CORPUS DOCTUM
HOME INFO DOWNLOADS FAQ'S DATABASE
JURISPRUDENTIEOVERZICHT VAN
WEEK 11 t/m WEEK 20
>>>>>>>>
<<<<<<<<
laatste aanvullingen 2012 (week 20):
CREDITS TOEEIGENEN: de term 'credit' moet worden opgevat in de
economische betekenis die daaraan in het normale spraakgebruik wordt toegekend,
te weten als gebruikseenheid om de daarmee aangeduide vorm van
telecommunicatiedienstverlening te kunnen kwalificeren en in rekening te kunnen
brengen. de dader heeft met behulp van een mobiele telefoon van de stichting
flexus een creditaccount geopend en aldus zonder daartoe gerechtigd te zijn
over die credits als heer en meester beschikt. aldus waren die credits dus door
misdrijf verkregen. hr 17-4-2012, njb 2012, p. 1343, nr. 1116; LJN BV9064, nr.
10/02005.
**
RICHTLIJN 1999/70: bij
een keten van elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd
verklaart het tweede lid art. 7:668a
bw het eerste lid van deze bepaling (de laatste overeenkomst geldt als
aangegaan voor onbepaalde tijd) van overeenkomstige toepassing op elkaar
opvolgende arbeidsovereenkomsten tussen een werknemer en verschillende
werkgevers, die ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijze geacht
moeten worden elkanders opvolger te zijn.
bij de uitleg van deze bepaling dient aansluiting te worden
gezocht bij de in het licht van het europese recht ook thans nog juist te achten
maatstaf die de hoge raad in zijn arrest van 24-10-1986, LJN AC9537, nj 1987,
293 heeft ontwikkeld met het oog op de beantwoording van de vraag, kort gezegd,
of een proeftijdbeding rechtsgeldig is in geval van rechtsopvolging aan de
zijde van de werkgever.
het gaat in de onderhavige zaak immers om dezelfde afweging van
belangen die aan de orde was in laatstgenoemd arrest. dit betekent dat aan de
eis dat de nieuwe werkgever redelijkerwijs geacht moet worden ten aanzien van
de verrichte arbeid de opvolger van de vorige werkgever te zijn, in de regel is
voldaan indien enerzijds de nieuwe overeenkomst wezenlijk dezelfde vaardigheden
en verantwoordelijkheden eist als de vorige overeenkomst, en anderzijds tussen
de nieuwe werkgever en de vorige werkgever zodanige banden bestaan dat het door
de laatste op grond van zijn ervaringen met de werknemer verkregen inzicht in
diens hoedanigheden en geschiktheid in redelijkheid ook moet worden toegerekend
aan de nieuwe werkgever.
tegen deze achtergrond heeft het hof terecht en op goede gronden
geoordeeld dat de omstandigheid dat [eiseres] na indiensttreding bij
[verweerster] dezelfde (vervoers)werkzaamheden is blijven verrichten voor
dezelfde doelgroep als zij voorheen in dienst van connexxion verrichtte,
onvoldoende is om opvolgend werkgeverschap in de zin van art. 7:668a bw lid 2
aan te nemen. eveneens terecht heeft het hof geoordeeld dat het feit dat
[verweerster] en connexxion niets anders met elkaar van doen hebben dan dat zij
elkaars concurrent zijn, aan toepasselijkheid van deze bepaling in de weg
staat, nu is gesteld noch gebleken dat [verweerster] langs andere weg inzicht
had in de hoedanigheden en geschiktheid van [eiseres], of dat [verweerster] in
enig opzicht heeft getracht misbruik te maken van het identiteitsverschil
tussen haarzelf en connexxion. hr 11-5-2012, LJN BV9603, nr. 10/05466.
***
MIERENNEUKER GEEN BELEDIGING:
de verdachte verklaarde: vandaag, op 25-2-2010, stond ik naast de
albert heijn met een aantal jongens. Ik stond half binnen, half buiten de
ingang van de parkeergarage gelegen naast de albert heijn te enschede. hier
werd ik aangesproken door uw collega's. ik werd daar naar buiten gestuurd.
binnen stond een geopend blikje bier. deze wilde ik meenemen om vervolgens het
blikje bier in de afvalbak te gooien. dit werd mij door uw collega afgepakt. de
politieagent gooide het bier zelf weg en liep vervolgens weg. toen ze
wegliepen, riep ik (opm.: in aanwezigheid van anderen) dat de mannelijke agent
een mierenneuker was. ik vond hem heel kinderachtig.
de bewezenverklaring houdt in dat het gaat om een belediging die
iemand mondeling in zijn tegenwoordigheid is aangedaan. in een dergelijk geval
moet een uitlating als beledigend worden beschouwd indien zij de strekking
heeft die ander aan te randen in zijn eer en goede naam. het oordeel dat
daarvan sprake is zal bij woorden waarvan het gebruik op zichzelf in het
algemeen niet beledigend is, afhangen van de context waarin de uitlating is
gedaan (vgl. hr 22-12-2009, LJN BJ9796, nj 2010, 671).
het gerechtshof heeft
in dit verband in de nadere bewijsoverweging weliswaar verwezen naar "de
geschetste context", maar onvoldoende duidelijk gemaakt wat die context in
het onderhavige geval precies inhoudt en hoe die context tot het oordeel van
het hof over belediging heeft geleid. de bestreden uitspraak is in dit opzicht
dus ontoereikend gemotiveerd. hr 8-5-2012, LJN BV9188, nr. 10/05017.
-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
laatste aanvullingen 2012 (week 19):
HERZIENING EN 6 EVRM: art. 6 evrm is niet van toepassing op de
herzieningsprocedure. eur. hof rm 6-3-2012, njb 2012, p. 1266, nr. 1040, appl.
nr. 54468/09.
***
VERENIGING VAN EIGENAREN EN DWANGBEVEL: een vereniging van
eigenaren heeft niet voldaan aan een aanschrijving ex art. 14 woningwet (oud)
lid 1. de gemeente past bestuursdwang toe. de invordering door de gemeente van de
kosten van bestuursdwang bij dwangbevel - art. 5:26 awb (oud) lid 1 - richt
zich tegen een van de appartementseigenaren. invordering bij dwangbevel is
slechts mogelijk van de overtreder van de aanschrijving. als zodanig is ook een
appartementseigenaar aan te merken aangezien een aanschrijving aan de
vereniging van eigenaren tevens is aan te merken als aanschrijving aan de door
die vereniging vertegenwoordigde eigenaars tezamen (art. 5:126 bw lid 2). hr
4-5-2012, LJN BW4812, nr. 11/00851.
