Bespreking van:

H.M. Kuitert: Jezus: nalatenschap van het christendom. Schets voor een christologie, Ten Have 1998.

Kuitert=s nieuwste boek leest als een theologische detective.  Wat de stijl betreft: met vaart geschreven, in rond Hollands. Maar ook wat betreft de inhoud: het lijk is nooit gevonden, maar toch is er een moord gepleegd. Whodunnit? Zijn het nog steeds de joden die van Jezus (want over hem gaat het hier) niets moesten hebben en hem hebben gekruisigd? Een fatale verdenking, die nog steeds niet is ontzenuwd. Of zijn het de christelijke theologen, die een vitale Jezusoverlevering in het beknellende harnas van hun Twee Naturenleer hebben verstikt? Is het de westerse cultuur misschien die de laatste twee eeuwen autonoom zijn eigen weg vervolgt en daarbij Jezus verwaarloosd aan de kant van de weg heeft achtergelaten? De secularisatie als sluipmoord? Of zijn het tenslotte de kerken zelf die dood door schuld mag worden verweten? Het graf van god, zo noemde Nietzsche de kerk. Jezus verwachtte het rijk van God, maar wat kwam was de kerk, schreef Alfred Loisy. Wat een afknapper. De kerken prediken Christus, delen hem als sacrament uit, maar ondertussen lijkt Jezus lijkt in hun handen een zachte dood te sterven.

Een theologische detective, met Kuitert als scherpzinnig speurder.  Die zich niet bij de neus laat nemen, een scherp gevoel heeft voor opgeklopte alibi=s, en haarfijn de motieven en verborgen logica van zijn zegslieden in een kruisverhoor tegen het licht weet te houden. Het licht van de moderne redelijkheid. Wat is er gebeurd met Jezus? Wat hebben we twintig eeuwen lang met hem gedaan? Wat doet hij vandaag zelf nog met ons? Kuitert accepteert in zijn zoektocht naar een antwoord op deze vragen niet alleen bijbelgeleerden als getuige. Ze komen allemaal wel om de beurt binnen: Reimarus, Lessing, Strauss, Schweitzer en de anderen. Maar hij neemt ook de stem van het gewone volk serieus. Ook de Jezusvroomheid van piŽtisten en methodisten, volle evangelie-aanhangers en New Agegelovigen mag aan het woord komen en wordt op zijn waarde geschat.

Kuitert houdt als kundig all round-theoloog bij deze tour d=horizon zelf strak de regie in handen. Dat is ook het aardige van zijn boek, in vergelijking tot de vele Jezusboeken die de markt overspoelen: veel bijbelgeleerden (over de oplichters spreken we maar niet) verschuilen zich achter hun onderwerp en laten de moeilijke vraag: En wat nu? tenslotte maar over aan de lezer zelf. Kuitert respecteert de vrijheid van de lezer ten volle, maar neemt hem toch mee naar waar hij hem hebben wil. Hij wil meer dan getuige alleen zijn; als een rechter wijst hij, als het moet,  ook vonnis.

 

Hoe het met Jezus afloopt in dit boek? De kerkelijke traditie loopt een paar flinke deuken op, en Kuitert ontmythologiseert er lustig op los. Hij doet echter ook een paar constructieve voorstellen over hoe het nu verder moet. Daarom gaat het boek tenslotte over zoveel meer dan alleen over Jezus; in feite gaat het over de toekomst van kerk en christendom in de westerse cultuur.

 

Maar laten we beginnen bij Jezus. Wat maakt Kuitert van hem? >Maakt=, zo mogen we dat van hem best wel zeggen, want hij is de eerste om te erkennen dat Jezus is wat mensen met hem doen. Zijn betekenis is de betekenis die wij aan hem verlenen. Vandaar ook al die verschillende Jezusbeelden. Er is de Christus geijkt door de kerk, en daarbuiten zijn er nog allerlei >wilde christologieŽn= in omloop, zoals nu in de New Age-beweging.


