Gegevens uit de Brielsche Vroedschap

 

 

In de Kerkeraadsacta van 21 Aug. 1592 leest men: "Alzo upte bruiloften van de dochteren van Mr. Joost Alblas ende den Burgemeester Jacob Allertsze (van Couwenhoven) gedanst is, zo zullen dezelve personen hijervan angesproocken worden, ende zijn hiertoe gelastet Egidius Joannis ende Jan Lenertsze, welcke haer wedervaren dese vergaderinge zullen relateren, om alzo verder hijerinne geresolveert ende gedaen te werden dat tot stichtinge van dese kercke bevonden zal worden vannode te wesen." Later is er bijgevoegd: "Is geschijet ende is bevonden, dat de burgemeester zijn devoir gedaen heeft om het dantzen te weeren. Ende zo yemant hijerinne geergert is, zal denzelven in de visitatie voor het avontmael dit angeseijt worden. Ende angaende Mr. Joost, dewijl hij deur ongelegenheijt ende zijn absentie nijet en is angesproocken, zal hetzelve bij dengeenen, die daertoe gecommiteert zijn, ter eerster gelegenheijt gedaen werden.

Is geschijet ende heeft hem mede geexcuseert als voren."

De hier bedoelde dochter van Mr. Joost van Alblas is jonkvrouwe Catharina, de huisvrouw van H.Verbies. Zooals reeds in de verhandeling, uitgegeven door de voormalige Vereeniging ter beoefening van de geschiedenis van


's Gravenhage, en getiteld: " De Logementen der stemhebbende steden te 's Gravenhage"' is medegedeeld, verhuurde Catharina na den dood van haren man kamers voor gedeputeerden ter dagvaart. Eene Vroedschapsresolutie van 18 sept. 1622 luidt: "Es Joffrou Verbies geaccordeert voor hare camers ten behouve van gedeputeerdens t'siaerlijcs 72 gulden, ingaende 1 Meij 1622." Eene Vroedschapsresolutie van 17 Oct. 1623: "Es Joffrou Catharina van Alblas geaccordeert ordonnantie van 100 car. gulden opten burgemeester Gellinchuijsen, haer competerende ter sake van camerhuere, tot dienste deser stede gedeputeerdens gebruijckt. Ende sal voortsaen genieten voor deselve camer jaerlicx 100 gulden." Met deze resoluties stemmen de Rekeningen van den burgemeester thesaurier, welke aanwezig zijn, overeen, en de Rekening over 1635-1636 is de laatste, welke den gewonen post van f 100 ten behoeve van juff. Catharina van Alblas voor kamerhuur heeft. In die over 1 Oct. 1636 - 30 Sept. 1637 leest men niet meer van juffr. Catharina van Alblas, maar van "d'erffgenamen van juffrou Catharina van Alblas," en in die over 1645-1646 vindt men den post aldus: " Betaelt jufr. Catharina Verbies over een jaar camerhuijre ten dienste van gedeputeerdens deser stede, gaende ter dachvaert in den Haghe...333 6 sc." Den 1sten Mei 1663 werd aan juffr. Catharinea Verbies de laatste kamerhuur betaald, maar in de Rekening van den burgemeester thesaurier over 1 Oct. 1699-30 Sept. 1700 vindt men den post: " Betaelt Juffr. Catharina Verbies over een kaer recognitie voor haer langen dienst in Logement in den Haagh, haer bij den Vroedscappe toegevoegt haer leven langh gedurende, versch. den 1 Nov. 1700 de somme van ..120 ." Den 23sten Januarij 1701 is juffr. Catharina Verbies te Brielle begraven. Zij stierf 17 Januarij, oud 88 jaren.


De schoonvader van Joost Verbies, Mr. Joost van Alblas, staat in Acta van 8 Maart 1578 genoemd onder de personen, die tot het avondmaal begeerden toegelaten te worden, en hij heet aldaar rentmeester. Van elders blijkt, dat hij rentmeester was van de geannoteerde en geestelijkek goederen en tevens ontvanger van de gemeente middelen in de "Quartierevan Voorne." Als ontvanger had hij eerst een tractament van Fl. 350; in 1585 werd het gebracht op Fl. 500; in 1587 op Fl.750; in 1590 op Fl. 800. Den 8sten Sept 1578 besloot de Brielsche Regeering "dat Mr. Joost van Alblas, ontfanger binnen deser stede, overmits darmoede derselver stede ende dat men nootelicken penningen van doene heeft, betaelen zal excijs van zijn wijnen ende bieren, die hij van nu voortsaen upleggen ende drincken zal." In 1589 diende Mr. Joost van Alblas een request in om weer vrijdom van "wijn ende bijerexcijnsen" te hebben, en om "seeckere insichten in deselve requeste verhaeldt," werd hem "geaccordeert vrijdom van deeser stede wijnexcijns van twee amen wijns tsjaers zonder meer" Res. 19 Julij 1589). In 1579 werd hij aangesteld als ontvanger van den 100sten penning (Ress. 1 en 22 Aug. 1579). In "De Navorscher," 1880, blz. 273-275, deelde ik de uitgaven mede, te Brielle gadaan bij gelegenheid dat Willem I aldaar trouwde met Charlotte van Bourbon en uit dat artikel blijkt dat de bruid haren intrek genomen had bij Mr. Joost van Alblas. Evenals toen ontving hij ook bij andere gelegenheden vergoeding van kosten uit de stedelijkekas. In


