Remembering George Orwell
1903, June 25. - 1950, January 21.



Ik kan nooit meer zingen zegt de dokter

George Orwell, een schrijver uit het grensgebied

door Jan Blokker
NRC
18 januari 1991

George Orwell was geen groot romancier, maar wel een bijzonder schrijver. "Zodra hij niet het gevoel had dat hij iets moest afleveren aan de eeuwigheid was er sprake van een totaal andere Orwell: dan werd hij scherp, boos, vrolijk, scherpzinnig, soms ook volstrekt mallotig, maar altijd levend." Hij ging vechten in de Spaanse burgeroorlog, vond Stalin een schurk, haatte Churchill maar slaagde er niet in een hekel aan Hitler te hebben.

Als de Pers werkelijk de koningin van de aarde was -wat zouden journalisten dan eigenlijk precies zijn? Generaals? Lakeien? Opperstalmeesters? Hofdames? Potemkins? Schoenpoetsers? Misschien van alles een beetje. Een journalist -en dat lijkt me een wezenskenmerk van het ambacht –is meestal een aantal andere dingen bijna ook: bijna een kluizenaar, bijna een man van de wereld, bijna een buitenstaander, bijna een deel van de macht, bijna een historicus, bijna een schrijver.
In statusgevoelige samenlevingen, waar men gesteld is op een ordelijke en overzichtelijke sociale hiërarchie, kan dat problemen geven. In Nederland bijvoorbeeld heeft het om die reden tussen journalistiek en literatuur, tussen journalistiek en wetenschap, tussen journalistiek en politiek, nooit erg willen boteren. Niet lang geleden zag ik de commissaris van de koningin in Flevoland -zelf ooit werkzaam geweest als krullenjongen bij een Rotterdams boulevardblad –zich op televisie verschrikkelijk opwinden over de wijze waarop 'de' kranten verslag hadden gedaan van een voedselactie waarvoor hij bestuurlijke arbeid had verricht. Van nobele bekommernis over de journalistieke erecode was geen sprake -dat zag je meteen: hier zat een bikkelharde regent die zich in zijn regentenkraag gepikt voelde.
Laten we vaststellen dat in Nederland al een lange samenwerkingstraditie bestaat tussen schrijvers en journalistiek, maar dat er van de kant van de schrijvers nooit met veel warmte aan is teruggedacht. Busken Huet begon in 1878 een voordracht op een Internationaal Letterkundig Congres in Parijs met een klaagzang over het feit dat "een Nederlandsch auteur van gemiddelde vruchtbaarheid wellicht één jaar kan leven van wat hij in tien jaar produceert", en dus wel verplicht was zijn kostbare tijd te verdoen aan een broodwinning buiten de literatuur. "Ikzelf', bekende hij zijn internationale kunstbroeders in deemoed, "leef van een dagblad" -en hij was daar niét trots op, hij beschouwde het als een bezigheid beneden zijn stand.
Datzelfde beeld is overgeleverd van de talrijke auteurs die zich in de crisisjaren van het interbellum staande moesten zien te houden met bijbaantjes in de journalistiek: Ter Braak, Van Vriesland, Van Duinkerken, Houwink, A.M. de Jong, Vestdijk -de één heeft het misschien wat minder erg gevonden dan de ander, maar hun eigenlijke roeping zagen ze toch duidelijk buiten de redactielokalen. Er zijn langzamerhand weliswaar niet veel dag- of weekbladen meer waarin Willem Frederik Hermans niét heeft gepubliceerd, maar hij is tot op deze dag koppig van 'hoernalistiek' blijven spreken, en hij zal niets terug willen nemen van wat hij al jaren geleden vond: "De journalist formuleert wat de massa denkt, de schrijver bestrijdt wat de massa denkt en brengt aan het licht wat de massa niet durft te denken."
De conclusie zou kunnen zijn dat in Nederland eerder een scherpe scheiding, dan een grensgebied tussen literatuur en journalistiek aanwezig is. Daar komt nog iets opmerkelijks bij. De Nederlandse dagbladcultuur heeft zich in de afgelopen twintig jaar kwantitatief én kwalitatief groeizaam ontwikkeld, en voortgebracht wat Bert Poll ooit aanduidde als een weelderige bijvoegselfilosofie -maar de scheiding tussen letteren en journalistiek is er naar mijn waarneming niet minder op geworden, integendeel. Tussen grof gezegd 1920 en 1960 zocht bijvoorbeeld elke krant voor haar literaire rubriek een auteur, van op z’n minst enige letterkundige reputatie. Dat is voorbij. Mulisch, Reve, Wolkers, Van der Heijden of Oek de Jong -als die nog bestaat - hebben de traditie van de Ter Braken, Vestdijken en Ab Vissers niet voortgezet; ze zijn zoals we uit recente discussies weten verdrongen door een bende Neerlandici, of ze hebben stipendia, of ze verdienen aan hun 'gemiddelde vruchtbaarheid' meer dan waarvan Busken Huet ooit heeft durven dromen -of ze hebben er domweg geen aardigheid in van een dagblad te leven.

