Nederland is een traumacultuur. Zelfs een verloren voetbalwedstrijd heet een trauma, Geen ramp of zelfs maar rampje of psychotraumatologen voorspellen op de buis welke klachten de getroffenen zoal zullen ontwikkelen, en ondertussen beginnen die maar vast een club om hun belangen te behartigen.

De oorsprong hiervan ligt in onze omgang met de oorlog. Het oorlogstrauma, dat in de jaren '70 werd ontdekt, werd vanaf 1980 als nationaal model van slachtofferschap ten voorbeeld genomen. Het psy-chisch oorlogsleed dat de eerste kwart eeuw na de bevrijding praktisch was genegeerd, liep nadat het was erkend uit op slachtofferitis.

Hoe hernemen we onze kritische zin zonder onze empathie te verliezen? Hoe bevrijden we ons van de clichés, het klagen en het claimen, maar bewaren we onze sensitiviteit en kennis van traumatisering?

In de zes decennia na de oorlog vormt het jaar 1972 een keerpunt. Een kwart eeuw na de bevrijding nam de aandacht voor de oorlog toe én veranderde van aard.
In februari 1972 wilde minister van Justitie Van Agt de laatste nog vastzittende Duitse oorlogsmisdadigers vrijlaten. Het voornemen stuitte op enorme tegenstand van de kant van joodse overlevenden en voormalig verzet. Hun protest introduceerde een nieuw argument, namelijk dat nog veel overlevenden leden onder de psychische gevolgen van de oorlog.

Op een hoorzitting van de Tweede Kamer schetsten oorlogsorganisaties en psychiaters de sympto-men van het concentratiekampsyndroom. Hun getuigenissen sloegen in als een bom. De Drie bleven in Breda en er werd in vliegende vaart een oorlogswelzijnsbeleid opgezet. Twee maanden na het Ka-merdebat sloeg prins Bernhard de eerste paal voor Centrum '45; in 1973 ging de Wet Uitkeringen Vervolgden in; praatgroepen werden gesubsidieerd, brochures verspreid.

De 'late psychische gevolgen' waren nog niet zo lang bekend. Vanaf eind jaren zestig beschreven art-sen de nachtmerries, flashbacks, hartkloppingen en paniekaanvallen van overlevenden, van wie velen niet in staat bleken emoties te beleven zoals vreugde en verdriet. Dat was nieuws, zowel voor het publiek als voor patiënten en artsen.

Ooit betekende ‘verwerken’ geen rouw maar turf omzetten in cokes



Trauma was in de Van Dale van tien jaar na de oorlog louter een fysieke verwonding, een traumato-loog een chirurg voor verkeersongelukken. 'Verwerken' stond niet voor rouw maar voor de 'omzet-ting van turf in cokes'.
Termen als concentratiekampsyndroom en stress ontbraken.

Maar de 'ontdekking' van het oorlogssyndroom staat niet los van andere sociale en mentale verande-ringen van die jaren. In de eerste naoorlogse decennia was de heersende mening geweest dat aan-dacht mensen ziek zou houden. Toen rond 1970 het aantal aanvragen voor een verzetspensioen ra-zendsnel steeg waren veel medici nog steeds niet overtuigd van het verband tussen
klachten en oorlog.

De standsverschillen tussen artsen en patiënten waren groot, evenals de verschillen in ervaring. Wei-nigen begrepen wat het betekende in een kamp te hebben gezeten. Bij aanvragen voor verzetspensi-oenen deden zich naargeestige twisten voor over de vraag of psychische handicaps 'werkelijk' door de oorlog kwamen of dat iemand altijd al een zwakke broeder was geweest.

Daartegenover stonden andere artsen: artsen die veelal zelf in kampen, onderduik of verzet hadden gezeten en tot wie de onbegrepen patiënten zich wendden patiënten die overigens dankzij de demo-cratisering en het linksere politiek klimaat aan invloed en zelfbewustzijn wonnen.
Samen bestreden zij met kracht enkele ouderwetse medische zienswijzen. Zo was het een dwingende wens van de oorlogsslachtoffers dat werd erkend dat hun klachten werden veroorzaakt door wat in vakjargon een 'externe stressor' heet. De dokter en de diagnose moesten bevestigen dat lijders aan een oorlogstrauma van zichzelf geen kneusjes waren geweest en dat hun klachten niet voortkwamen uit een moeilijke jeugd, huwelijksproblemen of 'karakterzwakte'.

