Remembering George Orwell
1903, June 25. - 1950, January 21.


THEE IS HET OPIUM VAN DE ENGELSMAN
George Orwell geloofde in de grootheid van gewone mensen

door  H.A. VAN WIJNEN
Het Parool
31 december 1983

De trein reed langzaam door de buitenwijken van Wigan, vlak langs de huizen waarin zich alle misère van het verval van de mijnstreek leek te hebben opgehoopt.

Het landschap in deze streek van Noord-Engeland was een industriële vuilnisbelt van kolenslakbergen, schoorstenen, schroothopen en meer drukkend-grijze roetvette sloppen die haaks op de rivier waren gebouwd. Aan de achterzijde van een van de huizen zat een jonge vrouw geknield met een stok in de loden afvoerpijp van de keukengootsteen te poken.
Bij het passeren van de trein keek ze op, niet lang, maar net lang genoeg om te worden vereeuwigd in die onvergetelijke bladzijde die George Orwell over dat moment heeft geschreven in The Road to Wigan Pier.

“Ik had de tijd om alles aan haar te zien - haar afgezakte schort, haar plompe klompschoenen, haar armen die paars waren geworden van de kou. We reden er zo dicht langs dat onze blikken elkaar kruisten. Ze had een rond bleek gezicht, het typische hongergezicht van een sloppenmeisje dat 25 is, maar door miskramen en gesloof wel veertig lijkt. In de seconde waarin ik er van dichtbij inkeek, zag ik de meest trieste, hopeloze uitdrukking die ik ooit heb gezien.
Het viel mij toen in, dat we het mis hebben, wanneer we zeggen 'dat zij er minder last van hebben dan wij het zouden voelen' en dat mensen die in sloppen zijn opgegroeid, zich niet anders dan sloppen kunnen voorstellen. Want wat ik in haar gezicht zag, was niet het onwetende lijden van een dier.
Zij wist zeer wel wat haar was overkomen -ze begreep even goed als ik wat een afschuwelijk lot het is om daar in de bittere kou met een stok geknield te zitten poken in een verstopte afvoerpijp, op de slijmerige stenen van een sloppenachterplaats."


Sinds Swift was er nooit meer een schrijver geweest die het vermogen had gehad om 99 procent van zijn lezers een onbehaaglijk gevoel te geven. Het was een schuldgevoel dat aan de middleclasses knaagde.
Veel gewone mensen echter schreven Orwell na de verschijning van The Wigan Pier (1937), dat het boek hen tot het socialisme had gebracht of tenminste tot het besef dat er eens wat moest worden gedaan aan de werkloosheid, aan de armoede en aan de Engelse klassentegenstelling.

Politiek schrijver
De weg naar de pier van Wigan, een titel die zijn leven was begonnen als een grap in een variéténummer van George Formby senior, was een keerpunt in Orwells schrijverschap. Het boek was een doorbraak in zijn politieke bewustwording, die later de overgang van de literator naar de politieke schrijver zou markeren. Het werd uitgekozen voor de lezerskring van de Left Book Club. die de eerdere Orwells 'te literair' had gevonden, maar over dit boek in grote geestdrift was geraakt.

Wigan was vooral voor Orwell zelf een mijlpaal in zijn intellectuele geschiedenis. Hij bevond zich nu tussen zijn belletristische verleden en zijn satirische voorland, aan het begin van een ontwikkeling die hem uiteindelijk alleen nog maar bij politieke onderwerpen zou bepalen.
In Wigan deed Orwell zijn eerste verkenningen in een sociale werkelijkheid waarvan hij tot dan toe weinig had afgeweten. Zijn natuurgetrouwe beschrijving van het leven van mijnwerkersgezinnen in Lancashire, die erbarmelijk gehuisvest waren en doorlopend op de grens van de bestaansonzekerheid verkeerden, sprak tot de verbeelding van de socialisten in het beter gesitueerde zuiden van Engeland, die nog nooit een mijnwerker in het echt hadden gezien.

George Orwell had de mijnwerkers in het noorden van Engeland in hun dagelijkse doen en laten afgebeeld en ontdaan van hun onmenselijk voorkomen, dat ze in de voorstelling van de burgerij altijd hadden gehad. Orwell bracht heel andere mijnwerkers thuis: mensen met een gezicht, met een diepgeworteld fatsoen en zelfrespect, een groot vermogen tot onderlinge vriendschap en solidariteit; arm en tot zwijgen gebracht door schulden, maar met een onverwoestbare eer.