**
UAR 2001: tot uitgangspunt dient dat het tussen partijen van
toepassing zijnde uniform aanbestedingsreglement 2001 (uar 2001) als recht in
de zin van art. 79 ro moet worden beschouwd (vgl. hr 31-5-1985, nj 1985, 648).
de klacht luidt dat, gelet op de tekst van art. 25 uar 2001 lid 2,
het oordeel van het hof dat die bepaling geen schriftelijke mededeling van de
aanbesteder vereist voor de totstandkoming van de opdracht, onjuist is. de
klacht treft doel. uit de tekst van art. 25 uar 2001 lid 2 volgt onmiskenbaar
dat de opdracht door de aanbesteder geschiedt door middel van een schriftelijke
mededeling, hetgeen wordt ondersteund door het vereiste dat ook een mededeling
per telegram, telex of fax schriftelijk moet worden bevestigd. ook de strekking
van de bepaling - die hierin bestaat dat, mede met het oog op de belangen van
derden, de voor een gelijke behandeling en transparantie vereiste
rechtszekerheid bij aanbestedingen wordt gediend - wijst op die uitleg.
het feit dat de bepalingen van het burgerlijk wetboek voor de totstandkoming
van een overeenkomst van aanneming van werk geen vormvoorschrift bevatten, doet
hieraan niet af, nu van die bepalingen door partijen - of door een voorschrift
als art. 25 uar 2001 lid 2 - kan worden afgeweken. hr 4-5-2012, LJN BV6687, nr.
10/05102.
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
laatste aanvullingen 2012 (week 18):
MISBRUIK GESTOLEN RIJBEWIJS: een nederlander doet aangifte van
diefstal van zijn rijbewijs. twee jaar lang werd het rijbewijs misbruikt, o.a.
voor vele niet door betrokkene gepleegde verkeersovertredingen en voor
registratie van 1737 auto's op zijn naam in het kentekenregister. onmiddellijke
administratieve actie om het rijbewijs onbruikbaar te maken als
identiteitsbewijs was mogelijk geweest maar bleef uit. dat levert schending op
van art. 8 evrm. eur. hof rm 14-2-2012, njb 2012, p. 1193, nr. 976; appl. nr.
7094/06.
***
EEN NIET REDELIJK VOORDEEL (in de zin van art. 7:264 bw lid 1)
bedongen door verhuurder van woningen in de sociale sector zou hierin bestaan
dat deze bij nieuwe huurders een bedrag van eur. 115-125 per maand in rekening
bracht als vergoeding voor "verhuurkosten". van zodanig niet redelijk
voordeel is echter slechts sprake indien tegenover het bedongen voordeel geen
of een verwaarloosbare tegenprestatie staat. in deze zaak mocht rekening
gehouden worden met de werkzaamheden die wettelijk aan woningcorporaties zijn
opgedragen in verband met hun specifieke taak op het terrein van de
volkshuisvesting. hr 6-4-2012, njb 2012, p. 1201, nr. 983, LJN BV1767, nr.
10/04574.
**
BUITENGERECHTELIJKE KOSTEN: onjuist is de opvatting dat indien een
bedrag aan buitengerechtelijke kosten wordt gevorderd dat forfaitair is
berekend volgens aanbeveling II van het rapport voorwerk II, geen plaats is
voor een beoordeling door de rechter (op de voet van art. 6:96 bw lid 2, aanhef
en onder c) of dat bedrag in de gegeven omstandigheden redelijk is. aanbeveling
II van rapport voorwerk II - welk rapport geen recht bevat in de zin van art.
79 ro - bindt de rechter niet en ontslaat hem dan ook niet van de beoordeling
van de redelijkheid van het op basis van die aanbeveling forfaitair berekende
bedrag in het licht van de gegeven omstandigheden. hr 27-4-2012, LJN BV6690,
nr. 10/05572.
**
>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>
belangrijk
<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<
SOFTWARE ONDERWERP VAN KOOP:
vooropgesteld wordt dat het in deze zaak gaat om de verbintenisrechtelijke
vraag of de in art. 7:23 bw neergelegde regeling van de verjaring zich leent
voor toepassing in de situatie dat standaardsoftware niet blijkt te
functioneren zoals werd verwacht door degene die deze software heeft
aangeschaft. niet aan de orde is derhalve de goederenrechtelijke aard van
software, en evenmin de kwalificatie van (de titel van verkrijging van) de
gebruiksrechten die bij de aanschaf van de software worden verkregen.
in dit verband is in de eerste plaats van belang dat de toepasselijkheid
van de kooptitel niet is beperkt tot de koop van zaken volgens de
begripsomschrijving van art. 3:2 bw. uit art. 7:47 bw, waarin is bepaald dat
koop ook betrekking kan hebben op vermogensrechten, blijkt dat de wetgever de
kooptitel van toepassing heeft geacht op alle goederen als bedoeld in art. 3:1
bw, en dus aan die titel een ruim bereik heeft willen geven wat betreft het
voorwerp van de koopovereenkomst. voorts is van belang dat een overeenkomst tot
het aanschaffen van standaardcomputerprogrammatuur - op een gegevensdrager of
via een download - voor een niet in tijdsduur beperkt gebruik tegen betaling
van een bepaald bedrag ertoe strekt de verkrijger iets te verschaffen dat
geïndividualiseerd is en waarover hij feitelijke macht kan uitoefenen. dit
alles pleit voor toepasselijkheid van de kooptitel op een zodanige
overeenkomst.
deze toepasselijkheid is ook wenselijk omdat de kooptitel een
uitgewerkte regeling geeft inzake conformiteit, klachtplicht en verjaring, en
omdat met die toepasselijkheid de rechtspositie van de koper wordt versterkt
(met name in het geval van consumentenkoop en koop op afstand). In al deze
opzichten bestaat geen aanleiding de aanschaf van standaardsoftware te
onderscheiden van de koop van zaken en vermogensrechten.
