CORPUS DOCTUM                    HOME INFO DOWNLOADS FAQ'S DATABASE

 

JURISPRUDENTIEOVERZICHT VAN WEEK 11 t/m WEEK 20

 

 

                                                                                     >>>>>>>> <<<<<<<<

laatste aanvullingen 2012 (week 20):

 

CREDITS TOEEIGENEN: de term 'credit' moet worden opgevat in de economische betekenis die daaraan in het normale spraakgebruik wordt toegekend, te weten als gebruikseenheid om de daarmee aangeduide vorm van telecommunicatiedienstverlening te kunnen kwalificeren en in rekening te kunnen brengen. de dader heeft met behulp van een mobiele telefoon van de stichting flexus een creditaccount geopend en aldus zonder daartoe gerechtigd te zijn over die credits als heer en meester beschikt. aldus waren die credits dus door misdrijf verkregen. hr 17-4-2012, njb 2012, p. 1343, nr. 1116; LJN BV9064, nr. 10/02005.

 

**

 

RICHTLIJN 1999/70:         bij een keten van elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd verklaart het tweede lid art. 7:668a  bw het eerste lid van deze bepaling (de laatste overeenkomst geldt als aangegaan voor onbepaalde tijd) van overeenkomstige toepassing op elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten tussen een werknemer en verschillende werkgevers, die ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijze geacht moeten worden elkanders opvolger te zijn.

bij de uitleg van deze bepaling dient aansluiting te worden gezocht bij de in het licht van het europese recht ook thans nog juist te achten maatstaf die de hoge raad in zijn arrest van 24-10-1986, LJN AC9537, nj 1987, 293 heeft ontwikkeld met het oog op de beantwoording van de vraag, kort gezegd, of een proeftijdbeding rechtsgeldig is in geval van rechtsopvolging aan de zijde van de werkgever.

het gaat in de onderhavige zaak immers om dezelfde afweging van belangen die aan de orde was in laatstgenoemd arrest. dit betekent dat aan de eis dat de nieuwe werkgever redelijkerwijs geacht moet worden ten aanzien van de verrichte arbeid de opvolger van de vorige werkgever te zijn, in de regel is voldaan indien enerzijds de nieuwe overeenkomst wezenlijk dezelfde vaardigheden en verantwoordelijkheden eist als de vorige overeenkomst, en anderzijds tussen de nieuwe werkgever en de vorige werkgever zodanige banden bestaan dat het door de laatste op grond van zijn ervaringen met de werknemer verkregen inzicht in diens hoedanigheden en geschiktheid in redelijkheid ook moet worden toegerekend aan de nieuwe werkgever.

tegen deze achtergrond heeft het hof terecht en op goede gronden geoordeeld dat de omstandigheid dat [eiseres] na indiensttreding bij [verweerster] dezelfde (vervoers)werkzaamheden is blijven verrichten voor dezelfde doelgroep als zij voorheen in dienst van connexxion verrichtte, onvoldoende is om opvolgend werkgeverschap in de zin van art. 7:668a bw lid 2 aan te nemen. eveneens terecht heeft het hof geoordeeld dat het feit dat [verweerster] en connexxion niets anders met elkaar van doen hebben dan dat zij elkaars concurrent zijn, aan toepasselijkheid van deze bepaling in de weg staat, nu is gesteld noch gebleken dat [verweerster] langs andere weg inzicht had in de hoedanigheden en geschiktheid van [eiseres], of dat [verweerster] in enig opzicht heeft getracht misbruik te maken van het identiteitsverschil tussen haarzelf en connexxion. hr 11-5-2012, LJN BV9603, nr. 10/05466.

 

***

 

MIERENNEUKER GEEN BELEDIGING:

de verdachte verklaarde: vandaag, op 25-2-2010, stond ik naast de albert heijn met een aantal jongens. Ik stond half binnen, half buiten de ingang van de parkeergarage gelegen naast de albert heijn te enschede. hier werd ik aangesproken door uw collega's. ik werd daar naar buiten gestuurd. binnen stond een geopend blikje bier. deze wilde ik meenemen om vervolgens het blikje bier in de afvalbak te gooien. dit werd mij door uw collega afgepakt. de politieagent gooide het bier zelf weg en liep vervolgens weg. toen ze wegliepen, riep ik (opm.: in aanwezigheid van anderen) dat de mannelijke agent een mierenneuker was. ik vond hem heel kinderachtig.

de bewezenverklaring houdt in dat het gaat om een belediging die iemand mondeling in zijn tegenwoordigheid is aangedaan. in een dergelijk geval moet een uitlating als beledigend worden beschouwd indien zij de strekking heeft die ander aan te randen in zijn eer en goede naam. het oordeel dat daarvan sprake is zal bij woorden waarvan het gebruik op zichzelf in het algemeen niet beledigend is, afhangen van de context waarin de uitlating is gedaan (vgl. hr 22-12-2009, LJN BJ9796, nj 2010, 671).

 het gerechtshof heeft in dit verband in de nadere bewijsoverweging weliswaar verwezen naar "de geschetste context", maar onvoldoende duidelijk gemaakt wat die context in het onderhavige geval precies inhoudt en hoe die context tot het oordeel van het hof over belediging heeft geleid. de bestreden uitspraak is in dit opzicht dus ontoereikend gemotiveerd. hr 8-5-2012, LJN BV9188, nr. 10/05017.

-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

laatste aanvullingen 2012 (week 19):

 

HERZIENING EN 6 EVRM: art. 6 evrm is niet van toepassing op de herzieningsprocedure. eur. hof rm 6-3-2012, njb 2012, p. 1266, nr. 1040, appl. nr. 54468/09.

 

***

 

VERENIGING VAN EIGENAREN EN DWANGBEVEL: een vereniging van eigenaren heeft niet voldaan aan een aanschrijving ex art. 14 woningwet (oud) lid 1. de gemeente past bestuursdwang toe. de invordering door de gemeente van de kosten van bestuursdwang bij dwangbevel - art. 5:26 awb (oud) lid 1 - richt zich tegen een van de appartementseigenaren. invordering bij dwangbevel is slechts mogelijk van de overtreder van de aanschrijving. als zodanig is ook een appartementseigenaar aan te merken aangezien een aanschrijving aan de vereniging van eigenaren tevens is aan te merken als aanschrijving aan de door die vereniging vertegenwoordigde eigenaars tezamen (art. 5:126 bw lid 2). hr 4-5-2012, LJN BW4812, nr. 11/00851.