Orwell kende zijn onderwerp: om zijn feitenmateriaal te verzamelen was hij bij mijnwerkersgezinnen in pension gegaan. Hij had de nieuwsgierigheid, de soepelheid en de eenvoud kunnen opbrengen om een paar maanden -tegen betaling - bij het volk van Wigan in te trekken, in plaat van zijn intrek te nemen in een comfortabel hotel. Er was nog nooit een journalist of schrijver geweest die zo het leven van alle dag had benaderd. Voor Orwell sprak dat vanzelf.
"Hoe zou ik het anders hebben moeten leren kennen?", vroeg hij.

Hij was met de mijnwerkers de schacht ingegaan. Zijn gezondheid had hem dat in feite niet toegelaten, maar iets anders had er niet opgezeten: het was de enige manier om de rauwe werkelijkheid te leren kennen. Over het mijnwerkers bestaan onder de grond heeft Orwell de prachtigste bladzijden geschreven.
In het begin had hij zich beperkt tot het opschrijven van louter waarnemingen, maar naarmate hij zich dieper in de mijnwerkerswereld was gaan inleven, had zijn hart meer meegesproken – en pijn gedaan.
Hij had de gezichten van de mijnwerkers beschreven – gezichten van schuurpapier met Roquefortkazen van voorhoofden - alsof hij ze in een defilé had voorbij zien trekken en hijzelf in anonimiteit langs de kant van de weg had gestaan, maar het had lang geduurd voordat zijn medelijden was opgekomen Door heel het beschrijvende deel van Wigan klinkt een sterke compassie door met de mijnwerkers, wier lot hem interesseerde.

Kolenschrapen
Minutieus schreef hij de huishoudboekjes van de mijnwerkersgezinnen over en verzamelde hij andere gegevens over de economische feiten van de dag – waarvoor literaire schrijvers zich nooit hadden geïnteresseerd.
Zijn beschrijvingen het kolenschrapen - een vorm van bedeling van werklozen, die op het gruis werden losgelaten om de kolen die onder de maat waren er voor zichzelf uit te vissen - was van een Bunuel-achtige zwarte humor, die je ook nu nog door merg en been gaat "Het verbaast me dat het nog nooit is verfilmd", voegde hij eraan toe.
Hij registreerde wat hij zag op 'grote betaaldag': dat de mijnwerkers buiten het kantoor van de mijn in de kou op hun loon moesten wachten, en nadat ze daar uren aan het lijntje waren gehouden - wat elke week gebeurde – aan hun pet tikte om hun dankbaarheid te tonen voor een loon waarvan ze nooit helemaal zouden rondkomen. Dat ritueel kostte steeds een middag en dan moesten ze daarvan ook nog een sixpence uitgeven aan de bus naar huis.
Orwell schaamde zich voor wat hij zag: hoe anders was de behandeling die de middenklasse in die situatie ondervond, zelfs iemand van een bescheiden middenklasse positie zoals hij.
Ook wanneer hij, de armoeschrijver, op de rand van de hongerdood leefde, verschafte zijn bourgeois-status hem nog voorrechten en voordelen waarvan een mijnwerker nog nooit had gedroomd. Zijn geld werd beschaafd op de bank overgemaakt en hij kon het daarvan afhalen wanneer hij dat wilde. En zelfs als hij rood stond, bleef het personeel van de bank tamelijk beleefd.

De middenklasse, waartoe de pers, de BBC en de rest van de gevestigde orde behoorden, had haar kop voor de miserabele stille armoede van het industriële noorden altijd in het zand gestoken, maar Orwell - die juist onder de 'meningsvormers' naam had gemaakt - had die armoede met alle rijke verbeeldingskracht waarover hij beschikte aan het licht gebracht.

Hij was de eerste die een profetische waarschuwing liet horen tegen het slaaplied over de voorbijgaande werkloosheid: "We moeten de werkelijkheid onder ogen zien dat verscheidene miljoenen Engelsen in dit leven nooit werk zullen krijgen, tenzij er een oorlog uitbreekt." (1937).

