Remembering George Orwell
1903, June 25. - 1950, January 21.


Slagen is afstotelijk
In zijn essays durfde George Orwell alles
door Joost Zwagerman

NRC Handelsblad
27 juni 2003


Achtendertig namen stonden op de lijst die George Orwell bijhield van volgens hem communistische prominenten. Een smet op het blazoen van de deze week honderd jaar geleden geboren schrijver die onder fijnproevers nog steeds geldt als Geheimtip.


Was George Orwell een verklikker? Uitgerekend in de week dat zijn honderdste geboortedag wordt herdacht, werd de volledige lijst bekend die Orwell bijhield van Britse prominenten die hij van communistische sympathieën verdacht. Die lijst met 38 namen had hij aanvankelijk voor zichzelf opgesteld. Maar op verzoek van een jonge medewerkster van het Britse ministerie van Buitenlandse Zaken gaf Orwell in 1949 een aantal namen op die lijst door aan de inlichtingendienst van dat ministerie. Het waren niet de minsten die op die lijst stonden: Charlie Chaplin, schrijver J.B. Priestley, de Schotse dichter Hugh McDiarmid en de acteur Michael Redgrave, onder anderen. Fris was die lijst natuurlijk allerminst, en het werpt zeker een smet op Orwells blazoen.
Toch wordt deze week overal in de Engelse pers benadrukt dat Orwell allesbehalve een Britse McCarthy was. Voor zover valt na te gaan, heeft de inlichtingendienst niets met die lijst gedaan. Verder was er, om met Renate Dorrestein te spreken, liehiefde in het spel. Orwell was hopeloos verliefd op de medewerkster van het ministerie, Celia Kirwan. Zij was een van de vijf vrouwen die hij vanaf zijn ziekbed met een voor hem onkarakteristiek aplomb ten huwelijk had gevraagd. Orwell wilde overigens niet dat die mensen op zijn lijst ook maar het minst in hun vrijheid zouden worden belemmerd; wel was het hem een gruwel dat de Labour Party van een sociaal-democatische partij zou versmallen tot een stalinistisch bolwerk. De meesten van de achtendertig namen op de lijst leven niet meer, maar Norman Mackenzie, een nestor van Labour, nog wél. Mackerizie zei deze week in een reactie dat Orwells tuberculose hem minder toerekeningsvatbaar maakte: " Tubercular people often could get very strange towards the end." Verder wil Mackenzie geen kwaad woord horen over Orwell, want: "I'm an Orwell man." Overigens is gebleken dat er inderdaad drie sovjet-spionnen op de lijst van Orwell stonden.

De media-aandacht voor Orwells blacklist geeft wel aan wat zijn statuur nog altijd is in Engeland. Enkele weken voor zijn geboortedag -25 juni -verschenen maar liefst twee nieuwe Orwell-biografieën, en dat terwijl er al drie waren. De eerste, George Orwell (1980) door Bernard Crick, is nog steeds moeilijk te overtreffen als het gaat om het bijeenbrengen van feitenmateriaal en om politiek inzicht. Sindsdien publiceerden Michael Shelden in 1992 en Jeffrey Meyers in 2002 Orwell-biografieën. Wat D.J. Taylor en Gordon Bowker heeft bewogen om het werk van deze drie nog eens over te doen, blijft ook na lezing van Orwell en Orwell. The Life onduidelijk. Nieuwe feiten of interpretaties hebben de twee niet of nauwelijks te bieden, of het zou Bowkers onthulling moeten zijn over twee of drie nog niet eerder opgespoorde vriendinnetjes.
D.J. Taylor roert de trom over wat hij Orwell's dirty little secret noemt: Orwell zou er antisemitische sentimenten op na hebben gehouden. Taylor leunt daarbij zwaar op Orwells debuutroman, Down and Out in Paris and London (1933). Daar komen in het voorbijgaan namelijk een paar keer ongure types voor, die door de hoofdfiguur vanwege hun uiterlijk als joods worden geïdentificeerd. Maar Taylor weet natuurlijk ook wel dat in Down and Out uitsluitend ongure types voorkomen. De joodse figuranten onderscheiden zich dus in niets van alle anderen in het boek. Opmerkelijker zijn de stereotypen en clichés over joden die Orwell zich incidenteel in brieven permitteerde. Maar slechte smaak en vooroordelen maken iemand nog geen antisemiet. Die vooroordelen zette Orwell overigens in de loop van de jaren met gepaste zelfkritiek radicaal overboord. En na Hitlers machtsovername is er geen andere Britse schrijver die het antisemitisme in zoveel pamfletten en artikelen heeft veroordeeld. Toch heeft Taylor een mini-hoofdstuk de suggestieve titel 'Orwell and the Jews' meegegeven. Het is een hoofdstuk dat van suggestie soms ontspoort in insinuatie en vormt daardoor een gemene kerf in zijn met Schwung geschreven biografie.

