"God
is dood en de techniek is zijn lijk.’ Zo hoorde ik iemand de visie op techniek
die Harry Mulisch in Voer
voor psychologen ooit ontwikkelde eens samenvatten.[1]
Een tikje morbide? Blasfemisch? In de uitspraak zou ook een intrigerende relatie
tussen technologie en theologie besloten kunnen liggen. Ik doe een poging tot
interpretatie.
De
techniek wordt hier niet alleen als concurrent van de religie beschouwd (Mulisch’
recente werk De ontdekking van de hemel
(1992) en De Procedure (1998)
zijn prachtige romaneske uitwerkingen van die stelling), maar leeft ook van haar
erfenis. De techniek kan worden opgevat als een product en eindpunt van de
geschiedenis van de westerse religieuze metafysica. In de ordening en structuur
die wij door middel van techniek en wetenschap in onze wereld aanbrengen of
onthullen zijn nog steeds de contouren van het religieuze geloof in een andere,
dragende werkelijkheid in, achter en onder onze menselijke ervaringswereld te
herkennen. Daarmee zijn we als mensen ooit begonnen: met behulp van ons
religieuze denken een ordening in het zijn aanbrengen, een structuur in ons
bestaan. Een projectie van zin en betekenis als antwoord op de grillen van de
natuur. Er ontstond een bonte veelheid van religieuze stelsels. De meest
ontwikkelde religies kwamen tot het geloof in één God, het bestaan van één
wereld. De monotheïstische God vormde de bron en garant van de structuur van
het zijn en stelde daarmee mensen in staat greep op de omringende werkelijkheid
te krijgen. Het godsgeloof vervulde daarmee in zekere zin een ‘technische’
taak.
In
de moderne cultuur heeft de techniek voor een groot deel deze rol van God
overgenomen. De technologie vervult in feite nog dezelfde functie
als het bouwwerk van de religieuze metafysica: zij brengt een menselijke,
betekenisvolle orde aan in een chaotisch bestaan. Zij gebruikt echter andere
middelen. Zij wacht niet af of er zin en betekenis ontdekt kan worden achter,
boven of onder deze werkelijkheid, maar construeert die zin zelf in de werkelijkheid. Om dat te bereiken verandert ze niet van
wereld, zoals de religieuze metafysica, maar verandert ze zelf de wereld. Ze
brengt structuur aan, en wacht niet meer tot haar die wordt geopenbaard.
Het
levende geloof dat ons vroeger met de metafysische bron en garant van de
structuur van het zijn verbindt, heeft een goed substituut: het vertrouwen op de
techniek. Het geloof is daarom
gaandeweg afgestorven; het is overbodig geworden en wijkt terug, nu de techniek
in menig opzicht succesvol hetzelfde kan doen wat vroeger de religie beloofde:
een zekere mate van orde en zekerheid scheppen, die ons in staat stelt ons te
handhaven en te ontplooien in het bestaan. God is verdwenen, maar wat ons van
hem rest, zijn geraamte, het redelijk geordend zijnsgebinte, dat heeft de
religie ons in de techniek achtergelaten.
Ik
neem deze vrije interpretatie van Mulisch’ betoog[2]
als startpunt voor een theologische reflectie op technologie. Dit om duidelijk
te maken, dat voor mij techniek en theologie geen twee onafhankelijke
abstracties zijn, maar dat mijns inziens de zaak van de één bij de ander in
het geding is en omgekeerd. Zij
liggen in de geschiedenis van de westerse cultuur intens met elkaar
verstrengeld. Wie direct wil komen tot een theologische beoordeling van de techniek
in termen van klassiek christelijke concepten als schepping, zonde, heil,
loopt het gevaar deze historisch-culturele situering en haar betekenis
over het hoofd te zien. Doel van dit essay is te laten zien dat de huidige
gestalte van het christelijk geloof - van waaruit men als christelijk ethicus
tot een morele evaluatie van moderne vormen van technologie wil komen - zèlf
het resultaat is van een geschiedenis
met de technologie. Deze
geschiedenis moet mijns inziens in die evaluatie worden verdisconteerd, wil zij
hout snijden.
Een
van de moderne theologen die deze samenhang mijns inziens scherp heeft
doordacht, althans een vermoeden had van de betekenis ervan, is Dietrich
Bonhoeffer. De brieven die hij in de jaren 1944 - 1945 vanuit de gevangenis
schreef leggen daarvan rekenschap af. De manier waarop hij daarin spreekt over
de mondige wereld en de religieloze mens hebben in de jaren zestig en zeventig
sterke invloed gehad op de zgn. secularisatie-, of ‘God is dood’-theologie.
Later bleek dat het beroep op Bonhoeffer door auteurs als Th. Altizer,
John T. Robinson, Harvey Cox, Paul van Buren en Gabriel Vahanian gedaan, op zijn
minst eenzijdig was. De secularisatietheologie hield geen stand.
Bonhoeffer’s
teksten geven echter nog steeds aanleiding tot een vruchtbare reflectie op de
verhouding van hedendaagse westerse cultuur en religie, en de rol van de
techniek daarin. Het concept van de
secularisatie biedt in dat kader bovendien nog steeds een goede invalshoek.
In
dit artikel bied ik een aantal overwegingen naar aanleiding van Bonhoeffer’s
‘Entwurf einer Arbeit’, een schets voor een boek dat hij wil schrijven,
opgenomen in zijn gevangenisbrieven, gebundeld in Widerstand
und Ergebung. In één van de fragmenten wordt mijns inziens een
intrigerend verband gelegd tussen de techniek, het einde van de religie en de
menselijke verantwoordelijkheid. Ik sluit af met enkele conclusies voor de
ethiek.
I.
Techniek en secularisatie
De
brief die Bonhoeffer op 30 april 1944 vanuit zijn cel aan zijn vriend en
leerling Eberhard Bethge schreef, markeert een wending in zijn visie op de
verhouding tussen westerse cultuur en christelijke traditie. Bonhoeffer erkent
dat de tijd van de religie voorbij is. ‘Wir gehen einer völlig religionslosen
Zeit entgegen; die Menschen können einfach, so wie sie nun einmal sind, nicht
mehr religiös sein.’[3]
Bonhoeffer beschouwt religie als een historisch bepaalde en voorbijgaande
menselijke uitdrukkingsvorm. Zij bezit geen toekomst in een wereld die mondig
geworden is. De arbeidshypothese ‘God’ is overbodig geworden nu de mens
geleerd heeft in alle belangrijke vragen met zich zelf in het reine te komen. De
westerse cultuurgeschiedenis tekent hij als ‘eine
grosse Entwicklung, die zur Autonomie der Welt führt.’[4]
De wereld is mondig geworden,
erkent Bonhoeffer dan, met een term waarmee hij aan Kant refereert. Feitelijk is
onze conditie zo, dat wij ons niet
meer kunnen verschuilen achter een autoriteit (‘Vormund’) die voor ons
spreekt. Wij zullen zelf het woord moeten nemen, of we het willen of niet.