 

**

 

UAR 2001: tot uitgangspunt dient dat het tussen partijen van toepassing zijnde uniform aanbestedingsreglement 2001 (uar 2001) als recht in de zin van art. 79 ro moet worden beschouwd (vgl. hr 31-5-1985, nj 1985, 648).

 

de klacht luidt dat, gelet op de tekst van art. 25 uar 2001 lid 2, het oordeel van het hof dat die bepaling geen schriftelijke mededeling van de aanbesteder vereist voor de totstandkoming van de opdracht, onjuist is. de klacht treft doel. uit de tekst van art. 25 uar 2001 lid 2 volgt onmiskenbaar dat de opdracht door de aanbesteder geschiedt door middel van een schriftelijke mededeling, hetgeen wordt ondersteund door het vereiste dat ook een mededeling per telegram, telex of fax schriftelijk moet worden bevestigd. ook de strekking van de bepaling - die hierin bestaat dat, mede met het oog op de belangen van derden, de voor een gelijke behandeling en transparantie vereiste rechtszekerheid bij aanbestedingen wordt gediend - wijst op die uitleg.

 

het feit dat de bepalingen van het burgerlijk wetboek voor de totstandkoming van een overeenkomst van aanneming van werk geen vormvoorschrift bevatten, doet hieraan niet af, nu van die bepalingen door partijen - of door een voorschrift als art. 25 uar 2001 lid 2 - kan worden afgeweken. hr 4-5-2012, LJN BV6687, nr. 10/05102.

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

laatste aanvullingen 2012 (week 18):

 

MISBRUIK GESTOLEN RIJBEWIJS: een nederlander doet aangifte van diefstal van zijn rijbewijs. twee jaar lang werd het rijbewijs misbruikt, o.a. voor vele niet door betrokkene gepleegde verkeersovertredingen en voor registratie van 1737 auto's op zijn naam in het kentekenregister. onmiddellijke administratieve actie om het rijbewijs onbruikbaar te maken als identiteitsbewijs was mogelijk geweest maar bleef uit. dat levert schending op van art. 8 evrm. eur. hof rm 14-2-2012, njb 2012, p. 1193, nr. 976; appl. nr. 7094/06.

 

***

 

EEN NIET REDELIJK VOORDEEL (in de zin van art. 7:264 bw lid 1) bedongen door verhuurder van woningen in de sociale sector zou hierin bestaan dat deze bij nieuwe huurders een bedrag van eur. 115-125 per maand in rekening bracht als vergoeding voor "verhuurkosten". van zodanig niet redelijk voordeel is echter slechts sprake indien tegenover het bedongen voordeel geen of een verwaarloosbare tegenprestatie staat. in deze zaak mocht rekening gehouden worden met de werkzaamheden die wettelijk aan woningcorporaties zijn opgedragen in verband met hun specifieke taak op het terrein van de volkshuisvesting. hr 6-4-2012, njb 2012, p. 1201, nr. 983, LJN BV1767, nr. 10/04574.

 

**

 

BUITENGERECHTELIJKE KOSTEN: onjuist is de opvatting dat indien een bedrag aan buitengerechtelijke kosten wordt gevorderd dat forfaitair is berekend volgens aanbeveling II van het rapport voorwerk II, geen plaats is voor een beoordeling door de rechter (op de voet van art. 6:96 bw lid 2, aanhef en onder c) of dat bedrag in de gegeven omstandigheden redelijk is. aanbeveling II van rapport voorwerk II - welk rapport geen recht bevat in de zin van art. 79 ro - bindt de rechter niet en ontslaat hem dan ook niet van de beoordeling van de redelijkheid van het op basis van die aanbeveling forfaitair berekende bedrag in het licht van de gegeven omstandigheden. hr 27-4-2012, LJN BV6690, nr. 10/05572.

**

>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>> belangrijk <<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<

SOFTWARE ONDERWERP VAN KOOP:

 

vooropgesteld wordt dat het in deze zaak gaat om de verbintenisrechtelijke vraag of de in art. 7:23 bw neergelegde regeling van de verjaring zich leent voor toepassing in de situatie dat standaardsoftware niet blijkt te functioneren zoals werd verwacht door degene die deze software heeft aangeschaft. niet aan de orde is derhalve de goederenrechtelijke aard van software, en evenmin de kwalificatie van (de titel van verkrijging van) de gebruiksrechten die bij de aanschaf van de software worden verkregen.

 

in dit verband is in de eerste plaats van belang dat de toepasselijkheid van de kooptitel niet is beperkt tot de koop van zaken volgens de begripsomschrijving van art. 3:2 bw. uit art. 7:47 bw, waarin is bepaald dat koop ook betrekking kan hebben op vermogensrechten, blijkt dat de wetgever de kooptitel van toepassing heeft geacht op alle goederen als bedoeld in art. 3:1 bw, en dus aan die titel een ruim bereik heeft willen geven wat betreft het voorwerp van de koopovereenkomst. voorts is van belang dat een overeenkomst tot het aanschaffen van standaardcomputerprogrammatuur - op een gegevensdrager of via een download - voor een niet in tijdsduur beperkt gebruik tegen betaling van een bepaald bedrag ertoe strekt de verkrijger iets te verschaffen dat geïndividualiseerd is en waarover hij feitelijke macht kan uitoefenen. dit alles pleit voor toepasselijkheid van de kooptitel op een zodanige overeenkomst.

deze toepasselijkheid is ook wenselijk omdat de kooptitel een uitgewerkte regeling geeft inzake conformiteit, klachtplicht en verjaring, en omdat met die toepasselijkheid de rechtspositie van de koper wordt versterkt (met name in het geval van consumentenkoop en koop op afstand). In al deze opzichten bestaat geen aanleiding de aanschaf van standaardsoftware te onderscheiden van de koop van zaken en vermogensrechten.

