Van der Wedden             
P. vd Wenden  

Biloel, 4 april 1896


Geliefde Moeder, Gezien, Sophie en Henri.

Alweer een andere naam, zult U wel zeggen: "Biloel" waar ligt dat nu weer?
Ja, ook op Atjeh, da's zeker, maar waar zal ik U maar niet uitleggen; dat doet er niet toe.

Pas was ik een dag of zeven terug, van een 17 daagsche detacheering van den tijdelijken post "Kroeng-Gloempang", op mijnen post Lamdjamoe of ik moest hierheen, hoewel het niet door het Garn. Bataljon, waar ik nu bij ben, bezet wordt.
Dit stond in verband met een groote uitruk-partij, die op handen was, alle beschikbare troepen /3 Bats/ zouden uitrukken tegen het Lamraksche en nu moesten wij de posten bezetten. Enfin, ik marcheerde af met mijn 120 bajonetten, 2 officieren der Infie, 1 off. der Art. en 1 Off van Gezondheid. E - Vooruit?

Het was toen Vrijdag 27 Maart. Ik nam de post over en de troepen van het 3e Bat. gingen terug. Zaterdag maakte ik nog eene patrouille door de omliggende kampongs, doch Zondags meende ik iets verdachts op te merken. Er kwamen geen passer-luitjes op de kleine passer ( markt ); de Atjehsche postlooper kwam niet opdagen en een ons bevriend hoofd, Panglima Bintang, zag ik op en ner loopen, in haast, naar de ons bevriende blokhuizen.
Een ogenblik later kreeg ik het telefonisch bericht van mijn buurman op Tjot-Goe, dat de blokhuizen in zijn buurt waren leeggeloopen. Ik zeide hem per telefoon, om daar dadelijk kennis van te geven aan den Generaal. 's Morgens had ik den Generaal al opgebeld / onze verbinding aan het telefoonnet dateert van slechts 8 dagen / om te berichten, dat er gewapend volk van de Kgs in de buurt naar het Lamraksche togen. Die hadden zeker gehoord, dat er Maandag zou worden uitgerukt en wilden gaan helpen, dus tegen de Compagnie ( zo werden Nederlanders in Indi genoemd; herinnert aan de voormalige VOC ).

De Generaal gelaste mij toen, dit zooveel mogelijk tegen te gaan, en liet ik daarom door het geschut er een 40 tal granaten onder werpen. Ik moest ze maar goed onder vuur nemen, zeide hij, nu dat gebeurde dan ook. Ze kregen er van langs! dat beloof ik U. Den volgenden dag, den dag dat er zou geageerd worden, moest ik de vijandelijke kampongs onder vuur nemen, zoo luidde de order;later zou nog speciaal gelast worden, welke kampongs.

Het was Zondagmiddag 4 1/2 uur, het uur waarop ons vleesch "brood" dagelijks, per Atjeher met kar, gebracht word. Ik wachtte tot 5 uur, maar niets in aantocht.
Daar ik wilde weten wat er aan haperde en tevens ook om dit transport te beveiligen, gelastte ik aan 2 Lts en 60 man, in die richting te marcheeren en dat te gaan onderzoeken. O, ja, er kwam bij, dat de telefoon geen geluid meer gaf, dus was de telefoonlijn mogelijk doorgesneden. Dit was ook zoo, bleek later.
Nu, de patrouille liep langs den grooten weg verder, doch zag niets. Zoo wat een 1000 Meter van de benting vooruitgegaan, werden ze plotseling uit de bevriende en vijandelijke kampongs beschoten. Ik was in de benting, met de Dr en de artillerie Off, die ik dadelijk last gaf, het granaatkartets vuur er op te openen en zoo doende te hulp te komen, tevens zond ik nog 25 man onder een sergeant uit. Meer kon ik niet missen. Na een uur in gevecht te zijn geweest retireerden onze troepen op de benting terug. We waren er betrekkelijk nog goed afgekomen. Het eerst die ik zag aankomen, was de 1e Luit Zijdveld, vreeselijk bloedende; hij had een schot door zijn onderkaak gekregen, die verbrijzeld was. No 2 werd binnen gedragen, een Eur. soldaat met een schot in de buik en rug uit. No 3 een dwangarbeider, schot hals, en de laatste, een infl. fus met een schot door het been. Dat grpke liep dus bizonder of liever betrekkelijk goed af. Alleen die fus ( fuselier Bastiaan ) Stoppelenburg stierf nog denzelfden nacht en liet ik een paar uur daarna / 4 uur 's nachts / begraven, daar ik er alles van snapte, dat dit de volgende morgen niet mogelijk zou zijn, van wege het schieten.
Daar zaten we dus met onze gebakken peren / ik wou dat ik er op 't oogenblik maar een paar had /. Ik liet volgens de order vuurpijlen op, ten teeken van : "de gemeenschap is verbroken". We waren betoel door de Atjehers ingesloten en tot heden toe is dat het geval. De bevrienden in de buurt schenen vijanden geworden.
's Nachts stuurde ik een dwangarbeider door de linie met een rapport. Of die en het rapport te recht gekomen is, weet ik nog niet, doch ik vermoed nu wel dat ze het in de kraton zullen weten. 's Avonds en 's nachts liet ik de kgs duchtig tuchtigen ( Het beschieten van vijandelijke versterkingen ), met het geschut.

