Moskee in Slotervaart is van Moslimbroederschap

 

Door Carel Brendel

 

De nieuwe moskee, die wordt gebouwd aan het Staalmanplein in Amsterdam-Slotervaart, is van de Moslimbroederschap. Dat erkent minister van Binnenlandse Zaken Guusje ter Horst in haar antwoorden op Kamervragen van PVV, VVD en SP.

 

Gaat u desondanks maar rustig slapen, want de Nederlandse volgelingen van de Egyptische haatprediker Yusuf al-Qaradawi vormen geen enkel gevaar. Ze hebben namelijk afstand genomen van de antisemitische donderpreken van deze ‘gerespecteerde autoriteit’, die voorzitter is van de European Council of Fatwa and Research (ECFR).

 

Ter Horst: “Op Europees niveau heeft de Moslimbroederschap zich vooral georganiseerd via de Federatie Islamitische Organisaties Europa (FIOE). De Federatie Islamitische Organisaties Nederland (FION) is aangesloten bij deze Europese koepelorganisatie. In antwoorden op eerdere schriftelijke vragen is de Kamer reeds geïnformeerd dat de Moslimbroederschap een veelheid aan nationale en lokale bewegingen met verschillende doelstellingen kent, die naar tijd en plaats verschillen. De AIVD heeft geen concrete aanwijzingen dat de Moslimbroederschap in Nederland, of de organisaties die hieraan verbonden zijn, een risico vormen voor de nationale veiligheid. De AIVD heeft ook geen concrete aanwijzingen dat een dergelijke dreiging van de activiteiten van de heer (Yahia) Bouyafa (voorzitter van de FION) uitgaat.”

 

Volgens Ter Horst zijn er evenmin aanwijzingen dat Al-Qaradawi is betrokken bij de bouw van de moskee. Dat laatste heb ik overigens niet geschreven op mijn weblog. Wel dat de FION is aangesloten bij een Europese club, die Al-Qaradawi beschouwt als belangrijkste leider en daarnaast geen enkele inbreuk op de sharia duldt.  Dat van die sharia staat wel op de website van de ECFR, maar niet in de antwoorden van Ter Horst: “Zowel de Federatie Islamitische Organisaties Nederland als de European Council of Fatwa and Research zijn aangesloten bij de Europese koepel van de Federatie Islamitische Organisaties, de FIOE.”

 

Over de financiering van de moskee geeft de minister verder geen uitsluitsel. Op haar gezag moet de Tweede Kamer aannemen dat alles in orde is.

 

Om mij onduidelijke redenen beschikt Ter Horst over een zeer kort geheugen. In oktober 2007 verscheen namelijk een rapport van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) met de titel Radicale dawa in verandering. Het ging over de opkomst van islamitisch neoradicalisme in Nederland. Ter aanvulling op de vragen van de Kamerleden De Krom, Teeven en Griffith (VVD), Brinkman en Fritsma (PVV) en Karabulut en De Wit (SP) lever ik enkele passages. Het is een lange tekst met veel kopiëren en plakken, maar wel nuttig en noodzakelijk.

 

In dit rapport gaat het overigens niet om gewelddadige jihadisten, maar om radicale ultra-orthodoxe stromingen, zoals het salafisme (dat de meeste aandacht krijgt) en de Moslimbroederschap. De AIVD geeft zich niet over aan alarmisme, maar onderschat evenmin de gevaren van deze groeperingen.

 

Over de neoradicale islam schrijft de AIVD het volgende (blz 10/11): “De hedendaagse radicale islam uit zich echter niet alleen op een gewelddadige wijze, hoewel dit beeld soms nadrukkelijk naar voren komt. Er zijn thans in Nederland en in enkele ons omringende landen diverse islamitische bewegingen actief die op een activistische wijze een strikte toepassing van islamitische wet- en regelgeving nastreven.

 

Juist deze bewegingen bevinden zich om allerlei redenen in een groeifase. Zij hebben hun oorsprong in de islamitische wereld, acteren vanuit een sterk religieuze agenda, nemen op diverse terreinen onverbloemd stelling tegen de waarden van de westerse rechtsstaat en wijzen integratie in deze samenlevingen af. Maar ze verkondigen in geen geval het gebruik van geweld om hun doelstellingen te verwezenlijken. Hun boodschap blijkt voor een belangrijk deel aan te sluiten bij het identiteitsvraagstuk dat nu actueel is onder groepen jonge moslims in Nederland en delen van West-Europa.

 

Hierdoor is een ontwikkeling in gang gezet die er, gelet op de groei die deze bewegingen doormaken, in de toekomst misschien toe kan leiden dat een groeiend deel van de Nederlandse of Europese moslimgemeenschappen zich fysiek en mentaal van de hen omringende samenleving afkeert. Er is hierbij echter geen sprake van een geweldsdreiging of acute aantasting van de democratische rechtsorde. Het is eerder een sluipend proces dat op den duur de cohesie en onderlinge solidariteit in de samenleving en de vrije uitoefening van (klassieke) grondrechten kan aantasten. Hier kan onder meer gedacht worden aan tendensen van extreem isolationisme die gepaard gaan met onverdraagzaamheid en in sommige gevallen zelfs het streven een eigen religieus rechtssysteem boven de Nederlandse wet te stellen.”

