Remembering George Orwell
1903, June 25. - 1950, January 21.



EEN TROOST IN 1984
door  H.A. VAN WIJNEN

Het Parool 
18 januari 1984



In oktober 1948 aarzelde George Orwell nog welke titel hij negentienvierentachtig zou geven. In een brief aan zijn uitgever F.J. Warburg schreef hij, dat de keuze ging tussen '1984' en 'De laatste man in Europa'. Zijn nieuwe boek, schreef hij, zou een parodie worden op de uitkomsten van de Conferentie van Teheran waarin de wereld in twee invloedssferen was verdeeld: Oost en West. Een fantasie in de vorm van een naturalistische roman. "Ik heb altijd de idee gehad dat men nooit de ware betekenis van het totalitarisme onder ogen heeft gezien, en dat de vervolging van wetenschappelijke geleerden in Rusland eenvoudig een onderdeel is van een logisch proces, dat tien tot twintig jaar geleden al voorzien kon worden," schreef hij.

Hij schreef het boek op Jura, een van de Hebriden-eilanden, waar hij niet gestoord kon worden door de post en door fanmail en het grootste deel van de winter door de mist van de wereld was afgesloten.
In het begin van de oorlog had Orwell er vingeroefeningen voor gedaan in een opstel 'Literatuur en totalitarisme', waarin hij een relatie legde tussen economische en intellectuele vrijheid Als de eerste zou verdwijnen, zou op den duur ook de tweede eraan gaan; de ene kon niet zonder de andere.

Op het eerste gezicht leek het dat hij socialisme en totalitarisme in een onverzoenlijke tegenstelling tegenover elkaar had geplaatst, maar wie dat er in las had hem niet goed begrepen. Orwell was juist bang, dat het socialisme, wanneer het in het bezit van de staatsmacht zou komen, ook totalitaire trekken zou krijgen, weliswaar nooit zo sterk als in de Sovjet-Unie, maar toch totalitair. Zijn waarschuwing was dus evenzeer gericht tegen zijn eigen, democratische wereld als tegen de totalitaire.

Het socialisme had het beste met de wereld voor (hij meende dat, want hij was zelf overtuigd socialist), maar het gevaar school volgens hem in de combinatie van socialisme en staatsmacht.
Als het socialisme eenmaal aan de macht was, dan stond hij er niet meer voor in dat het heil van het individu het niet zou afleggen tegen het heil van de staat. Socialisme was altijd gezien als liberalisme van een hoger zedelijk plan. De socialistische staat zou je economisch bestaan waarborgen en je bevrijden van de vrees voor armoede en werkloosheid, maar hij zou zich niet met je particuliere intellectuele leven hoeven bemoeien. De kunst zou daaronder even goed gedijen als in het liberalistisch-kapitalistische tijdperk, eerder nog wat meer, want de kunstenaar zou niet meer de strijd om het bestaan hoeven te voeren.

Dat idyllische geloof had Orwell in 1941 verloren. Hij had de ontwikkeling van liberale democratie naar de totalitaire democratie- waarvoor Stalins Rusland na de Moskouse zuiveringsprocessen model had gestaan - vooral uitgewerkt uit het standpunt van de burger (in zijn geval de schrijver) die op zijn mening staat. Vrije meningen zouden de atmosfeer van een totalitaire staat, maar ook van een op hol geslagen staatssocialisme, niet overleven, geloofde hij.
"Als het totalitaire denken de gehele wereld verovert, betekent dat het einde van wat wij tot dusver onder literatuur hebben verstaan." Orwells voorstelling was een satire waarin hij de overdrijving er dik had op gelegd, maar daarvoor was het dan ook een satire.

De verschijning van Nineteen Eighty-FOur - dat ook ging over taalverkrachting, herschreven geschiedenis, gepolitiseerde wetenschap, machtshonger in het algemeen, de nucleaire patstelling tussen de grote mogend- heden en de 'prolerizatie' van de bevolking door de massamedia - in 1949 werd algemeen beschouwd als het belangrijkste politieke werk van eeuw.

In Het Parool stelde H.A. Gomperts Orwell op één lijn met Swift en prees het werk vooral om zijn absolute intellectuele integriteit. Orwell had "de totalitaire elementen, die ook in de westelijke wereld bestaan, met een meedogenloze consequentie dóórgedacht," aldus Gomperts.

De totalitaire krachten, die ook in de westelijke wereld bestaan, hebben in ons 1984 sinds de publicatie van 'Negentienvierentachtig' niet overal dezelfde ontwikkeling doorgemaakt. Als we afgaan op de kritiek die de Engelse bond voor de vrijheidsrechten(NCCL) regelmatig op de Engelse overheid laat horen, zijn Orwells waarschuwingen voor Engeland veel meer opgegaan dan voor een land als Nederland.
In Engeland heeft de overheid enkele ongekende bevoegdheden, die wij de overheid niet gauw zouden toestaan. Een Nederlandse minister van binnenlandse zaken kan geen lichtvaardig gebruik maken van de (wettelijke) mogelijkheid iemands telefoon af te luisteren voor andere dan opsporingsdoelen, omdat de wet daarvoor heel wat barrières opwerpt.
In Engeland kan dat zóveel gemakkelijker, dat de Europese Commissie voor de mensenrechten de afluister- bevoegdheid in de Engelse telecommunicatiewet als een ontoelaatbare inbreuk op de vrijheid van het individu heeft gekwalificeerd.

In Nederland heeft de regering wel de onderhandelingsvrijheid van de vakbeweging beperkt, is de sociale rechtshulp hier en daar wegbezuinigd en worden publiek, verdachten en raadslieden steeds vaker door de politie gebrutaliseerd. maar de klassieke grondrechten en de vrijheidsrechten lopen hier (nog) geen gevaar.
Onze bestuurders zijn gemiddeld genomen weinig geschoold in de linkse rechtsfilosofie, maar wij zuchten niet onder tirannen die het op onze geestelijke vrijheid hebben gemunt. Lubbers is geen Thatcher. In alle betrekkelijkheid is dat in ieder geval één troost in 1984.





back  to the Orwell home page