Deschner kan rooms bloed wel drinken

 

Oud-theologiestudent beschrijft 2000 jaar ‘crimineel christendom’

 

Door Carel Brendel

 

“Het is geen zonde meer een zevenjarig kind te doden als het de wetgeving van de ustasja's overtreedt. Hoewel ik het priesterkleed draag, moet ik vaak naar het machinegeweer grijpen.” Een uitspraak van de Kroatische geestelijke Dionis Juricev tijdens de Tweede Wereldoorlog, geciteerd door Karlheinz Deschner in Honderd jaar heilsgeschiedenis, de politiek van de pausen in de twintigste eeuw.

 

HASSFURT - Op tienjarige leeftijd wilde Karlheinz Deschner dolgraag priester worden. Achteraf was het een kortstondige bevlieging voor de gymnasiast uit de Beierse provinciestad Bamberg, die werd opgevoed op een franciscaner seminarie en daarna op school ging bij de carmelieter paters. Nog geen jaar later schokte hij zijn diep religieuze ouders met een brief, waarin hij alle aspiraties voor het priesterkleed vaarwel zegde.

 

Uiteindelijk heeft Deschner een andere roeping gevonden. De 62-jarige schrijver is uitgegroeid tot een van de felste en hardnekkigste bestrijders van het christendom in het algemeen en van de rooms-katholieke variant in het bijzonder. Sinds 1970 werkt de romanschrijver en literatuurcriticus aan een ‘magnum opus'; zijn grote levenswerk draagt de veelzeggende titel Kriminalgeschichte des Christentums.

 

Drie dikke pillen zijn tot dusver het resultaat van Deschners duik in de bijna 2000 jaar oude historie van het christendom, waarbij hij zich uitsluitend richt op de criminele uitingen van deze wereldgodsdienst. Ondanks de beperkte blik op het onderwerp heeft de gedreven auteur geen gebrek aan stof. ‘Gerechtvaardigde oorlogen' in naam van Christus worden er gevoerd sinds de Romeinse keizer Constantijn de Grote aan het begin van de vierde eeuw de christelijke religie officieel erkende.

 

Deschners geschiedschrijving is een aaneenschakeling van godsdienstoorlogen, vervolgingen van joden, heidenen en ketters, van met pauselijke zegen uitgevoerde rooftochten en bloedbaden. Het 700 bladzijden dikke derde deel vult Deschner met lange, uitvoerig gedocumenteerde hoofdstukken over ‘wonder- en relikwieënbedrog', ‘bedevaartszwendel', ‘uitbuiting' en ‘vernietiging'.

 

Na drie dikke delen is hij pas bij het jaar 600. Dat belooft nog wat voor de volgende 1400 jaar. Want ook voor het vervolg van de criminele kerkgeschiedenis hoeft Deschner niet om onderwerpen verlegen te zitten. Om er een paar te noemen: de gewelddadige kerstening in de tijd van Karel de Grote, die vijftig oorlogen voerde en nu als twijfelachtig boegbeeld van de Europese eenheid fungeert; de met jodenpogroms begonnen en met massale plundering geëindigde Kruistochten; de bloedige folterpraktijken van de Inquisitie; de godsdienstoorlogen tussen katholieken en protestanten; de heksenvervolging; de onder het kruis voltrokken slachting van miljoenen indianen in Zuid-Amerika en als steeds terugkerend thema het hardnekkige, door de kerken aangewakkerde antisemitisme, dat volgens Deschner  de geestelijke voedingsbodem legde voor de onder Hitler gepleegde massamoord op zes miljoen joden.

 

Met tegenzin heeft  Deschner  zich neergelegd bij de beslissing van uitgeverij Rowohlt om de serie te beperken tot tien banden. “Als ik nog tien jaar gezond mag blijven, dan ligt het complete werk op tafel”, voorspelt de historicus. Drie delen zal hij wijden aan de Middeleeuwen, de laatste vier zijn bestemd voor de jongste geschiedenis. Dat er nog slechts drie delen klaar zijn komt mede doordat de verklaarde ‘papenvreter' zich regelmatig laat afleiden door variaties op zijn geliefde onderwerp.

 

In de tussentijd schreef Deschner namelijk een lijvig boekwerk over de pauselijke machtspolitiek in deze eeuw. Zijn jongste boek, begonnen tijdens de ‘hysterie rond de Golfoorlog', houdt zich bezig met het Amerikaanse christendom en rolde in het Columbusjaar 1992 van de drukpers. Tussendoor schreef hij een boekje over de natuur in zijn geboortestreek. Op stapel staat ook een loflied op buitenlandse landschappen, waarin het door hem zo geliefde Waddeneiland Texel ruim aan bod zal komen.