van belang in dit verband is voorts de afdeling over koop op afstand. uit art. 7:46d bw lid 4, aanhef en onder c, moet worden afgeleid dat deze afdeling mede van toepassing is op computerprogrammatuur, en wel zonder dat daartoe de omschrijving van het voorwerp van de koopovereenkomst specifiek voor deze afdeling is uitgebreid. daarom zou het ongerijmd zijn indien niet ook de aanschaf van computerprogrammatuur die niet op afstand is verricht, als koop in de zin van titel 7.1 zou worden gekwalificeerd. aldus volgt ook uit het stelsel van de wet dat de aanschaf van standaardcomputerprogrammatuur voor een niet in tijdsduur beperkt gebruik tegen betaling van een bepaald bedrag binnen het bereik van de kooptitel valt, ongeacht of sprake is van aanschaf op een gegevensdrager of via een download.

 

in cassatie is uitgangspunt dat imagesan standaardsoftware is, dat de beeldbrigade het recht op het vrije en duurzame (niet in tijdsduur beperkte) gebruik van imagesan heeft verkregen en dat het in deze zaak gaat om de eigenschappen van die software en niet om de auteursrechtelijke (of licentierechtelijke) dimensie daarvan. daarvan uitgaande, en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het oordeel van het hof dat de desbetreffende overeenkomst onder het toepassingsbereik van titel 7.1 valt, juist. dat imagesan mede een voortbrengsel van de menselijke geest is, kan daaraan in de verhouding tussen de beeldbrigade en [verweerster] niet afdoen omdat heel wel denkbaar is dat iets zowel de bescherming van een of meerdere intellectuele eigendomsrechten geniet als het object is van koop. hr 27-4-2012, LJN BV1301, nr. 10/03888.

 

laatste aanvullingen 2012 (week 17):

 

DETENTIE ASIELZOEKERS: nadat duidelijk was dat pogingen om een (ander) land te vinden waarheen betrokkene kon worden uitgezet niet succesvol waren is de detentie toch voortgezet. aangezien er op dat moment geen uitzicht op verwijdering van betrokkene van het belgisch grondgebied was, was de vreemdelingenbewaring klaarblijkelijk niet daarop gericht en daarmee onwettig. er is sprake van schending van art. 5 evrm lid 1. eur. hof rm 31-1-2012, njb 2012, p. 1111, nr. 893; appl. nr. 50012/08.

 

**

BEKENDE PERSOONLIJKHEID EN 10 EVRM (nieuwe caroline-zaak):

bij de belangenafweging bij publicatie van vacantiefoto's van prinses caroline von hannover in st. moritz, wandelend met haar vader prins rainier van monaco en samen met haar echtgenoot ernst von hannover, verdienen artikelen 8 evrm en 10 evrm evenveel respect. factoren die meewegen:

de mate waarin de publicatie bijdraagt aan het publiek debat,

de functie van betrokkenen en de aard van de activiteiten waarover bericht wordt - bij een publiek persoon is er meer ruimte dan bij een prive-persoon, dit aspect wordt begrensd door gevallen waarin het uitsluitend gaat om het bevredigen van de nieuwsgierigheid van het publiek;

eerder gedrag van betrokkene (bijvoorbeeld zelf de publiciteit zoeken);

de wijze van publicatie en het verspreidingsbereik van de foto's;

en de vraag of de foto's openlijk of op een verborgen manier zijn genomen. eur.hof rm 7-2-2012, njb 2012, p. 1113, nr. 895; appl. nr. 40660/08 en 60641/08.

 

**

 

BEWIJSLAST NA SLAGEN VAN GRIEF:

 

in herinnering ----------------------------------------------- :

 indien een partij (de latere geintimeerde) door de rechtbank met het bewijs van haar stellingen is belast en de rechtbank haar in dit bewijs geslaagd heeft geacht, maar het hof naar aanleiding van een daartoe strekkende grief van de wederpartij tot een ander oordeel is gekomen over de waardering van het bijgebrachte bewijs, dient het hof ook zonder debat in hoger beroep tussen partijen over de verdeling van de bewijslast, in verband met de devolutieve werking van het appel, de juistheid van die beslissing opnieuw te bezien (hr 11-6-2004, nj 2005, 282,  nr. C03/025). in dat kader dient in deze zaak de rechter tevens alsnog te onderzoeken of, zoals de eerste rechter heeft geoordeeld, de door [verweerster] aan haar vordering ten grondslag gelegde geldlening vaststaat behoudens het aan [eiser] opgedragen tegenbewijs. hr 30-1-2009, nj 2010, 497; njb 2009, p. 440, nr. 338; rvdw 2009, 243; LJN BG5053, nr. C07/186HR.

 

----------------------------------------------------- nieuw:

het opnieuw beoordelen van de verdeling van de bewijslast als bedoeld in hr 11-6-2004 (zie hiervoor) lijdt uitzondering ingeval de geintimeerde eerder vergeefs tussentijds appel heeft ingesteld tegen het vonnis waarin een eindbeslissing over de bewijslastverdeling en over het gevolg van het al dan niet slagen daarvan is gegeven. hr 30-3-2012, njb 2012, p. 1114, nr. 896; LJN BU3160, nr. 10/01807.

 

**

 

GEBONDENHEID AAN BEWIJSOPDRACHT:

 

in herinnering ----------------------------------------------------- :

de formulering van een bewijsopdracht in het interlocutoir vonnis, ook als deze in hoger beroep wordt gewijzigd, heeft steeds een voorlopig karakter en de rechter is er in de verdere loop van het geding niet aan gebonden. daarom stuit klacht af op 399 rv!!! hr 24-9-1993, 1994, 227.

 

het oordeel dat de rechter een deskundigenbericht noodzakelijk acht is geen beslissing betreffende een partijen verdeeld houdend juridisch of feitelijk geschilpunt. de rechter kan op dit oordeel terugkomen.  hr 19-6-1998, 1999, 288 (WMK).

