INLEIDING
Op deze webpagina komen de volgende onderdelen over de grasparkiet aan de orde.
· Geschiedenis van de grasparkiet
· Herkomst en leefmilieu van de wilde grasparkiet
· Het broedproces van de (engelse) grasparkiet in gevangenschap
· Problemen die zich tijdens het broedproces kunnen voordoen.
Tevens wordt nog ingegaan op de broedconditie en de kweek in broedkooien. Veel leesplezier!
De geschiedenis van de grasparkiet
Alvorens de grasparkiet in Europa bekend wordt, is hij al lang bekend onder de Australische autochtone bevolking, de aboriginals. Zij noemden hem in hun eigen taal "bedgerigah", wat zoveel als "goed voedsel" betekent. Het is dit woord waarvan de engelse benaming budgerigar is afgeleid.
De eerste geschreven woorden over de grasparkiet in Europa komen we tegen in het reisverslag van kapitein James Cook als deze in 1770 Australië ontdekt. In zijn reisverslag van toen maakt hij namelijk melding van grote zwermen kleine papagaaitjes. Naar men aanneemt bedoelde Cook hier de grasparkiet.
In 1794 is het George Shaw die de grasparkiet wetenschappelijk beschrijft in zijn "Zoology of New Zealand" en hem de grieks - latijnse naam Melopsittacus Undulatus geeft. Het woord Melopsittacus valt, wanneer we het in het nederlands vertalen, uiteen in de griekse woorden Melos en Psittacus. Melos betekent in het grieks zang en psittacus papagaai. Het latijnse woord Undulatus laat zich in het nederlands vertalen in: golvende tekening dragend.
Iets later in 1805 wordt de grasparkiet ook wetenschappelijk beschreven en afgebeeldt in "Naturalist's Miscellany" (deel XVI). In dit werk wordt hij echter onder de naam Undulated Grass Parrakeet beschreven.
Men neemt aan dat het nederlandse woord grasparkiet hiervan is afgeleid.
In 1831 wordt de grasparkiet in het "London Linnean Society Museum" voor het eerst in opgezette vorm tentoongesteld.
Het is daarna de beroemde vogelkenner John Gould die rond 1837 de levensgewoonten van de grasparkiet beschrijft en hem afbeeldt in z'n werk "The Birds of Australia".
In het jaar 1840 is het dezelfde John Gould die de eerste levende grasparkieten vanuit Australië meeneemt naar Engeland. Deze grasparkieten, die door een familielid van Gould in Australië waren gekweekt, bracht hij toen mee voor z'n zwager Charles Coxon in Engeland.
Weer iets later, rond 1850, zijn de vogels ook te zien in de dierentuin van het Belgische Antwerpen. Niet zo verwonderlijk als men weet dat de dierentuin van Antwerpen in die tijd het centrum van de vogelhandel van geheel Europa was. Het is dan ook met name dit dierentuin waar de oorsprong ligt van de verbreiding van de vogelliefhebberij.
Vooral de centrale rol die de dierentuin van Antwerpen vervulde in de vogelhandel heeft er voor gezorgd, dat de landen rond België, een belangrijke rol hebben gespeeld (en nog spelen) met betrekking tot de grasparkietenkweek.
Aangenomen wordt dat de grasparkiet ook in Nederland rond deze tijd is ingevoerd. Hier bestaan echter geen exacte gegevens over.
Eenmaal bekend onder de vogelliefhebbers nam de grasparkietenkweek in die tijd een enorme vlucht.
De vogelvangers in Australië konden dan ook nauwelijks voldoen aan de enorme vraag. Zo werden alleen al in Frankrijk, tussen
1860 en 1870, jaarlijks honderdduizenden grasparkieten ingevoerd. Ook Nederland bleef niet achter en ook in ons land
werden in deze tijd honderdduizenden grasparkieten ingevoerd.
In die tijd was er zo'n enorme vraag naar grasparkieten dat het heel gewoon was dat vogelhandelaren 10.000 - 15.000 koppels per maand verkochten. Door de massale import daalde de prijs van de grasparkiet spectaculair. Dit was echter gunstig omdat de grasparkiet nu ook betaalbaar werd voor "de gewone man". Iets wat daarvoor absoluut niet mogelijk was geweest. Voor de eerste ingevoerde grasparkieten moesten "de liefhebbers" maar liefst F. 300,- betalen. Als je bedenkt, dat een gewone arbeider in die tijd, een jaarinkomen had van ca. F. 110,- dan wordt duidelijk dat alleen "de rijken" zich het kopen van grasparkieten konden veroorloven.
