back to Nader bekeken



Klik op de afbeelding voor een grotere weergave

Groep Plaesers* bij de Steenfabriek van Willem van Vliet te Gouderak ca 1930, waaronder Hendrikus Palsgraaf ( 1900 - 1976 ).
Ome Drikus ( zie pijl ) was de jongste broer van mijn grootvader Cornelis.
Hij was niet veel groter dan ca 1.50 meter en getrouwd met tante Suus. Ook zij was klein van stuk.
Op foto 2 bij onderstaand artikel staat Drikus afgebeeld bij het opladen van stenen voor de oven.
Voor meer informatie: zie genealogie en parenteel Palsgraaf

Steenplaatsen in Gouderak

Klik op het kleine plaatje voor een grotere weergave

Vanaf omstreeks 1600 tot 1960 werden er in Gouderak en langs de gehele Hollandsche IJssel vele miljoenen IJsselsteentjes gefabriceerd.
Deze stenen werden gemaakt van de rivierklei, die in het najaar en de winter uit de uiterwaarden van de IJssel werd opgebaggerd.
Deze klei werd dan in een zelling*, dichtbij de steenplaats*, opgeslagen om te ‘besterven’.

In het voorjaar werd het dan vervoerd naar de kade bij de steenfabriek.
Daar werd het eerst door de zgn. ‘aardemakers’ van de ergste verontreinigingen ontdaan, gekneed (met blote voeten) en eventueel met wat zand gemengd. Daarna ging de klei naar de eigenlijke fabriek, waar het in houten vormen werd geperst.
Aanvankelijk gebeurde dat ook met de hand, maar later gebruikte men daar door stoom en nog later door elektra aangedreven persen voor.
Daarna werden de gevulde vormen per paard en kar vervoerd naar de droogvelden. Daar werden door de ‘plakkers’ de vormen omgedraaid en de verse stenen te drogen gelegd.
Wanneer ze voldoende gedroogd en iets opgehard waren werden ze eerst nog een keer door de 'opzetters’ (dit waren meestal vrouwen en kinderen) op de smalle kant gedraaid om nog beter te drogen en daarna opgetast.
Het drogen mocht echter niet te snel gaan en ook mocht de steen niet aan hevige regenbuien worden blootgesteld.
Wanneer de zon te fel scheen werd de verse steen afgeschermd met rietmatten en ook bij hevige regenbuien moest dat gebeuren. Het was dan ook normaal dat wanneer er 's nachts plotseling hevige regenbuien op kwamen het personeel (dat veelal dicht bij de steenplaats woonde met vrouwen en kinderen) werd wakker gemaakt door de ‘onderbaas’ om te komen afdekken.
Wanneer de stenen voldoende waren gedroogd werden ze opgestapeld in de oven.
Deze oven bestond uit drie U-vormig geplaatste dikke muren. Aan één zijde dus open en er zat ook geen dak op. De oppervlakte was ongeveer 25 bij 25 meter maar dat varieerde, want er waren grote en kleine ovens. En daardoor varieerden ook de vullingen van 1 tot 3 miljoen stenen per keer.

Als de oven was gevuld werd hij gestookt door de poortvormige openingen, die onder in de zijmuren waren aangebracht.
Dit stoken moest zorgvuldig en gelijkmatig gebeuren om de stenen de juiste hardheid te geven. Dit ging dag en nacht door en duurde ongeveer 2 tot 3 weken. Als brandstof werden zachte Friese turven gebruikt. Deze turven werden opgeslagen in de turfloodsen, die tegen de zijmuren waren gebouwd.
De steenovenstokers stonden ook het hoogst in rangorde bij het personeel. Na het stoken moest de oven geleidelijk afkoelen ('smoren'). Daarna kon de oven leeg worden gehaald en werden de steentjes opgetast voor vervoer.

De stenen waren echter klein van formaat (15 x 6 x 4 cm) en daardoor werden ze ongeveer honderd jaar geleden in de bouw verdrongen door de grotere stenen van het Waalformaat, die langs de grote rivieren werden gefabriceerd.
Er is nog even geprobeerd om ook langs de IJssel grotere stenen te bakken maar de klei uit de Hollandsche IJssel was daar niet geschikt voor en in de eerste helft van de 20e eeuw zijn geleidelijk alle steenfabrieken langs de Hollandsche IJssel gesloten.
In de 19e eeuw waren er in Gouderak nog zeven steenfabrieken over een afstand van 7 kilometer, maar in maart 1960
sloot ook de laatste, die van W. van Vliet, zijn poorten.
Het werken in de steenplaatsen (de ' plaes')* was bijzonder zwaar en het loon lag laag. In de zomermaanden was een werkdag van 15 uur normaal.

De Watersnoodramp van 1953
Tijdens de Watersnoodnacht van 1 februari 1953 heeft de Steenfabriek van W. van Vliet nog een cruciale rol gespeeld.
De steenplaats was toen nog in bedrijf en er stonden grote partijen stenen gereed om afgevoerd te worden.

Vlak bij de steenfabriek dreigde de IJsseldijk door te breken en er is toen met man en macht gewerkt om dit te voorkomen.
In het reeds ontstane gat werden vanaf de ene kant stenen aangevoerd en vanaf de andere kant rietmatten uit een rietmattenfabriek, die er ook vlakbij stond.

* Verklaring van de begrippen.
Zelling: stuk grond langs de rivier, afgezet met rietkragen. Met de wisseling van eb en vloed slibde dit dicht met klei.
Deze klei werd na verloop van tijd uitgebaggerd en verwerkt.
Steenplaats: Steenfabriek, steenbakkerij of Plaes. De arbeiders werden Plaesers genoemd en woonden in kleine huizen, dichtbij de Plaes.
Deze huisjes waren eigendom van de Steenfabriek.

Literatuur:
Het sociale en maatschappelijke leven in een vroegere steenplaats is een apart ‘hoofdstuk’ en wordt uitvoerig omschreven
in het boek “Steenovensvolk” van de auteurs Maud de Koninck en Hilde Marijnissen.
Het werd uitgegeven door de Uitgeverij Link uit Amsterdam (ISBN 906285 034 0)

Met dank aan Dirk van Dam, voorzitter Historische Vereniging 'Golderake' te Gouderak.
Hij schreef niet alleen het artikel, maar stelde ook het gebruikte fotomateriaal ter beschikking.

up