Sinds het oorlogstrauma, rond 1972, is ontdekt is het begrip trauma gebanaliseerd

Het oude medische dilemma of het mogelijk is dat een schokkende ervaring bij geestelijk gezonde volwassenen blijvende psychische schade veroorzaakt (of dat zulke mensen dan al voor de ramp een aandoening hadden), werd radicaal opgelost: waren er kwalen, dan was de oorlog de oorzaak. Ster-ker nog: over zoiets als eerdere psychische aandoeningen hoorde een arts het niet meer te hebben. Het werd taboe om zelfs maar te denken dat sommige mensen kwetsbaarder zijn dan andere.

Toch is dat zo. Een koerierster uit een gereformeerde knokploeg vertelde mij over een jongen die een liquidatie had moeten uitvoeren. Hij bleef na de bevrijding altijd schichtig om zich heen kijken, altijd angstig, alert en wantrouwend. Ik vroeg haar of hij dan nooit was behandeld. Dat was een naïeve vraag. 'Behandeld? Nee, dat kenden wij niet; behandeld werd je in gestichten.'
De jongen pleegde een paar jaar na de oorlog suïcide. Hij was zeker gebaat geweest bij een mentaal klimaat met meer kennis van psychische stoornissen.

Daartegenover staat de Ravensbrückster bij wie het 'toch wel een paar weken had geduurd' voordat ze 'niet meer schichtig om zich heen keek' in de verwachting dat iemand haar 'zomaar een dreun kon verkopen'. Toen was het gesleten. Het traumateam dat haar tegenwoordig zou zijn opgedrongen, zou overbodig zijn geweest of erger: had haar een kwaal aangepraat die ze niet had.

Dat mensen verschillen in draagkracht is een inzicht dat nodig in ere moet worden hersteld.
Het regende misverstanden, zo rond 1970. Zo werd de clichédenering gangbaar dat de mensen
nog zo lang 'last hadden van de oorlog', doordat ze zo hard hadden moeten werken en niet ge-
noeg hadden gepraat. Voortaan moest iedereen na een ranp met een zijn gevoelens uitstorten bij
een therapeut. Dat dit 'depriefen' niet gunstig maar zelfs schadelijk is, is inmiddels bekend. Maar nog steeds wordt mensen aangeraden bij ellende te stoppen met werken.

Het idee dat werken haaks staat op verwerken, was echter meer een product van de toenmalige
kritiek op 'het arbeidsethos' dan van bekendheid met de gevoelens van de slachtoffers.

Uit brieven die politieke gevangenen, net terug uit Dachau en Ravensbrück, elkaar in 1945 schreven, blijkt vooral hoe heerlijk zij het vonden om weer gewoon te kunnen werken. Een pianiste wier vingers waren kapotgeslagen snakt naar het moment dat ze de toetsen weer kan bespelen.

Een andere vrouw wisselt haar gruwelijke mededelingen over het lot van haar geliefde af met nieuws over haar werk. In augustus schreef zij: 'Thuis bij mij is alles goed. Tot op heden geen bericht van J. Er is nog een heel kleine kans dat hij bij de Russen is. Volgens alle nasporingen was hij einde jan. in Auschwitz nog in leven, op onze papieren (valsche) van gemengd huwelijk is hij niet vergast. Is later op transport gegaan naar Breslau. Mijn schoonouders zijn dood. Mijn schoonzuster kwam terug. Het is alles ontzettend. Ik ben weer begonnen met werk.'
In december volgde: 'Van J. nog steeds niets zeker. Wel verschillende mensen die hem gekend
hebben maar niemand weet waar hij gebleven is na Gross Rosen.
Ben jij nog steeds in dezelfde baan? Ik heb pas weer een infectie aan mijn been gehad en moet weer rusten. 'k Was zoo prettig aan het werken. Hoop spoedig weer te beginnen.'

Geen spoor van het hedendaagse idee dat je op de sofa beter herstelt. Integendeel: vrouwen die na-dien bij hun huwelijk werden ontslagen, zien die periode - en niet de oorlog - als de naarste van hun leven. Dat is goed te begrijpen. Door een trauma raak je de greep op je leven kwijt, in de kampen werd men vernederd. Wie tot werken in staat was, had een mogelijkheid zijn leven en zijn zelfrespect te hernemen

Aan het nieuwe denken van rond 1970 droeg ook bij dat voormalig verzet en joodse overlevenden niet graag ziek waren. Ziekte was  capitulatie: 'Dan had Hitler alsnog gewonnen.'
Om deze mensen te doen inzien dat hun klachten van psychische oorsprong waren maar geen aan-stelleritis - en ook om artsen en verzekeraars ervan te overtuigen dat deze patiënten niet simuleerden - was een erkende ziekte nodig.
Die was er niet. De voor hun kwalen meest gebruikte term concentratiekampsyndroom was onnauw-keurig, omdat ook verzetsmensen en ex-onderduikers klachten hadden.