Al gauw bleek dat de grasparkiet, als deze eenmaal geacclimatiseerd was, gemakkelijk te houden en te kweken was.
Doordat de vraag naar de grasparkiet hoog bleef werd het aantrekkelijk om in het groot met de vogel te gaan kweken en zo rond 1880 ontstonden er dan ook grote kwekerijen. De grootste kwekerijen ontstonden in Frankrijk. Vooral in Toulouse en omgeving, waar het klimaat bijzonder geschikt bleek voor de grasparkietenkweek, werden enorme grote kwekerijen opgezet. Noemenswaardig in dit verband zijn de Etablissements Bastide, opgericht in 1880 en de Etablissements Ornithologiques Blanchard opgericht in 1886. In deze kwekerijen werd gekweekt met 80.000 tot 100.000 grasparkieten.
Door dit alles werd de wilde grasparkiet in snelle vaart tot huisdier gemaakt (=gedomesticeerd) en naar we nu weten, was het dan ook niet meer dan "natuurlijk" dat er zich al spoedig plotselinge veranderingen (=mutaties) voordeden in bijvoorbeeld de kleur van de grasparkiet.
In dit kader doet zich in Europa, in 1872, de eerste mutatie voor in België. In België was het de heer L. van der Snickt die de eer te beurt viel als eerste de gele ofwel overgoten grasparkiet te kweken. Helaas gingen deze vogels net als de ouders verloren. In 1877 was het dezelfde kweker, die plotseling 14 overgoten kweekte.
Een paar jaar later, zo rond 1880, was het de heer Kessels, in het Belgische Ukkel, die als eerste, gele grasparkieten met een lichte tekening en zwarte ogen kweekte.
Ook de lutino moet omstreeks deze tijd voor het eerst in België gekweekt zijn maar ging, door gebrek aan "erfelijke kennis" van de kweker(s), snel weer verloren.
In 1884 duikt bij de heer Abrahams, in Engeland, de mutatie lutino opnieuw op. De heer Abrahams had deze in het wild gevangen gele vogels geimporteerd uit Australië. Het betrof hier zowel mannelijke als vrouwelijke grasparkieten.
Zoals tegenwoordig nog het geval is, wanneer zich een nieuwe mutatie voordoet, werden deze eerste lutino - mutanten tegen zeer hoge prijzen verkocht.
Het is daarom ook niet verwonderlijk dat het een gefortuneerd persoon is geweest, die als eerste met lutino's kweekte. Het betreft hier de Oostenrijkse Barones Von Sweering die, als eerste, mannen en poppen van deze mutatie kweekte.
De eerste blauwe parkieten werden ook alweer in het Belgische Ukkel gekweekt.
Waarschijnlijk werden ze gekweekt bij de heer Limboch maar zekerheid hieromtrent ontbreekt.
Wel is zeker dat in 1910 in Engeland de eerste blauwe grasparkieten werden tentoongesteld in de Royal Horticultural Hall in Westminster.
Vermoed wordt dat dit blauwe grasparkieten waren van Nederlandse afkomst.
Tussen 1925 en 1928 ontstond er in Japan plotseling grote belangstelling voor grasparkieten. Dit werd vooral veroorzaakt door de interesse die het vorstenhuis van Japan in de grasparkiet toonde. Onder de japanse adel bleef dit niet onopgemerkt en al gauw werd het een gewoonte de vogels als geschenk aan te bieden ten bewijze van liefde en genegenheid. Dit had een gigantische prijsstijging tot gevolg. Voor blauwe grasparkieten betaalde de japanse adel gemiddeld F. 1000,- tot F. 3000,-.
De belangstelling was echter van korte duur en al snel daalde de prijs weer naar normale proporties.
