Over Oranjewarmte en de gratie Gods

 

(Kroniek Geref. Theol. Tijdschrift., jrg. 2000, nr 3)

 

 

Het voorstel van D66-fractieleider Thom de Graaf  om de staatsrechtelijke rol van de monarchie te herzien en te komen tot een meer ceremoniële en minder regeringsbeïnvloedende taakopschrijving voor de koning  heeft veroorzaakte een storm in de media. De Graaf kwam met  zijn  voorstel  rondom Koninginnedag;  toen een mogelijke verloving van kroonprins Willem-Alexander met Maxima Zorreguita, een onomstreden Argentijnse met een omstreden vader, in de lucht hing; de populariteitscurve voor Beatrix een dalende lijn te zien gaf, en journalisten een boekje opendeden over een constitutioneel grensoverschrijdende politieke invloed van de koningin (Brinkman exit?). Een gedeeltelijke verklaring wellicht voor het aanzienlijke mediatumult dat De Graaf ten deel viel.

Maar dat kan niet de enige reden zijn voor het volksrumoer, dat  ontstond. Het koningshuis is een nationaal symbool en wie aan een symbool komt, moet rekenen op emotie en de heftigheid van ongecontroleerde oprispingen.  Symboolwetenschappers zoals godsdienstsociologen moeten ook van de discussie gesmuld hebben.  Oranje is immers onderdeel  van onze nationale civil religion, en – zo luidt de stelling  van de Leidse godsdienstsocioloog Meerten ter Borg - naarmate de samenleving onttovert, waaiert de religieuze toewijding (of, zoals hij zegt: de toekenning van ‘charisma’) die vroeger werd geïnstitutionaliseerd en gekanaliseerd in de kerk, meer en meer uit, over heel de cultuur.  Ter Borg werd in zijn visie op nieuwe vormen van seculiere religie tijdens de discussie over de monarchie op zijn wenken bediend door  een nieuw soort religieuzen, ‘oranjegelovigen’ zoals het liberale Kamerlid Te Veldhuis, die klaagde over het gebrek aan ‘oranjewarmte’ dat uit de kritiek op het koningshuis spreekt. Wie de republiek als mogelijkheid oppert vloekt blijkbaar hardop in een kerk.

 

Aan deze religieuze dimensie van de monarchie werd in het debat echter relatief weinig aandacht besteed. Men concentreerde zich op de vraag of het erfelijk koningschap wellicht een moderniserende face lift zou moeten en kunnen ondergaan en zo ja, in welke zin zij het beste haar centrale functies (volgens mr. Tjeenk Willink, voorzitter van de Eerste Kamer, zijn dat er twee: ‘de boel bij elkaar houden’  en ‘de continuïteit garanderen’) kan blijven uitoefenen.  Alleen NRC-columnist H.J. Heldring kwam met een beschouwing over het koningschap ‘bij de gratie Gods’, en poneerde de onlosmakelijke samenhang van religie en monarchie. De enige legitimatie van het koningschap, zo luidde zijn redenering,  is de gratie Gods. Valt die weg, dan vervalt ook zijn rechtmatigheid en kunnen we het koningshuis meteen afschaffen.  Dat betekent niet  dat we ook daadwerkelijk allemaal in die gratie Gods moeten geloven. De fictie is voldoende, maar dan behoren we wel met z’n allen die fictie in stand te houden.  ‘Zonder gratie Gods – of die nu werkelijkheid dan wel fictie is – geen koningschap’.  Er is volgens Heldring eigenlijk geen andere rechtvaardiging van het erfelijk koningschap dan een theologische.

 

Nu heb ik moeite met zijn kijk op ficties. Ik ben waarschijnlijk teveel realist  (in kentheoretische zin) en een te geseculariseerd mens om aan ficties veel legitimerende kracht te ontlenen. Voor één keer kan ik dan ook van harte instemmen met de Leidse hoogleraar Herman Philipse, die samen met zijn collega Göran Sundholm  Heldring van repliek diende. Volgens zijn inmiddels welbekende digitale logica waarmee hij doorgaans het atheïsme verdedigt, zijn er ook inzake het regeren bij de gratie Gods slechts twee mogelijkheden. Of we blijven vasthouden aan -  wat hij noemt – een  calvinistische Oranjetheologie, die het ‘koningschap bij de gratie Gods’ terugvoert op de rol van Willem van Oranje in de bevrijding van de Nederlanden van het juk van de katholieke Habsburgers, ofwel we verbinden de gratie Gods niet alleen aan het erfelijk koningschap, maar aan het vervullen van elke openbare functie. In het ene geval mythiseren we de goddelijke genade, in het andere democratiseren we haar. Ofwel God heeft iets speciaals met Nederland, het ‘nieuwe Israël’, en iets bijzonders met Willem van Oranje, de ‘nieuwe Mozes’; of hij heeft iets speciaals met iedereen, en dus met niemand meer iets in het bijzonder.