Na 1984 is meer dan eens beweerd dat Orwells meestgelezen roman Nineteen Eighty-Four niet langer aantrekkingskracht uit zou oefenen op de lezer nu de voorspellingen in dat boek konden worden getoetst aan de werkelijkheid. Na 1989 kwam daar het argument bij dat de laatste van de drie draken waartegen Orwell had gestreden - het Britse imperialisme, het fascisme, het communisme -met het vallen van de Berlijnse Muur voorgoed tot het verleden behoorde. Waarom dan nog Orwell lezen? Orwell zou toch eigenlijk meer journalist en pamflettist dan schrijver zijn geweest.
Het was - en is nog altijd – makkelijk Orwell weg te zetten als zure moraaltheoloog, die niet schreef met de pen maar met de opgeheven vinger. Intussen dacht George Orwell heel wat genuanceerder over de verhouding tussen literatuur en politiek engagement dan algemeen wordt aangenomen. In het essay 'Why I write' uit 1946 verklaarde hij: 'I could not do the work of writing a book or even a long magazine article, if it were not also an aesthetic experience.' In een ander essay, 'Writer and Leviathan', benadrukte hij dat een schrijver altijd eenling moest zijn en blijven, 'an outsider, [...] an unwelcome guerilla on the flank of a regular army'.
Helaas blijft het vaak bij een evaluatie van zijn politiek engagement wanneer Orwells oeuvre de maat wordt genomen. De essayist Timothy Garton Ash, die Orwells blacklist als eerste in handen kreeg, noemde Orwell ook deze week nog eens de invloedrijkste politieke schrijver van de twintigste eeuw: hij blijft overeind als exempel, of schrijfmodel, van politieke teksten. In de literatuur vormt zo'n lovend bedoelde kwalificatie niet bepaald een stevige basis om overeind te blijven. Maar een substantieel deel van zijn oeuvre, in het bijzonder zijn essays en non-fictie, blijft dat wel degelijk vanwege zijn meesterlijke stijl.
Orwell-lezers zijn er grosso modo in drie groepen, waarvan de eerste groep overweldigend groot in aantal is. Het zijn de miljoenen die Orwell uitsluitend kennen van Nineteen Eighty-Four en Animal Farm. Deze lezers hechten niet aan Orwell de pamflettist, maar aan Orwell de pessimist. Zij lezen Nineteen Eighty-Four als de nachtmerrie van een angstkunstenaar, met Oceanië in het algemeen en de martelingen in Kamer 101 in het bijzonder als metaforen voor een tijdloos en universeel Kwaad, de gitzwarte uitbeelding van la condition humaine.
De loskoppeling van Nineteen Eighty-Four van het stalinistische schrikbewind waar de schrijver zijn pijlen op had gericht, is een doorn in het oog voor de tweede categorie Orwell-lezers. Die is het best te typeren als de verzameling 'beroepsorwellianen'. De gemiddelde beroepsorwelliaan neemt Orwell-de-pamflettist graag tot in ieder autobiografisch detail de maat. Orwells ervaringen in Spanje tijdens de Burgeroorlog vormen vrijwel altijd de kern van hun onderlinge polemiek. Orwell was de Spaanse burgeroorlog ingegaan als idealistische vrijheidsstrijder en kwam eruit als rabiate communistenhater.
Betekende zijn grote ergernis over de blinde vlek onder linkse intellectuelen in het Westen voor het stalinisme dat hij zich tegen wil en dank ontpopte als een aanhanger van Britse conservatieven? Dát is de vraag die er: voor de beroepsorwelliaan toe doet. De rest is literaire franje. Christopher Hitchens is zo'n beroepsorwelliaan. In het polemische essay Orwells Victory (2002) haalt Hitchens zijn neus op voor de lezer die het waagt zijn Orwell te bezwadderen door een vals-romantische lezing van zijn twee bestsellers: 'I sometimes feel as if George Orwell requires extricating from [...] moist hankies; an object of sickly veneration and sentimental overpraise, employed to stultify schoolchildren with his insufferable rightness and purity.'
Volgens beroepsorwellianen als Hitchens moet Orwell sowieso worden gered uit de handen van velen, en dan in de eerste plaats uit die van conservatieven en neoconservatieven. In de jaren tachtig beweerde de conservatieve literatuurcriticus Norman Podhoretz dat, als Orwell vandaag nog in leven zou zijn geweest, hij de kant van de neoconservatieven zou hebben gekozen. De persoonlijkheid van Orwell werkt dit getouwtrek in de hand. De vurige aanhanger van het democratisch socialisme was tenslotte ook een monkelende conservatief die zich stoorde aan de vulgariteit van het moderne leven. Gordon Bowker heeft het korte zelfportret opgediept dat Orwell in 1940 op verzoek van een Amerikaans literair naslagwerk opstelde. Dat bestaat uit een opsomming van genoegens en ongenoegens. Orwell zei erg te houden van eerlijk en eenvoudig werk op het platteland, van Franse rode wijn, zware tabak, kaarslicht, comfortabele stoelen en de Engelse keuken (sic!). Hij had een hekel aan grote steden, lawaai, auto's, de radio, voedsel-in-blik, centrale verwarming en designmeubelen - kortom: aan de Vooruitgang. Uit de opsomming rijst een beeld op van iemand die onmiskenbaar de trekken vertoont van een misantrope mopperaar die onder het genot van een goedkoop glas wijn de moderne tijden bekreunt, maar evengoed is het een zelftypering van een milieuactivist die zweert bij biologisch-dynamische voeding.