Al voordat de gele en blauwe parkieten waren verschenen was men er bij de kweek met de groene grasparkiet achtergekomen dat er duidelijke verschillen waren waar te nemen in kleurdiepte. Het is Frankrijk geweest waar de drie kleurslagen van groen naar voren zijn gekomen. Deze kleurslagen kennen we nu als licht-, donker- en olijfgroen. Zoals we nu weten wordt de diepte van de kleur bepaald door het wel of niet aanwezig zijn van één of twee donkerfaktoren.
Uit kruisingen tussen de hemelsblauwe en de donkergroene kwamen de kobalt vogels voort.
In de periode tussen de eerste en tweede wereldoorlog zien we een snelle ontwikkeling van nieuwe mutaties. Dit werd vooral veroorzaakt door het gecontroleerd toepassen van de kweek in broedkooien.
De cinnamon mutatie wordt in 1931 gekweekt. Rond dezelfde tijd ontstaat de fallow mutatie, eerst in Californië en een jaar later in Duitsland. Het bleken twee verschillende mutaties te zijn. Het verschil tussen beide mutaties zat hem in het wel of niet bezitten van een witte ring om de oog pupil.
In 1934 ontstaan in Denemarken de eerste recessief verervende
bonten.
In 1935 worden in Sidney de eerste Australisch dominant bonten gekweekt. Het zou tot 1962 duren alvorens deze mutatie in Nederland werd ingevoerd.
In 1935 wordt ook de theorie weerlegt dat de grasparkiet de kleuren wit en geel niet tegelijkertijd kan dragen.
In dit jaar wordt namelijk de eerste geelmasker gekweekt.
Een jaar later verschijnt de mutatie violet op het toneel.
Een mutatie die alleen bij de kobalt grasparkiet goed tot uiting komt ondanks het feit dat de violet faktor dominant vererft. Het voert te ver om van alle mutaties, die zich tot op heden hebben voorgedaan, het jaartal en de kweker te vermelden.
Wel wil ik in dit kader nog één van de laatste mutaties noemen. Namelijk de gezoomde (spangle) mutatie welke in 1972 in Victoria (Australië) werd ontdekt. De mutanten werden geëxporteerd door een kweker die in het begin van de jaren tachtig in Zwitserland ging wonen. Toen hij later terug naar Australië verhuisde verkocht hij al z'n gezoomden aan een Duitse parkietenliefhebber. Toen ze in Duitsland door een bekende Engelse kweker "ontdekt" werden, nam deze enkele exemplaren mee naar Engeland. Inmiddels zijn ze zeer populair. Gebleken is dat ze zeer vruchtbaar zijn, een eigenschap die, zo laat het zich aanzien, bij kruisingen eveneens wordt overgedragen.
Door domesticatie (=het tot huisdier maken) hebben zich niet alleen kleurveranderingen voorgedaan maar ook veranderingen m.b.t. bijvoorbeeld grootte en vederstruktuur. Net als bij de kleurmutaties doen dit soort veranderingen zich eerst voor bij enkele vogels. Door selectieve kweek hebben kwekers dit soort veranderingen steeds sterker ontwikkeld cq. verbeterd.
Zo heeft men zich in Nederland en België tussen 1927 en 1958 vooral bezig gehouden met het verbeteren van de kleuren en de faktoren die hierbij van invloed zijn. In Engeland daarentegen heeft men zich vooral toegelegd op verbetering van harmonische vormen en de grootte van de grasparkiet.
De hoofdreden van het verschil in kweekopvatting tussen de genoemde landen was gelegen in het feit dat in Nederland de kanariekwekers en de tropenkwekers de grasparkieten hielden. In deze tijd waren er in Nederland vrijwel geen kwekers die alleen maar grasparkieten hielden. Omdat de nederlandse kanarie- en tropenkwekers vooral gespecialiseerd waren in de kleurenkweek kwam ook bij de grasparkieten de nadruk hier op te liggen. Dit zou zo blijven tot aan 1958.
Na 1958 zien we in grote getale de speciaal kwekers van grasparkieten ontstaan.
Ook in Engeland waren het in hoofdzaak de kanariekwekers die zich met de grasparkiet bezig hielden. De engelse kwekers waren echter het meest gespecialiseerd in de postuurkweek van de kanaries. Dit had tot gevolg dat de engelse kwekers ook bij de grasparkiet de nadruk op het postuur gingen leggen. Het is dan ook deze periode, van zo'n vijfendertig jaar geleden, waar het begin ligt van de grote forse grasparkiet die we vandaag-de-dag kennen op onze shows.
