Rupsen en motten
Start Rupsen en motten Soorten Links Contact

 

Levenscyclus

In het voorjaar komen de motten vaak van buiten de kas in. Daar heerst meestal een goed klimaat voor ze en er is voldoende voedsel aanwezig. De wijfjes zetten hun eitjes af op bladeren, stengels, bloemen en ook wel op bladafval op de grond. Dit is afhankelijk van de soort, evenals het aantal eitjes dat ze bij elkaar afzetten. Sommige soorten leggen slechts één of enkele eitjes tegelijk, andere maken zogenaamde "eispiegels" die wel een paar honderd eitjes kunnen bevatten.

Na een aantal dagen komen uit de eitjes kleine larfjes, de rupsen. Zij doen hun hele leven niks anders dan eten. Om te kunnen groeien, moet een rups een aantal keren vervellen. Daarvoor trekt hij zich terug op een rustige plaats en gaat daarna weer verder met eten.

Wanneer de rups volgroeid is, zoekt hij een plekje op om zich te verpoppen. Sommige soorten spinnen een coconnetje, andere rollen een blad op met behulp van spinseldraden en weer andere bouwen een "hutje" van dode plantenresten. Tijdens het verpoppen ondergaat de rups een volledige gedaanteverwisseling.

Uit de pop komt tenslotte de volwassen mot. Vrij snel na het uitkomen wordt er gepaard. De mannetjes vinden de wijfjes  door middel van geurstoffen, de zogenaamde feromonen. Na het paren kan het wijfje eitjes gaan leggen. Volwassen motten leven van nectar, maar eten zeer weinig in verhouding tot de rupsen. Ze hoeven niet meer te groeien, maar hebben wel energie nodig om te vliegen.

Motten kunnen als pop of eitje overwinteren. In het voorjaar, als de temperatuur weer oploopt, zie je de motten weer verschijnen. In de kas kan het klimaat zodanig zijn dat ze helemaal niet overwinteren. Dan zijn alle stadia het hele jaar door aanwezig, maar de ontwikkeling zal in de winter trager zijn.

De duur van de verschillende stadia van de cyclus verschilt van soort tot soort. Ook het klimaat en het voedselaanbod is hierop sterk van invloed. Er zijn soorten met maar één generatie per jaar, maar ook met tien.

 

Uiterlijk

Motten zijn nachtvlinders en daarom vaak onopvallend van kleur. Ze zijn meestal bruin of grijs met een tekening op de voorvleugels. De motten worden onderscheiden in drie groepen: uilen, bladrollers en spanners. De laatste twee benamingen verwijzen naar het gedrag van de rupsen.

tekvlinder.gif (18974 bytes)

rusthouding
a = uilen - hoog dakvormig
b = bladrollers - plat
c = spanner - plat, driehoekig

De eitjes zijn glazig wit, lichtgeel of -groen en rond of ovaal van vorm. De ene mottensoort legt mooie bolvormige eitjes, de andere meer afgeplatte.

De rupsen van de verschillende soorten lijken soms erg op elkaar. Om ze te kunnen onderscheiden, wordt meestal gekeken naar het aantal (buik)poten, de kleur en de tekening. Ook de hoeveelheid rupsen (of eitjes) bij elkaar en het schadebeeld zegt veel over de soort. Sommige soorten vreten grote gaten in het blad, andere schrapen alleen de bovenste laagjes eraf, zodat er een raampje ontstaat (venstervraat).

tekwrups.gif (9983 bytes)

ware rups (16 poten) drie paar borstpoten,
vijf paar achterlijfspoten

tekwrbl.gif (8809 bytes)

ware rups (16 poten)
(bladrollerrups)
platte kop, beweegt
snel, ook achterwaarts

tekspan.gif (10385 bytes)

spanrups (10 poten) drie paar borstpoten,
twee paar achterlijfspoten

tekpseudo.gif (9543 bytes)

pseudospanrups (12 poten) drie paar borstpoten,
drie paar achterlijfspoten

De poppen zijn meestal bruin tot zwart. Ze zijn vaak moeilijk te vinden omdat ze zich op onopvallende plaatsen bevinden. Ze hangen goed verscholen aan een blad of stengel, of liggen op of in de grond.