 

-------------------------------------------------------- nieuw:

indien de rechter bij de bewijsopdracht uitdrukkelijk en zonder voorbehoud overweegt hoe over de zaak beslist zal worden ingeval het opgedragen bewijs wel dan wel niet geleverd wordt, is, anders dan bij een gewone bewijsopdracht, sprake van een eindbeslissing. hr 30-3-2012, njb 2012, p.1114, nr. 896; LJN BU3160, nr. 10/01807.

 

**

 

 

SCHRIFTELIJKE VORDERING CFM 32 CMR: een fax waarbij de afzender de vervoerder aansprakelijk stelt, moet worden aangemerkt als een 'schriftelijke vordering' in de zin van art. 32 cmr lid 1 die de verjaring schorst. het stuk moet een aansprakelijkheidstelling bevatten maar hoeft niet te specificeren hoe de schade is ontstaan, waaruit de schade bestaat en met welk bedrag de schade dient te worden vergoed. hr 30-3-2012, njb 2012, p. 1115, nr. 897; LJN BV2839; nr. 10/04572.

 

**

 

PRIVE-ONGEVAL: een redelijke uitleg van een avb-polis die mede de aansprakelijkheid van een verzekerde als werkgever tegenover zijn ondergeschikten dekt voor letselschade van werknemers die in dienst van de verzekerde deelnemen aan het wegverkeer, brengt in beginsel mee dat deze tevens dekking verleent tegen een op art. 7:611 bw gebaseerde aansprakelijkheid van de verzekerde als werkgever op de grond dat hij heeft verzuimd tegen dat risico een behoorlijke verzekering te sluiten voor die werknemers. hr 30-3-2012, njb 2012, p. 1117, nr. 900; LJN BV1295; nr. 11/01010.

 

***

 

126f SV

 

in herinnering ---------------------------------------------------- :

artikel 126f sv (eerste volzin lid 2) niet aldus uit te leggen dat, indien het sfo (strafrechtelijk financieel onderzoek) meerdere strafbare feiten betreft, de officier van justitie het sfo moet sluiten voor de feiten waarvoor geen veroordeling volgt, als verd. voor een of meer feiten wel is veroordeeld. hr 14-9-1999, 2000, 55 (JR)

 

--------------------------------------------------- nieuw:

dat geldt ook indien  van meer feiten alleen die waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, niet tot een veroordeling leidt. hr. 27-3-2012, njb 2012, p. 1123, nr. 908; LJN BT6254; nr. 09/04010 P.

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

laatste aanvullingen 2012 (week 16):

 

TIJDELIJKE HUUROVEREENKOMST: huur in verband met voorgenomen sloop. ook zonder aanvraag van een vergunning op de voet van art. 15 leegstandwet lid 1 onder c kan sprake zijn van gebruik van woonruimte dat naar zijn aard slechts van korte duur is, in de zin van art. 7:232 bw lid 2. de leegstandwet bevat geen exclusieve regeling op dit punt. hr 13-4-2012, LJN BV2628, nr. 10/04442.

 

***

 

TOEGANG TOT ADVOCAAT EN DETENTIE: verdachte is niet de gelegenheid geboden voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie een advocaat te raadplegen. volgens vaste rechtspraak van de hoge raad is reeds op die enkele grond - afgezien van niet terzake doende uitzonderingen - sprake van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in art. 359a sv (vgl. hr LJN BH3079. het andersluidende oordeel van het gerechtshof is dan ook onjuist. dat behoeft echter niet tot cassatie te leiden. naar ook uit die rechtspraak volgt heeft verdachte geen belang bij zijn klacht over dat verzuim aangezien het gerechtshof de verklaring van verdachte afgelegd bij de politie niet tot het bewijs heeft gebezigd. hr 10-4-2012, LJN BV8241, nr. 10/04058. 

 

**

 

EEN MAAND IN WVW 1994:

 

uitleg van het begrip ‘maand’ in de strafbepalingen van de wegenverkeerswet 1994 (wvw 1994). volgens art. 88 sr wordt onder een maand een tijd van 30 dagen verstaan. dit artikel behoort niet tot de bepalingen die ingevolge art. 91 sr ook toepasselijk zijn op feiten waarop bij andere wetten of verordeningen straf is gesteld. art. 88 sr is ook niet in de wvw 1994 van overeenkomstige toepassing verklaard. in aanmerking genomen dat het wenselijk is dat aan het begrip ‘maand’ bij toepassing van de wvw 1994 geen uiteenlopende betekenissen worden toegekend, brengt een redelijke wetstoepassing mee dat ook bij een op grond van art. 179 wvw 1994 opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid een ‘maand’ wordt verstaan als een periode van 30 dagen. het hof, dat blijkens diens overwegingen, een ‘maand’ klaarblijkelijk heeft opgevat als een kalendermaand, heeft het voorgaande miskend. hr 10-4-2012, LJN BV5627, nr. 10/04927.

 

**
FOUILLERING DOOR PORTIER: niet kan worden uitgesloten dat de rechter op grond van de bijzondere omstandigheden van het geval tot het oordeel komt dat een fouillering die is verricht door een daarmee belaste particulier, een zodanige schending vormt van een (belangrijk) strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel dat het resultaat daarvan niet kan meewerken tot het bewijs. daarvan kan sprake zijn indien overheidsdienaren op enigerlei wijze direct of indirect betrokken zijn bij het gewraakte optreden van die particulier of op enige andere wijze diens gedrag hebben geinitieerd of gefaciliteerd (vgl. hr LJN AX7471). aangevoerd is dat sprake was van "een duidelijke taakverdeling (...) tussen de politie en de portiers. De portiers grijpen in wanneer er binnen de horecagelegenheid iets gebeurt. Als er buiten iets gebeurt, dan is dat het werk voor de politieagenten". het aangevoerde houdt niet in een beroep op bijzondere omstandigheden als hiervoor bedoeld. meer in het bijzonder houdt het niet in dat de politie en/of het openbaar ministerie betrokken zijn geweest bij de fouillering door de portier of die fouillering op andere wijze hebben geïnitieerd of gefaciliteerd. ook het gerechtshof heeft daaromtrent niets vastgesteld. gelet hierop heeft het hof het beroep op bewijsuitsluiting terecht verworpen, zodat het middel faalt. hr 10-4-2012, LJN BU7636, nr. 10/02406.