U zult zich afvragen of er voor 1958 dan helemaal geen "engelse grasparkieten" uit Engeland werden geimporteerd?
Dit is zeker wel het geval geweest. Reeds in 1954 adverteerde de heer Jonkheer de Villeneuve uit Den Haag met Violette grasparkieten. Deze grasparkieten waren nakweek van Engelse import vogels van de toen zeer bekende kweker Watmough.
Er bleek echter in die dagen geen belangstelling voor deze vogels. Deze belangstelling was er wel voor de grasparkieten met speciale kleuren zoals bijvoorbeeld de witvleugels.
In die tijd was de heer Houtenbos uit Alkmaar op het gebied van de kleurenkweek van grasparkieten een specialist.
In 1958 importeerde de heer P. Korver uit Alkmaar per toeval via zijn schoonzoon, die kapitein was, een aantal grijze en grijsgroene grasparkieten vanuit Engeland.Deze vogels werden overgenomen door de heren P. Verbeem en T. Dijkman. Beide heren werkten op dezelfde school, de eerste als leraar en de tweede als conciërge. Met de nakweek van de betreffende vogels wisten ze vele shows in binnen- en buitenland te winnen. Door vele 'oude' kwekers worden deze beide heren wel als de grondleggers van de grasparkietensport in Nederland beschouwd. De start van de grasparkiet als postuurvogel in Nederland was dan ook begonnen. Ook anderen gingen zo rond 1960 vogels importeren uit Engeland. Eén daarvan was de heer W. Vunderink die samen met T. Dijkman in die tijd ook naam maakte met goede engelse grasparkieten. Zoals gezegd was het in 1958 dat in Nederland de belangstelling ontstond voor de formaatvogels onder de grasparkieten. Deze belangstelling werd voor een belangrijk deel mede veroorzaakt doordat de formaat vogels ook door de keurmeesters werden gewaardeerd. Vooral de duidelijke voorkeur voor de postuur grasparkiet van de speciaalkeurmeesters, na aanname van de standaard van uitmuntendheid, is de oorzaak geweest van de ommezwaai van kleur naar postuur grasparkieten in Nederland.
Door dit alles laat het oorspronkelijke "grasparkietje" uit Australië zich dan ook al lang niet meer vergelijken met de schitterende showvogels van nu.
Herkomst en leefmilieu van de grasparkiet
De wilde grasparkiet leeft en broed voornamelijk in het zuid-oostelijk deel van Australië. Een blik op de kaart van Australië leert ons dat hier de staten Queensland, Nieuw Zuid Wales en Victoria liggen. Grasparkieten leven in open gebieden met verspreide boomgroei. In langdurige droogteperioden zwerven ze rond in grote groepen over uitgestrekte gebieden op zoek naar voedsel en water. Ze worden soms bij tienduizenden tegelijk, bij afgezonderde waterpoelen aangetroffen.
Proeven met gevangen grasparkieten hebben uitgewezen dat ze wel twintig dagen zonder water kunnen. Deze hardheid zal er zeker toe hebben bijgedragen dat ze zich hebben kunnen ontwikkelen tot één van de populairste en meest gehouden huisdieren.