Hebben al die Jezusbeelden recht van spreken? Welke Jezus is nu de echte? De liberaal Kuitert is de laatste om visies op Jezus in een keursslijf te willen dwingen.  Hij doet een voorstel voor een Jezusleer (christologie) waarbij mensen elkaar niet dwars zitten, maar zoveel mogelijk hun eigen religieuze beleving aan Jezus als kapstok kunnen >ophangen=.  Maar hij vindt wel dat er, wil een beeld van Jezus christelijk heten, er een  minimale voorwaarde aan Jezusschetsen moet worden gesteld. Dus toch een soort criterium om kritisch te kunnen schiften. Die voorwaarde luidt, dat de >echte= Jezus, voorzover wij daar een vinger achter kunnen krijgen, minstens moet passen in het totaalbeeld dat christologieŽn van Christus schilderen. Wil een christologie zich christelijk kunnen legitimeren, dan moet dat wat we van Jezus van Nazareth weten (en dat is niet veel, maar toch wel weer behoorlijk wat) er in passen. Verankerd in de historische Jezus valt er heel veel van de kerkelijke Christus door de mand als religieuze franje, en worden wilde christologieŽn getemd. 

Maar kom je daar nu ooit achter, achter de >echte= Jezus? Kuitert schetst de geschiedenis van de zgn. Leben Jesu Forschung, de historisch-kritische bijbelwetenschap die vanaf de 18e eeuw ons wel eens even precies zou zeggen hoe het met Jezus zat. Recent is er in dat spoor weer een groep onderzoekers op pad gegaan om de historische Jezus in kaart te brengen (New Quest). Welnu, ook die poging is een illusie gebleken. Niet alleen omdat we gewoon weinig betrouwbaars weten van Jezus (de evangeliŽn bedienen zich van belijdenistaal, zijn zelf al een staaltje van gemeentetheologie), maar ook omdat >feiten= op zich niet bestaan. Ze zijn altijd gekleurd door degene die ze verhaalt en daarmee van betekenis voorziet. Wie is Jezus? Een mislukte Messias (Strauss), de eschatologische profeet (Schweitzer), de gnostische wijsheidsleraar (Robert Funk), de van de Geest vervulde zwerver (Gerd Theissen)?  >Zeg mij wie uw Jezus is, en ik zal zeggen wie u bent=. 

Je moet dus niet al je kaarten zetten op historisch onderzoek en daar je heil aan ophangen. Maar het is ook weer niet zonder betekenis; het christelijk geloof staat en valt nu eenmaal met die ene figuur van Jezus van Nazareth. En helemaal niets weten we ook weer niet van hem. Niemand twijfelt er serieus aan dat hij geleefd heeft, aan zijn profetisch optreden, zijn kruisdood en (geloofden althans zijn leerlingen:) zijn opstanding en verschijningen. Ook is duidelijk dat hij in dat alles leefde, werkte en dacht binnen de kaders van zijn joodse traditie. Er is eigenlijk niets in Jezus te vinden, dat niet ook in het jodendom te vinden is. Hij leefde volgens het joodse ontwerp van God, en als hij al bijzonder was (en dat wŠs hij natuurlijk), dan in de intense en radicale manier waarop hij deze God serieus nam. Niets wijst er op dat hij zichzelf als de Zoon van God verstond, de Tweede Persoon  van de drieŽenheid die hij in de geworden is (Nicea 321), met een dubbele natuur,  menselijk en een goddelijk (Chalcedon 451).  De christelijke kerk maakte later van hem de Heiland van de wereld, maar wat hij deed was niet meer dan zijn eigen joodse volk terugroepen tot God.  Jezus als een tweede God-op-aarde, dat is dus kerkelijke aankleding, concludeert Kuitert. Een schitterende stralenkrans om deze bijzondere mens geen gedrapeerd, maar niet meer dan dat. De idee van een God-mens is niet alleen niet bij Jezus zelf terug te vinden, maar staat ook haaks op het strenge monotheÔsme dat hijzelf als jood aanhing.

Welnu, als je zegt dat de >echte= Jezus minstens in je geloofsplaatje van hem moet zitten, dan betekent dit dat de kerkelijke Christus die we kennen zo niet langer kan worden gehandhaafd.  Want hoe kun je in je eigen geloof dat van Jezus zelf nu willen tegenspreken? De Twee naturenleer kunnen we daarom niet langer onderschrijven.  Wil Jezus voor ons vandaag van betekenis blijven dat moeten we hem van dat beknellende harnas bevrijden.


