Remembering George Orwell
1903, June 25. - 1950, January 21.


WAAROM LEEFDE ORWELL
PERSOONLIJKE HERINNERINGEN VAN T.R. FYVEL

door  KAREL VAN HET REVE

NRC Handelsblad
28 januari 1983

Er schijnt een boek van Maurits Dekker te zijn dat Moeder, waarom leven wij? heet. Op die vraag is eigenlijk nooit een bevredigend antwoord gekomen. De meeste geleerden zijn het er wel over eens dat zulk een antwoord niet gegeven kan worden als men zich tenminste niet aan boerenbedrog wil schuldig maken.
Terwijl die 'grote' vraag onbeantwoord blijft en men ook wel inziet dat daar weinig aan te doen is verwacht men echter wel op allerlei 'kleine' vragen een antwoord. Dezelfde mensen die begrijpen dat 'waarom leven wij?' eigenlijk een zinloze vraag is stellen zonder zich een ogenblik te bedenken vragen als 'waarom fotograferen wij?' of 'waarom eten wij kaas?' en denken in volle ernst dat daar een antwoord op mogelijk is.
Vooral bij het lezen van biografieën word je getroffen door de gretigheid waarom men gelooft dat er een antwoord op zo'n vraag bestaat. 'Waarom leefde Orwell?' - dat vraag je niet. Maar je vraagt wel 'waarom ging hij naar Burma?' of 'waarom trouwde hij met Sonia Brownell?' of 'waarom gaf hij zich zo veel moeite in slechte behuizingen te wonen?' Op de keper beschouwd zijn die vragen even moeilijk als 'waarom bestaat het heelal?'
Naarmate je overigens die grote vraag groter en zo'n 'kleine' vraag kleiner maakt wordt het interessanter, vind ik. 'Moeder, waarom leven wij?' lijkt vrij zinloos. Maar toen ik een keer een collega in Leiden hoorde zeggen: er moet een reden zijn dat er iets is, en niet niets, was ik onder de indruk. De gedachte dat het heelal ook niet zou kunnen bestaan was mij nieuw.
Omgekeerd: 'waarom ging Orwell naar Burma?' is voor mij minder interessant dan bijvoorbeeld 'waarom, toen hij moest lunchen met Bertrand Russell, wilde hij daarbij beslist een bepaald soort bretels dragen?'. Op die bretels kom ik straks terug.

