Titel
 
 
 
Aylapups in mandBram met pup4 HondenForrestPuppiesSlapen bij mama
 
 

Rasstandaard

Vlag Australie
-De Jack Russell Terriër-


FCI-standaard no. 345/ 09

FCI-standaard no. 345/ 09 augustus 2004/ GB

Publicatie datum van de
originele, geldige standaard:
25 oktober 2000
Land van oorsprong: Engeland
Land van ontwikkeling: Australië
Gebruikskenmerken

Een goede werkende terriër met het vermogen om onder de grond te gaan. Een uitmuntende gezelschapshond.
Klassificatie volgens de FCI

Klassificatie volgens de FCI
Groep 3: Terriërs
Sectie 2: Kleine Terriërs met werkproef
Beknopte geschiedenis

De Jack Russell Terriër vindt zijn oorsprong in het Engeland van de 19de eeuw, dankzij de inspanningen van dominee John Russell. Hij ontwikkelde een stam van Foxterriërs, die paste bij zijn behoefte aan een hond die met de Foxhounds mee kon lopen en die onder de grond kon gaan om de vos en ander schadelijk wild te "laten springen" uit zijn hol. Er ontstonden twee variëteiten met fundamenteel gelijkvormige standaarden, behalve verschillen, voornamelijk in hoogte en verhoudingen. De grotere, vierkantere hond staat nu bekend als de Parson Russell terriër en de kleinere, iets langer gebouwde hond is bekend als de Jack Russel Terriër.

Algemeen voorkomen

Een sterke, actieve, lenige, werkende terrier met een geweldig karater en een flexibel lichaam van gemiddelde lengte. Zijn vlugge bewegingen passen bij zijn levendige uitdrukking. De staart mag niet gecoupeerd zijn en de vacht mag gladharig, ruwharig of broken zijn.

Belangrijke lichaamsverhoudingen

  • De gehele hond is langer dan hoog.
  • De lichaamsdiepte van schoft tot onderzijde van de borstkas behoort gelijk te zijn aan de beenlengte van elleboog tot de grond.
  • De omvang van het lichaam, achter de ellebogen behoort ongeveer 40-43 cm te zijn.

Gedrag en temperament

Een levendige, allerte en actieve terriër met een levendige, intelligente uitdrukking.
Moedig en onbevreesd, vriendelijk maar zelfverzekerd.

Hoofd

Schedelgedeelte

  • Schedel:
    De schedel behoort vlak te zijn en van een gemiddelde breedte, die geleidelijk smaller wordt naar de ogen en toeloopt in een brede voorsnuit.
  • Stop:
    Duidelijk gedefinieerde stop, die niet te uitgesproken mag zijn.

Aangezichtsgedeelte:

  • Neus:
    zwart.
  • Voorsnuit:
    De lengte van de stop tot de neus behoort iets korter te zijn, dan de lengte van de stop tot de achterhoofdsknobbel.
  • Lippen:
    Goed aansluitend en zwart gepigmenteerd.
  • Kaken en gebit:
    Zeer sterk, diep, breed en krachtig. Sterke tanden, die sluiten in een schaargebit.
  • Ogen:
    Klein, donker en met een levendige uitdrukking. MOGEN niet bol zijn en de oogleden moeten goed aangesloten zijn. Amandelvormig.
  • Oren:
    Knopoor of hangend oor van goede structuur en grote beweeglijkheid.
  • Wangen:
    De wangspieren behoren goed ontwikkeld te zijn.

Hals

Sterk en droog, geschikt om het hoofd in balans te dragen.
Lichaam

  • Algemeen:
    Rechthoekig.
  • Rug:
    Recht. De lengte van schoft tot staartaanzet moet iets groter zijn dan de hoogte van schoft tot grond.
  • Lendenen:
    De lendenen behoren kort, sterk en goed gespierd te zijn.
  • Borst:
    De borst is eerder diep dan breed, met voldoende afstand tot de grond, zodat de onderzijde van de borstkas zich halverwege de grond en de schoft bevindt. Vanuit de ruggegraat behoren de ribben goed gewelfd te zijn, waarna ze vlakker worden naar de zijden toe, zodat de omvang achter de ellebogen te spannen is met twee handen (span ongeveer 40 - 43 cm).
  • Borstbeen:
    Punt van het borstbeen duidelijk voor de schouderpunt.

Ledematen

Voorhand:

  • Schouders:
    Goed schuin naar achter liggend en niet zwaar beladen met spieren.
  • Voorbenen:
    Recht van bot van de elleboog tot de tenen, zowel van de voren als van opzij bezien.
  • Opperarm:
    Van voldoende lengte en met voldoende hoeking, zodat de ellebogen onder het lichaam kunnen staan.

Achterhand:

  • Sterk en gespierd, in balans met de schouderpartij.
  • Knieën:
    Goed gehoekt.
  • Achterbenen (Middenvoet):
    Paralel, bezien van achteren in vrije stand.
  • Hakken:
    Laag geplaatst.
  • Voeten:
    Rond, hard, stevige voetzolen, niet groot, tenen matig gewelfd, niet in of uitdraaiend.
Gangwerk en Beweging

Vrij, zuiver en veerkrachtig.
Vacht

  • Beharing:
    Mag glad, "broken" of ruw zijn. Vachten mogen niet veranderd worden (door trimmen) om glad of "broken" te lijken.
  • Kleur:
    Wit MOET overheersen met zwarte en/of tan-kleurige aftekening.
Maat en Gewicht

  • Ideale hoogte:
    25 cm (10 inch) tot 30 cm (12 inch).
  • Gewicht:
    Dusdanig dat 1 kg gewicht met 5 cm hoogte overeenkomt. Dat houdt in dat een hond van 25 cm hoogte ongeveer 5 kg en een hond van 30 cm hoogte 6 kg behoort te wegen.
Fouten

Elke afwijking van de voorgaande punten moet aangemerkt worden als een fout en de ernst waarmee de fout aangemerkt moet worden, moet in juiste verhouding staan tot de mate waarin hij voorkomt. De volgende afwijkingen echter behoren in het bijzonder bestraft te worden:

  • Gebrek aan de juiste terriërkenmerken.
  • Gebrek aan balans, d.w.z. overdrijving van welk punt dan ook.
  • Trage en ongezonde gangen.
  • Fout gebit.

N.B.: Mannelijke dieren behoren twee, duidelijk normale testikels te hebben, die volledig zijn ingedaald in de balzak.