van Noord-Friesland en de Hallingen bewoond. [45]
Literatuurverwijzingen
1. Taayke E., Die einheimische Keramik
der nördlichen Niederlande, 600 v.Chr. Bis 300 n.Chr,1996
2. Buurman, J., Economy and Environment in bronze age West-Friesland,
Noord Holland, R.O.B., 1988
3. Waterbolk, H.T., Met Friesland kwamen de Friezen, Natuur & Techniek,
61, 5, 1993
4. Schwarz W., Die Urgeschichte in Ostfriesland, Leer, 1995
5. Waterbolk, H.T., Zomerbewoning in het Terpengebied?, in Terpen en Wierden
in het Fries-Groningse kustgebied, Groningen, 1989
6. Waterbolk, H.T., Zomerbewoning in het Terpengebied?, in Terpen en Wierden
in het Fries-Groningse kustgebied, Groningen, 1989
4. Buurman, J., Economy and Environment
in bronze age West-Friesland, Noord Holland, R.O.B., 1988; en Taayke E.,
Die einheimische Keramik der nördlichen Niederlande, 600 v.Chr. bis 300
n.Chr,1996
5. Waterbolk, H.T., Zomerbewoning in het Terpengebied?, in Terpen en Wierden
in het Fries-Groningse kustgebied, Groningen, 1989
6. Waterbolk, H.T., Met Friesland kwamen de Friezen, Natuur & Techniek,
61, 5, 1993
7. Schwarz W., Die Urgeschichte in Ostfriesland, Leer, 1995; en Taayke
E., Die einheimische Keramik der nördlichen Niederlande, 600 v.Chr. bis
300 n.Chr,1996
8. Janssen, T., Entwicklungsstufen des ostfriesischen Küstenraumes, in
Friesisches Jahrbuch, 1973
9. Bantelmann, A., Die entwicklung des nordfriesischen Küstenraumes unter
besonderer Berücksichtigung des Wattenmeeres, in Friesisches Jahrbuch,
1973
10. Feveile, C., Van Denen tot Denemarken van 400 tot 1000 n. Chr., in
Friezen, Saksen & Denen, Franeker, 1996; en Waterbolk, H.T., Zomerbewoning
in het Terpengebied?, in Terpen en Wierden in het Fries-Groningse kustgebied,
Groningen, 1989.
11. Lang, a., Kleine Kartengeschichte Frieslands zwischen Ems und Jade,
(Hier büst Du to Huus, Heft 6), Norden 1962.
12. Taayke E., Die einheimische Keramik der nördlichen Niederlande, 600
v.Chr. bis 300 n.Chr,1996
13. Taayke E., Die einheimische Keramik der nördlichen Niederlande, 600
v.Chr. bis 300 n.Chr,1996
14. Taayke E., Die einheimische Keramik der nördlichen Niederlande, 600
v.Chr. bis 300 n.Chr,1996
15. Taayke E., Die einheimische Keramik der nördlichen Niederlande, 600
v.Chr. bis 300 n.Chr,1996
16. Taayke E., Die einheimische Keramik der nördlichen Niederlande, 600
v.Chr. bis 300 n.Chr,1996; en Waterbolk, H.T., Zomerbewoning in het Terpengebied?,
in Terpen en Wierden in het Fries-Groningse kustgebied, Groningen, 1989
17. Schwarz W., Die Urgeschichte in Ostfriesland, Leer, 1995; en Taayke
E., Die einheimische Keramik der nördlichen Niederlande, 600 v.Chr. bis
300 n.Chr,1996
18. Fokkens, H., Verdrinkend landschap, Archeologisch onderzoek van het
Fries-Drents Plateau 4400 BC tot 500 AD, Proefschrift, 1991.