Maar waarin ligt dan het bijzondere van Jezus?  Niet in de inhoud van wat hij beweert, zegt Kuitert. Hij leefde en stierf als jood voor het aangezicht van God. Voorbeeldig, dat wel, maar zonder zonde is wellicht ook wel weer een tikkeltje teveel gezegd. Zijn betekenis berust echter niet zozeer in de manier waarop hij leefde en stierf, maar in het feit dat hij het zo uitnodigend deed dat de hele wereld er in mag delen. Sinds Jezus is de verhouding tot God opengesteld ook voor niet-joden. Hijzelf deed dat nog heel schoorvoetend (denk aan de Kananese vrouw uit MattheŁs 15, die hem daartoe over de streep moest trekken), maar zijn volgeling Paulus zal zover gaan dat hij de centrale betekenis van Jezus juist in die grensoverschrijding situeert.  Het geloof van Jezus was >made in Israel=, dat wel, maar het is voortaan als export bestemd voor de wereldmarkt. 

Niet in de inhoud, maar in de reikwijdte van Jezus= boodschap ligt dus zijn unieke betekenis, aldus Kuitert. Dat blijft slikken voor joden, erkent hij. Ik denk dat er vanuit die hoek ook wel verzet zal komen tegen de >bekrompen= voorstelling die Kuitert van het jodendom maakt; stonden ook de volken niet aan de voet van de SinaÔ, toen Mozes de wet naar beneden bracht? Voor christenen is het echter ook slikken. Voor het eeuwenoude christelijke superioriteitsgevoel van >wij hebben meer in huis dan jullie= is er in deze visie immers geen plaats meer. Christenen kan hoogstens worden gevraagd waar ze het recht vandaan halen om te doen alsof de joodse God ook de hunne is. >Van de jood Paulus= zullen ze dan met Kuitert antwoorden. En de jood Paulus beriep zich daarbij weer op de jood Jezus. Jezus heeft de tendens die sluimerde in het jodendom (niet alleen het joodse volk, maar alle volken zijn Gods volk) voorgoed en baanbrekend wakker gemaakt.

Jezus: niet voor inhoud, maar alleen voor de extensie. Is that all there is? zal men nu misschien vragen. Maar dan vergeet men de revolutie die daarmee in de godsdienstgeschiedenis werd ontketend. Heel de wereld vrij toegang tot God! Excusez du peu! zou Van Ruler zeggen. In Christus was God de wereld met zichzelf verzoenende, schrijft Paulus (2 KorinthiŽrs 5:19). De kerk is in dit bijbelwoord de klemtoon verkeerd gaan leggen, toen ze bekomen was van de eerste schrik dat ze ook met de joden mee mocht doen. De nadruk is toen steeds meer gevallen op het exclusieve van het >in Christus=. Christus werd daarmee van middel tot doel in zichzelf. Maar heb je ooit een wegwijzer naar Utrecht gezien, die zelf naar Utrecht moest? Jezus vormde de weg voor niet-joden om naar God te komen, hij is niet de bestemming zelf. Hij ontsloot het joodse ontwerp van geloven voor heel de wereld.

 

Dit alles betekent natuurlijk een fikse aderlating voor de kerkelijke leer. De Twee Naturenleer doet in elk geval voortaan niet meer mee. De christologie wordt een stuk aardser, joodser, en ook veel ontspannener. Want christenen hoeven niet meer krampachtig te claimen dat er bij Jezus iets te koop is dat nergens anders te halen valt.

Goed zal men zeggen, Kuitert is dus ook toegetreden tot de vrijzinnigheid. Maar dat wisten we toch allang? Een wat verlate coming out van een Aufklšrungstheoloog die net als zijn 19e eeuwse voorgangers Jezus nu tot een gewoon mens maakt en het evangelie dus tot een oproep tot medemenselijkheid. Maar dan vergist men zich. Kuitert is veel spannender, omdat hij (1) een door en door religieus theoloog is, met (2) stevige wortels in de traditie van het gereformeerde protestantisme.  Het besef dat een mens voor het aangezicht van God staat, dat is vor hem de kern van religie. Die zekerheid wortelt in het gemoed, is ook niet of nauwelijks verstandelijk na te trekken. Maar zij is wel onwrikbaar. Geloofstaal is van A tot Z metaforisch, schrijft Kuitert ergens in het boek. Maar dat is natuurlijk niet waar. Is geloven altijd zeggen: het lijkt alsof? Bij Kuitert zelf is daar ťťn grote uitzondering op. De uitspraak AGod is@ moet niet symbolisch, maar letterlijk worden genomen. 


