Het plezier en de punten

Bert Dollekamp

Damnieuws 13 maart 1993

Theorie, Dammen en Home


 

Bert Dollekamp is speler van het Drents Tiental, KNDB docent en auteur van diverse damboeken voor beginners. Exclusief voor Damnieuws schrijft hij een gastcolumn. Hij reageert op enkele recente artikelen van Frits Luteijn en onderwerpt de vermeende tegenstelling tussen plezier en prestatie aan een kritische analyse.

 

Het plezier en de punten

 

Dit seizoen schreef Frits Luteijn in Damnieuws nummer 31 en 37 buiten het kader van zijn openingsrubriek twee pittige stukjes over bij damwedstrijden gevolgde spelbedervende tactieken. Luteijn wijt de door hem ervaren ellende aan de volgende in de damwereld bestaande misvatting:

 

"Een merkwaardig fenomeen in de damwereld vind ik de misvatting alsof de dambond wedstrijden organiseert om erachter te komen, wie de sterkste club van Nederland is. Wedstrijden worden uitsluitend en alleen georganiseerd om de leden van de bond een plezierige dag of avond te bezorgen en een bloeiend verenigingsleven mogelijk te maken."

 

Bij eerste lezing van de bewuste artikelen overheerste bij mij het gevoel dat hier een enigszins gefrustreerde sporter sprak wiens primaire reactie niet al te serieus diende te worden genomen. Natuurlijk herken ik het soort teleurstelling: Het besef dat een notoire spelbedervende tactiek je de lol in een partijtje dammen kan ontnemen. Zeker als je zoals Frits Luteijn tot de echte fijnproevers behoort. Persoonlijk laat ik me die lol absoluut niet ontnemen, maar het is goed te weten dat er gevoelige types onder ons zijn.

 

Het gaat echter te ver om de persoonlijke beleving van Luteijn zomaar om te zetten in bondsbeleid. En dat dreigt nu onze voorzitter Anton Schotanus zelve uit Luteijns werk citeerde bij aanvang van de halve finales en opriep tot onvervalst plezierdammen. Vandaar mijn besluit in de pen te klimmen en Frits en Anton, maar vooral u te plezieren (tenminste dat hoop ik) met een Reactie. Want laten we wel wezen. De kritiek van Luteijn raakt aan het meeste wezenlijke element van onze sport, namelijk het Waarom. Met de intentie van Frits, die dus een onverdacht liefhebber van het spel is, kan ik een eind meegaan. Toch ben ik het op bijna alle aangevoerde punten van harte met hem oneens. Mijn mening zal ik in een viertal beweringen (stellingen) opschrijven en vervolgens toelichten in de toebemeten ruimte.

  1. Sportief resultaat en spelplezier sluiten elkaar niet uit. Een sportbond die het een of het ander verwaarloost of bagatelliseert is geen knip voor de neus waard.
  2. Een wisselende (tactische) opstelling is een middel bij uitstek om het dammen ook als teamsport te beoefenen.
  3. Het huidige wedstrijdsysteem bij de halve finales bevordert ondernemend spel en gaat het resultaatdammen tegen.
  4. Ieder speler heeft recht op en eigen stijl.

Resultaat versus spelplezier

Luteijn plaatst twee mogelijke doelen van wedstrijden tegenover elkaar. Sportief resultaat (de uitslag) en spelplezier. Een misvatting is echter dat het een het ander uitsluit. Maar natuurlijk worden wedstrijden van de bond georganiseerd om leden een plezierige dag te bezorgen en een bloeiend verenigingsleven mogelijk te maken. Waarbij de leukste dagen doorgaans wel die van de persoonlijke triomf en het kampioen of degradatiefeest zijn. En dus gaat het natuurlijk ook om de uitslag en het klassement. Daar is het sport voor. Dankzij die gelukkige gedachte kent iedereen in Nederland de grote kampioenen van onze tijd en kent iedereen in zijn club de hekkensluiter in de onderlinge. Beiden verdienen en krijgen respect en aandacht. Ik bedoel te zeggen dat ik absoluut niet zie waarom het plezier in je sport het spelen om een klassement uitsluit. Wie de uitslag niet interessant vindt moet niet aan wedstrijden meedoen.