------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

laatste aanvullingen 2012 (week 15):

 

MISBRUIK VAN PROCESRECHT: duka exploiteerde een cafe in den haag waar brand uitbrak. de feitenrechter achtte aannemelijk dat de enige bestuurder en aandeelhouder van duka opdracht tot brandstichting heeft gegeven en wees de vordering van duka af wegens merkelijke schuld (294 k (oud)), maar het gerechtshof wees een vordering van verzekeraar achmea tot vergoeding van alle proceskosten af. de reconventionele vordering van achmea komt erop neer dat duka de onderhavige procedure zonder grond tegen haar heeft aangespannen en daarom gehouden is alle door achmea in verband met deze procedure gemaakte kosten te vergoeden. naar het hof terecht heeft geoordeeld, is deze vordering alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden (hr 29-6-2007, LJN BA3516, nj 2007, 353). bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 evrm..
het gerechtshof heeft, uitgaande van de hiervoor vermelde maatstaven, geoordeeld dat in dit geval niet kan worden gezegd dat het ontoelaatbaar was dat duka haar - later onjuist gebleken, althans als onjuist beoordeelde - feitelijke standpunt omtrent de brand verdedigde. dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. aan het standpunt van achmea ligt de opvatting ten grondslag dat het enkele feit dat, naar het oordeel van rechtbank en hof, in dit geding in het kader van het bewijs van de door achmea gestelde merkelijke schuld voldoende aanwijzingen zijn gebleken om aan te nemen dat de brand is gesticht in opdracht van [betrokkene 1], zonder meer meebrengt dat tevens moet worden aangenomen dat duka, nu [betrokkene 1] haar enig bestuurder en aandeelhouder was, voorafgaande aan de procedure wist dat de vordering was gebaseerd op feiten en omstandigheden die niet juist waren en dat reeds daarom sprake is van een onrechtmatig handelen van duka dat verplicht tot vergoeding van de integrale proceskosten van achmea. Deze opvatting is onjuist. de omstandigheid dat, hoewel daarover geen zekerheid is verkregen, door rechtbank en hof voldoende bewezen is geacht dat de brand is gesticht in opdracht van [betrokkene 1], brengt immers niet zonder meer mee dat ook de vereiste mate van zekerheid is verkregen over het gestelde misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van de onderhavige procedure, gelet op de hiervoor bedoelde terughoudendheid die in dat kader in acht dient te worden genomen. dat geldt ook indien het handelen van [betrokkene 1], anders dan het hof heeft geoordeeld, mede in dit verband kan worden toegerekend aan duka. hr 6-4-2012, LJN BV7828, nr. 10/03206.

 

**

 

ONDERZOEK VOLMACHT ADVOCAAT

 

in herinnering ----------------------------------------- :

 de hoge raad neemt een aantal beslissingen t.a.v.de  wettelijke regeling m.b.t. het aanwenden van rechtsmiddelen zoals die geldt na de wetswijziging van de wet stroomlijnen hoger beroep. hoewel dat niet in de wet te lezen is, kan een door de verdachte bepaaldelijk gevolmachtigde advocaat op de wijze van art. 450 sv lid 3 (verlening schriftelijke volmacht voor instellen rechtsmiddel aan griffiemedewerker) hoger beroep instellen, nu dat op een niet voor misverstand vatbare wijze tot uitdrukking is gebracht in de memorie van toelichting. er is voorts geen goede grond een advocaat de mogelijkheid te ontzeggen om cassatie in te stellen door middel van het verlenen van een schriftelijke bijzondere volmacht aan een griffiemedewerker. die schriftelijke volmacht zal moeten voldoen aan de in art. 450 sv leden 1 en 3 geformuleerde eisen hetgeen in cassatie betekent dat het voldoende is als de volmacht voldoet aan de in art. 450 sv lid 1 sub a neergelegde eis (verklaring van advocaat hij door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van cassatieberoep). een strikte wetstoepassing ligt echter niet in de rede als de volmacht door de verdachte zelf is verstrekt en het verdient opmerking dat het de in beroep oordelende rechter is die beslist over de ontvankelijkheid van het beroep en dus over de vraag of een rechtsmiddel tijdig en op de juiste wijze is ingesteld (zie ook hr 20-3-2012, hierna) . hr 22-12-2009,  nj 2010, 102 (met noot m.j. borgers); njb 2010, p. 175, nr. 127; LJN BJ7810, nr. 08/04191.

 

echter nieuw -------------------------------------:

 

gelet op de ratio van de regeling van 450 sv, in het bijzonder lid 3 - de schriftelijke machtiging van een griffiemedewerker door de raadsman om appel in te stellen dient om problemen met de betekening van de appeldagvaarding te voorkomen - bestaat er, afgezien van verstekzaken, onvoldoende grond om het appel niet-ontvankelijk te verklaren bij een verzuim met betrekking tot voormelde volmacht, indien ter terechtzitting in hoger beroep de verdachte of een uitdrukkelijk gevolmachtigde advocaat (279 sv) is verschenen en deze aldaar - zo nodig daarnaar uitdrukkelijk gevraagd - heeft verklaard dat de volmacht was verstrekt op basis van de wens om rechtsgeldig appel in te stellen. deze verklaring kan ook na het verstrijken van de appeltermijn worden afgelegd, dit in afwijking af van  hr 22-12-2009 (zie hiervoor). dit geldt weer niet in cassatie omdat daar geen terechtzitting wordt gehouden waar de zaak inhoudelijk wordt behandeld. hr 20-3-2012, njb 2012, p. 952, nr. 838; LJN BV6999, nr. 10/02739.

