Groningen en Grunneger bijgewerkt november 2001
Historie van Loppersum Ga hier naar de geschiedenis van Groningen

In de tweede helft van de 16e eeuw bezat Johan de Mepsche een borg in Loppersum, borg Duirsum in den Ham. Waarschijnlijk verkregen door zijn huwelijk met Agnes van Munster, dochter van Rudolf van Munster en Marianne van Selbach.
Deze de Mepsche heeft hier een schrikbewind gevoerd om zijn gezag en dat van de koning van Spanje te handhaven.
Dat wil zeggen het gezag over kerk en ingezetenen al of niet r.-k. gezind.
Als volgeling van Karel V (deze sloeg hem tot ridder) en Philips II kreeg hij een belangrijke positie.
Hij is door Philips II aangewezen tot plaatsvervanger van Johan de Ligne, Spaansgezind stadhouder
van Groningen. Dezelfde Johan de Ligne (graaf van Aremberg) die op 23 mei 1568 omkwam in de
slag bij Heiligerlee. Het was 20 mei 1568 toen door de troepen van Lodewijk van Nassau de
borg Duirsum in den Ham bij Loppersum werd geruïneerd. Met een kleine veldslag bij Garrelsweer (9 doden). De borg werd later door Johan de Mepsche weer opgebouwd.
Na zijn dood in 1585 is hij begraven in de N.H. kerk van Loppersum, ondanks de ingezette veranderingen door
de tachtigjarige oorlog.
In de tweede helft van de 16e eeuw woonde op de borg Piloersma te Den Ham (Humsterland) ook een Johan de Mepsche.
Dit was echter een neef van de vorenvermelde Johan de Mepsche, hetgeen veel verwarring kan geven.
Maar de Johan van de Piloersmaborg was staatsgezind en aanvankelijk hoofdeling te Groningen.
Door zijn gezindheid moest hij uiteindelijk het veld ruimen en overleed in ballingschap, het verschil tussen deze heren, allebei lid van de hoofdelingenkamer, was dus heel duidelijk.
Hoewel het vast staat dat de
eerste De Mepsche, de Spaansgezinde Johan de Mepsche, begraven is in de kerk te Loppersum, is dit niet meer terug te vinden. Volgens de deskundigen kan dit in de toekomst nog wel eens "voor de dag komen".
Vraag is dan: Hebben de inwoners van Loppersum, wat betreft de grafzerk, alles uitgewist om niet te worden herinnerd aan deze rampzalige periode? Op zich zou dit niet onlogisch zijn mede gezien het feit dat aan Johan de Mepsche vele misdaden worden toegeschreven en hij zich in Loppersum als meedogenloos en Spaansgezind heeft laten gelden.
In 1731 zijn door een nakomeling (achter-achterkleinzoon) van hem, Rudolf de Mepsche, vele misdaden begaan. Dit betrof het laten executeren van homosexuelen of beter gezegd personen die daar door hem toe gerekend werden, totaal 24 personen. Als grietman op de borg Bijma te 't Faan kon hij, tot dan, de rechterlijke macht onbeperkt uitoefenen. Overeenkomstig zijn selectie werden deze personen samengebracht in de borg waar hij woonde. En middels folteringen tot bekentenissen gedwongen. Twee personen werden hierbij voortijdig gedood en 22 personen werden door
wurging gedood en daarna op de brandstapel verbrand.
Dit betrof de volgende personen, de meesten van
goede naam en faam.
Jacob Jan Alsinga Immers, Hans Engelberts, Liplander, Sicko Arents, Harm Arens Boer, Gosen Hendriks, Jan van Dunderen,
Jan Braker, Jan Wijgers, Hendrik Cornellis, Benger Janssen, Brand Jacobs, Hendrik Leuwes, Jan Harms, Jan Jacobs,
Cornelis Janes, Pieter Cornelis, Mendels Jans Rol, Jan Wever, Eyse Jans (overleden aan folteringen), Jan Berends,
Gerrit Harms, Berend Jans, Jan Cornelis Pot (overleden aan folteringen).
In die tijd kwam de doodstraf veelvuldig voor. Het bijzondere was de beschuldiging van sodomie.
Na deze daad zijn de rechtsregels aangepast, zodat beroep mogelijk werd tegen de rechtspraak van de redger
of grietman. Een mensenleven was kennelijk minder in tel dan sommige zakelijke geschillen, over uitspraken betreffende zakelijke geschillen was namelijk wel beroep mogelijk.
Er is vastgesteld dat verreweg de meerderheid van de mannen vals werd beschuldigd. Het ging de Mepsche, in een aantal gevallen, om de nalatenschap van de veroordeelden en zijn wraakgevoelens jegens jonker Clant van Zuidhorn. Omdat hij, ondanks vele bezittingen, continue geldgebrek had. Tot het confisqueren van nalatenschappen kwam het niet door het ingestelde onderzoek van de hoofdmannenkamer in de stad Groningen.
(bron: Rudolph de Mepsche of de Faansche Gruwelen door H.F. Poort 1925).
Rudolf de Mepsche is later nog enige jaren drost te Wedde geweest (1749). Als Oranje-aanhanger kreeg hij voorspraak van Willem IV voor deze benoeming. Maar hij leefde geïsoleerd van zijn omgeving. Mede doordat hij werd genegeerd door zijn "standgenoten" werd hij begin 1754 uit het ambt gezet en hij overleed in december van dat jaar. Hij is begraven in de Martinikerk. Is zijn zerk misschien verwijderd? In elk geval zijn bijna al zijn landerijen en boerderijen reeds tijdens zijn leven verkocht, allemaal via gerechtelijke verkoping.
Grunneger W.Bouwland