Traditioneel is het grensgebied altijd haast overbevolkt geweest in landen als Amerika, dat egalitaire paradijs waar sociale of culturele etikettering minder een rol speelt -en Engeland waar, dunkt mij, de journalistiek altijd een dominanter en gezaghebbender rol heeft genoten. Of het daaraan precies, of alleen ligt, laat ik in het midden: het lijkt me een onderwerp waarop een pers- of literatuurwetenschapper nog maar eens moet afstuderen. Waarbij het mij, maar dat zeg ik voorlopig even in de kantlijn, zou interesseren of er een zekere causaliteit zou kunnen bestaan tussen de volte van het grensgebied, de 'standing' van de journalistiek en de literaire kwaliteit van de schrijvers die dat grensgebied hebben opgezocht.
Mijn interesse naar zo’n eventuele samenhang werd in de afgelopen weken gewekt toen ik het letterkundige werk doornam van George Orwell, eigenlijk Eric Blair, geboren in een zomers, volop koloniaal India - die 'jewel in the crown' - en gestorven op een treurige, koude januaridag in Londen. Orwells oeuvre is allerminst onafzienbaar, maar dat is niet verwonderlijk voor een schrijver die nog 47 moest worden toen hij doodging.
Zijn strikt-literaire produktie –of laten we zeggen de produktie die hijzelf aanmerkte als strikt-literair -behelsde zes romans, en één satirisch sprookje. Ik heb die boeken nog eens doorgelezen, of doorgebladerd, en ik vond het nauwelijks een pretje. Ik kan het verkeerd hebben, ik acht het ook lang niet uitgesloten dat Maarten ’t Hart nog eens met een artikel komt waarin hij schrijft dat hij Multatuli, Joyce, Kafka en Thomas Mann cadeau doet voor A Clergyman's Daughter of The Road to Wigan Pier, -maar ik heb er ternauwernood enig literair genoegen aan beleefd.
Orwells eerste romans - z’n debuut heette Down and Out in Paris and London – laten ons een sociaal bewogen razende reporter zien, iets tussen Egon Erwin Kisch, Ilja Ehrenburg en Jef Last in: de stijl van wat we in Nederland de Nieuwe Zakelijkheid noemden, en die we nu misschien, als New Journalism zouden aanduiden, maar met de aantekening dat er wel degelijk de pretentie, of in ieder geval de ambitie achter stak om aan de beschreven werkelijkheid -van die twee grote steden, van de misère in Engelse depressiestadjes - op literaire wijze te ontstijgen.
Wat de boeken in aangename zin onderscheidde van wat op dat gebied in de jaren dertig haast per strekkende meter in Europa werd geproduceerd, was een zekere gewoonheid, een treffend gevoel voor saillante details, én een soort geestigheid die in de traditie van die Nieuwe Zakelijkheid - Bordewijk wat mij betreft uitgezonderd - heel zeldzaam was.
Gevoel voor humor had Orwell onder alle omstandigheden -misschien juist wel onder barre omstandigheden, want hij had, als veel Engelsen, een ontberingscomplex. In de Spaanse burgeroorlog raakte hij gewond aan het front in Aragon: door een kogel die ongeveer dwars door z'n,keel schoot, op een haar na z’n strottehoofd raakte, en in het hospitaal schreef hij stoïcijns aan een vriend: "De dokter denkt dat ik nooit meer zal kunnen praten" - maar na twee dagen bleek het mee te vallen, en hij schreef: "Niks aan de hand; de dokter zegt dat ik nooit meer zal kunnen zingen."