Dit besef van voor God te staan resulteerde bij het gereformeerde protestantisme in een bevindelijk soort van >radicaal monothŽisme= (R.H. Niebuhr), waarbij de mens zich afhankelijk weet van God. Kuitert staat in diezelfde traditie, en vindt bij Jezus iets terug van het besef van diezelfde Godsverhouding (of projecteert hij haar een beetje op hem?).  Dit Godsgeloof geeft diepte aan zijn Jezusbeeld. Het maakt dat het beeld van Jezus als >mens voor anderen= waarin de secularisatietheologie van de jaren zestig doodliep op hem geen vat meer heeft. Jezus is een bijstelling bij God, en niet omgekeerd, zoals platte secularisten het toen deden voorkomen, God een bijstelling bij Jezus. 

Dit radicale monotheÔsme brengt vervolgens met zich mee dat Kuitert niet veel moet hebben van de piŽtistische Jezusvroomheid, die bijvoorbeeld ook in het Liedboek van de Kerken haar neerslag heeft gevonden. In het geloof gaat het immers niet om >Jezus in je hart=, maar om de eer van God. Kuitert heeft alle respect voor alle religieuze verlangens en behoeften die de idee van een directe, innige relatie met Jezus voeden, maar moet van en dergelijke >Jesulatrie= niets hebben. Tot Jezus kun je niet bidden. Dat is een deviatie van de devotie. Dit is gereformeerde religiekritiek op haar best. >Bij Jezus op schoot= heeft het in die kring nooit goed gedaan.

 

Kuitert heeft nog een andere verrassing in petto voor wie hem alleen als Verlichtingstheoloog zou willen neerzetten.  Uitgerekend het leerstuk waaraan de orthodoxie vandaag een soort fetisjkarakter heeft toegekend, dat van de verzoening, behoort ook voor hem tot het hart van het christelijk geloof. Dat wekt bevreemding. En het kost de lezer (zo verging het mij althans) wel wat moeite om de constructie die hij op touw zet, te doorgronden. Legpuzzeltheologie, noemt hijzelf het bouwwerk van Chalcedon. Hoofdpijntheologie, zou men kunnen zeggen van zijn versie van de verzoeningsleer. Ik doe desondanks een poging.

Het hart van de religie, constateerden we, klopt voor Kuitert in de Godsrelatie. Leven is staan voor het aangezicht van God. In het jodendom en het christendom is deze relatie gaandeweg steeds meer moreel gevuld. (Laat niemand beweren dat bij Kuitert religie niets met moraal te maken heeft). God is niet meer met magie te vermurwen, maar wil dat de arme, de wees en de weduwe recht wordt gedaan. Wie dat niet doet - en wie doet dat niet? - staat schuldig tegenover God, overtreedt zijn wereldorde.  Die schuld moet gedelgd. Hoe doe je dat? Door nogmaals God te vermurwen? Dat is te primitief gedacht. God is je genadig of hij is het niet. Het jodendom ervaart God als goed en gokt op dat eerste. Die geloofservaring wordt uitgespeeld in het ritueel van de verzoening.  De zondebok die jaarlijks de woestijn in wordt gestuurd op Grote Verzoendag bewerkt niet de verzoening, maar drukt het geloof in de verzoening uit.


