NMU
Close-up: Kees Schoonenberg
Zondagmiddag 2
september 2007 was ik op bezoek bij Kees Schoonenberg (1928) in zijn huis in
het centrum van Hilversum voor een interview. Kees Schoonenberg is lid van
goochelclub Mysterium en kreeg in 2001 de Gouden NMU speld.
Hoe bent u betrokken
bij de NMU?
Ik ben vijf jaar hoofdredacteur van Informagie geweest. Maar daarvoor was ik ook al betrokken bij de voorloper van Informagie, het blad Hocus. Dat maakten we met Frans de Groot (die deed het meeste (schrijf)werk), Eric Eswin, Ted Biet en ik.
Treed u ook op?
Jazeker. Toen ik jong was heb ik veel geschnabbeld op allerlei feestjes van families, verenigingen, enzovoort. Ik had een hele klanten kring in Haarlem. Maar toen ik ging werken als journalist voor het Rotterdamse dagblad Het Vrije Volk bleef er weinig tijd over voor het goochelen. Een aantal jaar later ben ik gaan werken bij de AVRO. Daar werkte ik voor een weekblad en dat is in vergelijking met werken voor een dagblad veel rustiger. Dus dat gaf mij meer tijd om aan het goochelen te besteden. Eigenlijk maak(te) ik de meeste acts voor congressen en wedstrijden. Ik hoor wel eens mensen zeggen dat je niets aan een wedstrijdact hebt als professional, maar in mijn ervaring kan je er toch wel heel vaak wat van gebruiken in de praktijk.
Het leuke aan optreden vind ik de wisselwerking met het publiek, naar het publiek kijken en denken “ik zal ze pakken!”
Wat wekte uw
interesse in de goochelkunst?
Als klein jongetje had ik interesse in veel dingen. Ik speelde blokfluit, met Marklin treintjes, maakte krantjes en goochelen leek me leuk. Rond mijn achtste spaarde ik bij de havermout een boekje over goochelen bij elkaar met punten. Maar in mei 1940 werd ook ons huis in het centrum van Rotterdam gebombardeerd en is alles wat ik had verbrand. In 1941 werd mijn goochelpassie serieus toen ik 2,75 gulden investeerde in “De goochelkunst en haar geheimen” van Larette. In het najaar van ’42 belde mijn vader voor mijn verjaardag met dokter Koopmans, een professioneel goochelaar in die tijd, met de vraag of hij een suggestie had voor een verjaardagscadeau. Dokter Koopmans adviseerde een abonnement op het goochelvakblad Triks. En zo werd deze hobby langzaamaan steeds serieuzer. Toen goochelclub 52 Schakels werd opgericht was ik erbij. Later in Hilversum werd ik lid bij een Gooische goochelclub die nu niet meer bestaat. Nu ben ik lid van Mysterium in Amsterdam. Ik ben overigens de laatste die nog leeft van de oprichters van de Rotterdamse goochelcub 52 Schakels en ik speel nog steeds blokfluit.
Ik ben ook erg geïnteresseerd in de geschiedenis van de goochelkunst. Ik spaar geen antieke trucs, maar heb wel een aantal oude goochelboeken uit bijvoorbeeld Nederland, Engeland en Duitsland. Vanuit die interesse ben ik ook vaker betrokken geweest bij het samenstellen van tentoonstellingen over de goochelkunst. Samen met Frans de Groot en Eric Eswin ben ik ooit begonnen aan een biografie van Fred Kaps. Ik zou de bio schrijven, zij de trucs. De Bio is klaar, maar het project ligt nog op de plank…
Wat zijn inspiratie
bronnen?
Een belangrijke inspiratiebron voor mij was de Groningse goochelaar Aranto. Hij bracht een erg komische presentatie.
Op een congres heb ik een keer een Fries zien optreden die ook een erg leuke conference had. Hij bleek Minze Dijksma te heten en zei dat hij weer door mij was geïnspireerd. We bleven contact houden en wisselden regelmatig ideeën voor trucs of grappen uit. Hij kwam een keer met het idee van een act over het ophalen van vuil. We speelden wat met het idee maar het maken van een act kwam er niet van. Tot ik hem een keer voorstelde dan maar samen een act te maken. Dat bleek een succes. Op het nationale congres in Groningen in 1996 kregen we de Henk Vermeyden wisselprijs voor onze act. Daar bleek Johan Hendriks weer door geïnspireerd en na die tijd zijn we ook wel vaker met z’n drieën bij elkaar geweest om aan acts te werken.
Wat vind u belangrijk als goochelaar?
Als goochelaar wil ik mijn publiek vermaken. Het moet leuk zijn. Een grap heeft een onverwachte clou, en een goocheltruc heeft dat vaak ook.
Het is tegenwoordig erg makkelijk om wat goocheltrucs te leren. Maar om een goed artiest te zijn heb je talent nodig. Het is niet goed voor de goochelkunst als mensen (ex-junioren vaak) optreden die eigenlijk geen artiest in zich hebben. Ze geven onbedoeld de goochelkunst een slechte naam. Goochelen is een vak, dat je op de ouderwetse manier moet leren: je hebt talent nodig en een paar goede basisboeken zoals Greater Magic en The Tarbell Course in Magic. En als je die hebt gelezen moet je zelf aan de slag om originele acts te creëren, zelf attributen te maken, ervaring op te doen en je eigen stijl te vinden.
Het zelf maken van je attributen vind ik een basisvaardigheid voor een goochelaar, het is de enige manier om aan originele props te komen. Daarom heb ik daar op het afgelopen congres ook een workshop over gegeven.
In mijn streven naar originaliteit heb ik lang geleden een act met wasknijpers bedacht. Wasknijpers zijn anders dan normaal, maar er valt wel mee te manipuleren. De finale van die act zat goed in elkaar: één voor één zette ik de geproduceerde wasknijpers op de vingers van mijn rechterhand. Dan plots zat er op elke vinger van de linkerhand ook een knijper. Deze knijpers gingen in het wasmandje, ik pakte de einden van de waslijn die uit het mandje hingen, trok de waslijn uit de mand en dan zat al het wasgoed aan de waslijn vast met een knijper en stond ik in de applaushouding.
Wat vind u van de ontwikkelingen in ‘goochelland’?
Ontwikkelingen in de goochelwereld moet je economisch bekijken. Er ontstaat waar vraag naar is. Vroeger was dat variété, nu is het close-up. In de tijd van het variété was Nederland zeer succesvol op internationale wedstrijden. Toen het variété voorbij ging heeft de goochelwereld ook een dip gekend. Er waren weinig prijswinnaars, decennialang was er geen goochelaar in de theaters te vinden. Er zit zelfs een gat in leeftijden in de goochelwereld. Hans Kazan begon weer met een tour, toen Hans Klok, en nu staat het goochelen weer volop in de belangstelling. Verschillende goochelaars touren langs theaters, we winnen weer prijzen!
Wat ik vind van de wedstrijd van het afgelopen congres? De kwaliteit was laag en dat is altijd jammer. Mijn mooiste prijs was een derde prijs die ik won in 1963 in Oisterwijk, in hetzelfde jaar dat Henk Vermeyden zichzelf de eerste goudenspeld gaf. In de categorie Algemeen Goochelen deden dat jaar 20 deelnemers mee, en allemaal goede. Ik was trots juist door de kwaliteit van de tegenstanders… Maar afgelopen jaar? Ach, het is een golfbeweging, het wordt vanzelf weer beter.
Arjan van Vembde
Lijkt het u leuk om ook eens een interview te houden met een bijzondere goochelaar? Neem dan contact op: info@arjanvanvembde.nl