van belang in dit verband is voorts de afdeling over koop op
afstand. uit art. 7:46d bw lid 4, aanhef en onder c, moet worden afgeleid dat
deze afdeling mede van toepassing is op computerprogrammatuur, en wel zonder
dat daartoe de omschrijving van het voorwerp van de koopovereenkomst specifiek
voor deze afdeling is uitgebreid. daarom zou het ongerijmd zijn indien niet ook
de aanschaf van computerprogrammatuur die niet op afstand is verricht, als koop
in de zin van titel 7.1 zou worden gekwalificeerd. aldus volgt ook uit het
stelsel van de wet dat de aanschaf van standaardcomputerprogrammatuur voor een
niet in tijdsduur beperkt gebruik tegen betaling van een bepaald bedrag binnen
het bereik van de kooptitel valt, ongeacht of sprake is van aanschaf op een
gegevensdrager of via een download.
in cassatie is uitgangspunt
dat imagesan standaardsoftware is, dat de beeldbrigade het recht op het vrije
en duurzame (niet in tijdsduur beperkte) gebruik van imagesan heeft verkregen
en dat het in deze zaak gaat om de eigenschappen van die software en niet om de
auteursrechtelijke (of licentierechtelijke) dimensie daarvan. daarvan
uitgaande, en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het oordeel van het
hof dat de desbetreffende overeenkomst onder het toepassingsbereik van titel
7.1 valt, juist. dat imagesan mede een voortbrengsel van de menselijke geest
is, kan daaraan in de verhouding tussen de beeldbrigade en [verweerster] niet
afdoen omdat heel wel denkbaar is dat iets zowel de bescherming van een of
meerdere intellectuele eigendomsrechten geniet als het object is van koop. hr
27-4-2012, LJN BV1301, nr. 10/03888.
laatste aanvullingen 2012 (week 17):
DETENTIE ASIELZOEKERS: nadat duidelijk was dat pogingen om een
(ander) land te vinden waarheen betrokkene kon worden uitgezet niet succesvol
waren is de detentie toch voortgezet. aangezien er op dat moment geen uitzicht
op verwijdering van betrokkene van het belgisch grondgebied was, was de
vreemdelingenbewaring klaarblijkelijk niet daarop gericht en daarmee onwettig.
er is sprake van schending van art. 5 evrm lid 1. eur. hof rm 31-1-2012, njb
2012, p. 1111, nr. 893; appl. nr. 50012/08.
**
BEKENDE PERSOONLIJKHEID EN 10 EVRM (nieuwe caroline-zaak):
bij de belangenafweging bij publicatie van vacantiefoto's van
prinses caroline von hannover in st. moritz, wandelend met haar vader prins
rainier van monaco en samen met haar echtgenoot ernst von hannover, verdienen
artikelen 8 evrm en 10 evrm evenveel respect. factoren die meewegen:
de mate waarin de publicatie bijdraagt aan het publiek debat,
de functie van betrokkenen en de aard van de activiteiten waarover
bericht wordt - bij een publiek persoon is er meer ruimte dan bij een
prive-persoon, dit aspect wordt begrensd door gevallen waarin het uitsluitend
gaat om het bevredigen van de nieuwsgierigheid van het publiek;
eerder gedrag van betrokkene (bijvoorbeeld zelf de publiciteit
zoeken);
de wijze van publicatie en het verspreidingsbereik van de foto's;
en de vraag of de foto's openlijk of op een verborgen manier zijn
genomen. eur.hof rm 7-2-2012, njb 2012, p. 1113, nr. 895; appl. nr. 40660/08 en
60641/08.
**
BEWIJSLAST NA SLAGEN VAN GRIEF:
in herinnering ----------------------------------------------- :
indien een partij (de
latere geintimeerde) door de rechtbank met het bewijs van haar stellingen is
belast en de rechtbank haar in dit bewijs geslaagd heeft geacht, maar het hof
naar aanleiding van een daartoe strekkende grief van de wederpartij tot een
ander oordeel is gekomen over de waardering van het bijgebrachte bewijs, dient
het hof ook zonder debat in hoger beroep tussen partijen over de verdeling van
de bewijslast, in verband met de devolutieve werking van het appel, de
juistheid van die beslissing opnieuw te bezien (hr 11-6-2004, nj 2005, 282, nr. C03/025). in dat kader dient in deze
zaak de rechter tevens alsnog te onderzoeken of, zoals de eerste rechter heeft
geoordeeld, de door [verweerster] aan haar vordering ten grondslag gelegde
geldlening vaststaat behoudens het aan [eiser] opgedragen tegenbewijs. hr
30-1-2009, nj 2010, 497; njb 2009, p. 440, nr. 338; rvdw 2009, 243; LJN BG5053,
nr. C07/186HR.
----------------------------------------------------- nieuw:
het opnieuw beoordelen van de verdeling van de bewijslast als
bedoeld in hr 11-6-2004 (zie hiervoor) lijdt uitzondering ingeval de
geintimeerde eerder vergeefs tussentijds appel heeft ingesteld tegen het vonnis
waarin een eindbeslissing over de bewijslastverdeling en over het gevolg van
het al dan niet slagen daarvan is gegeven. hr 30-3-2012, njb 2012, p. 1114, nr.
896; LJN BU3160, nr. 10/01807.
**
GEBONDENHEID AAN BEWIJSOPDRACHT:
in herinnering
----------------------------------------------------- :
de formulering van een bewijsopdracht in het interlocutoir vonnis,
ook als deze in hoger beroep wordt gewijzigd, heeft steeds een voorlopig
karakter en de rechter is er in de verdere loop van het geding niet aan
gebonden. daarom stuit klacht af op 399 rv!!! hr 24-9-1993, 1994, 227.
het oordeel dat de rechter een deskundigenbericht noodzakelijk
acht is geen beslissing betreffende een partijen verdeeld houdend juridisch of
feitelijk geschilpunt. de rechter kan op dit oordeel terugkomen. hr 19-6-1998, 1999, 288 (WMK).
-------------------------------------------------------- nieuw:
indien de rechter bij de bewijsopdracht uitdrukkelijk en zonder
voorbehoud overweegt hoe over de zaak beslist zal worden ingeval het opgedragen
bewijs wel dan wel niet geleverd wordt, is, anders dan bij een gewone
bewijsopdracht, sprake van een eindbeslissing. hr 30-3-2012, njb 2012, p.1114,
nr. 896; LJN BU3160, nr. 10/01807.