 

Verderop (blz. 13/14) neemt het rapport een voorschotje op de Moslimbroederschap: “Hoofdstuk 3 gaat vervolgens in op enkele radicale dawa-bewegingen die ook in Nederland actief zijn, maar in sterkere mate in ons omringende landen invloed hebben weten te verwerven. In onder meer Denemarken, Duitsland en Groot-Brittannië zijn radicale dawa-bewegingen zoals de Moslimbroeders, Tabligh Jamaat en Hizb ut-Tahrir in dit verband actief. Deze bewegingen vertonen belangrijke overeenkomsten met de in Nederland actief zijnde salafieten, maar hebben een andere ontstaansgeschiedenis, verschillen met elkaar op ideologisch vlak en hanteren een afwijkende strategische koers. Wat de opkomst van deze diverse dawa-bewegingen voor de democratische rechtsorde kan betekenen, is vrijwel overal hetzelfde, in welk land deze groei zich ook voordoet.”

 

Verder naar hoofdstuk 3, waar een bekende Rotterdamse bruggenbouwer opduikt (blz. 52/54): “De Moslimbroeders hebben in de vroege jaren zestig een brug weten te slaan naar Europa. Daarbij hebben ze zich allereerst op Duitsland gericht, waar Saïd Ramadan, de persoonlijk secretaris van Hassan al-Banna en vader van de hedendaagse Zwitserse islamoloog Tariq Ramadan, zich toen gevestigd had. Van daaruit heeft hij, samen met anderen, een Europees netwerk opgebouwd dat tegenwoordig vertakkingen heeft in vrijwel alle Europese landen met een islamitische gemeenschap.

 

Niet alle Moslimbroeders - of hun sympathisanten - zijn als zodanig herkenbaar. Ze maken niet altijd hun religieuze loyaliteiten en ultraorthodoxe religieuze agenda openlijk kenbaar aan buitenstaanders. Ze stellen zich ogenschijnlijk coöperatief en gematigd op naar de westerse samenleving en ze hebben zeker geen gewelddadige doelstellingen. Wel proberen ze de weg vrij te maken voor een grotere rol van de ultraorthodoxe islam in de westerse wereld: door religieuze beïnvloeding van islamitische migrantengemeenschappen en door goede verstandhoudingen op te bouwen met relevante maatschappelijke belangenbehartigers (politici, bestuurders, het maatschappelijke middenveld, niet-islamitische geestelijken, academici, journalisten enzovoort). Deze participatiepolitiek is de afgelopen jaren merkbaarder geworden en kan misschien een zekere liberalisering van hun denkbeelden teweegbrengen. Ze werpen zich hiermee op als breed gedragen belangenbehartiger en gelegitimeerd woordvoerder van de islamitische gemeenschap. Met als uiteindelijk doel - maar dit wordt zeker niet openlijk verkondigd - een ultraorthodoxe islamitische zuil in West-Europa te creëren en die stevig te funderen en uit te breiden.

 

De Moslimbroeders bevinden zich feitelijk nog in de eerste fase van het moslimradicalisme. De beweging is weliswaar actief in diverse Europese landen en heeft ook zeker aanzienlijke invloed, onder meer in Duitsland. Maar het kader bestaat vooral uit eerste-generatie migranten, die veelal goed geschoold zijn in de ultraorthodoxe leer en methodiek. Het is ze echter niet gelukt dit kader substantieel te verjongen. Ze weten ook de jongere generatie, die vaak een totaal andere culturele achtergrond heeft, onvoldoende te bereiken. De Moslimbroeders ondervinden dan ook veel concurrentie van de salafieten. Hadden de Moslimbroeders in de laatste decennia van de vorige eeuw met hun politiek-religieuze boodschap nog succes onder jongeren, nu komt die eer vooral de politieke salafieten toe. De Moslimbroeders zijn in Europa minder prominent dan enige jaren geleden. Waarschijnlijk speelt hun bereidheid tot politieke participatie hen parten. Jonge moslimradicalen zijn niet bereid zulke concessies te doen en voelen zich daarom meer aangetrokken tot de salafieten en andere ultraorthodoxe bewegingen. Toch hebben de Europese Moslimbroeders nog altijd veel invloed. Zo hebben ze eind 2005, begin 2006 vanuit Denemarken een belangrijke rol gespeeld bij de rel rond de Deense cartoons over de profeet Mohammed. Daarbij hebben zij provocatieve tactieken niet geschuwd.