De eerste optie schijnt alleen al op historische gronden af te moeten vallen. De calvinistische Oranjetheologie van het drievoudig verbond tussen God, Nederland en Oranje is een 19e eeuws verdichtsel, dat geen steun vindt in de historische feiten (vgl. ook het artikel van E.H. Kossmann, NRC 29/4/2000). Bovendien moet dit  gedachtegoed in  het multiculturele en multireligieuze Nederland van nu een archaïsch anachronisme heten. Wat moet, aldus Philipse en Sundholm, een moslim vandaag beginnen met die dubieuze bijbelse analogieën tussen Nederland en het Oudtestamentische Israël? In plaats daarvan vereist een consequente doorvoering van de scheiding tussen kerk en staat, zoals die sinds de Grondwet van 1814 wordt doorgevoerd, dat nu ook eindelijk deze ‘gratie Gods’ als een laatste survival uit een theocratische overheidsideologie verdwijnt. De ‘gratie Gods’  wordt weliswaar niet vermeld in onze huidige grondwet van 1983, maar vigeert wel de facto nog als aanhef van elke wet die in het Staatsblad wordt uitgevaardigd . ‘Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van OranjeNassau, enz. enz. enz. Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:…’.  De Leidse filosofen zien deze aanhef  liever vandaag dan morgen verdwijnen. (Zij zullen ook niet onder de indruk komen van het praktische belang: klik op internet ‘gratie Gods’  aan, en men krijgt alle recente wetsteksten  op een rij!)

 

Als het erfelijk koningschap geen andere legitimatie heeft dan een religieuze, dan moet het maar worden afgeschaft, schrijven Philipse en Sundblöm. Ik kan daarmee instemmen, temeer als ik bij dé autoriteit in mijn eigen kerkelijke traditie Johannes Calvijn nalees hoe pragmatisch hij de verschillende regeringsvormen beoordeelt.  Blijkbaar wil ‘Calvijns’ in dit verband niet zeggen: de mythe van het drievoudig verbond tussen God, Nederland en Oranje, maar staat calvijns voor een nuchtere afweging, waarbij die regeringsvorm in een bepaalde situatie en context verkieslijk is, die een optimale combinatie van vrijheid en stabiliteit weet te garanderen. Er is geen vorm van bestuur gelukkiger, schrijft Calvijn in zijn Institutie, ‘dan deze waar een behoorlijk gematigde vrijheid is, die op de juiste wijze tot bestendigheid is ingericht’. Hij weegt in dat verband het drietal klassiek-platoonse opties van oligarchie, aristocratie en democratie tegen elkaar af en concludeert: ‘Indien men ook de regeringsvormen zelf met elkander zou vergelijken, zou het niet gemakkelijk zijn te onderscheiden welke het nuttigst is, zozeer komen ze in hun voorwaarden met elkaar overeen.’  Ze hebben alle drie blijkbaar zo hun voor- en nadelen.  Zo vervalt het koningschap gemakkelijk tot tirannie en het volksbestuur tot oproer.  Niet de bestuursvorm als zodanig is blijkbaar sacrosanct, maar de wil van God alleen. En ‘indien het Hem goeddunkt koningen te stellen over koninkrijken, en over vrije staten senatoren of raadsheren, dan is het onze plicht, wie Hij ook gesteld heeft over de plaatsen waar wij leven, ons hun gehoorzaam en onderdanig te betonen.’ (Boek IV, xx, 8).  Welke overheidsmodel dan ook op een gegeven moment wordt gehanteerd, ze vallen zonder onderscheid onder dezelfde paulinische kwalificatie, dat zij ‘door God gesteld zijn’. (Rom. 13,1) De monarch heeft geen streepje voor bij God op anderen. 