Een literair oordeel over Orwells beroemdste roman, 1984, is lange tijd bemoeilijkt omdat het boek een niet gering aantal connotaties opriep die de aandacht nogal afleidde van de louter letterkundige kwaliteiten. Mij viel dezer dagen weer op hoe tractaterig het eigenlijk is - en hoe machteloos de schrijver op zijn ongerieflijk ziekbed achter op de Hebriden geprobeerd heeft enig leven in de brouwerij van zijn schema te krijgen. Winston Smith, de heilige Julia, de boosaardige O'Brien - het zijn allemaal houten klazen in een angstaanjagende wereld, en van die wereld is wel tamelijk precies de totalitaire technologie beschreven, maar er komt verder geen herkenbaar mens of geen herkenbare situatie in voor.
Als sciencefiction fantast leed Orwell aan hetzelfde euvel als waaraan die tak van literatuur sinds Jules Verne heeft geleden: hij kon wel de techniek, maar absoluut niet de maatschappelijke werkelijkheid extrapoleren, wel de inhoud, niet de vorm, wel de hardware, niet de software. Jules Verne kon wel verzinnen dat mensen naar de maan zouden vliegen, maar hij dacht dat ze naar de maan zouden vliegen in een soort gietijzeren ballon, en dat ze nog altijd een hoge hoed zouden dragen, en als goede Victoriaanse Engelsen ook altijd de whisttafel mee aan boord zouden nemen.
Na het literaire werk te hebben doorgenomen, sloeg ik de vier delen Collected Essays, Journalism and Letters of George Orwell nog eens op, en ik was onmiddellijk weer een gefascineerde lezer. Zodra hij niet het gevoel had dat hij iets moest afleveren aan de eeuwigheid -en de pen opnam om een brief te schrijven, of een artikeltje voor de Partisan Review, voor Time and Tide of later vooral voor The Tribune, was er sprake van een totaal andere Orwell: dan werd hij scherp, boos, vrolijk, scherpzinnig, soms ook volstrekt mallotig, maar altijd levend.
Bij alle profetische gaven die men hem na 1984 heeft toegedicht, was hij een slecht profeet. Dat hij - terecht -in Stalin een verderfelijke boef zag, maakte hem nogal blind voor wat Hitier te weeg zou kunnen brengen. Nog in maart 1940 -Polen was al veroverd, Engeland beleefde z'n phoney war met de Duitsers - recenseerde hij in de New English Weekly een heruitgave van Mein Kampf. Over Hitler deed hij heel relativerend. Hij schreef: "ik wil hier wel voor gezegd houden dat ik er nooit in ben geslaagd een hekel aan Hitler te krijgen. Sinds hij aan de macht is gekomen heb ik wel altijd gedacht dat ik hem waarschijnlijk zou vermoorden als ik de kans kreeg, maar ik heb nooit een persoonlijk soort afkeer voor hem kunnen voelen. Er zit iets heel aandoenlijks aan hem."
Hitler liep naar Orwells indruk wel los -hij had meer de pest aan Churchill over wie hij in dezelfde tijd schreef dat die 'poseerde als een democraat'. Het is merkwaardig en veelzeggend dat de jodenvervolging in Duitsland en later de rest van Europa, geen enkele rol speelt in zijn beschouwingen -en uit die beschouwingen blijkt toch dat hij, zeker al vanaf 1936, met z'n neus bovenop de actuele ontwikkelingen in de wereld heeft gezeten.
Er is maar één verklaring –en die heeft te maken met zijn volstrekte gefixeerdheid op wat hij als de gevaarlijke anti-revolutionaire kracht in z'n wereld zag: het communisme in Moskou. Waarom Orwell in 1936 naar Spanje wilde is niet helemaal zeker. Natuurlijk speelde de ideële overwegingen een rol -maar het is niet helemaal schandelijk te veronderstellen dat hij na z'n ontberingsavonturen in Parijs, Londen en de Engelse mijnstreken, aan een niéuwe ontbering toe was. Hij was bovendien 33. Voor duizenden van zijn generatie was Spanje natuurlijk ook een avontuur, naast het eerbare verlangen om in een ogenschijnlijk zuiver conflict tussen Goed en Kwaad partij te kiezen.