't Memoriaelboek, dat de resoluties van 1576bevat, leest men fol. 19 verso: "Ten selven dage (3 Nov. 1576) soe is by den burgemeesters, oudt ende nyeuw gerechte deser stede geresolveert, dat men van wege deselver stede zal betaelen Mr. Joost van Alblas de somme van omtrent 20 gr. vlaems, aldaer ten huyse verteert by Joncheer Jehan van Woerden van Vliet, gouverneur deser stede, ende die van sijne familie, int ancomen ende bedinsel zijnder voorsz. gouvernement aldaer verteert, ende dit tot een propijneende gratuiteijt van toecomende diensten, die hij de voorsz. stede zoude mogen doen." Fol. 21 verso: "Geordineert dat Jan Lenertsze, burgemeester-trechaurier, zal betaelen Mr. Joost van Alblas de sommevan 116 sc., van 40 gr. tpont, aldaer ten huijse verteert bij Joncheer Johan van Wourden van Vliet int ancoemen zijnder offitie als gouverneur ende bailliu deser stede, ende dit tot een gratuiteijt .. Actum coram omnibus den 4den Decembris 1587 stilo comm." In 1597 wendde Mr. Joost zich tot de Statenvan Holland met het verzoek zijn oudsten zoon Jacob aan te stellen in zijn plaats niet alleen als "ontvanger der gemene middelen over den quartiere van den Brielle, landen van Voorne etc," maar ook als "ontfanger van de inkomsten ende goederen, gekomen van den convente van de Regulieren van Rugge buyten den Brielle ende de Susteren van Catharinen binnen den Brielle ende Oost-Voorne." Ter aanbeveling van dat verzoek wees hij op zijn "langhduyrige diensten als ontfanger vande geestelijcke en wereldtlijcke goederen over den lande van Voorne, ende daerna van des gemene Lands Middelen", alsmede op de bekwaamheid zijns zoons, en de Staten namen eene gunstige beschikking op het verzoek.. Bovendien stonden zij suppliant toe de beide betrekkingen te mogen blijven waarnemen, zoolang hij niet belet werd door ouderdom of impotentheyt" (Res. Holl. 13 Maart 1597, blz. 89-92). Tengevolge van die vergunning bleef hij nog enkele jaren werkzaam, in 1598 werd zelfs zijn tractament als ontvanger van de capitulairen ende kloosteren goederen van Fl. 200 op Fl. 300 gebracht. In 1602 of 1603 nam zijn zoon Jacob de administratie over.

Van de vrouw van Mr. Joost is melding gemaakt in eene aantekening van 1 Febr. 1576 (Memoriaelboek blz. 12), luidende: " Van gelijcke protesteert Laurencia Mathijs dr. huijsvr. van Mr. Joost Alblas, pachter van den excijse, van schaden ende interesten, die haer te lijden staet." Bij die vrouw won hij Joost, gedoopt 6 Oct. 1591, getuigen: Jacob de Milde en de huisvrouw van den raadsheer Nyeustadt. In de Rekening der St. Cath. kerk over 1597 - 1598 staat fol. 3 de post: " Ontfangen van de supulture van joffr. Alblas, die den 27sten Februarij (1598) in de kerck begraven ende drie mael beluijt es.... 30 sc. gr." Tot welk geslacht Laurentia behoorde, zegt ons de Rekening van het Oude Mannenhuis over 1598 - 1599, welke fol. 14 den volgenden post heeft: " Betaelt bij des rendants huijsvrouw aen Robbert de vleijshouwer door last van den ontfanger Joost van Alblas volgende het begeren van zijn overleden huijsvrouwe joffrouwe Laurentiana van Nijeustadt etc."

De reeds genoemde oudste zoon van Mr. Joost van Alblas trouwde te Brielle. In het oudste Trouwregister staat, dat 30 Dec. 1601 aldaar gehuwd zijn "Jacob Alblas, ontfanger van de ghemeene lants middelen binnen deser stede ende quartiere van Overmase, ende joffrouwe Maria van Cleijburch, jonghe dochter, wonende in Sommersdijck".


In de Kerkeraadsacta van 23 Januarij 1602 leest men: " Is D.Reinerum (Donteclock) ende den ouderlinck, die met hem de visitatie in het zuyder kwartier gedaen hadde, afgevraecht of sij oock Mr. Joost Alblas hadden aangesproocken van het dansen, welcke op de bruiloft van sijn sone t' zijnen huijse geschiet was. Ende hebben ingebracht uut hem verstaen te hebben, dat alleenlick den eersten avont binnen sijn huijs gedanst is, als de bruit soude te bedde gebrocht worden; maer also ons anders is voorgecommen, dat men oock op andere daghen aldaer ten huijse gedanst heeft, so sullen de voorgemelde broeders Mr. Joost hiervan wederom aanspreecken ende hem hetgene dat ons voorgecomen is wat duidelicker andienen, ende daervan de naeste reijse rapport doen, om de gelegenheit van dese saicke vernomen hebbende, daerinne te doen tot stichtinghe van dese kercke bevonden sal worden doenlick te wensen." In de volgende Acta leest men niet meer van de zaak. Wellicht dat bevonden werd, dat er alleen op den bewusten avond gedanst was.