Wat anders is dat het aan te bevelen valt de waarde van de uitslag te relativeren. Het is ongezond om jaren gefrustreerd achter een kampioenschap aan te jagen of slapeloze nachten te hebben van de tegenstander van de volgende dag. Ook bestaat er zoiets als recreatiesport en een vriendschappelijk duel, waarbij de uitslag niet allesoverheersend is. En niet te vergeten heeft elke sporter het recht, in deze afweging zijn eigen keuze te maken. Wie zich aanmeldt voor de halve finales, weet van tevoren dat het in alle vriendelijkheid en sportiviteit die er heerst toch allereerst om de plaatsbewijzen voor de finale gaat. Met de strekking van de toespraak van Schotanus bij aanvang van de halve finales (tenminste als ik dat goed uit het verhaal van Frits begrepen heb) dat het vooral om het spel en nauwelijks om de punten gaat ben ik het volstrekt oneens, Natuurlijk gaat het in zulke wedstrijden om de punten. En wie wil winnen moet een technische en tactische topprestatie leveren. Het is te goedkoop om dat als uitsloverij af te doen, omdat jij toevallig door je baan, je routine of je instelling de uitslag kunt relativeren.

De wisselende opstelling

Frits Luteijn ageert in nummer 31 nogal tegen het verschijnsel tactische opstelling als verderfelijke uiting van resultaatdammen. Het zou het plezier van veel der betrokkenen vergallen. Eerlijk gezegd vind ik dat het een weinig met het ander te maken heeft. Met de vergelijkbare argumenten als Luteijn gebruikt durf ik te beweren dat een vaste opstelling resultaatdammen juist in de hand werkt, met name op hoofdklassenniveau. Het is nou juist leuk dat je niet van tevoren weet tegen wie je speelt. Men kan zich niet een heel jaar prepareren op al zijn tegenstanders en vooraf precies de tactiek afspreken. Bovendien is de kans op beslissingen (en die willen we toch zo graag) in het huidige systeem aanmerkelijk groter. In Damnieuws lezen we op pagina 705:

"Een tactische opstelling tegen een zwakke vereniging gooit de wedstrijd open met verliesgevaar voor de gedoodverfde winnaar."

Maar dat is toch prachtig? Voor de topteams maakt het voor de uitslag niet veel uit, zij zijn in alle varianten aan elkaar gewaagd, maar het vergroot wel de kansen van de underdog. Vermeulen - Baljakin: Bingo van VAD, dat bij een vaste opstelling volstrekt kansloos was geweest. En wat aardig dat de wat mindere spelers ook een kans kregen om tegen een echte grootmeester te spelen. Voor sommigen is dat het hoogtepunt van hun carričre. Drents tiental - RDG kent twee paringen waarin de krachtsverhoudingen zodanig scheef lagen dat de betrokken spelers volgens Luteijn geen leuke middag hebben gehad. Maar dat mogen ze toch hopelijk zelf uitmaken? Van Slippens en van den Borst weet ik dat ze zich absoluut niet aan de opstelling hebben geërgerd en van Bruyns had ik de indruk dat hij het een eer (uitdaging) vond tegen John te spelen. Waarbij de niveauverschillen nou ook weer niet zo groot zijn als Frits doet voorkomen. Bij de wedstrijd Drents Tiental - Huissen zagen we de partijen Baljakin - Wanders en Van der Wal - H. van Aalten. Twee volwaardige hoofdklassenduels. Wanders verloor na zware tegenstand. Van Aalten sleepte een beslissende remise uit het vuur.

Vergelijk het met Ajax - PSV. Bergkamp komt niet los van bewaker Faber, maar Romario ontsnapt eenmaal aan kwelgeest De Boer en scoort. Bij dammen als teamsport zijn wisselende opstellingen naar mijn smaak het zout in de pap. Waarbij het natuurlijk geen pas geeft om spelers tegen hun zin op te offeren (volgens mij gebeurt dat nergens). Nog altijd is het zo dat de beste spelers relatief hoog zitten. Je kunt er natuurlijk echt een loterij van maken maar dan ontneem je een aantal teamleiders hun favoriete puzzel. Overigens heb ik niet de indruk dat het schuiven met spelers ten koste gaat van de doorgaans uiterst prettige sfeer. Het zijn leuke dagen, of heb ik het nou mis? Maar hoe me ten goede. Als een meerderheid van de spelers liever alles van tevoren weet en zijn eigen stekkie heeft, heb ik daar vrede mee. Want ik geef toe: Wiersma - Sijbrands aan bord 1 heeft ook wat, al heb ik nog zo'n sterk voorgevoel over de uitslag.

Hoezo saai?