Soldaat
Aan Orwell zou nooit de glorie van een Hemingway zijn besteed. Die hing, omringd door vrouwen en whisky, de grand seigneur uit in Madrid waar ook de wereldpers present was. Orwell verdween als anonieme milicien, temidden van een zootje tamelijk ongeregeld, naar de Sierra de Alcubierre, ten westen van Barcelona –geen lid van de glorieuze Internationale, maar soldaat van een obscuur links groepje.
Dé ontbering kwam toen Orwell, ontslagen uit het hospitaal in Lerida, even terugkeerde naar z'n onderdeel in Barcelona, en daar moest onderduiken. Moskou had inmiddels ontdekt dat alle anarchisten eigenlijk handlangers waren van Franco, en als vijanden van de Republiek moesten worden uitgeroeid. Orwell beleefde 'de korte zomer van de anarchie' en de volstrekt oprechte Engelsman die naar Spanje was gekomen om aan de Goede zijde aan een zuivere oorlog deel te nemen, moest het land als een dief in de nacht ontvluchten omdat hij aan die goede zijde verdacht was gemaakt als een verrader.
Ik ben er altijd van uitgegaan dat in 1937 het concept is ontstaan van de roman waarmee Orwell elf jaar later beroemd zou worden. Wat hem toen op de rand van gek maakte was het feit dat hij, terug in Engeland, niemand vond die hem wilde geloven. Integendeel. In de linkse, volksfrontachtige beeldvorming buiten Spanje werd klakkeloos aangenomen dat de Catalaanse dissidenten bij wie Orwell zich had aangesloten inderdaad provocateurs voor Franco waren geweest -of zich in ieder geval dusdanig roekeloos hadden opgesteld dat ze, om realpolitische redenen, terecht door de Russen onschadelijk waren gemaakt. Orwell las terug thuis de kranten van zijn al dan niet onmiddellijke medestanders en hij wist dat de nieuwsberichten, de verslagen en de opinies over Barcelona gelogen waren, of dat de waarheid er op z’n minst onvolledig, of gemanipuleerd in tot uitdrukking kwam.
Hij had maar één middel om wat terug te doen -hij begon te schrijven. Met engelengeduld, met grote stilistische zorgvuldigheid en met een haast ongeloofwaardige objectiviteit -niet als de in de linkse kring min of meer gekende en gerespecteerde romanschrijver, maar als een journalist. Met Homage to Catalonia betrad Orwell het grensgebied.
We weten wat de centrale nachtmerrie was in 1984 -die zit in wat O'Brien in het eerste verhoor zegt: " Verbeeld je nou maar niet: dat het nageslacht je zal wreken, Winston. Het nageslacht zal nooit van je horen. Je zult doodeenvoudig uit de geschiedenis worden verwijderd. We zullen je in damp veranderen en je als damp de stratosfeer inblazen." De doodsangst van iemand die niet zozeer de bedreiging van z'n leven vreest, maar de bedreiging dat z'n leven er niet geweest zou zijn. Orwell schreef Saluut aan Catalonië om z'n waarheid te redden -en tien jaar later schreef hij 1984 in de sombere zekerheid dat ook waarheden via het memory-hole voor eeuwig zouden kunnen worden weggeblazen.
Wat Orwell aan artikelen, essays en brieven heeft geschreven behelst heel veel mallotigs, heel veel scherpzinnigs en heel veel dat verrast -maar dat zich, en dat is het belangrijkst, nog altijd laat lezen alsof het gevoegd kan worden binnen hedendaagse sociaal-politieke of culturele polemieken die tenslotte naast allerlei scherpzinnigs en verrassends ook veel mallotigs bevatten.
Z'n eigenaardige, haast ongerijmde liefde voor het eigen land -verzameld in opstellen over The English People -is kinderlijk, ontroerend en ineens ook hartverwarmend: je had hem gegund dat hij Thatcher nog had mogen meemaken -en hij zou misschien, bij al z'n tegenzin, iets in haar ontdekt hebben dat ook van zijn eigen, Engelse zelf was.
Orwell was een schrijver uit het grensgebied -ik zou durven zeggen: bij uitsluiting een schrijver uit het grensgebied. Maar terwijl ik dat zeg, schrik ik van de gedachte dat ik daarmee bijna een theorie heb geformuleerd. De theorie zou luidden dat we in het grensgebied dat hier aan de orde is de onderkant van de literatuur en de bovenkant van de journalistiek tegenkomen.

Dit artikel is de bekorte versie van een lezing die gehouden werd in de serie Literatuur en journalistiek, georganiseerd door de  SLAA in samenwerking met NRC Handelsblad.




back  to the Orwell home page