Aan vrijwel al zijn waarschuwingen gaf hij een bittere ironische draai mee, zoals aan de volgende: "Werkloosheid is een onnoemelijke ellende die voortdurend verzacht moet worden en vooral met thee, het opium van de Engelsman. Een kop thee of zelfs een aspirine is een veel betere prikkel dan een korst brood."

Klassentegenstelling
Klassentegenstelling. We zouden bijna vergeten te vragen wat hem eigenlijk naar Wigan had gedreven? Niemand had hem die vraag gesteld, maar hij deed het zelf – om hem in zijn boek als het ware programmatisch te kunnen beantwoorden. Hij was er ten dele naartoe gegaan om de gruwel van de massawerkloosheid met eigen ogen te aanschouwen, ten dele om de meest kenmerkende sector van de Engelse arbeidersklasse van dichtbij te zien.
Het was een sociale catechisatie die bij zijn vorming tot socialist hoorde, want hij stelde zich op het standpunt, dat je voordat je zeker weet of je werkelijk voor het socialisme bent, je voor jezelf moet hebben uitgemaakt of je de maatschappelijke stand van zaken draaglijk vindt of niet. In de tweede plaats ging het hem er om definitief zijn houding te bepalen tegenover 'de verschrikkelijk moeilijke kwestie van de klassentegenstelling.'

Het eerste deel van het boek had hij gereserveerd voor zijn waarnemingen, het tweede voor zijn oordelen en zijn kritiek - ook zijn kritiek op de zelfgenoegzame socialisten die hij in zijn omgeving kende.
George Orwell was geobsedeerd door de klassentegenstelling van zijn dagen, of beter: hij had er een groot deel van zijn leven mee geworsteld. Hij had de vreemdste toeren uitgehaald om zich van de sociale onderscheidingstekenen waarmee hij gewiegd was geweest te ontdoen: hij was met een upper-middle-class accent van de befaamde exclusieve kostschool Eton afgekomen. en hoewel hij het bij wijze van spreken later er uit had willen vijlen, was het nooit weggegaan.
Hij had in Birma, waar hij bij de koloniale politie als officier had gediend, met zijn sociale achtergrond van thuis - en met het 'establishment' van Engeland - gebroken, en daarna had hij wanhopige pogingen gedaan aan zijn verleden te ontkomen.
Hij had in Londen en Parijs in de goot geslapen en hij had zich bij vagebonden aangesloten, niet om de Russische graaf Tolstoi na te doen, maar om de onderkant van het dagelijks leven te ontdekken.
Eigenlijk meer nog om zichzelf te bevrijden van bepaalde vooroordelen waarmee hij was opgegroeid, in het bijzonder de vooringenomenheid van zijn eigen klasse tegen vuil en lichamelijk contact. 'Arbeiders stinken,' hadden ze hem als jongen altijd geleerd.
Zijn bedenkingen tegen zijn eigen opvoeding moesten onvermijdelijk uitlopen op een ongeneeslijke haat tegen de klasse waaruit hij was voortgekomen. In zijn liefde voor de arbeidersklasse - die hij soms behoorlijk zeurderig romantiseerde, maar altijd consequent trouw is gebleven - ging hij zo ver, dat hij zijn neus alleen nog in rode zakdoeken snoot en thee van het schoteltje dronk. En dat allemaal om zijn solidariteit met de arbeidersklasse te demonstreren.

Argwaan
Orwells romantische visie op zijn proletarische medemens is – dat spreekt vanzelf - door een deel van de Engelse arbeidersklasse met argwaan bekeken. Een communist in Wigan noemde hem een intellectueel die was gaan 'sloppen', eenvoudig om aan materiaal voor zijn romans te komen. Zijn werk en zijn motieven zijn tegen zulke verdenkingen door de jaren heen echter volkomen bestand gebleken. In zijn drang naar een proletarische schutkleur is Orwell zeker niet vrij geweest van aanstellerigheid. Maar zijn blijvende verdienste is, dat hij zijn lezers vertrouwd heeft gemaakt met gebieden van de sociale werkelijkheid die zij zonder zijn vernieuwende literaire stijl –en zijn groot schrijftalent – misschien nooit zouden hebben ontdekt.





back  to the Orwell home page      1937