Verbaasd ben ik over de opvatting van Luteijn en blijkbaar ook Schotanus dat het huidige systeem bij de halve finales resultaatdammen in de hand zou werken. In het vroegere tweegroepen systeem was een plus 1 score meestal al genoeg voor een finaleplaats. Wie nu verder wil moet ijzersterk spelen en vaak risico's nemen om de benodigde vette plus te scoren. Ik geef toe dat ik niet alles heb nagespeeld, maar als we even kijken naar de mensen die zich plaatsen, zie ik enkel interessante spelers! Jansen, van Aalten, Boom, Krajenbrink, Hoopman, Wesselink, Oudshoorn, Raven... De oogst belooft een heel onderhoudend NK!

Overigens is ondernemingslust niet alleen een gevolg van het gehanteerde plaatsingssysteem. Ik heb sterk de indruk dat er tegenwoordig met name vlak onder de absolute top ondernemender en vooral riskanter gespeeld wordt als ooit tevoren. Men ziet bij een aantal spelers een enorme gedrevenheid om te "bewijzen" dat dammen geen remisespel is. Spelers die weigeren hun hoofd op het hakblok te leggen krijgen de wind van voren. Daarbij lijkt het een subtiele kunst om tactisch zodanig te manoeuvreren dat de tegenstander een stap te ver gaat en jij op fraaie wijze profiteert.

Een goede suggestie van Luteijn is het vervangen van de huidige vier groepenopzet door een Zwitsers systeem. Het is echter nog maar de vraag of dat tot leukere partijen leidt. De sterksten kunnen tegen elkaar remise spelen en hun slachtoffers rustig uitzoeken. Een Zwitsers systeem is echter wel eerlijker. Alle spelers hebben dezelfde kans op geluk of pech door paringen. Nu is de samenstelling van groepen en kanshebbers zeer divers en komt het voor dat mensen met bijvoorbeeld plus drie zich in de ene poule wel en in de andere niet plaatsen. Dat leidt tot de sportieve deceptie die misschien voor Luteijn niet zo zwaar weegt maar voor topdammers als Krajenbrink (1991 13 uit 9) en Van der Zee (1992 12 uit 9) heel frustrerend moet zijn.

Het recht op een eigen stijl

In nummer 37 krijgt Klaas Bor er van langs. Hij zou (in zijn partij tegen Luteijn) passief gespeeld hebben. Van mij mag hij. Het louter aanmoedigen van scherp en riskant spel leidt naar mijn mening tot verarming van de sport. Juist de botsing van speelstijlen maakt het spel extra boeiend. Ook een laveerpartij of ruilpartij kan van een subtiele schoonheid zijn of bewondering afdwingen door tactische finesses. Een kwestie van smaak en vooral vrije keuze van de speler. Men kan een speler toch moeilijk verwijten dat hij een overzichtelijke stijl heeft en daarbinnen met zijn beperkte middelen een goede prestatie levert. Dat is wat Klaas in zijn partij tegen Frits deed. Waarbij het natuurlijk wel zo is dat een lonkende vierde plaats kan leiden tot extra behoudend spel. Zeker als je weet dat dit tegen de stilist Luteijn een kansrijke tactiek is.

Zorgelijk voor de ontwikkeling van het spel en de gemoedsrust van de spelers vind ik de eerder gesignaleerde geforceerde pogingen tot spektakel of afbraak, die beiden mede een gevolg lijken van de ruime remisemarge. Ook op WK niveau speelt dit geforceerde karakter een rol, al kan ik dat met mijn beperkte niveau niet bewijzen. IJzer met handen breken tegen Tsjizow of Wiersma levert natuurlijk beslissingen op. Evenals krampachtig op een punt spelen omdat je weet dat verlies fataal is. Alleen degene die zichzelf blijft zal de mode van de dag overleven. Wat dat betreft geef ik zowel Frits Luteijn als Klaas Bor een goede kans.

Samenvattend

Het bevorderen van (elkaars) spelplezier in het besef dat uitslag en klassementen van relatieve waarde zijn is een lovenswaardig streven. Dat doet echter niet af aan het recht van spelers op hun niveau voor de punten te spelen. Ik ben ervan overtuigd dat we de instelling van spelers niet beslissend kunnen beďnvloeden door welke wedstrijdregel dan ook. We moeten dat ook niet willen, want ieder heeft recht op zijn eigen stijl. Een ander recht dat zowel veel liefhebbers als prestatiegerichte dammers aanspreekt, is dat degene die het beste speelt de meeste punten krijgt. Een effectieve manier om dat vanuit de spelregels te realiseren is naar mijn mening het verkleinen van de remisemarge. In een volgend artikel hoop ik op dat thema nog wat verder te filosoferen.

 

Volgende pagina