**
SCHRIFTELIJKE VORDERING CFM 32 CMR: een fax waarbij de afzender de
vervoerder aansprakelijk stelt, moet worden aangemerkt als een 'schriftelijke
vordering' in de zin van art. 32 cmr lid 1 die de verjaring schorst. het stuk
moet een aansprakelijkheidstelling bevatten maar hoeft niet te specificeren hoe
de schade is ontstaan, waaruit de schade bestaat en met welk bedrag de schade
dient te worden vergoed. hr 30-3-2012, njb 2012, p. 1115, nr. 897; LJN BV2839;
nr. 10/04572.
**
PRIVE-ONGEVAL: een redelijke uitleg van een avb-polis die mede de
aansprakelijkheid van een verzekerde als werkgever tegenover zijn
ondergeschikten dekt voor letselschade van werknemers die in dienst van de
verzekerde deelnemen aan het wegverkeer, brengt in beginsel mee dat deze tevens
dekking verleent tegen een op art. 7:611 bw gebaseerde aansprakelijkheid van de
verzekerde als werkgever op de grond dat hij heeft verzuimd tegen dat risico
een behoorlijke verzekering te sluiten voor die werknemers. hr 30-3-2012, njb
2012, p. 1117, nr. 900; LJN BV1295; nr. 11/01010.
***
126f SV
in herinnering
---------------------------------------------------- :
artikel 126f sv (eerste volzin lid 2) niet aldus uit te leggen
dat, indien het sfo (strafrechtelijk financieel onderzoek) meerdere strafbare
feiten betreft, de officier van justitie het sfo moet sluiten voor de feiten
waarvoor geen veroordeling volgt, als verd. voor een of meer feiten wel is
veroordeeld. hr 14-9-1999, 2000, 55 (JR)
--------------------------------------------------- nieuw:
dat geldt ook indien
van meer feiten alleen die waarvoor een geldboete van de vijfde
categorie kan worden opgelegd, niet tot een veroordeling leidt. hr. 27-3-2012,
njb 2012, p. 1123, nr. 908; LJN BT6254; nr. 09/04010 P.
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
laatste aanvullingen 2012 (week 16):
TIJDELIJKE HUUROVEREENKOMST: huur in verband met voorgenomen
sloop. ook zonder aanvraag van een vergunning op de voet van art. 15
leegstandwet lid 1 onder c kan sprake zijn van gebruik van woonruimte dat naar
zijn aard slechts van korte duur is, in de zin van art. 7:232 bw lid 2. de
leegstandwet bevat geen exclusieve regeling op dit punt. hr 13-4-2012, LJN
BV2628, nr. 10/04442.
***
TOEGANG TOT ADVOCAAT EN DETENTIE: verdachte is niet de gelegenheid
geboden voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie een advocaat te
raadplegen. volgens vaste rechtspraak van de hoge raad is reeds op die enkele
grond - afgezien van niet terzake doende uitzonderingen - sprake van een
onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in art. 359a sv (vgl. hr LJN BH3079. het
andersluidende oordeel van het gerechtshof is dan ook onjuist. dat behoeft
echter niet tot cassatie te leiden. naar ook uit die rechtspraak volgt heeft
verdachte geen belang bij zijn klacht over dat verzuim aangezien het
gerechtshof de verklaring van verdachte afgelegd bij de politie niet tot het
bewijs heeft gebezigd. hr 10-4-2012, LJN BV8241, nr. 10/04058.
**
EEN MAAND IN WVW 1994:
uitleg van het begrip ‘maand’ in de strafbepalingen
van de wegenverkeerswet 1994 (wvw 1994). volgens art. 88 sr wordt onder een
maand een tijd van 30 dagen verstaan. dit artikel behoort niet tot de
bepalingen die ingevolge art. 91 sr ook toepasselijk zijn op feiten waarop bij
andere wetten of verordeningen straf is gesteld. art. 88 sr is ook niet in de
wvw 1994 van overeenkomstige toepassing verklaard. in aanmerking genomen dat
het wenselijk is dat aan het begrip ‘maand’ bij toepassing van de
wvw 1994 geen uiteenlopende betekenissen worden toegekend, brengt een redelijke
wetstoepassing mee dat ook bij een op grond van art. 179 wvw 1994 opgelegde
ontzegging van de rijbevoegdheid een ‘maand’ wordt verstaan als een
periode van 30 dagen. het hof, dat blijkens diens overwegingen, een
‘maand’ klaarblijkelijk heeft opgevat als een kalendermaand, heeft
het voorgaande miskend. hr 10-4-2012, LJN BV5627, nr. 10/04927.
**
FOUILLERING DOOR PORTIER: niet kan worden uitgesloten dat de rechter op grond
van de bijzondere omstandigheden van het geval tot het oordeel komt dat een
fouillering die is verricht door een daarmee belaste particulier, een zodanige
schending vormt van een (belangrijk) strafvorderlijk voorschrift of
rechtsbeginsel dat het resultaat daarvan niet kan meewerken tot het bewijs.
daarvan kan sprake zijn indien overheidsdienaren op enigerlei wijze direct of
indirect betrokken zijn bij het gewraakte optreden van die particulier of op
enige andere wijze diens gedrag hebben geinitieerd of gefaciliteerd (vgl. hr
LJN AX7471). aangevoerd is dat sprake was van "een duidelijke
taakverdeling (...) tussen de politie en de portiers. De portiers grijpen in
wanneer er binnen de horecagelegenheid iets gebeurt. Als er buiten iets
gebeurt, dan is dat het werk voor de politieagenten". het aangevoerde
houdt niet in een beroep op bijzondere omstandigheden als hiervoor bedoeld. meer
in het bijzonder houdt het niet in dat de politie en/of het openbaar ministerie
betrokken zijn geweest bij de fouillering door de portier of die fouillering op
andere wijze hebben geïnitieerd of gefaciliteerd. ook het gerechtshof
heeft daaromtrent niets vastgesteld. gelet hierop heeft het hof het beroep op
bewijsuitsluiting terecht verworpen, zodat het middel faalt. hr 10-4-2012, LJN
BU7636, nr. 10/02406.