In de jaren dertig leefde Orwell bijna twee jaar lang in Parijs tussen de allerarmsten, werklozen, zwervers, hoeren en straatboefjes. Dat is erg lang om nog te spreken van literair veldwerk. Die jaren vormen de basis voor Down and Out in Paris and London, zijn semi-schelmenroman over het leven aan de onderkant van de samenleving. Armoede is spirituele onwelriekendheid, staat er in Down and Out in Paris and London. Orwell haatte de geuren die anderen soms kunnen verspreiden, maar de kennelijke spiritualiteit van het geregisseerde martelaarschap liet hij zich goed smaken. De zelfgezochte ontberingen in Parijs vormden geen incident. Na zijn schooljaren op het elitaire Eton en lang voordat hij zich het befaamde pseudoniem George Orwell zou aanmeten, besloot Eric Blair om niet naar de universiteit te gaan. In plaats daarvan vertrok hij naar Birma, toen nog een Britse kolonie, en kreeg een niet zo bijzondere functie bij de keizerlijke politie. Daar ontwikkelde hij een levenslange aversie tegen het kolonialisme.
De reeks van opgezochte ontberingen wekt de indruk van een langzame zelfontbranding. Toen hij na de Tweede Wereldoorlog aan tuberculose bleek te lijden, zocht Orwell geen heil in warmere oorden, en dat terwijl hij voordien een tijdje in Marokko had gewoond. In plaats daarvan koos hij voor het gure eiland Jura in Schotland. Biograaf Jeffrey Meyers noemde zijn vervallen landhuis op Jura 'zijn zelfmoordstek.' Onder barre omstandigheden voltooide Orwell er Nineteen Eighty-Four. In een afgesloten en onverwarmde kamer rookte hij steviger dan ooit zijn zware shag. Hij overleed toen hij nog maar achtenveertig was. Had hij het roken gestaakt of zelfs maar geminderd, dan had hij zeker langer geleefd.
De herhaalde zelfkastijdingwas Orwell aan zichzelf verplicht, als een soort omgekeerd noblesse oblige: armoede adelt. Zijn vijf ellendige jaren in Birma hadden dat schuldgevoel alleen maar aangewakkerd. Orwell wijdde er een passage aan in The Road to Wigan Pier, zijn grote reportage over mijnwerkers in Noord-Engeland: 'Vijf jaar lang was ik een onderdeel geweest van een onderdrukkingssysteem en daar had ik een kwaad geweten aan overgehouden [...] In die tijd scheen mislukken mij de enige manier om deugdzaam te leven. Iedere gedachte aan maatschappelijke vooruitgang, aan een slagen in het leven [...], scheen mij geestelijk afstotelijk toe, een soort tirannie."
Armoede en ontberingen als aflaat. George Orwell stelde het schrijven van literatuur in dienst van die aflaat. Schrijven was een intensieve vorm van boete-doening. Schrijven was voor hem óók: falen, voortdurend en onvermijdelijk. In 'Why I write' liet Orwell zich ontvallen dat het schrijven van een boek altijd uitloopt op een mislukking. En even verderop verzuchtte hij: 'Writing a book is a horrible, exhausting struggle, like a long bout of some painful illness. One would never undertake such a thing if one were not driven by some demon whom can neither resist nor understand.' Het is een verzuchting die we associëren met poetes maudits. Orwell worstelde wel degelijk met vormkwesties en met de toeëigening van een zo helder en onopgesmukt mogelijke schrijfstijl.