In het wild voeden grasparkieten zich hoofdzakelijk met gras- en onkruidzaden, de groeipunten van planten en insekten. Ze eten de zaden niet alleen uit de aren maar pikken ze ook van de grond. Evenals veel andere sociaal levende vogels broeden grasparkieten in kolonies. Ze broeden zowel in het noorden als in het zuiden van Australië. Het broedseizoen in het noorden valt tussen juni en september en het broedseizoen in het zuiden tussen augustus en januari. In het broedseizoen strijken ze neer in beboste streken en zoeken hun broedplaatsen in holen van dode en levende eucalyptusbomen. Wanneer er geen bruikbare nestholten aanwezig zijn maken de popjes deze zelf in het zachte hout van de eucalyptusboom. Dode eucalyptusbomen spelen in het leven van de grasparkiet trouwens een zeer belangrijke rol. Niet alleen geven de dode bomen broedgelegenheid aan de grasparkiet maar ook iets wat levend hout mist, namelijk korstmos. Korstmos is een soort grijs-groene zwam waaruit de wilde grasparkiet allerlei elementen haalt waardoor hij in z'n natuurlijk milieu in top-conditie blijft. Enkele van de elementen die het korstmos bevat zijn iodine en mangaan. Juist dit soort observaties die door onderzoekers zijn opgetekent, over de in het wild levende grasparkiet, kunnen bijdragen tot een juiste verzorging door de liefhebber/kweker. Zelf heb ik diverse keren kunnen waarnemen hoe mijn vogels allerlei elementen opnamen uit dode boomstronken die ik aan hen verstrekte. Vooral met de bast van bomen doe je grasparkieten ontzettend veel plezier. Doordat steeds meer mensen (weer) overgaan tot het stoken van hout (allesbrander) is hier vrij gemakkelijk aan te komen. Ook scharrelen de wilde grasparkieten veel en graag over de bodem en "wroeten" dan naar allerlei, voor hun, onmisbare elementen (mineralen) in de grond. Dit gedrag kunnen we ook waarnemen bij de gecultiveerde grasparkieten in onze voliére. Op gezette tijden zie ik grote groepen van m'n grasparkieten "spitten" in de grond naar de voor hun zo noodzakelijke mineralen.
Zoals reeds eerder vermeldt broeden grasparkieten voornamelijk in holten van de eucalyptusbomen. Eén van de broedplaatsen van de grasparkiet is het eucalyptenbos, de Malleeshrub in de staat Victoria. Het is een vrij onherbergzame omgeving waar in de maanden september en oktober nog overvloedig regen kan vallen.
Onder invloed van de warme temperaturen in dit gebied worden dan vele vierkante kilometers woestijnzand omgetoverd in rijk bloeiende landschappen van kangaroegras (ook wel Mitchell gras genoemd). Dit kangaroegras kan wel een lengte bereiken van ruim een meter.
Het zijn onder andere de rijpende zaden van dit gras die het broedinstinct bij de vogels wakker maakt en hun in de best mogelijke (broed)conditie brengt.
Natuurlijk voedsel is (natuurlijk) het allerbeste voor de grasparkiet daarom trek ik er regelmatig met een heggeschaar op uit om voor mijn grasparkieten allerlei gras- en onkruidsoorten te knippen. Met behulp van touw maak ik hier dan grote bundels van en hang ze in mijn voliere.
Eénmaal opgehangen is het één en al parkiet wat op en aan deze bundels vol lekkers hangt. Dat ze er veel van opnemen is te zien en te merken aan de zaadbak die voller blijft dan gewoonlijk. Trouwens dat gras goed voor onze grasparkiet moet zijn, moge blijken uit z'n naam, want zit daar niet het woord gras in?
Onder de ideale omstandigheden van rijpende kangaroegras worden alle beschikbare holten en uitsparingen in dode en levende eucalyptesbomen door de vogels bezet en als broedkamer gebruikt. De diepte van de holen kan sterk variëren, namelijk van 15 tot 40 cm. De openingen naar het nest hebben een doorsnee van ca. 5 cm. Nadat ze een geschikt nest hebben gevonden laat gezinsuitbreiding niet lang op zich wachten. Veelal worden 4-8 witte eitjes gelegd, waarvan de eerste na ca.18 dagen uitkomt. De eitjes zijn wit van kleur en ovaal of rond van vorm. Na enkele weken krioelt het in zo'n omgeving dan ook van jonge grasparkieten.
Als de jongen éénmaal goed kunnen vliegen, vliegen ze s'ochtends, samen met de mannetjes, in grote zwermen uit op zoek naar voedsel. Veelal zijn ze hier de hele morgen mee zoet en keren pas in de middag terug naar de plaats van bestemming. s'Middags vertoeven ze dan vaak in de bomen waar ze zoveel mogelijk de schaduw opzoeken.
Dit gedrag is trouwens ook waar te nemen bij onze grasparkieten in de voliére. Mijn grasparkieten zie ik namelijk vrijwel nooit in de zon zitten. Juist bij een heldere zonnige dag, wanneer je als vogelliefhebber denkt dat de vogels wel in de buitenvoliére zullen zitten, blijken ze vaak het binnenhok te hebben opgezocht.