Orwells 'karakter'
Dit alles kwam bij mij op bij het lezen van George Orwell, a personel memoir van T.R. Fyvel. Je zou denken dat de 'officiële', grote, uitputtende biografie van Bernard Crick een eind gemaakt zou hebben aan de produktie van kleinere, fragmentarische biografieën van Orwell. Maar dat is niet zo. Voor de mensen die Orwell gekend hebben is het boek van Crick juist een
aansporing. Zij vinden dat boek heel goed - het is ook heel goed - maar zij hebben Orwell zelf gekend, Crick niet. En daarom is Crick minder goed in staat om Orwells 'karakter' goed te 'begrijpen'.
Zij begrijpen dat karakter wel. En dan schrijven zij een boek. Crick heeft over de reacties van Orwells kennissen en vrienden op zijn boek een interessant stuk geschreven in The London Review of Books. vol. 4, nr. 18.
Fyvel, geboren in 1907, zoon van een Oostenrijkse zionist (ergens laat hij Orwell zeggen dat zionisten 'allemaal filmjoden zijn die de Engelse pers beheersen'), kende Orwell sinds januari 1940 als collega-journalist en boekenschrijver van linkse signatuur. Zijn boek is veel dunner dan dat van Crick, die allerlei dingen met veel moeite heeft uitgezocht, waardoor mensen als Fyvel behoed worden voor verkeerde jaartallen en onbetrouwbaar gebleken veronderstellingen, terwijl ze aan de andere kant een goede beurt kunnen maken door aan te komen met iets dat Crick niet wist of niet gebruikt heeft.
Wie van Orwell houdt zal dit boek met genoegen lezen. Naast zijn eigen herinneringen steunt Fyvel vooral op Orwell zelf, die nu eenmaal een begaafd autobiograaf was. Fyvels Orwellbeeld is sterk beïnvloed door Orwells Orwellbeeld. Dat wil niet zeggen dat Fyvel een goedgelovig Orwell-vereerder is. Als iets hem niet bevalt,dan zegt hij dat.
Af en toe is hij een beetje kortzichtig. Aan het eind van het boek, als hij zijn 'Impressions on re-reading Orwell' geeft, vindt hij het een tekortkoming in 1984 dat OrweIl 'presents his totalitarian Party as deliberately unideological, neither nationalist nor Communist, which seems unlikely' – terwijl het geniale van Orwell nu juist is dat hij in 1948 het 'on-ideologische' van de dictaturen van Hitler en Stalin gezien heeft, ondanks al die rode vlaggen en 1 mei als nationale feestdag.Misschien is die kortzichtigheid van Fyvel te wijten aan zijn nationaliteit: Engeland is misschien het laatste bastion der 19de-eeuwse ideologieën. Thatcher gelooft in het Britse Rijk, en Labour gelooft dat je door nationalisatie van industrieën het nationale inkomen kunt verhogen. Van hier tot Peking gelooft dat verder niemand.
Tegenover die kortzichtigheid staan weer heel aardige formuleringen. Zo laat hij een mijnwerkerszoon Orwells uiterlijk en gedragbeschrijven als dat van een 'broken-down officer of the First World War selling insurance from door to door - there was something vaguely military about him'. En hij citeert Muggeridge die gezegd heeft dat het would-be landadelkostuum waarin Evelyn Waugh rondliep en de would-be proletarische uitmonstering van Orwell allebei regelrecht aan de plaatjes van Punch ontleend waren. Ook geeft hij af en toe een prachtige karakteristiek, zoals deze van Orwells stukken in Tribune: 'dogmatically written but always with a light touch and that grain of inescapable truth'.
De leukste anekdote die hij vertelt heb ik daarnet al even genoemd: Orwell moest een keer lunchen met Bertrand Russell. Hij besloot daartoe zijn beste pak aan te trekken, een 'herringbone tweed' dat eruitzag als het zondagse pak van een werkman. Hiermee nog niet tevreden stuurde hij zijn huishoudster de straat op om een paar werkmansbretels te kopen - ik denk van het soort dat bij ons 'de echte brandweer- en politiebretels' heette. Zo ver ging zijn streven om de 'arbeider' te spelen en indruk te maken op 'the old Earl', die immers tot de verachtelijke, niet-werkende, rijke aristocratie behoorde.
Daar heb je weer zo'n waarom-vraag. Waarom deed Orwell dat? Een mogelijk antwoord: hij was nu eenmaal een sterk autobiografisch schrijver en gaf in zijn werk een duidelijk portret van zichzelf. Dat portret klopte niet helemaal. Crick heeft gezocht, bijvoorbeeld, naar die olifant in 'Shooting an elephant' en naar de executie van 'A hanging' en is er niet in geslaagd enig spoor van deze als waar gebeurd vertelde verhalen in de werkelijkheid terug te vinden. Ook kan geen van Orwells medeleerlingen op die kostschool zich het bedwateren van Eric Blair en de straf die hij daarvoor kreeg herinneren.
Een sterk autobiografisch schrijverschap zou er wel eens toe kunnen leiden dat zo'n schrijver zijn eigen leven hier en daar in overeenstemming probeert te brengen met het beeld dat hij van dat leven geeft in zijn eigen geschriften.
Zoals iemand die het voortdurend heeft over de beenwond die hij bij El Alamein heeft opgelopen die wond door een licht mank lopen accentueert.

Om met een lach en een traan te eindigen: toen Orwell op zijn sterfbed lag moesten Muggeridge en Fyvel voor de BBC een gesprek houden over 1984. Ze wisten dat Orwell in dat ziekenhuis zou luisteren en besloten, enige luchthartigheid in hun gesprek te brengen. Dus spraken zij erover dat de beroemde martelscène (met die ratten) in 1984 een beetje deed denken aan kleine jongens in een kostschool die 's avonds in bed elkaar griezelverhalen vertellen, totdat de 'dormitory prefect' roept: 'En nu stil wezen! Licht uit!' Later vertelde Orwell hun dat hij hardop gelachen had toen hij dat hoorde.






back  to the Orwell home page