Des nachts te 1 ure kwam een dwangarbeider bij den post aan, met een briefje van de postcomdt van Lamperenoet / de Nijmegenaar Korfmacher / met het navolgende potlood briefje: "Geachte kapitein, Toekoe Djohan ( erenaam van Toekoe Oemar, hoofd, omdat hij bondgenoot van de Nederlanders was geworden ) en al de hoofden uit Uw buurt zijn overgeloopen; het uitrukken gaat morgen niet door. Vertrouwt niemand. Laat Lamkoenjit waarschuwen, als U kunt" - order van den Generaal Korfmacher.

Wat we daarvan schrokken, kunt U begrijpen! Dezelfde man stuurde ik door naar mijn naburige post L. Ook of die man terecht gekomen is, weet ik tot heden toe, niet.- 'T is een waagstuk.- Waarom we zoo verbaasd stonden, zal ik U zeggen; Toekoe Djohan was op 't oogenblik ons voornaamste hoofd. Hij was het, die des morgens hier op Biloel zou komen met 2000 man / Atjehers / bevrienden, om met de Compagnie te vechten tegen de Lamkrakkers.
Om 5 uur ' s m van Maandag zou hij hier zijn. Daar hij nu zijn rok omgekeerd had, was de Generaal natuurlijk erg bang, dat hij mij en de geheele bezetting zou in den pan hakken, omdat ik hem als bevriend natuurlijk zou beschouwen.
Z zat de Generaal over ons in, dat hij nog een bericht afzond, dat ik om 2 1/2 uur 's nachts ontving, weer hetzelfde bericht behelzende. De brengers waren twee gestraften, doch er kwam er maar n hier aan; den ander was onderweg, de vijandelijke linie doorbrekende, afgemaakt. Den ander was dood op van vermoeidheid en schrik. Enfin, we wisten het en waren net als wie ook weer ? "op onze hoede".
De posten werden verdubbeld en veel munitie voor den dag gehaald. De artillerie klaar bij de stukken. Het werd dag, zonder dat er iets gebeurde. Tot heden toe bleef de poort van de benting ( versterking ) dicht. Niemand naar buiten. Ook van de buitenwereld hoorden we nu in een week tijds niets, totaal niets!
Nacht en dag worden ze door vijandelijke schoten verontrust, doch tot een aanval durfden ze niet over te gaan. De sloebers ( smeerlappen, lelijkerds, term in Atjeh in gebruik sedert generaal Van Swieten )!! Enkele projectielen komen er wel in, doch nog geen man raak, gelukkig. Ook de blokhuizen / houten gebouwtjes voor 20 bevriende Atjehers / op de 600 Meter aan weerszijden der post, moeten het nu ontgelden, want nu en dan zien we er lui in en dan gaat er een granaat doorheen. Met de kijker te zien, lijken de zinken daken wel een zeeft. Afblijven zullen ze ervan.