------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

laatste aanvullingen 2012 (week 14):

 

>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>> belangrijk: <<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<

282a RV: als het griffierecht is voldaan na afloop van in art. 3 wet griffierechten burgerlijke zaken (wgbz) genoemde termijn, is het beroep niet ontvankelijk (282a rv). echter, het feit dat bopz-zaken ingevolge de wgbz niet van griffierechten zijn vrijgesteld, berust op een misslag. het gaat bij de wet bopz immers om procedures met betrekking tot maatregelen die vrijheidsbeneming meebrengen, voor het bestrijden waarvan geen financiele drempels behoren te worden opgeworpen. de ontheffing van het griffierecht geldt ook voor bopz-zaken. verzoekster kan derhalve worden ontvangen in haar beroep. hr 30-3-2012, LJN BV7679, nr.12/00451.

 

**

 

VERZOEK ONTSLAG UIT ZIEKENHUIS: de wet heeft overschrijding door de rechtbank van de beslistermijn van drie weken (art. 49 bopz lid 9 jo. art. 9 bopz lid 1) niet uitdrukkelijk met nietigheid van de beslissing bedreigd. er is geen sprake van schending van een zodanig essentieel procedurevoorschrift dat de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vorm als bedoeld in art. 79 ro. hr 30-3-2012, LJN BW0404, nr.11/05679.

 

**

 

NIET PRIJS GEGEVEN STELLING (devolutieve werking en gezag van gewijsde):

naar vaste rechtspraak worden de grenzen van het geschil in hoger beroep in beginsel bepaald door de appeldagvaarding en de memorie van grieven, en door een eventueel incidenteel beroep. voor zover de geïntimeerde in het dictum van het vonnis van de eerste rechter in het gelijk is gesteld, behoeft hij de stellingen die hij in dit verband in eerste instantie had verdedigd, maar die door de eerste rechter buiten behandeling zijn gelaten of verworpen, niet opnieuw door een incidenteel appel aan het oordeel van de appelrechter te onderwerpen. de devolutieve werking van het appel, waardoor de proceseconomie wordt gediend, brengt immers mee dat, zodra een of meer grieven doel treffen en op zichzelf tot vernietiging van het bestreden vonnis moeten leiden, de niet prijsgegeven stellingen die de geïntimeerde in dit verband in eerste instantie heeft verdedigd alsnog, dan wel wederom moeten worden beoordeeld.

de kantonrechter heeft het primaire verweer van ksn, dat tussen partijen geen arbeidsovereenkomst heeft bestaan, verworpen en geoordeeld dat in de periode van 20 november 2007 tot 20 mei 2008 een arbeidsovereenkomst heeft bestaan. Hij heeft echter het subsidiaire verweer van ksn, dat [eiser] zijn arbeidskracht niet ter beschikking van ksn had gesteld, gehonoreerd met betrekking tot twee perioden tijdens de duur van de arbeidsovereenkomst. op grond daarvan heeft de kantonrechter de vordering van [eiser] deels toe- en deels afgewezen, waardoor het dictum van diens vonnis voor ksn een deels ongunstige en deels gunstige inhoud heeft.

doordat ksn geen incidenteel beroep heeft ingesteld - ook niet voorwaardelijk - tegen het vonnis van de kantonrechter voor zover daarbij de vordering van [eiser] is toegewezen, is dat vonnis in zoverre in kracht van gewijsde gegaan met als gevolg dat het oordeel van de kantonrechter, waarop die toewijzing berust, dat in de gehele periode van 20 november 2007 tot 20 mei 2008 tussen partijen een arbeidsovereenkomst heeft bestaan, onherroepelijk werd en gezag van gewijsde verkreeg dat in een ander geding tussen de partijen zou kunnen worden ingeroepen (art. 236 rv.).
In een zodanig geval kan met het oog op het voorkomen van tegenstrijdige onherroepelijke rechterlijke uitspraken, niet worden aanvaard dat in een door de appellant tegen het voor hem ongunstige gedeelte van het dictum ingestelde hoger beroep het primaire verweer van de geïntimeerde op grond van de hiervoor genoemde hoofdregel van de devolutieve werking opnieuw zou kunnen (en moeten) worden beoordeeld, zonder dat de geintimeerde incidenteel appel heeft ingesteld - ook niet voorwaardelijk - tegen het voor hem ongunstige, op de verwerping van zijn verweer berustende gedeelte van het dictum teneinde te voorkomen dat dit gedeelte van het dictum in kracht van gewijsde gaat en de daaraan ten grondslag liggende beslissing van de eerste rechter gezag van gewijsde verkrijgt. onbeperkte toepassing van de genoemde hoofdregel van de devolutieve werking zou immers tot gevolg kunnen hebben dat - zoals in deze zaak is gebeurd - de appelrechter over hetzelfde geschilpunt een ander oordeel bereikt dan de eerste rechter, zodat na het in kracht van gewijsde gaan van de uitspraak van de appelrechter met betrekking tot dat geschilpunt twee tegenstrijdige onherroepelijke rechterlijke beslissingen met gezag van gewijsde zouden bestaan.

het voorgaande betekent dat nu ksn heeft nagelaten (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van de kantonrechter voor zover daarbij de vordering van [eiser] was toegewezen, het hof het primaire verweer van ksn niet meer in zijn beoordeling van het hoger beroep kon betrekken. hr 30-3-2012, LJN BU8514, nr. 11/03690.

 

------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

laatste aanvullingen 2012 (week 13):

 

AANSPRAKELIJKHEID VOOR UITZENDKRACHT:

"achtergrond van het nieuwe lid 4 is dat de vrijheid van degene die een beroep of bedrijf uitoefent om te kiezen voor het laten verrichten van het werk door werknemers of door anderen niet van invloed behoort te zijn op de rechtspositie van degene die het werk verricht en betrokken raakt bij een bedrijfsongeval of anderszins schade oploopt. met andere woorden: een werkgever die zijn zorgverplichtingen niet nakomt dient op gelijke voet aansprakelijk te zijn voor de schade van werknemers en anderen die bij hem werkzaam zijn." (kamerstukken I, 1998-1999, 26 257, nr. 110b, p. 7)

de bedoeling van de wetgever is dat de bepaling ertoe strekt bescherming te bieden aan personen die zich, wat betreft de door de werkgever in acht te nemen zorgverplichtingen, in een met een werknemer vergelijkbare positie bevinden. dit brengt mee dat art. 7:658 bw lid 4 zich voor toepassing leent indien de persoon die buiten dienstbetrekking werkzaamheden verricht, voor de zorg voor zijn veiligheid (mede) afhankelijk is van degene voor wie hij die werkzaamheden verricht. of dit het geval is, zal aan de hand van de omstandigheden van het geval bepaald moeten worden, waarbij onder meer van belang zijn de feitelijke verhouding tussen betrokkenen en de aard van de verrichte werkzaamheden, alsmede de mate waarin de "werkgever", al dan niet door middel van hulppersonen, invloed heeft op de werkomstandigheden van degene die de werkzaamheden verricht en op de daarmee verband houdende veiligheidsrisico's.