Nee, echte zonaanbidders zijn grasparkieten niet.
Wanneer het gras uitgebloeid is en geen zaad meer draagt, trekken de grasparkieten in grote zwermen noordwaarts. Even als de trekvogels in ons land, sluiten zwermen grasparkieten zich vaak bij elkaar aan.
Deze trek naar het noorden begint meestal zo rond januari.
Hun zwervend bestaan, over open gebieden met verspreide boomgroei op zoek naar voedsel en water, begint dan weer van voren of aan. Toch is gebleken dat ze niet ieder jaar op dezelfde plaats terugkomen.
Hun instinct zal ze namelijk daar heen brengen waar hun voedsel, het gras, rijkelijk bloeit en groeit en dat hoeft niet ieder jaar op dezelfde plaats te zijn.
Voor wat betreft het broeden dient nog opgemerkt te worden dat de grasparkiet zich weinig aan zal trekken van de tijd en de plaats. Onder gunstige weersomstandigheden (na een goede regenperiode) kunnen ze snel weer tot broeden overgaan.
HET BROEDPROCES VAN DE (ENGELSE) GRASPARKIET IN GEVANGENSCHAP
Broedconditie
Het is mogelijk om de broedconditie van de grasparkiet te beinvloeden. Dit kan ondermeer door middel van extra gekiemd zaad (en of opfokvoer) en een verlenging van de dag door verlichting in de winter.
De kunstmatige verlenging van de dag dient gebracht te worden op ca. 14 uur. Dit verlengen van de dag dient zeer geleidelijk te gebeuren.
Wil men bijvoorbeeld in december met de broed beginnen dan zal men in oktober reeds moeten beginnen met een verlenging van de dag. Wekelijks dient dan de tijd via de tijdklok met ongeveer een half uur te worden verlengd.
Begin november verstrek ik aan de vogels zoveel mogelijk verse wilge- en of fruitboom takken.
Hoe kunnen we zien dat de vogels in broedconditie zijn?
Mannetjes in broedconditie hebben blinkende neusdoppen, heldere ogen en vertonen tegenover elkaar een imponerend gedrag. Opvallend aan de ogen is ook het nauwer en wijder worden van de pupillen, veelal een teken van opgewondenheid.
De poppen hebben veelal diepbruine neusdoppen (hoeft niet!!) worden knaaglustig (vandaar het verstrekken van o.a. wilgentakken) en zijn levendiger dan anders.
De kweek in broedkooien
Indien de vogels in de juiste broedconditie verkeren kunnen we ze bij elkaar plaatsen in broedkooien. Uit eigen ervaring weet ik hoe moeilijk het is om echt te wachten tot de vogels in een goede broedcondite zijn.
Door ondervinding heb ik echter ook geleerd dat wanneer de vogels nog niet in goede broedconditie zijn de kweekresultaten erg zullen tegenvallen. De tijd die je denkt te winnen door de vogels (te) vroeg bij elkaar te zetten zul je dan ook ruimschoots weer verliezen.
Een ander gegeven is dat dit vrijwel altijd gepaard gaat met een veel kleiner aantal groot gebrachte jonge vogels.
Eénmaal bij elkaar gezet verstrekken we als onderlaag voor het nest een handvol niet te fijn zaagmeel of spaanders. Echt nodig is dit echter niet. Ik heb veel poppen meegemaakt die alle houtspaanders uit het nest verwijderden. Wel is het raadzaam of liever gezegd een must om in de bodem van het nestkastje een holte te maken van ca.
1 cm. diepte. Hierdoor wordt voorkomen dat de eitjes wegrollen. Indien beide vogels elkaar accepteren zullen ze spoedig overgaan tot de paring. Soms komt het voor dat de vogels elkaar in het begin niet accepteren. Meestal kijk ik zoiets een tweetal weken aan. Accepteren de vogels elkaar dan nog niet dan is het beter één van beide vogels weg te halen. Zelf heb ik in alle jaren dat ik grasparkieten kweek, dit slechts éénmaal hoeven doen.
Meestal accepteren beide vogels elkaar binnen een paar weken.