Bonhoeffer komt op basis van deze cultuuranalyse tenslotte tot een theologische
inschatting van onze situatie. ‘So führt uns unser Mündigwerden zu einer
wahrhaftigeren Erkenntnis unserer Lage vor Gott. Gott gibt uns zu wissen, das
wir leben müssen als solche, die mit dem Leben ohne Gott fertig werden. Der
Gott der mit uns ist, ist der Gott der uns verlässt. (Markus 15, 34).’[5]
In
de Bonhoefferreceptie is de cultuurhistorische schets die tot dit theologische
oordeel leidt eigenlijk uitsluitend in termen van het Verlichtingsparadigma
geduid: de autonomisering van de wereld is het gevolg van het toenemende
zelfbewustzijn van het rationele subject, dat zich gaandeweg bevrijdt van
vreemde autoriteiten: religie, kerk, staat. Bonhoeffer zelf gaf aanleiding tot
deze humanistische interpretatie. Zijn beschrijving van de moderne
cultuurgeschiedenis (WE (DBW 8) 529vv.) in de brieven aan Bethge was sterk
gestempeld door zijn recente lectuur van W.A. Dilthey’s Weltanschauung
und Analyse des Menschen seit Renaissance und Reformation.[6]
Echter,
in de schets voor het boek dat hij van plan is te gaan schrijven naar aanleiding
van zijn nieuwe inzichten - en dat zelf jammer genoeg verloren is gegaan -
blijkt van deze lectuur in directe zin weinig. In zijn bestandsopname van het
christendom - het eerste hoofdstuk van het boek, dat zal worden gevolgd door
één over de vraag ‘wat eigenlijk christelijk geloof is’ en één met
gevolgtrekkingen - biedt niet de rationaliteit van het subject, maar de techniek
het primaire verklaringskader voor de mondigheid van de mens (en- in het gevolg
daarvan - zijn religieloosheid). Niet
zozeer het toegenomen redelijk zelfbewustzijn, maar de ontwikkeling van de
techniek als moderne praktijk maakt de mens mondig en betekent het einde van de
religie. Bonhoeffer raakt, zo kan men zeggen, verwijderd van Dilthey - die
nauwelijks spreekt over de techniek - en in de buurt van Harry Mulisch.
Ik
laat het fragment volgen en voorzie het daarna van commentaar.
a)
Das Mündigwerden des Menschen (wie schon angedeutet); die Sicherung des
Menschen gegen den “Zufall”, “Schicksalsschlage”; wenn seine
Ausschaltung nicht möglich ist, so doch die Verminderung der Gefahr. Das
“Versicherungswesen” (das zwar von den “Zufällen”lebt, aber sie weniger
schmerzhaft machen will) als abendländische Erscheinung; Ziel ist, unabhänging
von der Natur zu sein. Natur wurde früher durch die Seele überwünden, bei uns
durch technische Organisation aller Art. Das uns unmittelbare Gegebene ist nicht
mehr die Natur, sondern die Organisation. Mit
diesem Schutz vor der Bedrohung durch die Natur entsteht aber selbst wieder eine
neue Bedrohung des Lebens, nämlich durch die Organisation selbst.
Nun
fehlt die seelische Kraft! Die Frage ist: Was schützt uns gegen die Bedrohung
durch die Organisation? Der Mensch ist wieder auf sich selbst verwiesen. Mit
allem ist er fertig geworden, nur nicht mit sich selbst. Gegen alles kann er
sich versichern, nur nicht gegen den Menschen. Zuletzt kommt es doch auf den
Menschen an.’ (Entwurf
einer Arbeit, WE (DBW 8), 557).
Op
het eerste gezicht zou men kunnen denken dat hier een humanistische
cultuurcriticus aan het woord is, die het conflict tussen de ziel van de mens en
de anonieme macht van de techniek beschrijft en hen beide tegen elkaar
uitspeelt. Bonhoeffer’s lectuur van Oswald Spengler lijkt hier de toon te
zetten.[7] De tekst laat zich
echter ook minder normatief, en meer beschrijvend lezen: hier staat, in een
cultuurhistorische schets,
uiteengezet hoe we zijn geworden wie we geworden zijn. De mens is mondig
geworden; dit is in descriptieve zin als een interpretatie van onze feitelijke
morele situatie op te vatten: we zijn verantwoordelijk geworden voor ons leven
en kunnen ons daar met geen beroep op welke autoriteit dan ook meer aan
onttrekken. Wat heeft ons mondig gemaakt? Het feit dat mensen geprobeerd hebben
de contingenties in hun bestaan zoveel mogelijk te reduceren met behulp van
‘technische Organisation aller Art’.
Bonhoeffer
verstaat hier techniek als organisatie,
een rationele, methodische vorm van ordening en structurering van de
werkelijkheid. Het scheppend construeren van betekenissen en zinstructuren.
Techniek wordt hier niet gepresenteerd als machtsinstrument van een autonoom
subject, uit op beheersing van de natuur met behulp van rationele kennis. Niet
beheersing van de natuur, maar onafhankelijkheid
van de natuur is het doel. Techniek is het scheppen van een menselijk netwerk
van zin en betekenis, temidden van het onberekenbare toeval.
Bonhoeffer
opent hier mijns inziens de mogelijkheid tot een ander verstaan van techniek dan
gebruikelijk. Techniek wordt meestal beschouwd als een toepassing van
wetenschap, een op beheersing gerichte vorm van rationele kennis. Techniek als manipulatie.
Techniek als organisatie daarentegen zou in zekere zin ook als een ontwikkelde
vorm van taal kunnen worden beschouwd. De moderne taalfilosofie ziet taal niet
alleen als een vorm van expressie, maar als een vorm van sociaal handelen. De
mens spreekt al handelend en handelt sprekend. Hij verricht speech
acts, taaldaden en gebruikt daarvoor woorden als tools.
Maar het blijft daarin niet bij woorden alleen. Taaldaden kunnen immers ook
worden verricht met een werktuig als tool.