 

De liefhebbers van de Kriminalgeschichte moeten door dat alles geduld uitoefenen voor de verschijning van deel vier. De man, die zijn pen in vitriool doopt als hij het woord Vaticaan neerschrijft, die met bijtend sarcasme van leer trekt tegen de ‘Roomse roversbende', die de ‘oorlogsdrijverij' van de ‘Feldpfaffen' - Deschneriaans voor legeraalmoezeniers - met woedende uithalen geselt, die met de voorhamer monomaan op alle heilige huisjes inbeukt, diezelfde man is de goedmoedigheid zelve tijdens een persoonlijke ontmoeting.

 

Een verlegen overkomende man in een morsige trui, een dito broek en afgetrapte gymschoenen opent de deur van de woning in Hassfurt, een Beiers provinciestadje aan de met wijnbergen omringde bovenloop van de Main. Karlheinz en echtgenote Elfi Deschner hebben hun geld meer in geestelijke dan in materiële welstand gestoken: in de huiskamer overheerst een penetrante geur van oude boeken. Bijna alle wanden zijn bezet met boekenplanken, uitsparingen zijn er slechts voor een piano en een tv-toestel. Opvallendste meubelstuk is de door een riante leeslamp beschenen "luie stoel'.

 

Bij de kachel staat een muizenval. Vegetariër Deschner heeft de val echter uitgerust zonder de gebruikelijke dodelijke klem. Als een muis in de val loopt, laat de schrijver hem na een tijdje weer los in de tuin. Effectief is dit afweermiddel niet. Onbekommerd door de menselijke aanwezigheid dringen steeds weer nieuwe muizen huize Deschner binnen. De knagers hebben ooit een flinke hap uit een geliefde dichtbundel gevreten. De prachtig uitgevoerde Sancta Biblia, een in 1701 in Bamberg gedrukte versie van de Heilige Schrift, ligt op een voor de indringers onbereikbare plaats.

 

In die tijd werkten in Beieren niet alleen de drukpersen, maar ook de brandstapels op volle toeren, zo vertelt Deschner even later: “Hier in Bamberg zijn 600 heksen verbrand. De autoriteiten richtten een centrale plaats voor openbare terechtstellingen in. Daarmee konden ze hout besparen. Het argument van energiebesparing kwam deze eeuw weer boven bij de gaskamers van Hitler, waarvan deze brandstapels een rechtstreekse voorloper waren.”

 

Het Nieuwe Testament, doceert Deschner onstuitbaar verder, bevat de eerste antisemitische geluiden. “Het begint al in de brieven van de apostel Paulus. In het evangelie van Johannes worden de joden maar liefst veertig keer van Christusmoord beschuldigd. De hele geschiedenis door zijn de joden op aandrang van de clerus uitgewezen, verdoemd, uit beroepen verdreven. Alleen de geldhandel stond nog voor hen open en dat maakte hen juist gehaat. De kruistochten begonnen overal met pogroms tegen de joden, waardoor veel kruisvaarders hun schulden konden aflossen. De ergste pogroms vonden natuurlijk in Duitsland plaats.”

 

Over de recente "rehabilitatie' van de Italiaanse astronoom Galilei kan Deschner zich alleen maar vrolijk maken. “Belachelijk dat ze na eeuwen toegeven dat de aarde om de zon draait. Maar de misdaden van de Inquisitie zijn nog nooit herroepen, evenmin het eeuwenlange antisemitisme. Nog steeds heeft het Vaticaan geen betrekkingen aangeknoopt met Israël, een land met een politiek waarop ik overigens veel kritiek heb.”

 

Is uw kritiek op de wandaden van het Christendom niet achterhaald? Ouwe koek van eeuwen geleden?

 

Deschner veert op: “Altijd zeggen ze weer dat ik open deuren intrap. Verschrikkelijke onzin. De kerkleiders leven ervan dat de gelovigen de geschiedenis van hun eigen kerk niet kennen. Bovendien gaan de misdaden door tot vandaag de dag. Het aantal slachtoffers in deze eeuw is groter dan in alle voorgaande eeuwen.”

 

Deschner gaat er nu goed voor zitten. “Paus Pius X heeft een hoofdrol gespeeld bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Vanuit Rome werden de Oostenrijkers aangespoord erop los te slaan. De militaire zielzorg hitste bij alle oorlogvoerende partijen de soldaten op om als kanonnenvoer te sneuvelen aan het front. In preken werden de loopgraven beschreven als grot van Gethsemane. Bisschop Faulhaber beschouwde de kanonnen als spreekbuis van God.”