Vanaf de eerste paring tot het leggen van de eerste eieren kan men gewoonlijk 8 - 14 dagen rekenen. Voor poppen die eerder gebroed hebben geldt ca. 8 dagen en voor poppen die voor het eerst broeden ca. 14 dagen. Soms kan het echter voor komen dat het bij een jonge pop nog langer duurt.
Zijn er binnen 4 - 5 weken nog steeds geen eieren gelegd, ondanks dat beide vogels in elkaar geïnteresseerd zijn en het popje dagelijks uren in het nestkastje doorbrengt, dan kan het popje, door wat voor oorzaak dan ook, waarschijnlijk geen eieren leggen.
Reeds één tot twee dagen voor het leggen van het eerste ei produceert het popje grotere uitwerpselen. Een teken voor de op handen zijnde eiproductie. Dit blijft zo gedurende de gehele broedtijd. Popjes met een dikker geworden, gedeeltelijk onbevederde cloaca-omgeving en een voortdurend op en neer bewegende staart staan even voor het leggen van een eitje.
Het leggen van de eitjes gebeurt om de dag. Indien de eitjes bevrucht zijn kunnen we het eerste jong na 18 - 20 dagen verwachten.
PROBLEMEN TIJDENS HET BROEDPROCES
Onbevruchte eieren
Onbevruchte eieren is iets waar iedere kweker mee zal worden geconfronteerd.
In tegenstelling tot bevruchte eieren die na ca. 4-6 dagen bij het schouwen in het tegenlicht van een lamp een rode kleur laten zien (doorschijnend bloed) en later tot op een kleine luchtbel na helemaal donker worden, blijven onbevruchte eieren helder. De oorzaak van onbevruchte eieren kan velerlei zijn.
Hieronder zal ik trachten een aantal oorzaken aan te geven.
Voorzover mogelijk zal ik ook aangeven wat er eventueel aan te doen is.
De vogels zijn niet in elkaar geïnteresseerd. Zoals reeds eerder opgemerkt in het eerste deel kijk ik zoiets ongeveer 2 weken aan, is er dan nog geen teken van interesse dan plaats ik de vogels uit elkaar.
Bij bovenstaande wil ik nog wel opmerken dat het natuurlijk voor zich spreekt dat vogels die erg agressief tegen elkaar zijn direct uit elkaar gehaald dienen te worden. Hier moeten we niet zolang wachten tot er gewonden of mogelijk zelfs doden vallen.
Te gladde, te dunne of te beweeglijke zitstokken in de kooi geplaatst. Gevolg hiervan is dat de man de pop niet goed kan treden waardoor dus geen bevruchting kan plaatsvinden. Uit eigen ervaring heb ik meegemaakt dat een bevriend collega kweker bij de eerste broedronde geconfronteerd werd met bijna uitsluitend onbevruchte eitjes. Iets wat hij nog nooit bij zijn vogels in zo'n omvang had meegemaakt. Wat bleek? Hij had nieuwe kweekkooien gebouwd en deze voorzien van zitstokken met een diameter kleiner dan 1 cm. Toen hij de diameter van de zitstokken had vergroot door aan weerszijden van de zitstokken latjes te lijmen bleek het euvel verholpen.
Te zwaar bevederde vogels.
Indien de vogels zwaar bevederd zijn kan dit een goede bevruchting in de weg staan. Bij zwaar bevederde vogels bevordert het voorzichtig wegknippen of uittrekken van de veren rondom de cloaca bij beide geslachten een goede bevruchting.
Slechte conditie van het popje of mannetje. Vogels die niet in conditie zijn mogen naar mijn mening niet ingezet worden voor de kweek. Een voetballer zonder conditie zal in een wedstrijd ook geen potten kunnen breken.
Ook al zullen er jongen komen van dergelijke vogels dan is het maar zeer de vraag of deze jongen voldoende bouwstoffen hebben meegekregen om zich te kunnen ontwikkelen tot een mooie en gezonde parkiet. In een artikel las ik dat de laatste drie maanden voordat een eitje wordt gelegd bepalend zijn voor het jong wat hieruit geboren zal worden. Met andere woorden als de pop in die 3 maanden tekorten heeft gehad van één of meer belangrijke bouwstoffen (in bijvoorbeeld de voeding) dan zal dit van invloed zijn op de ontwikkeling van de jongen. Hiermee wordt nogmaals bevestigd dat de verzorging van de vogels het gehele jaar door optimaal dient te zijn.