Ook materiële objecten en instrumenten worden door mensen gebruikt als
dragers van betekenissen, scheppers van orde en structuur, communicatoren van
zin. Zij functioneren als ‘metaforen’ van taal.[8] Taal en techniek hebben
hetzelfde doel: zij vormen een betekenisnetwerk en creëren daarmee een
menselijke, bewoonbare orde in een chaotisch universum. Een hamer, een fabriek,
een trein, een computernetwerk - op zichzelf beschouwd oefenen zij op een efficiënte
manier een praktische taak uit. Maar met elkaar vormen de technische middelen
tesamen een milieu:
één technologisch universum.[9] Een zingeheel,
onafhankelijk van de natuur.
Bonhoeffer
beschouwt in zijn ‘Entwurf einer Arbeit’ de techniek als een vorm van
rationele organisatie. Het verzekeringswezen voert hij op als model voor de
techniek: uit het voorbeeld wordt duidelijk dat techniek niet in staat is
contingenties weg te organiseren (mensen worden blijvend door het lot
getroffen). Maar het toeval wordt wel dragelijker, minder pijnlijk, minder
gevaarlijk. De idee als zou de westerse mens door middel van de techniek een
greep naar de macht over het bestaan doen, is hier dus niet aan de orde.
Techniek wordt hier gepresenteerd als een vorm van ‘Kontingenzbewältigung’[10], een manier om zich zo
min mogelijk pijnlijk te laten verrassen door de grillen van een
mensonverschillige natuur. ‘Doel is onafhankelijk
te zijn van de natuur’; niet haar beheersing, uitbuiting of onderdrukking.
Bacon (‘kennis is macht’) of Descartes (‘de mens als meester en bezitter
van de natuur’) is hier ver weg. Techniek is hominisering, vermenselijking van
de natuur.
Techniek
bemiddelt onze relatie tot de ons omringende werkelijkheid, zij vormt een
menselijke buffer tot het onbekende, het ‘unheimische’. Niet meer ‘de
ziel’ bezweert de contingenties, zegt Bonhoeffer
(denkt hij aan de magie?), maar de techniek. We kunnen de opmerking
verbinden met andere uit de gevangenisbrieven. De verhouding tot de natuur loopt
niet meer direct via de innerlijkheid, lezen we elders - die tijd is voorbij,
merkt Bonhoeffer op in zijn brief van 30 april 1944, en daarom
ook ‘die Zeit der Religion überhaupt’
(WE (DBW 8) 402v.) -
, maar extern,
via doelgerichte organisatie van mensen en middelen.
Gevolg
is dat niet meer de natuur maar de techniek onze primaire werkelijkheidservaring
bepaalt.[11] Slechts aan de rand van
de verlichte stad zien wij s’ avonds nog de sterrenhemel. Waar wonen wij
eigenlijk? In de kosmos of in de stad? In de stad natuurlijk. Onze primaire,
directe bestaanservaring is een bemiddelde. Techniek is geen willekeurig middel
tot een extern doel, maar vormt ons milieu,
dat intrinsiek deel uitmaakt van ons zelfverstaan (Ellul). Bonhoeffer lijkt hier
geen instrumentele, maar een ontologische
opvatting van techniek te bepleiten. De techniek vormt onze huidige
cultuurhistorische zijnscontext.
Maar
de techniek kent een dialektiek, die lijkt op de ‘Dialectiek van de
Verlichting’, door Horkheimer en Adorno - ook in 1944, maar dan vanuit
balllingschap in de VS -
beschreven: de overwinning op de afhankelijkheid van de natuur schept op
haar beurt ook weer nieuwe afhankelijkheden. De techniek, uit op humanisering
van de natuur, bedreigt de humaniteit. Bonhoeffer is bepaald niet blind voor de
negativiteit van de techniek en moet hier wel aan Hitler’s oorlogs- en
vernietigingsmachine gedacht hebben.
‘Nun
fehlt die seelische Kraft!’ , lezen we dan. Een aanklacht tegen de moderne
mens, die niet voldoende ruggegraat bezit om weerstand te kunnen bieden tegen
‘le système technicien’ (Ellul)?
Wordt hier een terugkeer naar een humanistisch mensbeeld bepleit, dat
weer kan leiden tot een rehabilitatie van ‘de ziel’? Of is hier eerder
opnieuw sprake van een beschrijving,
een feitelijke constatering: de technische mens is zichzelf tot probleem
geworden, en het zal hem/haar niet lukken om door middel van een schrede terug
het probleem op te lossen. Juist het inzicht in zijn eigen kwetsbaarheid (hij
kan zich niet tegen zichzelf verzekeren) èn verantwoordelijkheid (hij is op
zichzelf aangewezen) kwalificeert hem als mondig. ‘Zuletzt kommt es doch auf
den Menschen an.’ Dat is blijkbaar wat Bonhoeffer onder mondigheid verstaat:
geen feitelijke of ideale autonomie, geen optimisme over menselijke
mogelijkheden, geen blindelings vertrouwen in technologische vooruitgang, maar
inzicht in de morele conditie waarvoor een technologische cultuur ons stelt: een
radicale verantwoordelijkheid voor de voortgang van de wereld.
In
de eerste sectie van het ‘Entwurf einer Arbeit’ worden zo mondigheid en
techniek intrinsiek aan elkaar gerelateerd. In de tweede sectie trekt Bonhoeffer
daaruit de consequenties voor de religie:
‘ b). Die Religionslosigkeit des mündig gewordenen Menschen.
“Gott”als Arbeitshypothese, als Lückenbüsser für unsere Verlegenheiten
ist überflüssig geworden (wie schon angedeutet).’ (WE (DBW 8), 557)
Het
valt niet mee om deze woorden nog onbevooroordeeld te lezen, zozeer zijn ze tot
cliché’s geworden in het na-oorlogse theologische debat.
Maar laten we proberen tot een creatieve interpretatie van Bonhoeffer’s
religiebegrip te komen, door aan te knopen bij één van de centrale
betekenissen die hij aan het begrip toekent: religie als metafysica. Door de
Nietzsche-lezer Bonhoeffer vooral verstaan als het denken in twee ruimten,
waarbij de ervaren wereld als spiegel van een transcendente dubbelwereld wordt
beschouwd.[12] Misschien kan een
verstaan van Bonhoeffer in de lijn van Nietzsche en Heidegger ons in dit verband
verder helpen.[13]
De
radicale verantwoordelijke mens in een technologische cultuur, aldus Bonhoeffer,
is een mens zonder religie geworden. Opnieuw een feitelijke constatering,
een beschrijving, geen normatief oordeel.
Evenmin een voorspelling dat religieuze praktijken zullen afsterven of
transcendentie-ervaringen zullen verschralen (een vergissing van de
secularisatietheologen die Bonhoeffer als profeet beschouwden). Hier gaat het om
het inzicht dat in een technologisch universum ‘God’ niet meer de rol van
dragend fundament in het wereldbeeld kan vervullen. De ‘God’ die tot nog toe
als eerste principe, als archè
van de wereld, in de metafysica van het westen de rol van hoek- en sluitsteen
heeft vervuld, is door de mens die zijn wereld technisch organiseert overbodig
geworden.