Dagelijks vragen we ons af, hoe de toestand in de kraton en daarbuiten wel zal zijn, doch moeielijk is het voor ons, hierop te antwoorden. We weten van niets! een rare toestand. Ik houd het er voor het naast voor, dat ze de troepen wel noodig hebben en dat er versterking van Java onder weg is. Dan eerst zullen we, net als op het ganzenbord, uit de put verlost worden. Hoeveel moet je dan ook weer gooien? ik geloof 9.-nu dan nog 2, want we zitten nu 7 dagen.-
Die Toekoe Djohan, 't is wel. ik kan het me nog niet voorstellen! 2 dagen vr mijn vertrek van mijn post naar hier, was hij nog bij mij en zat ik een paar uur met hem te praten. Hij moest Beaumont-geweren in ontvangst nemen, die dan per extra trein aan kwamen op mijn post. Ik geloof bijna 500 stuks, meest ongebruikten / onze soldaten hebben ouden, uitgeschotenen / des middags kwamen er nog 475 snahkan kp ( trompladers ) voor hem aan en wie weet kreeg hij er nog meer, ik moest toen weg, hierheen.
Als U nu weet, dat al de Atjehers in de 20 blokhuizen ook onze geweren en die +/- 20 man sterk zijn, dan zijn dat er weer 400. En dan diegenen welke hij al van vroeger had. Den vorigen dag was zijn eerste minister Panglima "die en die" bij mij om de patronen voor T. Djohan in ontvangst te nemen. Ik vroeg hem het bewijs of brief.
Hier Toewan, zeide hij, en liet mij het met diamanten zwaar bezette zwaard van hem (T. Djohan) zien. Dat was het inlandsche bewijs. Ik stelde ernog geen bepaald vertrouwen in en telefoneerde even naar de Ass. Resident, die te kennen gaf, dat ik de patronen, die extra op den post waren opgelegd kon afgeven. Dit waren er maar 2500, terwijl hij er 3800 vroeg. Of hij die er nog bij ontving, weet ik niet. Ook moest ik hem 5 vaten kruit afgeven; het noodige lood ontving hij al vroeger, om kogels van te gieten.
Tenslotte ontving hij van de Companie de noodige opium, om op te wekken.Wat is die Comp. toch baai-sekalie ( erg goed ) zal hij wel gedacht hebben! Op het laatste moment zei hij bonjour! Maar nog altijd kunnen we het niet gelooven.
Nadere berichten zullen ons zeer welkom zijn. Mij dunkt, dan was er meer geschut vuur door ons in die richting te hooren, dat niet het geval is. Wel van andere posten hooren we dat 's nachts. - Nu herinner ik me ook, dat Toekoe Djohan mij 2 maal in dat gesprek heeft gevraagd of de Companie nog veel geweren in den Kraton over had, waarop ik hem telkens antwoordde: ja, nog een massa in de grote goedang ( magazijn ). Nu hij zou ze wel raken zei-i, als hij met een paar dagen moest uitrukken met de Cie, seperti hoedjan bezar, roet roet (net als zware regen) hij meende de salvo's die hij zou afgeven op de vijand / nu op ons mogelijk/
Omdat wij niets hooren van de toestand, denken we al, dat het mogelijk alweêr bijgelegd is ( wat niet te hopen is ) alles moet nu maar er op of er onder, dan krijgen we, je ware toestanden. Wat zal die Generaal Deykerhoff staan te kijken; ja, hij speelde al lang hoog spel en T.Dj. is in de verleiding gebracht met die geweren. 'T is en blijft een Atjeher...

Dit is een deel van de ' brief uit Biloel '.
Voor meer informatie over fuselier Bastiaan Stoppelenburg, geboren 29 mei 1864 te Moordrecht ( ZH ) en zoon van Jan Stoppelenburg en Grietje Huisman: zie parenteel Stoppelenburg

Biloel - Atjeh, Sumatra aanvullende informatie

Klik op de kaart van Indonesië

Met dank aan Guido van der Wedden voor het ter beschikking stellen van de inhoud van deze brief.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bericht uit Biloel - Atjeh, Sumatra

Onderstaande tekst is een transcriptie van een brief uit 1896, geschreven door Peter Hermanus van der Wedden,
kapitein Oost-Indische Leger ( foto inzet ). De brief is gericht aan zijn moeder, zuster, schoonzuster en broer.

Het is een uniek verslag van de strijd op Atjeh, waarbij fuselier Bastiaan Stoppelenburg zwaar gewond werd en
kort daarna overleed. Deze episode in de Atjeh-oorlog werd later bekend als het "verraad van Toekoe Oemar".