 

Ook de vanuit Doha in Qatar opererende Egyptische Moslimbroeder Yusuf al-Qaradawi, televisieprediker van de omroep al-Jazeera en voorzitter van de in Dublin zetelende Europese Raad voor Fatwa en Onderzoek, heeft hierbij een rol gespeeld. Al-Qaradawi werpt zich regelmatig op als religieus leidsman van de Europese moslims en poogt vanuit een orthodoxe invalshoek islamitische wetgeving voor moslims in de diaspora te ontwerpen. De Europese Raad voor Fatwa en Onderzoek - die formeel niet verbonden is aan de Moslimbroeders - heeft bijvoorbeeld verordend dat Europese moslims gebruik mogen maken van het westerse bankverkeer (met rente), zolang er geen islamitisch alternatief voorhanden is. Deze fatwa illustreert de vermenging van ideologie en pragmatiek die de huidige Moslimbroeders kenmerkt. Ze zijn bereid in Europese context concessies te doen en zich minder dogmatisch op te stellen dan andere radicale dawa-bewegingen, maar bepleiten tegelijkertijd de suprematie en dwingende navolging van de islam.

 

De politieke salafieten in West-Europa hebben de methodiek van de Moslimbroeders overgenomen. De methodiek om te komen tot islamisering van de samenleving door, vanuit een sterke organisatie, gestaag en heimelijk te bouwen aan een streng religieus, islamitisch maatschappelijk middenveld. Salafitische moslimradicalen en andere ultraorthodoxe stromingen zien de Moslimbroeders dan ook als voorbeeld. Ze wijzen echter de bereidheid tot politieke participatie en compromissen af.

 

Enkele in Europa, waaronder Nederland, verblijvende salafitische imams hebben een verleden binnen de Egyptische of Syrische Moslimbroederschap. Zij zijn veelal na gedwongen vertrek uit hun vaderland in Saoedi-Arabië nader geschoold in de salafitische leer. Van daaruit zijn zij later naar Europa uitgeweken. In Nederland beschikken de Moslimbroeders ook over aanhang. De in aanbouw zijnde es-Salaam moskee in Rotterdam - die de grootste moskee van Nederland moet worden - telt binnen haar bestuur bijvoorbeeld enige leden die aan de Moslimbroederschap zijn verbonden.”

 

In hoofdstuk 4 beschrijft de AIVD de risico’s van de radicale dawa: “Het zou veel te ver gaan om te beweren dat de radicale dawa in staat zou zijn om de democratische rechtsorde als geheel blijvend te ontwrichten. Maar het is wel legitiem te stellen dat de radicale dawa momenteel risico’s inhoudt met betrekking tot het onverkort functioneren van de democratische rechtsorde voor een gedeelte van de burgers. In bepaalde gevallen is de radicale dawa momenteel in staat om de democratische rechtsorde gedeeltelijk te belemmeren voor met name personen uit eigen kring, bijvoorbeeld moslims die niet salafitisch zijn, of niet belijdend zijn, of seculiere denkbeelden aanhangen, of zich anderszins niet schikken naar de strenge leef- en gedragsregels van de salafieten. Hierdoor wordt de horizontale dimensie van de democratische rechtsorde binnen de islamitische gemeenschappen van Nederland alsmede de verticale dimensie voor wat betreft de relatie tussen delen van de moslimgemeenschap en de overheid gedeeltelijk aangetast.”

 

Volgt een opsomming van risico’s (blz 64/70). In dit geval geef ik alleen de titels van de korte hoofdstukjes: “De radicale dawa draagt bij aan de vermindering van het draagvlak van de democratische rechtsorde. De radicale dawa draagt bij aan de polarisering van de samenleving. De radicale dawa belemmert de andersdenkende en andersgelovige moslims in de uitoefening van grondrechten. De radicale dawa belemmert niet-moslims in de uitoefening van grondrechten. De radicale dawa belemmert vrouwen in de uitoefening van grondrechten. Tendensen om eigen religieus rechtssysteem op een informele en heimelijke wijze in de praktijk te brengen. Verkenning van tactieken van heimelijk tegenwerken en verstoren van de democratische rechtsorde. Heimelijke beleidsbeïnvloeding van de overheid en intredepolitiek in het maatschappelijk middenveld. Voedingsbodem voor radicalisering in de richting van geweld.”

 

De nadruk ligt in dit hoofdstuk voornamelijk op het salafisme. Maar het is goed om te weten dat de Moslimbroederschap, het gematigde broertje van de salafisten, door de AIVD uitdrukkelijk wordt gerangschikt onder de radicale dawa.

 

Salafisten en Moslimbroeders hebben in Nederland de vrijheid om hun moskeeën te bouwen. De broeders vormen kennelijk geen gevaar voor de nationale veiligheid. Maar het is gezien het bovenstaande toch niet de club die je als eerste zou kiezen om een nieuwe moskee in de buurt neer te zetten. Daarom vraag ik me af waarom stadsdeelvoorzitter Marcouch uitgerekend de FION, c.q. de Moslimbroederschap, heeft aanbevolen bij woningbouwcorporatie De Alliantie, toen men daar op zoek ging naar een geschikte organisatie om een moskee in Slotervaart te stichten. Marcouch heeft wat uit te leggen aan zijn deelraad en ook aan zijn partijgenoten in de PvdA.

 

Carel Brendel is auteur van Het verraad van links (Uitg. Aspekt)

 

Geplaatst op 22 april 2009

 

 

Homepage: www.hetverraadvanlinks.nl