Niet
de vraag of mensen nog in zo’n ‘God’ kúnnen geloven is aan de orde, maar
de vraag of ze, levend in hun eigen techno-wetenschappelijk universum, feitelijk
nog wel aan God doen,
ook
als ze er nog wel godsvoorstellingen en religieuze praktijken op na houden. Zij
spreken misschien nog wel de taal van de traditionele metafysica, maar het is
een taal geworden waaruit het leven is geweken. Zij wordt niet meer door een
vitale religieuze overgave gedragen.
Religie
staat in dit verband voor: een zich toevertrouwen aan, een erkenning van, een
toewending naar de bron van alles wat is.
De metafysica vertaalde deze numineuze bestaanservaring vanouds in termen
van logos,
van zin en structuur. God vervult daarin de rol van zijnsoorsprong, de ultieme
garant van de zinsorde. Metafysica ordent, brengt structuur in de
werkelijkheidservaring aan. Maar religieus als zij is - en dat doet haar
verschillen van de techniek, die hetzelfde doet - verankert ze deze orde en
structuur transcendent, in een verborgen werkelijkheid achter, boven, onder onze
ervaringswerkelijkheid. De religieuze metafysica brengt daarmee een dualiteit
aan in de werkelijkheid; zij schept een dubbele wereld, een tweedeling tussen
werkelijke orde en schijnbare chaos, het zijn op zichzelf enerzijds en de
zintuigelijke ervaring ervan anderzijds.
Een
dualiteit die in de moderne filosofie van I. Kant tot een hoogtepunt èn
afsluiting lijkt te zijn gekomen. In de structuur van de theoretische rede (de
innerlijkheid) en van de praktische rede (het geweten), door Kant in zijn Kritieken
in kaart gebracht, wordt het schijnsel van het natuurlijke zijn
weerkaatst, zonder dat dit zijn, als zijn zelf,
zichtbaar en toegankelijk wordt. Er bestaat een onophefbare metafysische
dualiteit in de ene wereld. Maar tegelijk tekent zich in dezelfde filosofie van
Kant ook het einde van deze metafysica af: het netwerk van zin en betekenis is
immers een door
het menselijk subject zelf geconstrueerde structuur, die over het
chaotische substraat van de ruwe werkelijkheidservaring wordt heengelegd.
De mens schept zich in zijn kennen een wereld. Zin en betekenis worden,
in het spoor van Kant verder gedacht, tot een vorm van subject-techniek,
van ik-organisatie.
In het duitse Idealisme werd deze lijn radicaal doorgetrokken: het
menselijke subject werd zelf tot Scheppergod, en maakte daarmee God zelf
overbodig.
‘De
tijd van de innerlijkheid en van het geweten, d.w.z. van de religie überhaupt
is voorbij’, constateert Bonhoeffer in zijn brief van 30 april 1944. Waarom?
Niet omdat zij op een illusie hebben berust.
Een tijdlang vormden ziel, innerlijkheid en geweten de vindplaats van het
transcendente. Maar nu onze subjectiviteit zich heeft ge-expandeerd en
georganiseerd bestaat er geen directe verhouding meer tussen een onbemiddelde
zelfervaring (in ziel, innerlijkheid of geweten) en een ons omringende, vreemde
natuur. Zij is veruitwendigd is en bemiddeld is door de techniek.
De
werkelijkheid is van gestalte veranderd, en dat grijpt ook in op onze ervaring
van het transcendente. We hebben, om het heideggeriaans te zeggen, een historische
verhouding tot het zijn. Het zijn, dat is voor ons geen externe ‘natuur’
meer, maar is sinds de moderne tijd onlosmakelijk verweven met het geheel van de
mensheidsgeschiedenis.
Het zijn kent zijn eigen ‘Seinsgeschick’. In de zijnsgeschiedenis
hebben mensen handelend, sprekend en denkend de ervaringswerkelijkheid van de
externe ‘natuur’ georganiseerd. Ze proberen haar met behulp van de techniek
om te vormen tot een betekenisvolle orde, waarin de mens zich thuis kan voelen.
Wij staan daarom allang niet meer uitsluitend in een theoretische (theoria=
contemplatie) verhouding tot het zijn, maar ook in een poëtische (poiesis=
handelen) het Zijn. Tot dit handelen behoort ook de techniek (technè,
ook in de betekenis van kunst).[14]
We
maken in zekere zin met de techniek het zijn tot wat het is. Wij hebben onze
eigen, immanente ontologie geconstrueerd. De techniek heeft daarom een einde
gemaakt aan de metafysica. Maar zij neemt de hypotheek van haar erfenis over:
ook zij wordt gedreven door het verlangen om de wereld tot een bewoonbaar huis
maken.
Het metafysisch wereldbeeld was echter bolvormig, het gaf aan de
ontologische geborgenheid een ronde structuur. Cirkels van sferen omsloten de
mens in een hecht zinsverband. Dat hemels bolwerk is vervangen door het
technisch netwerk, een wereldwijd web van lijnen als een deken over het
aardoppervlak uitgespreid.[15] De wereld is
georganiseerd. De natuur is niet meer zijn tegenover, maar zijn grens.
II.
‘Tenslotte komt het op de mens aan’. Een radicale
verantwoordelijkheidsethiek.
Wat
betekent dit voor de theologische ethiek en haar evaluatie van techniek? Ik maak
een aantal gevolgtrekkingen.
1.
In de eerste plaats hebben bovenstaande inzichten een methodologische
consequentie: De techniek heeft de condities waaronder een theoloog tot
een beoordeling van de techniek kan komen sterk gewijzigd. De hermeneutische
context waarin we spreken over techniek en christelijke traditie is mede door de
ontologie van de techniek bepaald. We interpreteren de traditie vanuit een
georganiseerde wereld.
Wie de techniek alleen instrumenteel beschouwd (als een middel voor
menselijke doeleinden) of antropologisch (als een vorm van menselijk handelen)
ziet haar ontologische
betekenis over het hoofd.[16] De techniek structureert
onze zijnservaring. Het is als homo
technicus dat we tot een beoordeling van technologie moeten komen.
Theologen met radicale technologiekritiek[17] lijken op
vliegtuigpassagiers die aan de vluchtleiding het bevel geven hun toestel neer te
schieten.
2.
Vervolgens: de waardering voor techniek zal nooit onverdeeld positief of
negatief, maar beide tegelijk zijn. Ik kan daarin aansluiten bij Ian G. Barbour.