------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
laatste aanvullingen 2012 (week 15):
MISBRUIK VAN PROCESRECHT: duka exploiteerde een cafe in den haag
waar brand uitbrak. de feitenrechter achtte aannemelijk dat de enige bestuurder
en aandeelhouder van duka opdracht tot brandstichting heeft gegeven en wees de
vordering van duka af wegens merkelijke schuld (294 k (oud)), maar het
gerechtshof wees een vordering van verzekeraar achmea tot vergoeding van alle
proceskosten af. de reconventionele vordering van achmea komt erop neer dat
duka de onderhavige procedure zonder grond tegen haar heeft aangespannen en
daarom gehouden is alle door achmea in verband met deze procedure gemaakte
kosten te vergoeden. naar het hof terecht heeft geoordeeld, is deze vordering
alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig
handelen. daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de
evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de
wederpartij achterwege had behoren te blijven. hiervan kan eerst sprake zijn
als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de
onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op
voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden (hr 29-6-2007,
LJN BA3516, nj 2007, 353). bij het aannemen van misbruik van procesrecht of
onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past
terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede
gewaarborgd wordt door art. 6 evrm..
het gerechtshof heeft, uitgaande van de hiervoor vermelde maatstaven,
geoordeeld dat in dit geval niet kan worden gezegd dat het ontoelaatbaar was
dat duka haar - later onjuist gebleken, althans als onjuist beoordeelde -
feitelijke standpunt omtrent de brand verdedigde. dit oordeel geeft geen blijk
van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. aan het standpunt
van achmea ligt de opvatting ten grondslag dat het enkele feit dat, naar het
oordeel van rechtbank en hof, in dit geding in het kader van het bewijs van de
door achmea gestelde merkelijke schuld voldoende aanwijzingen zijn gebleken om
aan te nemen dat de brand is gesticht in opdracht van [betrokkene 1], zonder
meer meebrengt dat tevens moet worden aangenomen dat duka, nu [betrokkene 1]
haar enig bestuurder en aandeelhouder was, voorafgaande aan de procedure wist
dat de vordering was gebaseerd op feiten en omstandigheden die niet juist waren
en dat reeds daarom sprake is van een onrechtmatig handelen van duka dat
verplicht tot vergoeding van de integrale proceskosten van achmea. Deze
opvatting is onjuist. de omstandigheid dat, hoewel daarover geen zekerheid is
verkregen, door rechtbank en hof voldoende bewezen is geacht dat de brand is
gesticht in opdracht van [betrokkene 1], brengt immers niet zonder meer mee dat
ook de vereiste mate van zekerheid is verkregen over het gestelde misbruik van
procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van de onderhavige
procedure, gelet op de hiervoor bedoelde terughoudendheid die in dat kader in
acht dient te worden genomen. dat geldt ook indien het handelen van [betrokkene
1], anders dan het hof heeft geoordeeld, mede in dit verband kan worden
toegerekend aan duka. hr 6-4-2012, LJN BV7828, nr. 10/03206.
**
ONDERZOEK VOLMACHT ADVOCAAT
in herinnering ----------------------------------------- :
de hoge raad neemt een
aantal beslissingen t.a.v.de
wettelijke regeling m.b.t. het aanwenden van rechtsmiddelen zoals die
geldt na de wetswijziging van de wet stroomlijnen hoger beroep. hoewel dat niet
in de wet te lezen is, kan een door de verdachte bepaaldelijk gevolmachtigde
advocaat op de wijze van art. 450 sv lid 3 (verlening schriftelijke volmacht
voor instellen rechtsmiddel aan griffiemedewerker) hoger beroep instellen, nu
dat op een niet voor misverstand vatbare wijze tot uitdrukking is gebracht in
de memorie van toelichting. er is voorts geen goede grond een advocaat de
mogelijkheid te ontzeggen om cassatie in te stellen door middel van het
verlenen van een schriftelijke bijzondere volmacht aan een griffiemedewerker.
die schriftelijke volmacht zal moeten voldoen aan de in art. 450 sv leden 1 en
3 geformuleerde eisen hetgeen in cassatie betekent dat het voldoende is als de
volmacht voldoet aan de in art. 450 sv lid 1 sub a neergelegde eis (verklaring
van advocaat hij door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het
instellen van cassatieberoep). een strikte wetstoepassing ligt echter niet in
de rede als de volmacht door de verdachte zelf is verstrekt en het verdient
opmerking dat het de in beroep oordelende rechter is die beslist over de
ontvankelijkheid van het beroep en dus over de vraag of een rechtsmiddel tijdig
en op de juiste wijze is ingesteld (zie ook hr 20-3-2012, hierna) . hr
22-12-2009, nj 2010, 102 (met noot
m.j. borgers); njb 2010, p. 175, nr. 127; LJN BJ7810, nr. 08/04191.
echter nieuw -------------------------------------:
gelet op de ratio van de regeling van 450 sv, in het bijzonder lid
3 - de schriftelijke machtiging van een griffiemedewerker door de raadsman om
appel in te stellen dient om problemen met de betekening van de
appeldagvaarding te voorkomen - bestaat er, afgezien van verstekzaken,
onvoldoende grond om het appel niet-ontvankelijk te verklaren bij een verzuim
met betrekking tot voormelde volmacht, indien ter terechtzitting in hoger
beroep de verdachte of een uitdrukkelijk gevolmachtigde advocaat (279 sv) is
verschenen en deze aldaar - zo nodig daarnaar uitdrukkelijk gevraagd - heeft
verklaard dat de volmacht was verstrekt op basis van de wens om rechtsgeldig
appel in te stellen. deze verklaring kan ook na het verstrijken van de
appeltermijn worden afgelegd, dit in afwijking af van hr 22-12-2009 (zie hiervoor). dit
geldt weer niet in cassatie omdat daar geen terechtzitting wordt gehouden waar
de zaak inhoudelijk wordt behandeld. hr 20-3-2012, njb 2012, p. 952, nr. 838;
LJN BV6999, nr. 10/02739.