Hetzelfde verhaal vertellen christenen.  Kuitert neemt opnieuw Paulus tot kroongetuige. Deze apostel komt de eer toe, al dan niet als eerste, de christelijke verzoeningsleer te hebben uitgedacht. Hij wist waar hij het als jood over had als hij over verzoening sprak, maar wist tegelijk van geen ophouden: niet alleen zijn volk, maar heel de wereld was God in Christus met Zichzelf verzoenende. Ook Grieken en barbaren hebben als niet-joden sinds Jezus= dood deel aan hetzelfde Godsgeloof. Ook als niet-joden staan ze even schuldig tegenover God. Ook zij spelen als christenen hun rituelen. Dat doen alle religieuze mensen, leert ons de fenomenologie van de godsdienst.  Geloven is voor een groot deel spel, een vorm van serieus doen alsof. Het ritueel dat de niet-joodse christenen spelen kan niet dat van de zondebok op Grote Verzoendag zijn.  Dat blijft voorbehouden aan de joden zelf. Maar het lijkt er wel sterk op. Nu is het echter de mens Jezus die ze rol van zondebok op zich laten nemen. Spelenderwijs, moet je er elke keer bijdenken.  Maar heel serieus: achteraf lijkt het wel alsof Jezus zich die rol ook vrijwillig en met overgave laat aanmeten: hij wilde immers heel de mensheid tot God brengen? Zo liet hij zichzelf tot offer aan God maken, zegt Paulus ook ergens.  Alsof hij daarmee wil zeggen dat Jezus door zijn kruisdood deed alsof hij de schuld van de wereld wegdroeg. God weet natuurlijk ondertussen wel beter. Hij had dat offer niet nodig. En wij weten het ondertussen wel beter dan Paulus. God vergeeft ook zonder het ritueel wel. Maar christenen geloven dat God het heilige spel meespeelt en Jezus ook daadwerkelijk  aanneemt als offer.  Zo spelen we in het christelijk geloof verzoeninkje.  Joden doen het op Grote Verzoendag, niet-joden worden uitgenodigd om dat op Goede Vrijdag te doen. De dag dat we beseffen schuldig te staan voor God en uitzien naar de vergeving van God, die ons gelukkig even later op Pasen wordt toegezegd.

Kuitert slaagt er zo in de klassieke leer van de verzoening met huid en haar te redden. Althans zo lijkt het.  Want wat de inhoud betreft gaan alle onderdelen nog mee, maar ze staan stuk voor stuk wel onder een ander voorteken: dat van het religieuze spel. Geloven is spel, doen alsof, zegt Kuitert de godsdienstfenomenologie na. In het handelen spelen we met rituelen, in de taal met de metafoor. Echt zeker weten of we het bij het recht eind hebben, dat doen we in dit spel niet. Dat staat nog uit. Maar we hopen, vertrouwen en verwachten dat alles wat we beneden zeggen over Boven ooit door Boven zelf zal worden bevestigd. Daarom spelen we het geloofsspel ook met zulk een diepe ernst.

Zoals gezegd, een beetje gekunsteld doet deze constructie wel aan. Ik weet niet precies hoe dat komt.  Maar het heeft in elk geval iets te maken met de moeizame positie die de gelovige in dit alles inneemt. Weet hij dat hij speelt? Of weet alleen de verlichte theoloog die van buitenaf zijn geloof beschrijft dat? En als hij wťťt dat hij speelt, hoe ernstig en serieus speelt hij dan nog? De orthodoxie heeft met dit soort vragen geen problemen. Daar is de verzoening regelrecht in de openbaring verankerd. Maar bij Kuitert heeft Gerardus van der Leeuw de plaats van Karl Barth ingenomen. De gelovige is in zijn constructie eigenlijk zelf een klein fenomenoloogje geworden, die met een soort kijkoperatie van buiten toeziet op wat hij binnen in het geloof doet.  Je wordt er een beetje duizelig van. Vandaar die hoofdpijn misschien.

>Toch weer doorgestoken kaart? Zeker=, laat Kuitert zich aan het slot van zijn deel over de verzoening ontvallen. Anders dan in de kerkelijke Twee Naturenleer weliswaar, voegt hij er aan toe. Maar toch, wie speelt het spel nog met volle overgave als hij weet van te voren weet hoe het afloopt?  Net zoals >God is= een uitspraak is die letterlijk moet worden genomen, ook al is de rest van het spreken over God een metafoor, zo lijkt het mij dat het drama tussen God en mens een realistische kern moeten hebben, wil het een echt drama zijn. Jezus is metafoor van God, zegt Kuitert meerdere malen. Dan is toch ook dat is zelf geen metafoor meer, maar een letterlijke uitspraak? Dan kunnen we ook niet meer doen alsof bij Jezus alles >alsof= gebeurde.