Barbour onderscheidt in zijn Ethics
in an Age of Technology drie mogelijke visies op technologie: de
technologie als Bevrijder, als Bedreiging en als Instrument van Macht.[18] De eerste, optimistische
visie heeft alleen oog voor de weldadige gevolgen van de techniek: een hogere
levensstandard, een vergroting van de keuzemogelijkheden, meer vrije tijd,
verbeterde communicatiemogelijkheden.
Harvey Cox wordt door Barbour opgevoerd als representant van deze visie,
maar hij had ook andere secularisatietheologen uit de jaren zestig en zeventig
kunnen noemen (te onzent bv. A. Th. Van Leeuwen’s Christianity
in World History, 1964). Vergat men dat Bonhoeffer bij ‘organisatie’ ook aan Hitler’s
vernietigingsapparaat gedacht moet hebben? Vertegenwoordigers van de tweede,
pessimistische visie wijzen daarentegen echter uitsluitend op de menselijke
kosten van technologie (uniformisering en anonimisering van de cultuur,
verenging van de rationaliteit, onbeheersbaarheid). Cultuurcritici als Jacques
Ellul vergeten echter de grote verscheidenheid aan technieken en de reële
mogelijkheid van feed
back en sturing van processen ten dienste van menselijke waarden. Voor
hen is De Techniek één grote Moloch. De derde visie, door Barbour zelf
aangehangen, is de meest evenwichtige: techniek is ambivalent, en moet zoveel
mogelijk met behulp van politieke en ethische besluitvormingsprocessen gestuurd
worden, dienstbaar gemaakt aan menselijke waarden. Deze visie correspondeert met
een opvatting van technologie, die techniek niet ziet als lineaire toepassing
van wetenschappelijke kennis, evenmin als een autonome, alles determinerende
macht, maar als factor in een contextuele interactie met cultuur en wetenschap.
Barbour’s
voorkeur verdient navolging: technologie is een uiterst gedifferentieerde
wereld, waarvan verschillende waarden een integraal onderdeel uitmaken. En
waarden veronderstellen willende mensen; zij worden door mensen aangehangen.
Mensen willen goed en kwaad beide. Een in de bijbelse traditie gedrenkte
grondhouding heeft oog voor alletwee: de technologie als messiaans instrument èn
als bedreigende macht als ze door de zonde wordt geperverteerd.[19]
Ook
al wil ik met Heidegger de verstrekkende ontologische gevolgen van de
ontwikkeling van de techniek erkennen, (techniek = secularisatie), ik deel
daarom niet zijn eenzijdig negatieve waardering ervan.[20] Met Gianni Vattimo kan
men proberen hem tegendraads te lezen en tot een ‘linkse’
Heidegger-interpretatie te komen. De betooglijn loopt dan als volgt: De techniek
heeft de geschiedenis van de metafysica beëindigd en voltooid.
Het web van oorzaak en gevolg dat de metafysica achter en onder deze
wereld situeerde, hebben de moderne wetenschap en techniek in
deze wereld verlegd. Daarin brak de moderniteit radicaal met het religieus
metafysische wereldbeeld. Dat afscheid ging met een zekere gewelddadigheid
gepaard. De moderne mens poneerde zich als subject tegenover de wereld, en zag
haar alleen als object. De verhouding tussen mensen onderling en mens en natuur
dreigde tot een machtsrelatie te worden, waarin beheersing het doel werd. Maar
beheersing is niet kenmerkend voor de westerse techniek als zodanig.
Techniek is meer dan machine, het is ook kunst. Zij is niet alleen
instrument van objectivering, maar ook medium van interactie. Terwijl de machine
model stond voor beheersingtechniek, representeren de hedendaagse informatica en
massamedia eerder een vorm van communicatietechniek. De homo
technicus is in zekere zin volwassen geworden en in een tweede fase van
zijn bestaan overgegaan: hij staat niet meer als subject tegenover object, als
een adolescent die de wereld wil veroveren, maar is een actor in een voortdurend
spel van interactie, waarin hij zich slechts kan handhaven als hij niet alleen
spréékt, maar ook luistert.[21] De moderne technologie
opent mogelijkheden voor nieuwe vormen van subjectiviteit waarin spel ( vgl.
computergadgets!) en passiviteit een belangrijke rol spelen, en niet alleen meer
de strijd om te overleven centraal staat.[22]
3.
Opent een dergelijk postmodernisme niet toch de deur voor een te optimistische
inschatting van technologie? Een optimisme dat bovendien een gevaarlijk
theologische legitimatie krijgt als techniek in het spoor van
secularisatietheologen ongekwalificeerd als messiaans instrument wordt betiteld?
Het is mogelijk. Behalve op het tegoed dient daarom ook op het tekort van
de secularisatietheologie te worden gewezen. Niet in de zin dat zij teveel, maar
dat zij te weinig de
radicale gevolgen van de secularisatie heeft doordacht. Haar pleidooi
voor een afscheid van de metafysica werd ondersteund door een verschuiving in
ontologisch paradigma: van natuur naar geschiedenis, van zijn naar worden. Niet
meer de statische natuur, maar de dynamiek van de geschiedenis - onderweg naar
het Koninkrijk van God - werd vindplaats van God en vormde het theologische
interpretatiekader, waaraan de moderne cultuur theologisch werd geijkt.
Achteraf moet men constateren dat de secularisatietheologie niet
geseculariseerd genoeg hebben gedacht. Zij bedreven nog steeds
pseudo-metafysica, maar nu met de geschiedenis, die als een legitimerende
achter- en ondergrond achter deze wereld werd geschoven. Zo werd de kleine
menselijke geschiedenis (voor een deel althans) toch weer door de grote
Geschiedenis van God gedekt. Vooruitgangsgeloof en eschatologie vloeiden in
elkaar over, en de religie ontnam opnieuw de mens zijn verantwoordelijkheid.
Een
radicale secularisatietheologie zal echter natuur en geschiedenis beide
als legitimerende vindplaats van de voorzienigheid Gods moeten afwijzen. God en
mens dienen radicaal van elkaar te worden onderscheiden. Ook de geschiedenis is
in een technologische cultuur mensenwerk, een vorm van ‘technische
Organisation aller Art’ (Bonhoeffer). Mensen zijn daarin, menselijkerwijs
gesproken, de enige actoren (ook als zij het slachtoffer ervan worden).
Postmoderne
kritiek op het vooruitgangsgeloof kan de theologie bij deze uitzuivering helpen.