Het aantal Orwell-liefhebbers dat hem eerst en vooral leest vanwege die stijl is met zo heel groot, is mijn ervaring. Deze liefhebbers vormen de derde groep Orwell-lezers. Onderling beschouwen zij Orwell als hun Geheimtip. Hoe moet je die derde categorie noemen? De rekkelijken, misschien, in vergelijking met de preciezen uit de tweede categorie. De rekkelijken brengen in de regel weinig waardering op voor zijn romans. Zij vinden Orwells non-fictie - zijn essays, commentaren, autobiografische opstellen en columns -het beste dat hij heeft geschreven. Wie waren en zijn zoal die rekkelijken? In Amerika: Lionel Trilling en Mary McCarthy. In Engeland: V.S. Pritchett, John Bayley, Martin Amis. In Nederland: Jan Blokker, Martin van Amerongen, Carel Peeters, en ik vermoed ook Kees Fens en Henk Hofland. De meeste van deze rekkelijken zijn of dood of ze zijn de jongsten niet meer. Dat is hun schuld niet, maar wel is het opmerkelijk dat er, in tegenstelling tot in Engeland en Amerika, in Nederland niet of nauwelijks jongere schrijvers zijn die zichzelf tot deze derde groep van Orwell-lezers rekenen.
Orwell de romancier formuleerde op zijn zwakke momenten schools, inwisselbaar en vaak ook ronduit saai. Tot het einde toe leek hij een tikje geïntimideerd door het genre van de roman. In zijn essays durfde Orwell alles -en hij kón daardoor ook alles. Niet gehinderd door enig ontzag voor het genre schreef Orwell er trefzeker op los, eerlijk, compromisloos. In de keuze van zijn onderwerpen was Orwell de essayist nooit snobistisch en altijd alert. Niets was hem te min of laag bij de gronds. Dat laatste blijkt uit voorbeeldige stukken als 'The Art of Donald McGill' en 'Boys weeklies'. Donald McGill was een populair tekenaar van vaak schuine cartoons en prentbriefkaarten. De 'boys weeklies' - de toenmalige bladen a la Maxim en Hitkrant - waren het eveneens waard om te analyseren, Orwell stak er evenveel tijd en energie in als in zijn stukken over Shakespeare, Arthur Koestler en W.B Yeats.
Vanwege zijn essays is Orwell weleens omschreven als de literaire grondlegger van de culturele studies. Zijn manier van essayeren over populaire cultuur heeft onmiskenbaar school gemaakt, in Engeland en daarbuiten. In variatie op de uitspraak van Podhoretz: als Orwell in onze tijd zou hebben geleefd, dan had hij essays geschreven over de Amerikaans-Britse invasie in Irak, de kunst van Tracey Emin, het Eurovisie Songfestival, de behoudzucht van Roger Scrutori, het volkse dandyisme van David Beckham en het drilboorproza van Irvine Welsh. En in die stukken zou Orwell dan terloops een paar droge grappen hebben gemaakt. Want dat is ook een kwaliteit van Orwell die nog veel te weinig wordt onderkend: zijn gevoel voor humor. Toegegeven, het is wel even zoeken naar de humor bij Orwell. Maar zijn droogkomische talent blijkt bijvoorbeeld bij vlagen al uit Orwells vroege roman Keep the Aspidistra Flying, waarvan de hoofdfiguur Gordon Comstock een gezellig neefje van Frits van Egters lijkt. Middenin het boek spreekt Gordon een aforisme uit dat Orwells eigen sympathieën met het democratisch socialisme in één pennenstreek ridiculiseert: 'Er bestaat maar één bezwaar tegen het socialisme en dat is dat niemand er behoefte aan heeft.'






Reactie op dit artikel door Rob Hartmans in De Groene Amsterdammer, 5 juli 2003.

Lees ook: Joustra, RD, 26 juni 2003 en Etty, NRC, 28 juni 2003.



back  to the Orwell home page