Voor Kuitert is die gedachte een brug te ver. Want met de grens tussen boven en beneden moeten we niet sjoemelen, ook niet als het over Jezus gaat. Ook dan kunnen we die twee, God en mens,  niet door elkaar haspelen in ťťn persoon. Vandaar dat Jezus van Nazereth (de Jezus van onderen) en de Christus van Paulus (de Jezus, spelenderwijs,  van boven) in dit boek elkaar ook niet echt lijken te raken.  Ze blijven een beetje onhandig naast elkaar staan,  als Boven en Beneden. Er bestaat een >discontinuÔteit= tussen de historische Jezus en de Christus van het geloof, heet dat in theologisch vakjargon.  Rudolf Bultmann werd er in zijn tijd van beticht. Hij zou de kloof tussen beide doorsnijden, door al zijn kaarten op de paulinische Christus  te zetten. Werd de verbinding van de gepredikte Christus met Jezus van Nazareth dan geen toevallige? Ook Kuitert zet al zijn kaarten op Paulus (>ik ben dol op hem=, zegt hij) en lijkt daarmee in meer dan ťťn opzicht in de buurt van Bultmann uit te komen. Alleen, wat bij deze de existentie voor het aangezicht van God was, is bij Kuitert nu heilig spel.

 


Er is zoveel meer in dit boek, dat prikkelt en uitdaagt, vragen oproept. Kuiterts visie op doodstraf en kerkasiel, en passant ten beste gegeven, of die op de verhouding tussen de religies bijvoorbeeld. Maar daarover hier niet meer. Een ding tot slot. Het boek gaat niet alleen over Jezus, maar ook over de kerk en de cultuur, zo begon ik. In dit verband doet Kuitert een voorstel, dat al meer dan een eeuw oud is, maar dat in de malaisesfeer waarin kerkelijk Nederland zich heden ten dage bevindt uiterst verfrissend kan werken. Hij haalt nog eens de opvatting van de duitse Verlichtingstheoloog Richard Rothe van stal,  die het geen ramp vond dat de kerk het steeds meer liet afweten. De cultuur kan haar rol immers best overnemen. Naast een kerkelijk christendom heeft Jezus ook een culturele erfenis in Europa achter gelaten. De westerse moraal is daar een voorbeeld van, en ook de taal is doorspekt met het erfgoed van Jezus. Dat erfgoed kan natuurlijk afsterven als het niet meer levend gehouden wordt. In dat verband speelt de kerk nog een vitaliserende rol. Maar de kerk hoeft zich geen monopolie toe te eigenen in het beheer van Jezus= erfenis.  Daarvoor heeft zij te veel boter op haar hoofd en laat ze het nu teveel afweten. Uit het feit dat mensen de kerk de rug toe keren kan men afleiden dat zij blijkbaar niet meer in staat is de betekenis van Jezus in termen van hedendaagse behoeften en verlangens te vertalen. Dan is het ook goed dat de kerk leegloopt. Kerkverlaters kunnen beschouwd worden als een soort schoolverlaters. Ze weten het nu wel, zij hebben het abc van het geloof geleerd, en kunnen op eigen benen verder. De kerk is al met al een fase in de cultuur (geweest), uiterst vruchtbaar. Maar mede door de kerk kunnen steeds meer mensen nu geloven (= voor het aangezicht van God leven) zonder de kerk. Het kerkelijk christendom is er niet alleen, het cultuurchristendom is er ook nog.

Een staaltje ongebroken vooruitgangsgeloof van de bovenste plank, deze cultuurtheorie van Rothe.  Zij lijkt me als geheel ook niet meer houdbaar. Zij maakt teveel van de nood (het relevantieverlies van de christelijke traditie) een deugd. >Jezus ja, de kerk nee= blijkt sociologisch ook helemaal niet te werken, hield Kuitert ons twintig jaar geleden zelf ook voor. Christelijk geloven buiten de kerk, dat hou je niet langer dan twee generaties vol. En bovendien is het Europa van 2000 een ander dan dat van het 19e eeuwse Duitsland. Veelkleuriger, multireligieuze, geseculariseerder vooral. Het is dan ook de vraag of we werkelijk veel van dit cultuurchristendom mogen verwachten of dat men het concept als een vorm van wishfull thinking van ontgoochelde theologen moet beschouwen. Maar het is in elk geval een verademing om te zien hoe Kuitert in dit verband buitenkerkelijken serieus neemt. De kerkverlaters hebben niet zozeer de kerk verlaten, maar het is eerder omgekeerd: de kerk heeft hen verlaten. Zij weet immers niet meer wat hen werkelijk bezighoudt en bezielt. Kuitert denkt dat deze kloof tussen kerk en cultuur alleen nog maar erger zal worden >als de kerken op de leer gaan zitten.=  Laten we hopen dat hij - zijn boek zal als test kunnen dienen - daarmee geen gelijk krijgt.

 

Frits de Lange