Vattimo spreekt van een ‘extreme secularisatie’ die door ontwikkelingen in
de hedendaagse technologische cultuur wordt voltrokken.[23] ‘Nieuw!’ is geen
noodzakelijke aanbeveling meer. Er treedt een zekere ‘routinisering’ op in
de technologische innovatie (denk aan de opeenvolging van computergeneraties).
Het pathos van het novum
verplaatste zich naar de kunsten, waar het op zijn beurt ook al lijkt te zijn
uitgeblust. De radicale secularisatie betekent op alle fronten het einde van de
metafysische notie van de ‘vooruitgang’ en brengt ons in het tijdvak van de
‘post-histoire.’ De filosofie en theologie van de hoop (Bloch, Moltmann)
heeft plaatsgemaakt voor de ‘Crisis van de Toekomst’ (Krzysztof Pomian). Dat
betekent niet dat optimisme is verruild voor pessimisme.
Eerder dat een nog resterende vorm van metafysische religie (de
historisering van de christelijke eschatologie) heeft plaats gemaakt voor
ontnuchtering.
Voor
quasi-religieus geloof in de technologie is geen plaats meer. De vermenselijking
van de wereld die zij met zich meebrengt wil immers bepaald niet zeggen dat zij
ook menselijker wordt. Hominisering is nog geen humanisering. Wie de
technocratie als ideologie aanhangt is blind voor de schaduwzijden van de
techniek.
Technologische vooruitgang betekent op zijn hoogst dat de wereld minder
‘natuurlijk’ wordt en steeds meer voor menselijke rekening komt. Wij komen
in een reflexieve verhouding tot steeds meer en grotere werkelijkheidsgebieden
te staan. De hominisering van de natuur betekent haar moralisering. De
schaalvergroting die moderne technieken hebben doorgevoerd op het gebied van
landbouw, energievoorziening, de communicatie, bewapening hebben tegelijk echter
zulke grote consequenties dat ze steeds minder vatbaar lijken voor politieke en
ethische sturing. De revoluties in de genetica overschrijden de grenzen van
‘het natuurlijke’ erfgoed van de mensheid. Niet alleen de ethische oriëntatie
ontbreekt in dit verband, maar ook de garantie dat machtsmisbruik is
uitgesloten. De technologie brengt ons de risico-samenleving,
met Tchernobyl als symbool (U. Beck, A. Giddens)[24].
Hoe
penibel deze situatie ook wordt, zij hoeft op zich geen reden tot doemdenken te
zijn. De grote kwetsbaarheid
van de risico-samenleving bewijst alleen dat de westerse cultuur geslaagd is in
haar coup tegen de metafysica: de wereld is gehominiseerd. Zij draagt dus ook
alle kenmerkende trekken van menselijke eindigheid: ook zij is fragiel en vaak
onbeheersbaar. Techniek is menselijk, al te menselijk. Techniek is geen prometheïsche
greep naar het paradijs, maar een radicale uitvergroting van menselijke
mogelijkheden en beperkingen. De contingenties zijn daarbij niet uitgebannen,
maar voor een deel verplaatst: van de natuur naar de cultuur. De cultuur is een
soort ‘tweede natuur’ geworden, die in haar grilligheid, onvoorspelbaarheid
en onbeheersbaarheid soms lijkt op de ‘eerste natuur’. Met dit verschil: zij
komt nu geheel voor eigen, menselijke rekening.
4.
Wat betekent dit alles voor de normativiteit van een theologische ethiek die tot
een beoordeling van de techniek wil komen? Ik kom tot slot terug op Bonhoeffer
en zijn ‘Entwurf einer Arbeit’. ‘So führt uns unser Mündigwerden zu
einer wahrhaftigeren Erkenntnis unserer Lage vor Gott.’ Onze religieuze
positie is een radicaal andere geworden dan die in een religieuze metafysica. We
kunnen ons niet meer verschuilen achter, of een beroep doen op een hogere
zijnsorde.
De technologie is ons zijnsgebinte, en zij verschaft ons niet meer a
priori de veiligheid van een ontologische geborgenheid. God doet ons leven
zonder de constructie ‘god’.
Dat geldt ook in de ethiek.
Dat betekent niet alleen dat een rechtstreeks beroep op de wil van God
(een ‘divine command ethiek’) niet meer mogelijk is. Ook het beroep op de
normativiteit van een door God gesanctioneerde natuurlijke orde of op een door
God gestuurd proces van de geschiedenis moet als afgesneden worden beschouwd.
Als God werkelijk God is, de Volstrekt Transcendente, dan moet ook onze morele
werkelijkheid een radicale desacralisering ondergaan. Er zit een radicaal
seculariserend element in het christendom opgesloten. Het christelijk geloof is
in zekere zin te beschouwen als een religie die afscheid heeft genomen van de
religie: in het evangelie van de menswording in Christus wordt het totale Anders
zijn van God in onze werkelijkheid actueel, zonder dat de goddelijke
werkelijkheid op kosten van de menselijke gaat. God is present in Christus
(Ongedeeld en Ongescheiden, om het met Chalcdon te zeggen), maar blijft als de
Totaal Andere in diens menselijkheid verborgen: Onvermengd en Onveranderd. De
secularisatietheologie benadrukte terecht de desacraliserende werking van dit
scheidingsgeloof. Het christendom schiep daarmee de voorwaarden voor de
hominisering van de wereld.[25]
De
secularisering geldt ook de ethiek. Ook in de ethiek willen we als het even kan
graag ‘religieus’ zijn. We verlangen naar zekerheid, garanties, legitimatie
voor onze morele beslissingen. Maar God zelf verwijst ons, zo kunnen we met
Bonhoeffer beamen, weer terug naar onszelf. We citeerden reeds de zin: ‘Gott
gibt uns zu wissen, das wir leben müssen als solche, die mit dem Leben ohne
Gott fertig werden. Der Gott der mit uns ist, ist der Gott der uns verlässt.
(Markus 15, 34)!’ Hij vervolgt dan met:
Der Gott, der uns in der Welt leben lässt ohne die Arbeitshypothese Gott,
ist der Gott, vor dem wir dauernd stehen. Vor
und mit Gott leben wir ohne Gott.’ (WE (DBW 8), 534, brief van 17.7.44).
Een
theologie die de secularisatie doordenkt impliceert een radicale
verantwoordelijkheidsethiek. De hominisering van het natuurlijk milieu betekent
een moralisering van de techniek. De natuur overkomt ons en staat tegenover ons;
de techniek daarentegen, dat zijn wij zelf (ook als zij ons overkomt). Het
technologisch universum is toegankelijk voor morele beoordeling (Barbour).
Daar komt het tenslotte op de mens aan. De theologische ethiek is een
ethiek ‘ohne Gott’, wanneer zij uitgaat van de mondigheid (dat is: het
morele inzicht in de onmogelijkheid om zich achter autoriteiten te verschuilen)
van de mens.