------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
laatste aanvullingen 2012 (week 14):
>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>
belangrijk:
<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<
282a RV: als het griffierecht is voldaan na afloop van in art. 3
wet griffierechten burgerlijke zaken (wgbz) genoemde termijn, is het beroep
niet ontvankelijk (282a rv). echter, het feit dat bopz-zaken ingevolge de wgbz
niet van griffierechten zijn vrijgesteld, berust op een misslag. het gaat bij
de wet bopz immers om procedures met betrekking tot maatregelen die
vrijheidsbeneming meebrengen, voor het bestrijden waarvan geen financiele
drempels behoren te worden opgeworpen. de ontheffing van het griffierecht geldt
ook voor bopz-zaken. verzoekster kan derhalve worden ontvangen in haar beroep.
hr 30-3-2012, LJN BV7679, nr.12/00451.
**
VERZOEK ONTSLAG UIT ZIEKENHUIS: de wet heeft overschrijding door
de rechtbank van de beslistermijn van drie weken (art. 49 bopz lid 9 jo. art. 9
bopz lid 1) niet uitdrukkelijk met nietigheid van de beslissing bedreigd. er is
geen sprake van schending van een zodanig essentieel procedurevoorschrift dat
de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vorm als
bedoeld in art. 79 ro. hr 30-3-2012, LJN BW0404, nr.11/05679.
**
NIET PRIJS GEGEVEN STELLING (devolutieve werking en gezag van
gewijsde):
naar vaste rechtspraak worden de grenzen van het geschil in hoger
beroep in beginsel bepaald door de appeldagvaarding en de memorie van grieven,
en door een eventueel incidenteel beroep. voor zover de geïntimeerde in
het dictum van het vonnis van de eerste rechter in het gelijk is gesteld,
behoeft hij de stellingen die hij in dit verband in eerste instantie had verdedigd,
maar die door de eerste rechter buiten behandeling zijn gelaten of verworpen,
niet opnieuw door een incidenteel appel aan het oordeel van de appelrechter te
onderwerpen. de devolutieve werking van het appel, waardoor de proceseconomie
wordt gediend, brengt immers mee dat, zodra een of meer grieven doel treffen en
op zichzelf tot vernietiging van het bestreden vonnis moeten leiden, de niet
prijsgegeven stellingen die de geïntimeerde in dit verband in eerste
instantie heeft verdedigd alsnog, dan wel wederom moeten worden beoordeeld.
de kantonrechter heeft het primaire verweer van ksn, dat tussen partijen geen
arbeidsovereenkomst heeft bestaan, verworpen en geoordeeld dat in de periode
van 20 november 2007 tot 20 mei 2008 een arbeidsovereenkomst heeft bestaan. Hij
heeft echter het subsidiaire verweer van ksn, dat [eiser] zijn arbeidskracht
niet ter beschikking van ksn had gesteld, gehonoreerd met betrekking tot twee
perioden tijdens de duur van de arbeidsovereenkomst. op grond daarvan heeft de
kantonrechter de vordering van [eiser] deels toe- en deels afgewezen, waardoor
het dictum van diens vonnis voor ksn een deels ongunstige en deels gunstige
inhoud heeft.
doordat ksn geen incidenteel beroep heeft ingesteld - ook niet voorwaardelijk -
tegen het vonnis van de kantonrechter voor zover daarbij de vordering van
[eiser] is toegewezen, is dat vonnis in zoverre in kracht van gewijsde gegaan
met als gevolg dat het oordeel van de kantonrechter, waarop die toewijzing
berust, dat in de gehele periode van 20 november 2007 tot 20 mei 2008 tussen
partijen een arbeidsovereenkomst heeft bestaan, onherroepelijk werd en gezag
van gewijsde verkreeg dat in een ander geding tussen de partijen zou kunnen
worden ingeroepen (art. 236 rv.).
In een zodanig geval kan met het oog op het voorkomen van tegenstrijdige
onherroepelijke rechterlijke uitspraken, niet worden aanvaard dat in een door
de appellant tegen het voor hem ongunstige gedeelte van het dictum ingestelde
hoger beroep het primaire verweer van de geïntimeerde op grond van de
hiervoor genoemde hoofdregel van de devolutieve werking opnieuw zou kunnen (en
moeten) worden beoordeeld, zonder dat de geintimeerde incidenteel appel heeft
ingesteld - ook niet voorwaardelijk - tegen het voor hem ongunstige, op de
verwerping van zijn verweer berustende gedeelte van het dictum teneinde te
voorkomen dat dit gedeelte van het dictum in kracht van gewijsde gaat en de
daaraan ten grondslag liggende beslissing van de eerste rechter gezag van
gewijsde verkrijgt. onbeperkte toepassing van de genoemde hoofdregel van de
devolutieve werking zou immers tot gevolg kunnen hebben dat - zoals in deze
zaak is gebeurd - de appelrechter over hetzelfde geschilpunt een ander oordeel
bereikt dan de eerste rechter, zodat na het in kracht van gewijsde gaan van de
uitspraak van de appelrechter met betrekking tot dat geschilpunt twee
tegenstrijdige onherroepelijke rechterlijke beslissingen met gezag van gewijsde
zouden bestaan.
het voorgaande betekent dat nu ksn heeft nagelaten (voorwaardelijk) incidenteel
hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van de kantonrechter voor zover
daarbij de vordering van [eiser] was toegewezen, het hof het primaire verweer
van ksn niet meer in zijn beoordeling van het hoger beroep kon betrekken. hr
30-3-2012, LJN BU8514, nr. 11/03690.
------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
laatste aanvullingen 2012 (week 13):
AANSPRAKELIJKHEID VOOR UITZENDKRACHT:
"achtergrond van het nieuwe lid 4 is dat de vrijheid van
degene die een beroep of bedrijf uitoefent om te kiezen voor het laten
verrichten van het werk door werknemers of door anderen niet van invloed
behoort te zijn op de rechtspositie van degene die het werk verricht en
betrokken raakt bij een bedrijfsongeval of anderszins schade oploopt. met
andere woorden: een werkgever die zijn zorgverplichtingen niet nakomt dient op
gelijke voet aansprakelijk te zijn voor de schade van werknemers en anderen die
bij hem werkzaam zijn." (kamerstukken I, 1998-1999, 26 257, nr. 110b, p.
