|
|
|
|
Wat zijn mossenMossen zijn, net als Paardestaarten, Varens, Schimmels (= Paddestoelen) en Algen Sporenplanten .De plaats van mossen in het Plantenrijk
Dat betekent dat ze zich verspreiden via sporen; dit als onderscheid met zaadplanten. Het belangrijkste onderscheid tussen zaden en sporen kun je niet zien: in een spore zijn alle chromosomen (de dragers van de erfelijke informatie)in enkelvoud aanwezig, in een zaad zijn ze in dubbelvoud aanwezig (net als in de lichaamscellen van mensen en de dieren om ons heen). In een zaad is al een, zeer klein, compleet plantje te vinden, in een spore is dat niet het geval. Onderscheid met andere groepen planten: de generatie wisselingMossen onderscheiden zich van andere sporenplanten door hun levenscyclus: uit een spore (rechtsonder) groeit een voorkiem (protonema)(onder) en daaruit een mosplantje (de gametofyt)(centraal), waarop vervolgens een sporekapsel (sporofyt) gaat groeien. Uit het sporekapsel komen de sporen. Afgezien van de geslachtelijke voortplanting via sporen kennen mossen nog een trucje om zich te vermenigvuldigen: via broedkorrels (vgl. stekjes). Korstmossen worden soms tot de mossen gerekend. Ten onrechte, want korstmossen zijn een samenleving (symbiose) van een alg en een schimmel. Schimmels hebben een heel andere levenscyclus (en geen bladgroen) dan mossen. Paardestaarten en Varens onderscheiden zich van mossen doordat ze wortels en een vaatsysteem hebben voor watertransport. Een indeling van de mossen
De basiseenheid voor het groeperen en naamgeven van planten en dieren is de soort (b.v. Purpersteeltje of Ekster). Belangrijk is te beseffen dat binnen een soort individuen allemaal anders zijn, iedereen (elk mos) heeft een andere (cel-)lengte. Maar die exemplaren lijken wel sterk op elkaar en kunnen, als ze zich gaan voortplanten onderling vruchtbare nakomelingen krijgen. Soorten kunnen gegroepeerd worden tot families als ze veel eigenschappen gemeen hebben (b.v. Bunzing en Hermelijn in de Marterfamilie). Families die op elkaar lijken worden ook weer in groepen bijeengebracht. De mossen vallen uiteen in twee groepen: de Levermossen en de Bladmossen . De belangrijkste verschillen zijn :
Zoals eerder al aangegeven werd zijn Levermossen ook weer in twee groepen te verdelen : de Thalleuze Levermossen die vaak in een strook of rozetvormige flap op de grond groeien (b.v. Parapluutjesmos) en de Bebladerde Levermossen , die een stengeltje hebben met aan weerszijden een rij blaadjes.
Bovenaanzicht van Bryum bicolor, een topkapselmos De Bladmossen vallen in drie groepen uiteen. Iedereen kent wel de Veenmossen , die rechtop groeiende stengeltjes hebben en zijtakken in bundeltjes. Meestal groeien ze in of dichtbij water. Mossen met een niet (of als een hooivork) vertakte stengel noemen we Topkapselmossen , omdat het kapsel aan de top van de stengel groeit. Tenslotte zijn er de Slaapmossen met her en der groeiende losse zijtakken, meestal liggend op de grond. Ook het kapsel staat op een (zeer kort) zijtakje.
Thujamos is een slaapmos Kenmerken om de groepen onder te verdelenKapsels komen bij mossen slechts een beperkt deel van het jaar voor. Kenmerken van het kapsel zijn daarom niet erg geschikt om de soorten van elkaar te onderscheiden. Wel worden de kapselkenmerken gebruikt om de soorten te groeperen in onder meer families, waardoor een 'natuurlijk systeem' ontstaat. De groene mosplant is een heel groeiseizoen te vinden en moet zich al die tijd aanpassen aan de standplaats. Alle soorten hebben daarvoor net iets andere combinaties van bouwstenen ontwikkeld. Sommigen hebben glasharen om zonlicht te reflecteren, anderen hebben een dikke bladrand als versteviging bij inrollen etc. Al die kenmerkcombinaties maken het mogelijk de verschillende mossoorten te onderscheiden. Voor iemand die mossen op naam wil brengen is dat ''wel prettig''. Voor een mossoort staat of valt het voortbestaan met die net iets andere kenmerk combinatie: het is immers van wezenlijk belang om een net iets ander oecologisch optimum te vinden dan een andere soort in de strijd om het bestaan (selectie!). Het voorkomen van mossenStandplaats, oecologieDoordat mossen niet de mogelijkheid hebben water uit de bodem op te nemen moeten er andere maatregelen getroffen worden om in de water behoefte te voorzien. De blaadjes van mossen zijn slechts een cellaag dik.