Hans
Jonas schreef zo’n ethiek in zijn Prinzip
Verantwortung. Tenslotte komt het op de mens aan, schreef Bonhoeffer.
Jonas opent zijn boek met een soortgelijke constatering, ontleend aan Sophocles’
Antigone: ‘Ungeheuer ist viel, und nichts ungeheurer als der Mensch’.[26] Zijn ethiek gaat uit van
het inzicht dat door de grote schaal en de ingrijpende gevolgen voor de toekomst
van de technologische cultuur de ethiek in een soort niemandsland is terecht
gekomen. Er is een nieuwe situatie ontstaan, zonder weg terug: de dreigingen van
de techniek zijn alleen nog onder inschakeling van techniek in zegeningen om te
buigen.[27] Kennis is een integraal
onderdeel van de ethiek geworden. Om te weten wat we behoren
te doen moeten we weten
wat we doen, zo ingrijpend en onomkeerbaar zijn de gevolgen van de technieken
die we gebruiken.
De beslissingen die we vervolgens nemen moeten we verantwoorden tegenover
elkaar, tegenover onszelf, maar vooral tegenover de toekomstige generaties,
waarvan het bestaan de inzet vormt van ons huidige technologische handelen. En
in dat alles - voegen we er met Bonhoeffer aan toe - ‘vor Gott’, de God
voorbij de god van de metafysica, voor wiens Aangezicht wij bestaan.
Zijn
er oriëntatiepunten waarop de verantwoordelijke mens zich in zijn morele
bezinning kan beroepen? Zowel de natuur als de geschiedenis kunnen niet meer als
morele autoriteit dienen, zodra wordt ingezien dat ze zelf voor een groot deel
het produkt zijn van menselijk handelen. De natuur kan geen model meer zijn voor
de ethiek, zoals in het natuurrecht, maar is haar grens geworden. De
geschiedenis kan geen overstijgende rechtvaardiging meer bieden voor menselijk
handelen als ze zelf moet worden beschouwd als de totale uitkomst van de
totaliteit van het menselijk handelen. In de technologie-ethiek komt het daarom
echt op de mens, en op de mens alleen aan. Het debat over de biotechnologie en
de genetica laat zien hoe moeilijk de oriëntatie dan wordt. Ingrijpen in de
structuur van de natuur met een beroep op de natuur is geen begaanbare weg meer
voor de ethiek. Ik denk dat ook de theologische ethiek de verlegenheden hier
deelt. Er is geen laatste principe voor de mens dan de ‘idee van de mens’
zelf, aldus Jonas, ‘dem Bilde des Menschen, dem wir uns verpflichtet fühlen’.[28]
Een
theologische ethiek zal in dat verband opnieuw de taal van de Schrift willen
spellen en van de mens als Beeld van God willen spreken. Maar ook die metafoor
is eerder een ruimte, een vraag, een weg, dan een antwoord.[29] Het bijbels theologische
taalveld nodigt wel uit tot bepaalde accenten in de ethiek. Terwijl Jonas zijn
ethiek bouwt op de dreiging van de totale apocalyps en de angst als heuristisch
principe opvoert, denk ik dat een verantwoordelijkheidsethiek niet zonder utopie
kan. De utopie zal ontsporen als zij de geschiedenis als loopplank neemt,
dat is waar. Dan wordt zij een door ons te realiseren eschatologie, en gebruikt
mensen als middel. Jonas, en recentelijk te onzent ook Hans Achterhuis, wijzen
terecht op de gevaren van dit utopische denken. Maar de utopie kent ook een
ander gezicht.[30]
Het bijbelse visioen van de voltooide sabbat, het land van melk en
honing, van zwaarden die tot ploegscharen zijn omgesmeed; van de leeuw, het lam
en het kind die samen zullen spelen, van alle tranen die zullen zijn afgewist en
van de dood die niet meer zal zijn - het wijst op sporen van een ander bestaan,
een laatste
wereld, waarvan onze voorlaatste
wereld radicaal zal blijven verschillen. Een te realiseren scenario
voor de techniek? (Vahanian). Neen dus. Maar wel een horizon,
een principieel wijkende limiet, die daarin een morele oriëntatie biedt die de
ethiek in staat stelt tot een kritisch oordeel over technologische
ontwikkelingen. De bijbelse utopie kan niet tot een moreel principe
worden herleid, maar wel krachtig een morele visie
voeden, waarin alles wat de techniek kan bijdragen aan het verminderen van
menselijk gebrek, ziekte, lijden en dood enerzijds en aan de versterking van het
kwetsbare leven anderzijds wordt bevorderd, en alles wat dat in de weg staat
wordt tegengewerkt.
[1] Harry Mulisch,
Voer voor psychologen, Amsterdam 1998 (1961), 130 - 140.
[2] Mulisch zelf zei het wat anders: ‘De god, die
zich menifesteert in het menselijk kontakt,was eeuwenlang de specie die de
mensen bij elkaar hield: het duidelijkst op zondag in de kerk, het sterkst
door het lidmaatschap van de Kerk door de doop. (...) Maar toen, nadat de
wereld achttien eeuwen lang één onafgebroken zondag was geweest, kwam de
techniek. (...) Daarom, omdat het woord vless is geworden in de techniek,
hebben wij geen mystieke god meer nodig, die ons bij elkaar houdt. (...) Wij
allen hebben deel en zijn op leven en dood overgeleverd aan het
ijzeren lichaam van Christus.’(a.w. 138v.)
[3] Dietrich Bonhoeffer, Widerstand
und Ergebung. Briefe und Aufzeichnungen aus der Haft (Dietrich
Bonhoeffer Werke, Band 8, hrsg.
Von Chr. Gremmels, E. und R. Bethge), München 1998, 403.
[4] Idem, 529v. (brief van 16.7.44)
[5] Idem, 533v. (brief van 17.7.44)
[6] Vgl. over de invloed van Dilthey op de
gevangenisbrieven, Ralf K. Wüstenberg, Glauben
als Leben. Dietrich Bonhoeffer und die nichtreligiöse
Interpretation biblischer Begriffe, Frankfurt am Main e.a., 1996.
[7] Zoals in zijn Ethik
(DBW 6), 168vv.
[8] Vgl. Gabriel
Vahanian, Dieu anonyme ou la
peur de mots, Parijs 1987, 40: ‘ ...la technique n’ appartient pas
tellement au champ de la science qu’à celui du langage. Bien plutôt qu’
application de la science, la technique est métaphore du langage, d’abord
et avant tout.’
