naar Bericht uit Biloel naar Stoppelenburg  naar Nader Bekeken

Biloel - enige achtergrondinformatie

 

 

 

 

 

Biloel - Atjeh, Noord-Sumatra

Biloel was een buitenpost van de Nederlanders. In mei 1894 hadden zij de de plaats bezet op verzoek van een Atjehs hoofd. De officieren verbleven in de vroegere moskee ( messigit ), de manschappen in andere gebouwen. Er omheen kwam een versterking - bentèng genoemd - met een observatiepost om vijandelijke versterkingen in het gebergte te kunnen bespieden.
Over en weer werd zo nu en dan geschoten. Ook de Nijmeegse Courant maakt melding van zo'n beschieting: 6 maart 1896. (nr 56)
Het beschieten van vijandelijke versterkingen werd 'tuchtigen' genoemd. Ook de kampongs werden 'getuchtigd'. Dat wil zeggen aan de vlammen prijs gegeven, wanneer er de 'sloebers' ( smeerlappen, lelijkerds, term in Atjeh in gebruik sedert generaal Van Swieten ) uit wilde jagen.

Kaptein Van der Wedden was de postcommandant. De Nijmeegse luitenant Korfmacher, die in de brief wordt genoemd, was waarschijnlijk Coenraad Korfmacher, zoon van een fotograaf uit de Paulstraat, geboren 26 juli 1871.
De gewone soldaten waren deels Europeanen; in Harderwijk op het Koloniaal Werf-depôt aangemonsterd tegen een aantrekkelijk handgeld van 200 gulden of meer ( met recht op pensioen na een aantal dienstjaren ), deels inheemsen zoals Javanen en Ambonnezen. Ze kregen geen opleiding en bleken vaak niet berekend voor hun taak. Gewone soldaten werden fuselier genoemd, omdat ze een lang geweer droegen, meestal een Beaumont-geweer met een lange bajonet, die de dragers kwetsbaar maakte en in de wandeling 'hooivork' werd genoemd.
Van der Wedden kreeg later het commando over een bataljon met repeteergeweren, een nieuw wapen. Zijn voorliefde voor moderne wapens blijkt uit de beschrijving van de mitrailleur in zijn brief. De repeteergeweren ondersteunden later de Javaanse 'marechaussees' ( niet te verwarren met ons begrip van die naam ). Kleine eenheden en lichter bewapend o.a. met klewangs ( evenals de Atjehers ),zodat ze sneller en effectiever konden optreden in de guerillastrijd.
De ouderwetse grote kolonnes bestonden uit honderden of vaak meer dan duizend manschappen, infanterie, artillerie, genie en cavallerie, die voor dag en dauw uitrukten met een 'trein' van bagage. Zoals levensmiddelen (vivres), muniitie, verbandmateriaal. Door hun omvang schoten ze moeizaam op.
Dragers waren kleine lastdieren, maar omdat die slecht te krijgen waren en vaak moeite hadden met de steile bergpaden, deden ook vaak 'dwangarbeiders' dienst. Dwangarbeiders waren op Java veroordeelden, die voor tal van zware en gevaarlijke karweien werden ingezet. Als ze zich bijzonder onderscheiden hadden konden ze worden voorgedragen voor vermindering van straf. In de brief vinden we daar een voorbeeld van. Hun bijnaam was 'beer',. Ook in de keuken hielpen zij als 'keukenberen'.

Erg veel dwangarbeiders kwamen in de Atjeh-oorlog om het leven, niet alleen door oorlogshandelingen, maar ook door ziekten. Dit gold trouwens ook voor de militairen. Cholera en Beri-beri waren berucht.
Voor de kust lagen schepen van de gouvernementsmarine, die behalve voor het vervoer van troepen ook gebruikt werden om door hun geschut acties te land te ondersteunen.
In de brief lezen we over een nieuwigheid: electrische verlichting vanaf de schepen. Deze schijnwerpers voldeden niet, omdat ze vijand en vriend in het zonnetje zetten. Ook de telefoonverbinding was erg modern.

In maart 1896 zou vanuit Biloel een tocht naar Lamrak beginnen. Die tocht zou de omgeving zuiveren van vijandelijke elementen. Fanatieke moslemin, die zich niet met de Nederlanders wilden verzoenen. Biloel kreeg een loods als magazijn en noodhospitaal en zou een permanente post van de Nederlanders worden.
Toekoe Djohan (erenaam van Toekoe Oemar, omdat hij bondgenoot van de Nederlanders was geworden) zou daar zijn 1000 krijgers en 1000 koelies verzamelen.
Maar het liep anders....

Zie voor de afloop het "Bericht uit Biloel", brief geschreven door Peter Hermanus van der Wedden, kapitein Oost-Indisch leger, aan zijn moeder, zuster, schoonzuster en broer in Nijmegen.

Samensteller van deze toelichting is mevr. C.W. Hajer-Sasse. Zij heeft de brief geanalyseerd in haar studie: "Brief uit Biloel"- Hajer-Sasse, CW/sn 1/1985. Ook dank aan Guido van der Wedden voor zijn medewerking.atjeh vesting

Na de strijd

 


up