De Norfolk Terrier is een kleine, dappere hond, die oorspronkelijk gefokt is voor de jacht onder de grond op dassen en vossen. Dit jachtkarakter is nog steeds terug te vinden in de Norfolk. Ze zijn dol op het graven van kuilen en vangen, als ze de kans krijgen, graag een muis of een rat. Norfolks zijn beweeglijke, nieuwsgierige en zelfstandige hondjes en ze zijn dol op wandelen.
De Norfolk is de kleinste kortbenige terrier (ongeveer 26 cm schouderhoogte). Het is een compacte, vierkante hond met een korte, sterke rug en zware botten. Het hoofd is breed van schedel met een korte, brede neusrug en een scharend gebit met grote tanden en kiezen. De ogen zijn ovaal gevormd, donker met een alerte uitdrukking. De staart is hoog aangezet en wordt rechtop gedragen. Het gangwerk is krachtig, uitgrijpend en soepel. De vacht is hard, draadharig en recht, vlak op het lichaam liggend. Het haar is langer en ruwer op de hals en schouders en zacht op het hoofd, de oren en de snuit, met uitzondering van wenkbrauwen en baard. De vacht komt in een aantal variaties voor. Verschillende tinten rood, tarwekleurig en black and tan (rood met zwart). Om de vacht in goede conditie te houden, moet deze regelmatig worden geborsteld en ca. twee keer per jaar worden geplukt.

The Norfolk is a small, brave dog originally used for haunting underground on the fox and the badger. This haunting character stills shows in the Norfolk. They love to dig holes and (when given the chance) like to catch mice and rats. Norfolks are active, curious dogs and they love to take long walks.
The Norfolk is the smallest, short-legged (about 9 to 10 inches high) terrier. It is a compact, square dog with a short, strong back and heavy bone, never giving the impression of being to long. The head is wide with a short, wide nose and large teeth meeting in a scissors bite. The eyes are oval and dark, with an alert expression. The tail is straight and set on high. The hindquarters are broad and thighs strong and muscular. Good turns of thighs and well letdown hocks providing the drive to work smoothly with the equally strong reach of forelegs. Hocks straight when viewed from behind. The coat is hard, wiry and straight, about an inch and a half to two inches in length, lying close to the body and with a dense undercoat. Longer mane in neck and shoulders also forms ruff at the base of the ears and throat. Head and ears covered with smooth, short hair, except for slight eyebrows and whiskers.