 

“Het pausdom is verder beslissend medeschuldig aan de vestiging van alle fascistische regimes. De machtsgreep van Mussolini in Italië is door de curie bevorderd. De leiding van de katholieke partij in Duitsland heeft onder invloed van kardinaal Pacelli, de latere Pius XII, vrij baan gemaakt voor Hitler. Bij de opkomst van Franco ging het net zo. De Spaanse burgeroorlog werd gevoerd om katholieke rechten te verdedigen in een door de kerk achterlijk gehouden land.”

 

“Nu schermt de kerk met de waarschuwende herderlijke brieven van zogenaamde verzetstrijders als Faulhaber en graaf Galen. Ze hebben Hitler alleen bestreden als er katholieke belangen in het geding waren, als processies werden verstoord of kruisen weggehaald. Nooit hebben ze één woord gezegd ten gunste van de vermoorde communisten, socialisten of liberalen, nooit één stap voor de joden gezet.”

 

“En na de Tweede Wereldoorlog is het doorgegaan. De steun aan de oorlog in Vietnam, de collaboratie met grootgrondbezitters en totalitaire regimes in Zuid-Amerika. De verbetenheid, waarmee nu in Joegoslavië wordt gevochten, hangt nauw samen met de gruwelen uit de Tweede Wereldoorlog. Daar was de Kroatische ustasja-leider Pavelic een soort Hitler in het klein, en werden - aangevuurd door het Vaticaan - honderdduizenden Serviërs afgeslacht.”

 

De door Deschner als oorlogsmisdadiger van het jaar' omschreven Pavelic wist aan het einde van de wereldoorlog overigens met hulp van de katholieke kerk aan zijn gerechte straf te ontkomen; van zulke ‘’barmhartigheid' wisten meer voortvluchtige nazi's te profiteren.

 

Staan tegenover deze notoire criminelen niet talloze goede gelovigen? Een Moeder Teresa of de vele basisgroepen in parochies, die zich inzetten voor asielzoekers of voor hulp aan de derde wereld?

Deschner: “Er zijn altijd vijgenbladen en uithangborden, waarmee de kerk goede sier kan maken. Als ze allemaal zo waren als Moeder Teresa, Franciscus van Assisi of kerkleraar Basilius de Grote, die zijn bezit aan de armen schonk, dan hoefde ik geen Kriminalgeschichte te schrijven. Die basisgroepen bij u in Nederland en bij ons in Duitsland handelen bonafide, uit een goed geloof, ze zetten zich in voor een vreedzame samenleving. Maar als het erop aankomt leggen ze het af tegen de bisschoppen, de curie en de paus. Ethische en humanitaire zaken tellen niet in Rome, tenzij ze de kerk ten goede komen.”

 

Uw boeken zijn vooral tegen de katholieke kerk gericht. Hoe zit het met de criminaliteit van de protestanten?

 

Deschner: “Er is geen fundamenteel onderscheid tussen het katholicisme en de protestantse groepen. De hervormer Maarten Luther was een rabiate antisemiet. Tijdens de processen in Neurenberg beriep de nazipropagandist Julius Streicher zich met recht op zijn geschriften. Luther propageerde het verbranden van synagogen, het verdrijven en vermoorden van joden. Hij was voor de dienstplicht, koos partij voor de vorsten, pleegde verraad aan de opstandige boeren, verbrandde nog meer heksen dan de katholieken. Met zijn reformatie heeft Luther in dit deel van Europa, waar de invloed van Rome sterk afnam, het geloof opnieuw bevestigd.”

 

Dat laatste argument steekt eveneens achter de weerzin, die de auteur koestert tegen progressieve theologen als zijn bekende landgenoot Eugen Drewermann. Deschner: “Deze progressieven zijn het allerergste. En als ze het eerlijk menen met hun kritiek op de katholieke dogma's, zijn ze het allerdomste. Echt progressief zijn ze pas als ze breken met de kerk. Hun pogingen om het geloof aan te passen zijn volledig zinloos. Dat gebeurt al vanaf het begin. In feite was Paulus de eerste progressieve theoloog. Met hun aanpassingen houden ze het geloof levensvatbaar. Zonder die theologen, van wie er vroeger heel wat op de brandstapel zijn beland, was er geen christendom meer geweest.”

 

Dan heeft de vrijdenker uit Bamberg meer sympathie voor onvervalst behoudende kerkleiders als de huidige paus Johannes Paulus II of wijlen kardinaal Ottaviani, de oerconservatieve aanvoerder van de Congregratie voor de Geloofsleer, de eigentijdse voortzetting van de Inquisitie. Deschner: “Zulke mensen zie ik veel liever. Die schrikken de mensen af, jagen de gelovigen de kerk uit. Zo vind ik ook dat het celibaat moet blijven. Wie het katholieke geloof wil prediken, moet bereid zijn het tot de bodem op te vreten.”

