© Frits de Lange.  All Rights Reserved. No part of this publication may be reproduced in any form without explicit permission from the author.

 

 

 

Een gelukkige Sisyphus

De mythe van Sisyphus

Sisyphus, koning van Korinthe, bedriegt de goden en wekt de wrevel van Zeus. Hij krijgt een vreselijke straf opgelegd. Hij krijgt als taak een geweldig brok marmer een heuvel op te wentelen. Telkens als hij, na geweldige inspanningen, de top bereikt, ontsnapt de rotsblok aan zijn handen  en rolt de diepte weer in. Opnieuw moet hij aan het werk, de steen omhoog torsen…. Eeuw in eeuw uit moet Sisyphus de steen omhoog wentelen, maar niet één keer lukt het hem zijn taak te volbrengen.      

‘Ik laat Sisyphus onder aan de berg! Ieder vindt er altijd zijn eigen last weer terug. Maar van Sisyphus kunnen we de superieure trouw leren, die de goden ontkent en rotsblokken omhoog tilt. Ook hij oordeelt dat alles goed is. Dit universum, dat voortaan zonder meester is, lijkt hem noch steriel nog zinloos. Elk splintertje van die steen, elke mineraal van die donkere berg, vormt op zichzelf een wereld. De strijd om boven te komen, is op zichzelf voldoende om het hart van een mens te vervullen. We moeten ons Sisyphus als gelukkig voorstellen.

Albert Camus

 

Bovenstaande regels vormen het slot van Albert Camus’ De mythe van Sisyphus.  Ik las ze tijdens de vakantie, ergens in de Zuid-Franse Provence. Ik weet niet wat me bezielde om in de plaatselijke Librairie nu net dit pocketje uit de kast te halen en naast de dagelijkse krant op de toonbank te leggen. Maar ik was verkocht. Ik heb drie weken Camus (1913 – 1960) gelezen, en bij dat ene deeltje is het niet gebleven.

Wat was het dat me in hem aangreep? Het was in elk geval de Zuid-Franse zon, waarvan ook Camus een aanbidder was. De Franse Algerijn Camus, zoon van een arme wijnboer, zou later in het noordelijke Parijs furore maken als journalist en theaterschrijver, maar bleef in zijn hart een mediterraan mens. De strakblauwe lucht, de schrale mistral, de cipressen en olijfbomen, het droge, gele strand – hij zocht ze elke keer weer op als het mondaine stadsleven in de bewolkte miezerigheid van  het Noorden hem teveel werd. Ook in zijn teksten schijnt volop de zon. Je kunt ze ook bijna niet anders dan lichamelijk lezen; alsof de zon op je huid brandt.

Zo werd ik een beetje door Camus overvallen. Ik kende hem wel, als een vage kennis van vroeger. Maar ik had hem bijgezet in het mausoleum van de jaren zestig en zeventig, het existentialisme, Sartre, de sombere melancholie van de chansons van Juliette Gréco. Opende hij niet De mythe van Sisyphus met de zwartgallige one liner:  ‘Er is slechts één werkelijk serieus filosofisch probleem: dat is de suïcide’? Camus: kommer-en-kwel-filosofie. 

Maar wie De mythe van Sisyphus leest, maakt kennis met een man die als geen ander van het leven hield, en van die liefde voor het leven de kern van zijn filosofie maakte. Iemand die de levensbeker tot de laatste druppel wilde uitdrinken, ook al was hij overtuigd van het absurde ervan.

Of moet ik zeggen: juist omdat hij overtuigd was van het absurde ervan? ‘Absurd’-  Camus gebruikte het woord te pas en te onpas, zodat je soms niet goed meer weet waar het voor staat. Maar dit betekent het in elk geval: het leven is zonder een hogere zin, er ligt geen goddelijke bestektekening voor klaar, er is geen hoop op, geen troost van een hiernamaals: dit leven met de dood voor ogen is het enige leven wat we hebben.

Camus was atheïst, maar niet omdat hij niet in God kon geloven. Hij wilde het niet, omdat hij het oneerlijk vond. Hij kende het christendom eigenlijk alleen als een vorm van ontsnapping, een vlucht uit de menselijke conditie. Om met Marx te spreken: het geloof als de bloemen die de ketenen van het menselijk bestaan moeten verhullen. Wie eerlijk wil leven – ‘vivre sans appel’, noemt Camus het - moet daarentegen zonder illusies willen leven. En dat betekent: beginnen bij het inzicht dat het leven absurd is, en je vervolgens afvragen of je het dan nog de moeite waard vindt om te leven.

Dat eerste – het ‘leven is absurd’ –  die leus kennen we wel van Camus. Maar dat dit niet de slotsom, maar de start van zijn levensfilosofie betekende, waarin het leven in al zijn extremen innig wordt omarmd, dat is even wennen. Misschien was het dat laatste dat me zo aangreep. Camus bedrijft filosofie als levenskunst. Zij beaamt het absurde gegeven: Ik leef! van harte,  en probeert er vervolgens een goede vorm aan te geven. Maak je dus geen illusies: wij zijn geen goden op de Olympus. Laten we niet doen alsof we onsterfelijk zijn en het leven  maakbaar is; wij zijn geen paradijsbouwers, geen hemelbestormers; wij zijn als Sisyphus, sterfelijk, zwak, het leven is ons soms een zware last. Camus, zijn leven lang op de hielen gezeten door een levensbedreigende tuberculose tot hij in 1960  bij een auto-ongeluk om het leven kwam,  wist zelf ook wel waar hij het over had.  Maar dan? Zelfmoord plegen? Vluchten in een sentimentele religieuze droom of in almachtsfantasieën? Of ‘ja’ zeggen tegen dit Sisyphus-leven, zeggen dat het tenslotte, alles wel beschouwd ‘goed’ is, en dan misschien zelfs zo gelukkig zijn? ‘Il faut imaginer Sisyphe heureux’…..  

Een intrigerende slotzin, waar ik nog lang niet over uitgedacht ben. Zijn we wel Sisyphussen? En als dat waar is, is het dan niet absurd om te verwachten dat we gelukkig kunnen zijn? Een intrigerende zin, die misschien meer vragen oproept dan hij beantwoordt.

Net als dat andere kleine zinnetje, eerder in hetzelfde boek: ‘Men kan christen zijn en absurd.’  Wat bedoelt Camus daarmee? Er lijkt op het eerste gezicht een wereld van verschil tussen zijn  atheïsme en het christelijk geloof te bestaan. Staat deze Sisyphus niet op een heel andere manier in het leven dan bijvoorbeeld Jezus deed? Had Jezus het niet ook over een last die ons afgenomen wordt?

Vragen te over. Maar ik zou ook graag de winst van Camus’ levensfilosofie voor een christelijke levenskunst willen incasseren. Daar hoort in ieder geval dit bij: zij leert ons dat we schepsel zijn en geen Schepper. Veel Camus lezen is, zo gezien,  een uitstekend afweermiddel tegen de zondeval van het ‘als God willen zijn’ (Gen.3,5). En een probate levenselixer, die je helpt om dankbaar het jou gegeven leven te omarmen.   

 

Frits de Lange