voor toepassing van art. 7:658 bw lid 4 is tevens vereist dat de werkzaamheden hebben plaatsgevonden "in de uitoefening van het beroep of bedrijf" van degene in wiens opdracht de arbeid is verricht. door de minister is in dit verband opgemerkt dat het moet gaan om "werkzaamheden die de derde in het kader van de uitoefening van zijn beroep of bedrijf ook door eigen werknemers had kunnen laten verrichten" (kamerstukken II, 1998-1999, 26 257, nr. 7, p. 15). in de wetsgeschiedenis zijn verder geen criteria geformuleerd aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of sprake is geweest van werkzaamheden "in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf" als bedoeld in art. 7:658 bw lid 4.

aangenomen moet worden dat de reikwijdte van de bepaling niet beperkt is tot werkzaamheden die tot het wezen van de beroeps- of bedrijfsuitoefening van de desbetreffende opdrachtgever kunnen worden gerekend of normaal gesproken in het verlengde daarvan liggen.

mede gelet op het beschermingskarakter van art. 7:658 bw lid 4 kunnen daaronder ook andere werkzaamheden vallen, waarbij bepalend is of de verrichte werkzaamheden, gelet op de wijze waarop de desbetreffende opdrachtgever aan zijn beroep of bedrijf invulling pleegt te geven, feitelijk tot zijn beroeps- of bedrijfsuitoefening behoren. dit zal aan de hand van de omstandigheden van het geval beoordeeld moeten worden.

 

(in deze zaak leidde de toepassing van het vorenstaande tot vernietiging). hr 23-3-2012, LJN BV0616, nr. 10/05217.

 

**

 

VOORKEURSRECHTPAULIANA: uit de tekst van het artikel (26 wvg)  volgt dat het bij de beoordeling van de mogelijke nietigheid van de desbetreffende rechtshandeling aankomt op de stand van zaken - waaronder de voorkeurspositie van de desbetreffende gemeente - ten tijde van het verrichten van die rechtshandeling. hr 23-3-2012, LJN BV0612, nr. 11/01847.

 

 

>>>>>>>>>>>>>>>>>>>> BELANGRIJK <<<<<<<<<<<<<<<<<<<<

 

SPREEKRECHT SLACHTOFFER:

in een gruwelijke moordzaak krijgt een vriendin van de vermoorde bejaarde dame gelegenheid een verklaring  van papier voor te lezen. hoewel dit niet is toegestaan staat hier geen wettelijke sanctie op. het gerechtshof heeft ook een stukje van de verklaring gebruikt (niet voor het bewijs, wat strikt verboden is) maar voor de strafmotivering. hoewel aan de inhoud van de voorgelezen verklaring bruikbaarheid voor de beantwoording van de in 350 sv vermelde vragen moet worden ontzegd, heeft het hof deze verklaring bij de strafmotivering betrokken. in aanmerking genomen dat het hof aan de inhoud van deze verklaring slechts een zeer beperkt gewicht heeft toegekend dat niet verder gaat dan een accentuering van het beeld dat reeds uit het dossier was verkregen, terwijl de verdediging de gelegenheid heeft gehad ertegen in te brengen wat zij geraden achtte, komt aan het gebruik daarvan in de strafmotivering zodanig ondergeschikte betekenis toe, dat dit niet tot cassatie behoeft te leiden. hr 6-3-2012, njb 2012, p. 825, nr. 730; LJN BR1149, nr. S 10/01780.

 

**

 

LEVENSLANG EN 3 EVRM:

er zijn drie vormen van levenslange gevangenisstraf:

1. met de mogelijkheid van vervroegde vrijlating na een bepaalde tijdsduur, dit is niet in strijd met 3 evrm (verbod van een ernstig disproportionele straf, a grossly disproportionate sentence);

2. een door de rechter discretionair op te leggen levenslang zonder vervroegde vrijlating; hier gaat het meestal om straffen voor zeer ernstige misdrijven. als de rechter zorgvuldig rekening houdt met alle, ook verzachtende, omstandigheden is er geen strijd met 3 evrm op het moment dat de straf wordt opgelegd.

3. verplicht op te leggen levenslang zonder mogelijke vervroegde vrijlating, dit is per definitie in strijd met 3 evrm. eur. hof rm 17-1-2012, njb 2012, p. 811, nr. 715; appl. nr. 9146/07.

 

**

 

HETZELFDE FEIT (68 SR): primair tenlastegelegd is poging tot zware mishandeling van een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening en subsidiair mishandeling. in appel vorderde de advocaat-generaal wijziging, te weten meer subsidiair: overtreding van 6 wvw 1994 en meest subsidiair overtreding van 5 wvw 1994. met toepassing van eerder in de rechtspraak vastgelegde normen is deze wijziging niet toelaatbaar geoordeeld. hr 6-3-2012, njb 2012, p. 820, nr. 725; LJN BS1716, nr. S 09/05104.

 

**

 

2 SV: de verdediging is in de gelegenheid geweest om bij de behandeling van de zaak in eerste aanleg een beroep te doen op de relatieve onbevoegdheid van de rechtbank, maar heeft daarvan afgezien, kennelijk in het belang van de verdachte. dan kan de verdediging in appel niet meer met vrucht zich daarop beroepen. hr 6-3-2012, njb 2012, p. 824, nr. 729; LJN BU6094; nr. S 10/02885.