7)
de bedoeling van de wetgever is dat de bepaling ertoe strekt bescherming te
bieden aan personen die zich, wat betreft de door de werkgever in acht te nemen
zorgverplichtingen, in een met een werknemer vergelijkbare positie bevinden.
dit brengt mee dat art. 7:658 bw lid 4 zich voor toepassing leent indien de
persoon die buiten dienstbetrekking werkzaamheden verricht, voor de zorg voor
zijn veiligheid (mede) afhankelijk is van degene voor wie hij die werkzaamheden
verricht. of dit het geval is, zal aan de hand van de omstandigheden van het
geval bepaald moeten worden, waarbij onder meer van belang zijn de feitelijke
verhouding tussen betrokkenen en de aard van de verrichte werkzaamheden,
alsmede de mate waarin de "werkgever", al dan niet door middel van
hulppersonen, invloed heeft op de werkomstandigheden van degene die de
werkzaamheden verricht en op de daarmee verband houdende veiligheidsrisico's.
voor toepassing van art. 7:658 bw lid 4 is tevens vereist dat de werkzaamheden
hebben plaatsgevonden "in de uitoefening van het beroep of bedrijf"
van degene in wiens opdracht de arbeid is verricht. door de minister is in dit
verband opgemerkt dat het moet gaan om "werkzaamheden die de derde in het
kader van de uitoefening van zijn beroep of bedrijf ook door eigen werknemers
had kunnen laten verrichten" (kamerstukken II, 1998-1999, 26 257, nr. 7,
p. 15). in de wetsgeschiedenis zijn verder geen criteria geformuleerd aan de hand
waarvan kan worden beoordeeld of sprake is geweest van werkzaamheden "in
de uitoefening van zijn beroep of bedrijf" als bedoeld in art. 7:658 bw
lid 4.
aangenomen moet worden dat de reikwijdte van de bepaling niet
beperkt is tot werkzaamheden die tot het wezen van de beroeps- of
bedrijfsuitoefening van de desbetreffende opdrachtgever kunnen worden gerekend
of normaal gesproken in het verlengde daarvan liggen.
mede gelet op het beschermingskarakter van art. 7:658 bw lid 4
kunnen daaronder ook andere werkzaamheden vallen, waarbij bepalend is of de
verrichte werkzaamheden, gelet op de wijze waarop de desbetreffende
opdrachtgever aan zijn beroep of bedrijf invulling pleegt te geven, feitelijk
tot zijn beroeps- of bedrijfsuitoefening behoren. dit zal aan de hand van de
omstandigheden van het geval beoordeeld moeten worden.
(in deze zaak leidde de toepassing van het vorenstaande tot
vernietiging). hr 23-3-2012, LJN BV0616, nr. 10/05217.
**
VOORKEURSRECHTPAULIANA: uit de tekst van het artikel (26 wvg) volgt dat het bij de beoordeling van de
mogelijke nietigheid van de desbetreffende rechtshandeling aankomt op de stand
van zaken - waaronder de voorkeurspositie van de desbetreffende gemeente - ten
tijde van het verrichten van die rechtshandeling. hr 23-3-2012, LJN BV0612, nr.
11/01847.
>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>
BELANGRIJK
<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<
SPREEKRECHT SLACHTOFFER:
in een gruwelijke moordzaak krijgt een vriendin van de vermoorde
bejaarde dame gelegenheid een verklaring
van papier voor te lezen. hoewel dit niet is toegestaan staat hier geen
wettelijke sanctie op. het gerechtshof heeft ook een stukje van de verklaring
gebruikt (niet voor het bewijs, wat strikt verboden is) maar voor de
strafmotivering. hoewel aan de inhoud van de voorgelezen verklaring bruikbaarheid
voor de beantwoording van de in 350 sv vermelde vragen moet worden ontzegd,
heeft het hof deze verklaring bij de strafmotivering betrokken. in aanmerking
genomen dat het hof aan de inhoud van deze verklaring slechts een zeer beperkt
gewicht heeft toegekend dat niet verder gaat dan een accentuering van het beeld
dat reeds uit het dossier was verkregen, terwijl de verdediging de gelegenheid
heeft gehad ertegen in te brengen wat zij geraden achtte, komt aan het gebruik
daarvan in de strafmotivering zodanig ondergeschikte betekenis toe, dat dit
niet tot cassatie behoeft te leiden. hr 6-3-2012, njb 2012, p. 825, nr. 730;
LJN BR1149, nr. S 10/01780.
**
LEVENSLANG EN 3 EVRM:
er zijn drie vormen van levenslange gevangenisstraf:
1. met de mogelijkheid van vervroegde vrijlating na een bepaalde
tijdsduur, dit is niet in strijd met 3 evrm (verbod van een ernstig
disproportionele straf, a grossly disproportionate sentence);
2. een door de rechter discretionair op te leggen levenslang
zonder vervroegde vrijlating; hier gaat het meestal om straffen voor zeer
ernstige misdrijven. als de rechter zorgvuldig rekening houdt met alle, ook
verzachtende, omstandigheden is er geen strijd met 3 evrm op het moment dat de
straf wordt opgelegd.
3. verplicht op te leggen levenslang zonder mogelijke vervroegde
vrijlating, dit is per definitie in strijd met 3 evrm. eur. hof rm 17-1-2012,
njb 2012, p. 811, nr. 715; appl. nr. 9146/07.
**
HETZELFDE FEIT (68 SR): primair tenlastegelegd is poging tot zware
mishandeling van een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn
bediening en subsidiair mishandeling. in appel vorderde de advocaat-generaal
wijziging, te weten meer subsidiair: overtreding van 6 wvw 1994 en meest
subsidiair overtreding van 5 wvw 1994. met toepassing van eerder in de
rechtspraak vastgelegde normen is deze wijziging niet toelaatbaar geoordeeld.
hr 6-3-2012, njb 2012, p. 820, nr. 725; LJN BS1716, nr. S 09/05104.
**
2 SV: de verdediging is in de gelegenheid geweest om bij de
behandeling van de zaak in eerste aanleg een beroep te doen op de relatieve
onbevoegdheid van de rechtbank, maar heeft daarvan afgezien, kennelijk in het
belang van de verdachte. dan kan de verdediging in appel niet meer met vrucht
zich daarop beroepen. hr 6-3-2012, njb 2012, p. 824, nr. 729; LJN BU6094; nr. S
10/02885.