Want de sleutel tot succes is de conditie van de ingezette broedvogels.
Bij een broedpaar met onbevruchte eitjes kunnen we de kans op een later bevrucht legsel vergroten door ze normaal verder te laten broeden en hun later vreemde eieren of vreemde jongen toe te schuiven. Denk er hierbij goed aan dat de eitjes/jongen zich qua tijd dienen te verhouden met die van de vogels die ze krijgen toegeschoven. Met andere woorden als we onbevruchte eitjes wegpakken van bijvoorbeeld 10 dagen oud dan dienen de eitjes die we willen toeschuiven ook ongeveer 10 dagen oud te zijn. Hetzelfde geldt voor het toeschuiven van jonge vogels. Als we bovenstaande doen blijft het broedpaar in het natuurlijk ritme.
Afsterven van het embryo in het ei.
Het afsterven van embryo's kan vele oorzaken hebben. Ik behandel hier slechts één oorzaak. Een veel voorkomende oorzaak is naar mijn mening een te lage vochtigheid van de lucht in de broedruimte.
De vochtigheid van de lucht in de broedruimte is namelijk erg belangrijk. Deze mag niet onder de 60% liggen. Te droge lucht leidt tot samentrekking van het binnenste eivlies, dat zich zo vast om het embryo kan leggen dat deze later niet in staat is zich te bevrijden uit het ei.
Als het parkietenembryo in het ei gezond is hoort men reeds op de 17de broeddag zijn stem door de eischaal. Op de 18de dag komt het eerste jong uit het ei. Het piepen is voor de pop het signaal de krop van het jong voor de eerste maal te vullen. Als de krop gevuld is, is dat van buiten af door een lichte, geelachtige verdikking aan de hals te zien.
Storing in de voeding van de jongen
Veel jonge poppen hebben voor het eerst van hun moeder zijn nog geen melk uit de voormaag af te scheiden of voeren hun eerstelingen niet.
Dit fenomeen heb ik zelf ook meerdere malen meegemaakt.
Een fenomeen welke je alle plezier van onze sport kan ontnemen. Want zeg zelf wat een ongelooflijke teleurstelling is het niet als je van een veelbelovend broedpaar de eerste jongen in het broedblok ziet liggen en vervolgens merkt dat ze niet gevoed worden. Als dan later na alle vertwijfelde pogingen om de jongen te redden blijkt dat ze toch dood zijn gegaan dan, dan .......
De jongen die niet gevoed worden piepen urenlang maar hun kropjes blijven leeg.
Zoals al eerder vermeldt sterven deze jongen als ze niet binnen 12 uur onder een popje geschoven kunnen worden die ongeveer jongen van dezelfde leeftijd heeft. Langer reikt namelijk de vertering niet, die ze hebben meegekregen, van het voedsel uit de dooierzak.
Uit eigen ervaring heb ik geleerd dat de meeste popjes die niet onmiddellijk voeren dit wel doen en voortaan zonder moeilijkheden wanneer we ze eerst 1-2 oudere (4-6 dagen oude) jongen geven. Deze vogeltjes bedelen al veel indringender en werken daardoor stimulerend op het moederlijke voedingsgedrag. Bovendien kunnen deze jongen al enigzins voorverteerd voedsel, buiten de melk van de voormaag, verdragen. Veelal zullen de jonge poppen waarbij zich dit gedrag voordoet later uitkomende jongen zonder meer direct voeren en dergelijk gedrag niet weer vertonen.
Zoals uit bovenstaande blijkt is het van belang dat we meerdere broedstellen hebben die omstreeks dezelfde tijd zijn gaan broeden. Enig speelruimte is hier namelijk wel geboden.
Zorg er ook voor dat er een goede verhouding bestaat tussen jonge en oude broedstellen.
Tussen de 4de en de 5de week vliegen de jonge vogels uit. Over het algemeen zijn de jongen op een leeftijd van 6 weken in staat voor zich zelf te zorgen.
Beginnende kwekers raad ik aan om dit artikel af en toe eens opnieuw te lezen. Je zult dan veel herkennen van wat je mee maakt tijdens de kweek.