Een dergelijke contextueel-pragmatische benadering van het staatsrecht zou ook vandaag de theologische bijdrage aan het debat over de monarchie moeten kenmerken. Vanuit de kerken zou eerder de damp van koele burgerzin dan een walm van ‘oranjewarmte’ moeten opstijgen. Het helpt mijns inziens in dit verband ook niet om, zoals A.A. Spijkerboer dat probeert te doen (NRC  29/4/2000), het ‘koningschap bij de gratie Gods’  te antedateren en theologische te herinterpreteren door het terug te voeren op het koningschap in het Oude Testament.  Eigenlijk betekent de ‘gratie Gods’, aldus Spijkerboers visie, voor Beatrix en Willem Alexander hetzelfde als voor Saul en David: ‘dat je niet op grote voet leeft, je niet verheft boven anderen en aandachtig naar God luistert.’  Dat is een mooie gedachte, waarvan men mag hopen dat ons koningshuis er uit leeft en mag vaststellen dat onze huidige koningin daar voorbeeldig naar streeft. Maar zij is niet geschikt om de exclusieve religieuze verankering van de monarchie te legitimeren. Historisch gezien is het Dei Gratia een kerkelijke formule, die vervolgens door de wereldlijke macht is geconfisceerd. Op het concilie van Efeze 431 voegden de bischoppen, zo lees ik na in mijn Christelijke Encyclopedie (2e druk, 1957, s.v. Dei Gratia), voor het eerste deze woorden achter hun titel, later gevolgd door abten en pausen. Eerst Pepijn de Korte nam de aanduiding voor zichzelf over ‘en tegenwoordig schrijven de  chr. Vorsten: bij de gratie Gods, een formule welke door allen, die de macht uit het volk laten opkomen, bestreden wordt.’

 

Op het moment dat Pieter Jelles Troelstra in november 1918 de revolutie predikte en het er even op leek dat het koningshuis zijn tijd gehad had, was de classis Assen van de Gereformeerde Kerken  in vergadering bijeen. De mannenbroeders stuurden de Majesteit een telegram, waarin zij Haar diepe eerbied betuigden en hun ‘zeer innige verknochtheid aan het Huis van Oranje. Zij weet zich daarbij één met de vele tienduizenden belijders der Gereformeerde Religie in ons vaderland, wier vurig gebed het is, dat het drievoudig verbond van God, Nederland en Oranje nimmer moge worden verbroken.’  (Nieuwsblad van het Noorden, 29/4/2000) Zouden de kerken andermaal op soortgelijke manier aan Hare Majesteit hun innige aanhankelijkheid behoren te betuigen, nu Thom de Graaf aan de Troon heeft gemorreld?

Ik zou er zelf in elk geval mijn handtekening niet meer onder kunnen zetten.  Daarvoor heb ik teveel twijfels bij de vraag of een erfelijke monarchie nog wel past binnen de moderne democratie. De secularisatie-theologische gedachte dat de joodse en christelijke traditie een desacraliserende rol hebben te vervullen, vind ik zo overtuigend, dat ik denk dat de desacralisering geen halt zal moeten houden bij de economie en de techniek, maar ook de monarchie raakt.

Sommigen stellen een radicaal onttoverde monarchie voor, strak en zakelijk geleid vanuit B.V. Noordeinde. Daar heb ik echter dezelfde gevoelens bij als sommige buitenkerkelijken bij de kerk. Noem het maar het Maarten ’t Hart-gevoel. Ze willen niet meer naar de kerk, omdat ze vinden dat ze niet meer bij de tijd is. Maar tegelijkertijd eisen ze wel van diezelfde kerk, dat er nog steeds de tale Kanaäns wordt gesproken, de Statenvertaling wordt gelezen en de satisfactieleer wordt verkondigd: de Kerk is immers voor hen een relict uit vroeger tijden geworden en moet dat het liefst ook blijven.  Zo is het ook een beetje gesteld met de monarchie, voor buiten-en randmonarchisten waar ik mijzelf onder schaar.  De aanpassingen weten hen niet echt te overtuigen. Wat uit de tijd is kan per definitie niet meer bij de tijd gebracht worden. Wat is een koning zonder onderdanen, een kroon zonder macht, wat stelt de gratie Gods nog voor als louter fictie? Een vorst die ter legitimering van zijn rol aan watermanagement en aan sport doet, doet denken aan een kerkdienst in de jaren zestig met discussie en een beatband:  het lijkt er nog wel op, maar het is het niet meer.

