De Maakbare Mens

Ter Inleiding

door Frits de Lange

 

De lezingen over de maakbaarheid van lijf en leden die in deze bundel bijeen zijn gebracht waren al gepland en de titel bedacht, toen de vraag naar de Nieuwe Mens in het najaar van 1999 door twee auteurs onafhankelijk van elkaar onder de aandacht werd gebracht. De één bediende zich van een zwaar Duits filosofenjargon, de ander van Franse lichtvoetige fictie. Polemieken pro en contra ontstonden. Zelfs een heuse ‘Denkerkrieg’ brak uit, die zijn echo vond tot ver buiten de Duitse landsgrenzen.  Kwam het door de onbeschaamdheid waarmee ze hun zaak voor het voetlicht brachten of was het hun visionaire helderziendheid dat zo zoveel aandacht kregen? Op de valreep van een oud millennium plaatsten zij in elk geval de vraag naar wie de mens zijn zal in de 21e eeuw nadrukkelijk op de publieke agenda.

De mens die zichzelf afschaft (Sloterdijk / Houellebecq)  

Peter Sloterdijk had zijn rede ‘Regels voor het mensenpark’ voor een besloten gezelschap van collega-filosofen gehouden. Maar er werd schande van gesproken, zodat hij hem vervolgens publiceerde (Die Zeit, 16/9/99).  Met Heidegger en Nietszsche vraagt hij zich in zijn betoog of de Oude Mens zijn tijd niet gehad heeft. De Oude Mens, dat is de mens die als een eindig, kwetsbaar, driftig bundeltje natuur ter wereld komt  en vervolgens door middel van driltechnieken zo goed en kwaad dat gaat tot een beschaafd mens wordt omgevormd. Zijn weg loopt van natuur naar cultuur. De Griekse klassieken ontwikkelden voor het eindpunt van die route het humanistische ideaal van een redelijk denkend, boeken lezend, vriendschap sluitende enkeling. De vraag is echter, aldus Sloterdijk, of dit mensideaal ons nog langer kan leiden. Of er niet andere manieren bestaan om een mens te maken tot wat hij zijn moet, andere ‘antropotechnieken’. Hij wijst op de genetische revolutie die zich aan het voltrekken is.  Niet de school, academie of de kazerne alleen, ook het laboratorium lijkt ons te kunnen vormen. Sinds Watson en Crick in 1953 de dubbele helixstructuur van het DNA ontdekten, wordt onze erfelijke code gaandeweg in kaart gebracht en steeds meer beheersbaar. Dat betekent dat we de mens niet meer alleen hoeven te vormen met behulp van culturele driltechnieken, maar dat we hem ook steeds meer kunnen maken door aan zijn of haar biologische natuur te sleutelen. De ruwe natuur kon vroeger alleen door voortdurend ‘geestelijk’ polijsten in het gareel van de ‘beschaving’ worden gebracht. Nu lijkt datzelfde doel ook te kunnen worden bereikt door een ingreep in zijn of haar genetische structuur. De volgelingen van Marx – een van de laatste humanisten - wilden de wereld veranderen; de leerlingen van Mendel veranderen de mens. Maar welke regels moeten daarvoor gelden, welke waarden moeten ons daarbij oriënteren?  Dat is de vraag die Sloterdijk provocerend in ons midden legt. Hij is met Heidegger en Nietzsche van mening dat ons  klassieke en christelijk-humanistische erfgoed daarin te kort schiet. De Nieuwe Mens zal hoe dan ook een andere zijn, dan die uit de traditie voor ons oprijst. 

Michel Houellebecq eindigt zijn roman Elementaire Deeltjes niet minder provocerend, met een science fiction-achtige beschrijving van de komende eeuw die bepaald zal worden door ontdekkingen in de moleculaire biologie. Zijn terugblik op de 21 eeuw begint met de melding van de komst van een wetenschappelijke techniek die het klonen van elke mogelijke genetische code, hoe complex ook, mogelijk heeft gemaakt.  Een briljant onderzoeker, Bedrich Hubcejak, trekt daaruit een verstrekkende conclusie: ‘de mensheid moest verdwijnen, de mensheid moest een nieuwe ongeslachtelijke en onsterfelijke soort voortbrengen die de individualiteit, het isolement en de verwording achter zich had gelaten.’ Hij weet voor het idee dat de mensheid nu zijn eigen biologische evolutie ter hand moet nemen zoveel steun te mobiliseren – tot zelfs die van de Verenigde Naties  toe – dat zijn ideeën daadwerkelijk in praktijk worden gebracht. De door hem ontketende ‘Beweging van het Menselijk Potentieel’ (met als leus: ‘DE OMWENTELING ZAL NIET GEESTELIJK MAAR GENETISCH ZIJN’) weet overtuigend aan te tonen dat de biologische afschaffing van de menselijke seksualiteit de culturele strijd tussen de seksen zal beslechten. De eliminatie van de genetische individualiteit zal bovendien elke onderscheidingsdrang (en alle agressie die daaruit voortkomt) onderdrukken en zorgen voor een raadselachtig, sacraal gevoel van verbondenheid tussen de mensen.