 

Zowel progressieve als behoudende christenen lopen tot dusver met een grote boog om de tientallen boeken van  Deschner heen. Van officiële zijde wordt de Kriminalgeschichte doodgezwegen. “Van goed aangeschreven geleerden en critici krijg ik wel bijval. Niemand heeft de door mij beschreven feiten nog kunnen weerleggen of de geloofwaardigheid van de historische bronnen kunnen aantasten. Het wordt bovendien steeds moeilijker om mij dood te zwijgen. Tenslotte zijn er van mijn boeken één miljoen exemplaren verkocht. Onlangs zijn 25 katholieke theologen en geleerden op een driedaags symposium bijeen geweest om mijn boek tegen het licht te houden. Benieuwd wat daar uitkomt.”

 

Christenen hebben niet alleen moeite met Deschner omdat hij bekende en onbekende wandaden uit verleden en heden nog eens uitvoerig beschrijft. Erger is waarschijnlijk dat hij de bijl zet aan fundamentele beginselen van het christelijke geloof. Deschner: “De wetenschap gaat er tegenwoordig van uit dat Jezus heeft bestaan, maar bewezen is het niet. Er spreekt evenveel vóór als tegen zijn bestaan. Goethe zei trouwens al dat het voor werkelijk religieuze mensen niet uitmaakt of hij heeft bestaan.”

 

 “Alle dogma's van de kerk, alle aan Jezus en zijn apostelen toebedachte daden komen we al eerder tegen in de geschiedenis, in het jodendom, het hellenisme of de Perzische Mithras-religie. De sacramenten, de genezingen, de dood aan het kruis, de hemelvaart, het was al bekend vóór de komst van Jezus, vaak vergelijkbaar met de aan de heidense god Dionysos toe- geschreven wonderen.”

 

Het heilig avondmaal de nabootsing van een heidens ritueel, de heilige Petrus nooit in Rome geweest om daar een leidend episcopaat te vestigen, de evangeliën een onbetrouwbare verhalenbundel over het leven van Jezus. Geen wonder dat de in het achterland van Beieren vervaardigde ketterij bij veel geschokte gelovigen op felle afwijzing stuit. U opperduivel heet een selectie uit de 25.000 brieven, die Deschner van lezers mocht ontvangen. Zevenhonderd daarvan zijn gebundeld door zijn dochters Katja en Bärbel.

 

Een deel van de lezerspost bestaat uit dreigbrieven, scheldtirades of vermaningen over het verdiende loon, dat hem straks in het hellevuur zal wachten. “Daarnaast ontvang ik heel aangrijpende brieven van mensen, die mij hun sympathie betuigen. Die gebroken of geruïneerd zijn onder invloed van de kerk en mijn boeken als een bevrijding ervaren.”

 

U licht de criminele geschiedenis van het christendom door. Men kan toch net zo goed een Kriminalgeschichte schrijven van de islam, het fascisme, het communisme, het jodendom of het hindoeïsme.

 

Deschner denkt dat deze boeken aanzienlijk dunner zullen zijn: “Zeker, ook die stelsels of godsdiensten kennen hun criminele geschiedenis. Maar zelfs de islam, die een uitbreiding te vuur en te zwaard in zijn programma heeft staan, is nooit zo brutaal en gruwelijk opgetreden als het christendom. Het hindoeïsme en het boeddhisme zijn veel vredelievender, hebben meer respect voor dieren. Hitler en Stalin hebben de vreselijkste misdaden begaan, maar niet 2000 jaar lang en ze hebben zich bovendien niet als redder van de wereld opgeworpen. Een Kriminalgeschichte der Deutschen is ook heel goed mogelijk. Daarvoor bestaat aanleiding genoeg.”

 

 “Persoonlijk zou ik het liefste communist zijn, als de communisten maar echte communisten waren. Dat is dus niet het geval gebleken. Macht corrumpeert. Elke staat berust op macht, macht berust op geweld en dat trekt moreel laag staande mensen aan. Goede ideeën zijn er genoeg op deze wereld, ze mislukken meestal door personeelsproblemen.”

 

“Het enige geloof, dat ik mij wens, zou het geloof in mezelf zijn”, schrijft  Deschner  in een boek vol aforismen. “Mijn vaderland? Een paar doden, zekere bossen en onzekere gedachten. Mijn hiernamaals? Het landschap; van de boom voor mij tot de hemel daarboven.” Zijn laatste spreuk: “Van twijfel naar twijfel, zonder te vertwijfelen. In wezen ben ik een uit louter twijfels bestaand gelovig mens.”

 

(Bron: Algemeen Dagblad, 19 december 1992)

 

 

Homepage: www.hetverraadvanlinks.nl