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

laatste aanvullingen 2012 (week 12):

>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>> BELANGRIJK <<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<

 

MET VOORBEDACHTEN RADE: de verdachte verkeerde na een eerdere confrontatie met (een vriend van) het slachtoffer waarbij de verdachte bloedend gewond was geraakt in een "doorlopende driftaanval". de vaststelling dat de verdachte voldoende tijd heeft gehad om zich te beraden vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing maar behoeft de rechter er niet van te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen, bijvoorbeeld het geval dat sprake is van plotselinge hevige drift, of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering ontstaat. anders dan uit eerdere rechtspraak zou kunnen worden afgeleid, geldt - mede in verband met de gevolgen die de wet aan het vaststellen van voorbedachte raad verbindt - daarvoor een bijzondere motiveringsplicht. hr 28-2-2012, njb 2012, p. 754, nr. 666; LJN BR2342; nr. 10/03772 M.

 

**

 

DAAD VAN VERVOLGING TEGEN MEDEVERDACHTE:  een vordering in de zin van art. 181 sv tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek (vgl. hr 4-10-2005, LJN AT2968, nj 2006, 611) alsmede een vordering in de zin van art. 110 sv van de officier van justitie aan de rechter-commissaris tot het verrichten van een doorzoeking ter inbeslagneming, zijn daden van vervolging in de zin van art. 72 sr, eerste lid. het hof heeft geoordeeld dat de door de officier van justitie op de voet van art. 110 sv aan de rechter-commissaris gedane vordering tot het verrichten van een doorzoeking ter inbeslagneming in het kader van het strafrechtelijk onderzoek tegen medeverdachten geen daad van vervolging is zodat van stuiting in de strafzaak van de verdachte geen sprake is. blijkens het vorenoverwogene is dat oordeel onjuist. hr 13-3-2012, LJN BU8746, nr. 11/01042 B.

 

-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

laatste aanvullingen 2012 (week 11)

 

5 EU-RECHTSHULPOVEREENKOMST:

 

art. 5 van de eu-rechtshulpovereenkomst (*) luidt:

"1. elke lidstaat zendt aan de personen die zich op het grondgebied van een andere lidstaat bevinden, voor hen bestemde gerechtelijke stukken rechtstreeks over de post toe.

 

2. toezending van gerechtelijke stukken door bemiddeling van de bevoegde autoriteiten van de aangezochte lidstaat kan alleen plaatsvinden indien:
a. het adres van de persoon voor wie het stuk bestemd is, onbekend of twijfelachtig is,
b. het toepasselijke procesrecht van de verzoekende lidstaat een ander bewijs dan het via de postdiensten verkrijgbare bewijs van uitreiking van het stuk aan de geadresseerde verlangt,
c. het stuk niet per post kon worden bezorgd, of
d. de verzoekende lidstaat gegronde redenen heeft om aan te nemen dat verzending over de post zonder resultaat zal blijven of niet toereikend zal zijn.

3. wanneer aannemelijk is dat de geadresseerde de taal waarin het gerechtelijk stuk is gesteld niet beheerst, dient dit - althans de essentie ervan - te worden vertaald in de taal of één der talen van de lidstaat op het grondgebied waarvan de geadresseerde verblijft. indien de autoriteit waarvan het gerechtelijk stuk uitgaat, weet dat de geadresseerde slechts een andere taal machtig is, dient het stuk - althans de essentie ervan - te worden vertaald in die andere taal. ...... etc"

 

de als verdachte gedagvaarde vennootschap was gevestigd in cheshire, engeland. rechtstreekse toezending per post was overeenkomstig het verdrag. de stukken bieden immers geen aanleiding voor de veronderstelling dat het adres onbekend of twijfelachtig is terwijl de autoriteiten geen gegronde redenen hadden om aan te nemen dat verzending over de post niet toereikend zou zijn.

 

de geadresseerde firma was zelf in hoger beroep gekomen en de rechter moest rekening houden met de waarschijnlijkheid dat de verdachte van zijn aanwezigheidsrecht gebruik wilde maken. in deze zaak was geen vertaling van de dagvaarding meegezonden, dit in strijd met 588 sv, lid 2 en met art. 5 eu-rechtshulpovereenkomst. het hof had in dit geval in beginsel het onderzoek ter terechtzitting moeten schorsen om alsnog er zorg voor te dragen dat de verdachte voorzien werd van een vertaling in het engels. dat zou echter niet nodig zijn als na onderzoek door de rechter was gebleken dat de verdachte in gebreke was gebleven zich naar de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen te handelen om zo van de inhoud van het stuk op de hoogte te komen. bij zo'n onderzoek kunnen diverse omstandigheden een rol spelen zoals eerdere correspondentie of de bijstand van een (nederlandse) advocaat. hr 14-2-2012, njb 2012, p. 689, nr. 608; LJN BU8758, nr. 11/01371 E.

 

----------------------------

(*) gegevens: zie eu-rechtshulpovereenkomst

 

**

 

OPZET MEDEPLEGEN VALSE FISCALE AANGIFTE: aan de orde is de vraag of bij veroordeling van de verdachte ter zake van het medeplegen van het opzettelijk doen van een onjuiste en/of onvolledige belastingaangifte, uit de bewijsvoering niet alleen het opzet van de verdachte moet kunnen volgen, maar tevens dat van zijn mededaders, almede of daarvoor van belang is dat niet op de verdachte, maar op een van zijn mededaders de wettelijke plicht rust tot het doen van de desbetreffende belastingaangifte.
beide vragen moeten ontkennend worden beantwoord omdat het gaat om het vaststellen van het opzet van de verdachte in zijn strafzaak en niet om dat van zijn mededaders. In een geval als het onderhavige geldt derhalve dat uit de bewijsvoering moet kunnen worden afgeleid dat het opzet van de verdachte, al dan niet in voorwaardelijke vorm, gericht is geweest op het doen van de onjuiste en/of onvolledige belastingaangiften. uit de bewijsvoering behoeft niet te kunnen worden afgeleid dat zijn mededaders - ook indien een van hen de aangifteplichtige was - dit opzet eveneens hadden. hr 6-3-2012, LJN BQ8596, nr. 09/04384.

-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

 

Terug naar  STARTSITE

 

 

web site counters
web site counters

web site counters
free website counter