19. Fokkens, H., Verdrinkend landschap, Archeologisch onderzoek van het
Fries-Drents Plateau 4400 BC tot 500 AD, Proefschrift, 1991; en Schwarz
W., Die Urgeschichte in Ostfriesland, Leer, 1995
20. Taayke E., Die einheimische Keramik der nördlichen Niederlande, 600
v.Chr. bis 300 n.Chr,1996
21. Taayke E., Die einheimische Keramik der nördlichen Niederlande, 600
v.Chr. bis 300 n.Chr,1996; en Huisman, K., Alde en nije Friezen: in yntrigearjend
mystearje, in Leeuwarder Courant, 16 augustus 1996
22. Taayke E., Die einheimische Keramik der nördlichen Niederlande, 600
v.Chr. bis 300 n.Chr,1996
23. Bremmer Jr., R.H., Het ontstaan van het Fries en het Hollands, in;
Breuker, Ph.H., e.a., Negen eeuwen Friesland-Holland, Geschiedenis van
een haat-liefde verhouding, Walburg pers, Zutphen, 1997
24. Döring J., e.a., Friezen, Saksen en Denen, Culturen aan de Noordzee,
400 tot 1000 n. Chr., Uitgeverij Van Wijnen, Franeker, 1996
25. Bremmer Jr., R.H., Het ontstaan van het Fries en het Hollands, in;
Breuker, Ph.H., e.a., Negen eeuwen Friesland-Holland, Geschiedenis van
een haat-liefde verhouding, Walburg pers, Zutphen, 1997
26. Taayke E., Die einheimische Keramik der nördlichen Niederlande, 600
v.Chr. bis 300 n.Chr,1996
27. Taayke E., Die einheimische Keramik der nördlichen Niederlande, 600
v.Chr. bis 300 n.Chr,1996
27a. Looijenga T., Runes around the North Sea and on the Continent A.D.
150-700, SSG Uitgeverij Groningen, 1997
27b. Gerrets, D.A.,Conclusions, in The Excavations at Wijnaldum, Volume
1, Rotterdam/Brookfield, 1999
27c. Looijenga T., Runes around the North Sea and on the Continent A.D.
150-700, SSG Uitgeverij Groningen, 1997
28. Huisman K., Alde en nije Friezen: in yntrigearjend mystearje, in de
Leeuwarder Courant, 16 augustus 1996
29. Döring J., e.a., Friezen, Saksen en Denen, Culturen aan de Noordzee,
400 tot 1000 n. Chr., Uitgeverij Van Wijnen, Franeker, 1996.
30. Heidinga H.A., Frisia in the First Millennium, Matrijs, 1997
31. Heidinga H.A., Frisia in the First Millennium, Matrijs, 1997
32. Döring J., e.a., Friezen, Saksen en Denen, Culturen aan de Noordzee,
400 tot 1000 n. Chr., Uitgeverij Van Wijnen, Franeker, 1996
33. Huisman K., Alde en nije Friezen: in yntrigearjend mystearje, in de
Leeuwarder Courant, 16 augustus 1996
34. Heidinga H.A., Frisia in the First Millennium, Matrijs, 1997
35. Bremmer Jr., R.H., Het ontstaan van het Fries en het Hollands, in;
Breuker, Ph.H., e.a., Negen eeuwen Friesland-Holland, Geschiedenis van
een haat-liefde verhouding, Walburg pers, Zutphen, 1997
36. Bremmer Jr., R.H., Het ontstaan van het Fries en het Hollands, in;
Breuker, Ph.H., e.a., Negen eeuwen Friesland-Holland, Geschiedenis van
een haat-liefde verhouding, Walburg pers, Zutphen, 1997
37. Heidinga H.A., Frisia in the First Millennium, Matrijs, 1997
38. Döring J., e.a., Friezen, Saksen en Denen, Culturen aan de Noordzee,
400 tot 1000 n. Chr., Uitgeverij Van Wijnen, Franeker, 1996
39. Schmid, P. Zur fries. Besiedlungen in NW-Niedersachsen, in, Beck,
H. e.a. Reallexikon der Germanischen Altertumskunde, Band 10 lieferung1/2,
Walter de Gruyter, berlin, 1996
40. Bremmer Jr., R.H., Het ontstaan van het Fries en het Hollands, in;
Breuker, Ph.H., e.a., Negen eeuwen Friesland-Holland, Geschiedenis van
een haat-liefde verhouding, Walburg pers, Zutphen, 1997
41. Heidinga H.A., Frisia in the First Millennium, Matrijs, 1997
42. Döring J., e.a., Friezen, Saksen en Denen, Culturen aan de Noordzee,
400 tot 1000 n. Chr., Uitgeverij Van Wijnen, Franeker, 1996
43. Sjölin, B., Besiedlungs-Gesch. N-Frieslands, in, Beck, H. e.a. Reallexikon
der Germanischen Altertumskunde, Band 10 lieferung1/2, Walter de Gruyter,
berlin, 1996
44. Bantelmann, A., e.a., Geschichte Nordfrieslands, Verlag Boyens & Co.,1995
45. Sjölin, B., Besiedlungs-Gesch. N-Frieslands, in, Beck, H. e.a. Reallexikonder
Germanischen Altertumskunde, Band 10 lieferung1
|
                                                                 |