Het echtpaar won:

Laurentia, gedoopt 5 Nov. 1602, getuigen: Mr. Joost Alblas, Margriete Cornelis dr., Jacob Abrahamsze Graeswinckel van Delft.

Petronella, gedoopt 8 Aug. 1604, getuigen: de ontvanger Philips Doublet, Willem Arentsze Berckel, juffr. Verbiese.

Den 20sten Sept. 1605 werd een kind van den ontvanger Alblas, den 31sten Mei 1607 werd juffrouw Alblas begraven..

In de Resoluties van de Staten van Holland vindt men herhaaldelijk van Jacob van Alblas melding gemaakt; eens komt hij er in voor als secretaris (Res. Holl. 14 Aug. 1606, blz. 216), maar die opgave deugt niet. In 1606 was Cornelis Anthonisze van der Wolf secretaris van Brielle en Jacob van Alblas bekleedde die functie nooit.

Wat er in het Register der Resoluties van 1611 staat, strekt hem als administrateur niet tot lof.


Den 30sten Maart 1611 werd aan eene Commissie uit de Gecommiteerde Raden door de Staten van Holland opgedragen te Brielle een onderzoek in te stellen op het kantoor van den ontvanger van de gemeene middelen en van eenige geestelijke goederen. Den 10den April hadden de Staten eene missive van die Commissie, waarin zij rapporteerde, dat er wel een "achterwesen" zou zijn van circa Fl. 90.000 a Fl. 100.000 en dat de rentmeester Willem Gans en de advocaat Verbies, zwagers van Jacob van Alblas, hadden "gepresenteert volcomentlijck te caveren voor alle achterwesen van den ontvanger." Er werd een akkoord met de "cautionarissen" getroffen en dank zij hunne bemiddeling, werd Jacob van Alblas in 1611 bewaard voor "failisement van zijn persoon ende goederen." Met toestemming van de Staten traden de borgen, zoolang de zaken nog niet geregeld waren, als administrateurs op onder het bewind van Jacob van der Goes en het einde was dat Jacob van Alblas in 1614 gedeporteerd werd als ontvanger en rentmeester. De "redenen waerom by de Gecommiteerde Raden was geprocedeert tot deportement van Alblas," werden in het Register der Statenresoluties niet geboekt. In het Register der stedelijke resoluties leest men: Vroedsch. 1 April 1614. "Sijn gecommitteert omme te hooren openinge van de gesteltenisse vant comptoir van Jacob van Alblas ende t' contract met zijnne borgen aengegaen ende t' gunt hij verder sal willen proponeren, de burgemeesters Couwenhoven, Commerstijn, Velsen, Hartichvelt ende den secretaris." Vroedsch. 23 July 1614: " Gerrit van Strevelant, deurwaerder, affgevraecht zijnde door wiens last hij voorgenomen hadde Jacob van Alblas te apprehenderen, heeft verclaert, dat hij sulcx niet begeert te seggen, maer dat hij tevreeden es Alblas perticulier daerop contentement te doen."

Jacob van Alblas werd in 1604, 1606, 1608 en 1610 gekozen tot schepen, in 1605 tot burgemeester. In Res. 1 Jan. 1605 wordt hij "raet deser stede" en "vroetschappe" genoemd. Bij Resolutie van 21 Sept. 1613 werd hij herkozen als curator van de latijnsche school. In de Rekening der geestel.goederen over 1614 komt fol. 105 verso een post voor, waarin sprake is van "Jacob van Alblas in sijn leven ontfanger van de capittels van Oostvooren," en in Res. 23 Jan. 1615 is sprake van het maken van eene ordonnantie "opte administrteurs van den boel van Jacob Alblas."


Over 's mans dochter Johanna van Alblas, in 1596 te Brielle getrouwd met Willem Gans. Ook op de bruiloft van deze dochter werd gedanst o.a. door Jonker Jan van Egmont en de Kerkeraad trad als vroeger en later daartegen op, zie Acta van 5 Maart 1596.

In het oudste Bodtboeck leest men blz. 95, dat Daniel Cornelisze Tael eigenaar werd van een weide, verkocht door erfgenamen van "Balthasar Cornelis eertijts ambachtsheer tot Alblas" en in margine van de bladzijde, welke zulks vermeldt, staat eene aanteekening, luidende: "den 8ste Decemb. 1581 bij Govaert Jan Rovers, als man ende voocht van Clara Balthasars van Alblas ende voorts als procuratie hebbende van Johanna van Alblas ende mede als voocht gecoren van den Heere van Ymmerseel, vrijheere van Bockhoven, van de twee onmondige weesen, genaemt Cornelis ende Jan van Alblas, blijckende bij twee distincte procuratien, gedateert den 1sten Octobris 1581."