 

Wie weet is er in de nabije toekomst best nog een rol van betekenis weggelegd voor de erfelijke monarchie in Nederland, maar men zal dan pragmatisch om moeten gaan zelfs met de symboliek die zij belichaamt. Het ceremoniële koningschap dat De Graaf voorstelt is in dat verband een optie. Zoals Philipse en Sundholm het omschrijven:  het koningschap garandeert  ‘een stijlvolle representatie van ons land’, met name in het buitenland. De symbolische vertegenwoordiger van het Nederlandse volk dient zijn talen te spreken, en zich gemakkelijk te kunnen bewegen temidden van de groten der aarde.  Kan het instituut van het erfelijk koningschap die rol en functie naar behoren garanderen?  Philipse en Sundholm denken van wel. ‘Alleen een opvoeding vanaf jonge leeftijd die mede op dit ideaal is gericht en een sterke internationale signatuur heeft, zal de vereiste karaktervorming kunnen bewerkstelligen.’

Mij bekruipt echter bij dit soort zinnen een moreel onbehagen, dat ik in deze monarchie-discussie nog maar weinig verwoord heb gezien. Het koningshuis veroordeelt een familie blijkbaar niet alleen tot het wonen in een glazen huis, maar functioneert ook als een kneed- en drilinstituut, waar mensen tegen wil en dank – op straffe van sociale excommunicatie (Irene) - worden klaargestoomd voor een loopbaan, waar ze zelf niet voor gekozen hebben, maar die hen door hun geboorte wordt opgelegd. Het meest overtuigende morele argument tegen de erfelijke monarchie is dat het stelsel op gespannen voet staat met de mensenrechten. Dit argument tegen is wellicht nog sterker dan het ontbreken van een theologische legitimering ervóór.  Kun je een mens, een hele familie de doem aandoen de zware tol van het koningschap te moeten betalen zonder dat zij er zelf voor gekozen hebben of hun ambitie en talent ervoor hebben bewezen?

Onze officieuze ‘Dichter des Vaderlands’ Gerrit Komrij  dichtte ter gelegenheid van Koninginnedag  2000 ‘Een vierluik’  waarin hij zijn bewondering voor onze huidige vorstin Beatrix en de wijze waarop zij haar taak vervult niet onder stoelen of banken steekt.  ‘Ze zorgt ervoor dat Nederland bestaat, / Ze maakt  het buitenland tot buitenland,/ De presidenten temmend – en kordaat/ Blust ze soms een geheime binnenbrand.’ Leve de koningin! Inderdaad, alle hulde aan deze vorstin.  Maar Komrij noemt haar tegelijk ook: ‘ons aller marionet in koningstooi’ en beschrijft haar bestaan zo, dat we tegelijkertijd een beetje medelijden met haar moeten krijgen. ‘Ze doet haar best om koningin te zijn,/ Maar er is niemand, zelfs geen huisbediende, /Die een goed woord heeft voor haar hondenbaan.’  Wie het spitsroeden lopen van de leden van het koninklijk huis in de media waarneemt, de manier waarop zij zich als de gegijzelden van de natie behoedzaam moeten bewegen, moet haast wel concluderen dat het stelsel van de erfelijke monarchie op gespannen voet staat met een aantal van de meest fundamentele vrijheidsrechten, zoals de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid om te staan en gaan waar, te huwen wie, de baan te kiezen die, te sterven op de manier waarop men wil,  enzovoort.  Een weerloze prooi vormen voor de horde van royalty-watchers, tegen wil en dank een sterrenstatus bezitten, waar men zelf nooit voor gekozen of aan gewerkt heeft. Het koningsschap lijkt, zo beschouwd, wel een van de laatste vormen van slavernij te zijn, die nog niet is afgeschaft.  De vergelijking is wat zwaar aangezet en klopt ook niet helemaal: een slavernij, waarbij men zelf de vrijheid heeft haar op termijn en op een welgekozen moment een keer te beëindigen, is dat ook niet werkelijk.

 

 

Vries, begin mei 2000