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
laatste aanvullingen 2012 (week 12):
>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>>
BELANGRIJK
<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<<
MET VOORBEDACHTEN RADE: de verdachte verkeerde na een eerdere
confrontatie met (een vriend van) het slachtoffer waarbij de verdachte bloedend
gewond was geraakt in een "doorlopende driftaanval". de vaststelling
dat de verdachte voldoende tijd heeft gehad om zich te beraden vormt weliswaar
een belangrijke objectieve aanwijzing maar behoeft de rechter er niet van te
weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen,
bijvoorbeeld het geval dat sprake is van plotselinge hevige drift, of dat de
gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering ontstaat. anders dan uit
eerdere rechtspraak zou kunnen worden afgeleid, geldt - mede in verband met de gevolgen
die de wet aan het vaststellen van voorbedachte raad verbindt - daarvoor een
bijzondere motiveringsplicht. hr 28-2-2012, njb 2012, p. 754, nr. 666; LJN
BR2342; nr. 10/03772 M.
**
DAAD VAN VERVOLGING TEGEN MEDEVERDACHTE: een vordering in de zin van art. 181 sv
tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek (vgl. hr 4-10-2005, LJN
AT2968, nj 2006, 611) alsmede een vordering in de zin van art. 110 sv van de
officier van justitie aan de rechter-commissaris tot het verrichten van een
doorzoeking ter inbeslagneming, zijn daden van vervolging in de zin van art. 72
sr, eerste lid. het hof heeft geoordeeld dat de door de officier van justitie
op de voet van art. 110 sv aan de rechter-commissaris gedane vordering tot het
verrichten van een doorzoeking ter inbeslagneming in het kader van het
strafrechtelijk onderzoek tegen medeverdachten geen daad van vervolging is
zodat van stuiting in de strafzaak van de verdachte geen sprake is. blijkens
het vorenoverwogene is dat oordeel onjuist. hr 13-3-2012, LJN BU8746, nr.
11/01042 B.
-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
laatste aanvullingen 2012 (week 11)
5 EU-RECHTSHULPOVEREENKOMST:
art. 5 van de eu-rechtshulpovereenkomst (*) luidt:
"1. elke lidstaat zendt aan de personen die zich op het
grondgebied van een andere lidstaat bevinden, voor hen bestemde gerechtelijke
stukken rechtstreeks over de post toe.
2. toezending van gerechtelijke stukken door bemiddeling van de
bevoegde autoriteiten van de aangezochte lidstaat kan alleen plaatsvinden
indien:
a. het adres van de persoon voor wie het stuk bestemd is, onbekend of
twijfelachtig is,
b. het toepasselijke procesrecht van de verzoekende lidstaat een ander bewijs
dan het via de postdiensten verkrijgbare bewijs van uitreiking van het stuk aan
de geadresseerde verlangt,
c. het stuk niet per post kon worden bezorgd, of
d. de verzoekende lidstaat gegronde redenen heeft om aan te nemen dat
verzending over de post zonder resultaat zal blijven of niet toereikend zal
zijn.
3. wanneer aannemelijk is dat de geadresseerde de taal waarin het
gerechtelijk stuk is gesteld niet beheerst, dient dit - althans de essentie ervan
- te worden vertaald in de taal of één der talen van de lidstaat
op het grondgebied waarvan de geadresseerde verblijft. indien de autoriteit
waarvan het gerechtelijk stuk uitgaat, weet dat de geadresseerde slechts een
andere taal machtig is, dient het stuk - althans de essentie ervan - te worden
vertaald in die andere taal. ...... etc"
de als verdachte gedagvaarde vennootschap was gevestigd in
cheshire, engeland. rechtstreekse toezending per post was overeenkomstig het
verdrag. de stukken bieden immers geen aanleiding voor de veronderstelling dat
het adres onbekend of twijfelachtig is terwijl de autoriteiten geen gegronde
redenen hadden om aan te nemen dat verzending over de post niet toereikend zou
zijn.
de geadresseerde firma was zelf in hoger beroep gekomen en de
rechter moest rekening houden met de waarschijnlijkheid dat de verdachte van
zijn aanwezigheidsrecht gebruik wilde maken. in deze zaak was geen vertaling
van de dagvaarding meegezonden, dit in strijd met 588 sv, lid 2 en met art. 5
eu-rechtshulpovereenkomst. het hof had in dit geval in beginsel het onderzoek
ter terechtzitting moeten schorsen om alsnog er zorg voor te dragen dat de
verdachte voorzien werd van een vertaling in het engels. dat zou echter niet
nodig zijn als na onderzoek door de rechter was gebleken dat de verdachte in
gebreke was gebleven zich naar de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke
maatregelen te handelen om zo van de inhoud van het stuk op de hoogte te komen.
bij zo'n onderzoek kunnen diverse omstandigheden een rol spelen zoals eerdere
correspondentie of de bijstand van een (nederlandse) advocaat. hr 14-2-2012,
njb 2012, p. 689, nr. 608; LJN BU8758, nr. 11/01371 E.
----------------------------
(*) gegevens: zie eu-rechtshulpovereenkomst
**
OPZET MEDEPLEGEN VALSE FISCALE AANGIFTE: aan de orde is de vraag
of bij veroordeling van de verdachte ter zake van het medeplegen van het
opzettelijk doen van een onjuiste en/of onvolledige belastingaangifte, uit de
bewijsvoering niet alleen het opzet van de verdachte moet kunnen volgen, maar
tevens dat van zijn mededaders, almede of daarvoor van belang is dat niet op de
verdachte, maar op een van zijn mededaders de wettelijke plicht rust tot het
doen van de desbetreffende belastingaangifte.
beide vragen moeten ontkennend worden beantwoord omdat het gaat om het
vaststellen van het opzet van de verdachte in zijn strafzaak en niet om dat van
zijn mededaders. In een geval als het onderhavige geldt derhalve dat uit de
bewijsvoering moet kunnen worden afgeleid dat het opzet van de verdachte, al
dan niet in voorwaardelijke vorm, gericht is geweest op het doen van de
onjuiste en/of onvolledige belastingaangiften. uit de bewijsvoering behoeft
niet te kunnen worden afgeleid dat zijn mededaders - ook indien een van hen de
aangifteplichtige was - dit opzet eveneens hadden. hr 6-3-2012, LJN BQ8596, nr.
09/04384.
-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------