Daardoor kunnen alle cellen door diffusie water uit de lucht opnemen, als die niet te droog is. Anderzijds moet het waterverlies beperkt worden. Dit kan door een standplaats te "kiezen" die nooit erg droog is, bijvoorbeeld een bos. Bossen zijn dan ook vaak rijker aan mossoorten dan het open veld. Mossen die niet in bossen voorkomen zullen meestal mogelijkheden hebben om het water verlies te beperken als de zon fel schijnt. Vaak zijn er witte glasharen die het zonlicht reflecteren, of de blaadjes rollen erg makkelijk in waardoor er binnenin geen verdamping optreedt. Op hele natte standplaatsen zie je juist vaak soorten met grote cellen die het vocht makkelijk opnemen. Doordat mossen veelal neerslag direct opnemen, kunnen ze aanwijzingen geven voor de kwaliteit van die neerslag, ofwel de lucht kwaliteit. De Haarmuts-soorten zijn daarvan een duidelijk voorbeeld, zij gaan achteruit als er veel zwavelzuur of ammoniak in de lucht zit. Verspreiding in NederlandOveral in Nederland komen mossen voor; in totaal ongeveer 650 soorten. Een aantal soorten is heel algemeen zoals bijvoorbeeld het Purpersteeltje. Meestal zijn deze wijd verbreide soorten cultuurvolgers. Een mooi voorbeeld daarvan is Muurmos; deze rotsplant komt vrijwel overal in Nederland voor, als er maar een betonpaaltje of bakstenen muur te vinden is. Aan andere soorten is goed de verspreiding van de belangrijkste grond soorten terug te vinden. Zo komt het Klei Vedermos, vrijwel uitsluitend op de alluviale gronden voor. Studie van mossenDat mossen geen interne 'waterleiding' hebben, heeft een aantal consequenties. Mossen kunnen hierdoor niet erg groot worden en het is dus betrekkelijk eenvoudig hele plantjes mee te nemen voor bestudering. Verder zijn mossen erg gemakkelijk te drogen en vervolgens na jaren weer nat te maken, waardoor ze hun oude vorm hernemen. Dan zijn vrijwel alle details weer goed te bekijken. Voor mossenkenners zijn dit prettige consequenties. Een nadeel van het kleine formaat is echter dat de details ook erg klein zijn. Vaak is een microscoop nodig om met zekerheid te zeggen om welke mossoort het gaat. Bij mossen zijn de blaadjes een cellaag dik zodat de cellen met een microscoop goed te bekijken zijn.
Toelichting op bovenstaande tabel
KorstmossenKorstmossen zijn paddestoelen die alléén kunnen leven als ze hulp krijgen van algen. Geen enkele paddestoel is in staat voor zijn eigen voedsel te zorgen. Want ze hebben geen bladgroen. Algen kunnen wel voor hun eigen voedsel zorgen. En in sommige gevallen moeten ze dus ook nog zorgen voor het voedsel van paddestoelen. Of eigenlijk kun je beter spreken van schimmel, want paddestoelen zijn niets anders dan schimmel. En samen met een alg heet dat dan dus korstmos. Nou lijkt het alsof de relatie tussen de schimmel en de alg er één is van voor de schimmel nemen en voor de alg geven, maar dat is niet zo. De alg heeft wel degelijk voordeel van het huwelijk dat je aangaat met een schimmel. De schimmel biedt namelijk bescherming tegen uitdrogen. Ook maakt de schimmel bepaalde zuren die het opvreten door dieren tegengaan. Een aardig goede samenlevingsvorm dus. Dat huwelijk loopt echter op de klippen als er voor de alg een meer dan voldoende aanbod van voedingszouten en water bestaat. Dan wordt de alg ontrouw en gaat alleen verder. Daaruit blijkt dat ze dus alleen samen gaan op plaatsen waar verder eigenlijk niets te halen valt. Op beton bijvoorbeeld. Of op asbestgolfplaten. Of op stuifzanden. Samen kunnen ze ook heel erg oud worden. Omdat ze zo verschrikkelijk langzaam groeien, soms maar een onderdeel van een millimeter per jaar, heeft men van bepaalde korstmossen uitgerekend dat ze tussen de 1000 en 4000 jaar oud moeten zijn! Het gaat goed met sommige soorten korstmossen. Dat komt door de milieuvervuiling! Het groot dooiermos (een grote gele korstmos) kwam tot 1980 niet zo verschrikkelijk veel voor. Sinds die tijd is zijn voorkomen met een factor 20 toegenomen! Deze korstmos profiteert namelijk van de sterke toename van de uitstoot van ammoniak! Je ziet hem dan ook vooral in gebieden met intensieve veeteelt! Er zijn zelfs korstmossen die positief reageren op de toename van zwaveldioxide! Helaas gaat dat niet op voor alle soorten. Een grote hoeveelheid korstmossen kan juist erg slecht tegen zwaveldioxide en ammoniak. Al met al betekent de verontreiniging een vooruitgang in aantallen van sommige soorten, maar het helemaal verdwijnen van veel meer soorten. En hoewel het weer wat beter gaat met het milieu en dus ook met de korstmossen, is Nederland één van de korstmossenarmste landen van de wereld geworden. Met een beetje kennis van korstmossen is de verbetering of verslechtering van het milieu in het gebied van de Loonse en Drunense Duinen goed te volgen! Dat kan U zelf doen! Maar dan moet U eerst even de volgende boekjes lezen: 'Veldgids Korstmossen' van André Aptroot en 'Korstmossen' van W. Kruyt isbn 90-5011-071-1. Aan de begroeiing (lees korstmossen) op een boom is toch te zien waar het noorden is? Inderdaad. De meeste korstmossen zitten op een boom het liefst daar waar de meeste regen tegenaan valt. Dat is dus de westkant van de boom en dan is ook het noorden bekend. Logisch toch? Nooit meer vergeten!
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
U kunt een e-mailbericht met vragen of opmerkingen over deze website
verzenden aan
|