[9] Jacques Ellul, Le
système technicien, Parijs 1977, 43vv.
[10] In de nieuwere godsdienstsociologie (Lübbe,
Luhmann, Berger, Luckmann) het centrale begrip in een functionele
verklaringstheorie van religie.
[11] Vgl. Ulrich Beck, Gegengifte.
Die organisierte Unverantwortlichkeit, Frankfurt am Main 1998, 65 over het
ecologische begrip natuur als ‘eine von innen entwurfene Aussengrenze’.
‘Der “Naturverschnitt”, die naturlose, runderneuerte Natur mit der wir
es heute zu tun haben, ist die gesellschaftlich verinnerte, durch Arbeit,
Produktion, Verwaltung, Wissenschaft rekonstruierte, normierte und an diesen
Massstäben gefährdete und zerstörte Aussen-Innen-Ausstattung der
zivilisierten Welt. Der Stoffwechselprozess mit der Natur hat diese
aufgezehrt, abgeschafft, in eine zivilisatorische Zweitwirklichkeit
verwandelt, die die Attribute menschlicher (Mit)schöpfung nicht mehr
abstreifen kann.’
[12] Vgl. E. Bethge, Dietrich
Bonhoeffer. Eine Biographie, München 1778 (4e druk)(1967), 979v.
[13] Ik heb me hierbij laten inspireren door de
lectuur van Gianni Vattimo (La fin de la
modernité. Nihilisme et herméneutique
dans la culture post-moderne, Parijs 1987; Ethique
de l’interprétation, Parijs 1991; The
Transparant Society, Cambridge 1992; Beyond Interpretation. The Meaning of
Hermeneutics for Philosophy, Cambridge 1997).
[14] ‘Das Wort technè
geht von früh an bis in die Zeit Platons mit dem Wort epistèmè
zusammen. Beide Worte sind Namen für das Erkennen im weitesten Sinne. Sie
meinen das Sichauskennen in etwas, das Sichverstehen auf etwas. Das Erkennen
gibt Aufschluss. Als aufschliessendes ist es ein Entbergen. (...) Die technè
ist eine Weise des alètheiein,
ein Her-vor-bringen.’ (Martin Heidegger, ‘Die Frage nach der Technik’
(1954), in: idem, Vorträge und Aufsätze,
Pfullingen 1967, Teil I, 12v., onder verwijzing naar Aristoteles, Nic.
Ethiek, VI, c. 314.
[15] Vgl. Peter Sloterdijk, Sphären.
Mikrosphärologie, Band I,
Blasen, Frankfurt am Main 1998, 23 - 25: ‘... die Bürger der
Neuzeit [finden sich] in eine neue Lage, die ihnen zugleich mit der Illusion
von der Zentralposition ihrer Heimat im Weltall auch die tröstliche
Imagination nahm, die Erde sei von sphärischen Gewölben wie von wärmenden
himmlischen Mänteln umhüllt. (....) Seit die Zeiten in präzise Sinn neue
wurden, bedeutet In-der-Welt-sein sich an die Erdrinde klammern müssen und
zur Schwerkraft beten - jenseits von Schoss und Schale. (....) Die Moderne
charakterisiert sich dadurch, dass sie ihre Immunitäten technisch
produziert und ihre Sicherheitsstrukturen zunehmend aus den traditionellen
theologischen und kosmologischen Dichtungen ausgliedert. Die grosstechnische
Zivilisation, der Wohlfahrtsstaat, der Weltmarkt, die Mediasphäre: All
diese Grossprojekte zielen in schalenloser Zeit auf Nachahmung der unmöglich
gewordenen Sphärensicherheit. Nun sollen Netze und Versicherungspolicen an
die Stelle der himmlischen Schalen treten; Telekommunikation muss das
Umgreifende nachspielen. In einer elektronischen Medienhaut will sich der
Menschheitskörper eine neue Immunverfassung schaffen.’
[16] Hierin ligt het belang van Heidegger voor de
filosofie van de techniek. Zie
zijn ‘Die Frage nach der Technik’ (1954), a.w. 6vv. Daarover: Michael
Trowitzsch, Technokratie und Geist der
Zeit. Beiträge zu einer theologischen Kritik, Tübingen 1988, 83
- 195.
[17]Zoals Trowitzsch, a.w., in zijn ‘rechtse’
Heidegger-lezing.
[18] Zie voor het volgende Ian G. Barbour, Ethics
in an Age of Technology, San Francisco 1993, 3 vv.
[19]Barbour’s instrumentele definitie van techniek
(als ‘the application of organized knowledge to practical tasks by ordered
systems of people and machines’, a.w. 3)
brengt echter onvoldoende haar ontologische betekenis in rekening.
[20] Vgl.Georges Steiner, Martin
Heidegger, Kampen 1994, 154vv.
[21] Vgl. Vahanian,
a.w. 157: ‘la cybernétique a pris le relais de l’outil; nous faisons
toujours partie de la nature, mais nous en sommes responables plus que nous
ne l’avons jamais été, et plus aussi qu’elle ne l’est de nous.’
[22] Vattimo, Ethique
de l’interpretation, 114v.
[23] Vattimo,
La fin de la modernité, 106v.. Hij verwijst hier naar Arnold Gehlen’s opstel Die
Säkularisierung des Fortschritts uit 1967 (!). Gehlen was ook de
eerste die de term ‘post-historie’ introduceerde (idem, 108).
[24] Ulrich Beck,
Risikogesellschaft. Auf dem Weg in eine ander Moderne, Frankfurt
am Main 1986; Anthony Giddens, The
Consequences of Modernity, Cambridge 1990.
[25] Vgl. Marcel
Gauchet, Le désenchantement du monde.
Une histoire politique de la religion, Parijs 1985, 133vv. (het christendom
als : ‘la religion de la sortie de la religion’.)
[26] Hans Jonas, Das
Prinzip Verantwortung. Versuch einer Ethik für die
technologische Zivilisation, Frankfurt am Main 1984 (1979), 17.
[27] ‘Sie
kann nur nach vorwärts gehen und muss aus der Technik selbst, mit einer
Dosis mässigender Moral, die Heilmittel für ihre Krankheit gewinnen’.
(Hans Jonas, Technik, Medizin und Ethik.
Zur Praxis des
Prinzips Verantwortung, 50).
[28] Idem, 52.
[29]Het concept van de mens als created co-creator (Ph. Hefner) is een vruchtbare, zij het
ook weer niet onproblematische poging om deze theologische metafoor te
concretiseren. Zie F. de Lange, Gevoel
voor verhoudingen. God, evolutie en ethiek, Kampen 1997, 192 vv.
[30] Vgl. Vahanian,
a.w., passim.