Hier brachten internationale ontwikkelingen uitkomst. In Amerika werd een verband gelegd tussen de werkloosheid, gewelddadigheid en verslavingen van Vietnamveteranen en hun oorlogservaring. Feministen ontdekten de langdurige psychische gevolgen van seksueel geweld.

Deze dubbele lobby slaagde erin in 1980 de ‘posttraumatische stressstoornis’(PTSS) in het psychiatri-sche classificatiesysteem opgenomen te krijgen. Net als de Nederlandse oorlogsslachtoffers eisten zij dat hun problemen, al waren die dan kennelijk psychisch, toch niet 'in de persoon zelf’ zaten. En ge-zien de toenmalige praktijk, waarin mishandelde vrouwen soms een 'masochistische persoonlijk-heidsstoornis' kregen toegeschreven, hadden ze daarin groot gelijk.

Met de erkenning van PTSS werd wetenschappelijk vastgelegd en gelegitimeerd dat normale mensen aan abnormale belevingen een psychische stoornis kunnen overhouden. Met de nadruk op dat nor-maal. Daarmee waren meteen ook de oorlogsslachtoffers onder dak.

Het is een vorm van beschaving dat mensen zich niet behoeven te schamen voor psychische symptomen, dat er een publiek bewustzijn bestaat van zoiets als trauma en dat er goede en toegankelijke psychotherapie bestaat.

Het is winst dat het niet als 'gek' wordt beschouwd als Auschwitz sporen nalaat. Maar de PTSSpraktijk was geen winst. Het begrip trauma werd gebanaliseerd en genivelleerd. De mediagenieke traumastoornis maakte een onstuitbare opmars. Zelfs bij vrijwillig opgedane tegenslag als 'vakantiestress' wordt opvang geëist - niet door vrienden maar door van overheidswege uitgezonden traumateams.

Voor een deel komen die uitwassen voort uit de taboes van 1970. Die taboes bleven bestaan terwijl we heel andere mensen werden. De emotie emancipeerde. De zwijgcultuur van de wederopbouw ging over in een expressieve spreekcultuur. Ziekte en zwakte veranderden van schaamtevol in hun tegen-deel.

Aldus belandden we in een situatie waarin mensen het niet meer zo erg vonden om ziek te zijn, terwijl het wel taboe bleef dat hun behandelaars andere redenen voor hun klachten zouden overwegen dan die ene: de ramp.
Zo werden 'slachtoffers' individueel en groepsgewijs steeds automatischer bevestigd in hun zelfbeeld van ziekte en achtergesteldheid. Ten nadele van de patiënt werd uit het oog verloren dat een ramp soms een kapstok is om levensproblemen aan op te hangen, of een gordijn dat zulke problemen uit zicht houdt.

Was het rond 1972 progressief en humaan om niet te marchanderen over de mate waarin de kwalen van oorlogsoverlevenden werden veroorzaakt door de oorlog, met de huidige, totaal anders inge-stelde patiëntenpopulatie is dit contraproductief geworden; zowel vanuit maatschappelijk perspec-tief als vanuit het oogpunt van de beste patiëntenzorg.

De pseudoslachtoffers overstemmen nu de echte. Dat roept cynisme op. Als we niet oppassen vin-den we binnenkort weer dat slachtoffers niet zo moeten zeuren.

Jolande Withuis is socioloog.

De onstuitbare opmars van het psychotrauma
Van oorlogstrauma naar klaagmuur
Socioloog Jolande Withuis in de Volkskrant 13 mei 2006
Het idee dat rampzalige levenservaringen iemand blijvend beschadigen, heeft postgevat rond 1972. Daarvoor meenden artsen dat alleen zwakke broeders psychische klachten overhielden van bijvoorbeeld oorlogservaringen. In de jaren '70 sloeg de stemming radicaal om: iedereen die getroffen werd door een levensramp, moest uithuilen bij een therapeut.
Socioloog Jolande Withuis vindt dat beide benaderingen geen recht doen aan verschillen tussen mensen. Dit artikel is gebaseerd op een toespraak die Withuis deze week hield bij het ministerie van VWS. Withuis Is onderzoeker bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie en publiceerde recentelijk twee boeken over de naoorlogse omgang met de oorlog:
Na het kamp. vriendschap en politieke strijd en:
Erkenning. Van oorlogstrauma naar klaagcultuur.

Terug naar Arbeid