Nadat in het jaar 2029 de eerste kloon van de aldus genetisch versleutelde mens ter wereld wordt gebracht, neemt hij snel en succesvol bezit van de wereld.  De ‘mensen van het oude ras’ hebben de voorwaarden voor hun eigen afschaffing geschapen en zichzelf overbodig gemaakt. Houellebecq eindigt zijn roman met de volgende zelfbespiegeling van de Nieuwe Mens:

‘Wij hebben de kinderlijke band die ons aan de mensheid bond verbroken, en we leven. Naar het oordeel van de mensen is ons leven gelukkig. Inderdaad hebben we ons weten te bevrijden van de voor hen onontkoombare invloed van egoďsme, wreedheid en woede; we leiden in ieder geval een ander leven.  (…) Op de mensen van het  oude ras komt onze wereld over als een paradijs. Het gebeurt overigens wel eens dat we onszelf – met iets van humor, dat wel – betitelen met de naam ‘goden’ die hen altijd zo dromerig stemde.’

Tot slot volgt er dan een eerbetoon aan de oude mens, die zich belangeloos heeft opgeofferd voor de toekomst van de nieuwe:

‘Die deerniswekkende, vuige soort, nauwelijks van de aap te onderscheiden, die toch zoveel edele ambities in zich meedroeg. Die gekwelde, tegenstrijdige, individualistische en twistzieke soort met zijn grenzeloze egoďsme, die soms tot enorme geweldsuitbarstingen in staat  was maar toch altijd in goedheid en liefde bleef geloven. De soort ook die voor het eerst in de geschiedenis van de wereld in staat was de mogelijkheid van zijn eigen opheffing in overweging te nemen, en die die opheffing een aantal jaren later ook in praktijk wist te brengen.’

Fictie of aanstaand feit?  Zo’n vaart zal het niet lopen, zal men zeggen. Deze filosofische of literaire retoriek moet het van de overdrijving hebben; in werkelijkheid zullen we toch nog lang met de Oude Mens opgescheept blijven, eindeloos tobben met zijn gebreken, plots weer eens verrast worden door zijn onberekenbare grillen, dan weer vertederd worden door zijn goedheid of ontzet door zijn wreedheid. Door Sloterdijk en Houellebecq worden de grenzen tussen de Oude en de Nieuwe Mens wellicht te scherp gemarkeerd. Met al zijn gesleutel aan lichaam en geest is de Oude Mens toch hoogstens bezig met een enorme facelift? Daaronder blijft hij gebrekkig, sterfelijk en eindig. Moeten we ons niet eerder vrolijk dan bezorgd maken over Amerikanen – zoals te zien was in een NOVA-documentaire over de farmaceutische strijd tegen veroudering - die elke morgen een bord vol vitaminepillen slikken omdat ze werkelijk geloven dat ze zo 600 jaar kunnen worden?

Toch lijken deze schrijvers de vinger te leggen bij de onstuitbare ontwikkeling op weg naar de Maakbare Mens, een technische droom die de cultuur al ver in de vorige eeuw is begonnen te verwerkelijken. Zij zijn dan ook bepaald niet de eersten die erop wijzen. C.S. Lewis schreef al in 1943 zijn ‘The Abolition of Man’,  de ethicus Paul Ramsey bedacht al in 1970 als titel voor zijn boek over de genetische revolutie: ‘The Fabricated Man’. De ontwikkelingen met name in de genetica lijken echter in zo’n stroomversnelling te zijn geraakt dat het thema geen luxe meer is voor enkele specialisten, maar een onontkoombaar item in de publieke meningsvorming. Xenotransplantatie,  transgene dieren, aseksuele voortplanting door middel van kloneringstechnieken, inplanting van embryonaal weefsel bij Parkinson en Alzheimerpatiënten - de grenzen tussen mens en natuur, mens en dier, mens en machine, de ene mens en de andere lijken te worden uitgewist. Weten we nog wie we zijn, weten we wie we zijn willen, wie we zijn moeten? De technologische revolutie heeft in de afgelopen eeuw ingrijpend onze omgeving veranderd; landbouw, industrie, verstedelijking, communicatie, vervoer,  oorlogsvoering – de verhoudingen tussen mens en natuur en mensen onderling zijn de laatste paar eeuwen meer veranderd dan millennia daarvoor. De omwenteling die zich in de komende decennia voltrekt lijkt ook de verhouding tot onszelf, ons lichaam en onze geest, onherkenbaar te wijzigen. Ons lichaam is geen natuurlijk noodlot meer, maar wordt met behulp van plastische chirurgie steeds meer een subjectieve, culturele constructie. Onze identiteit is niet langer het resultaat van ouders, traditie, scholing en toevallige omgevingsfactoren, maar voorwerp van planning en design.  De ‘menselijke natuur’ lijkt een contradictio in terminis te worden. 

De Oude Mens: aandoenlijk en vertederend

Linda Tripp, de vrouw die de affaire Clinton-Lewinsky aan het rollen bracht, onderging onlangs een cosmetische ingreep die haar zelfs voor haar vrienden onherkenbaar maakte. ‘Het is alsof ze hoofdtransplantatie heeft ondergaan’, zei men in hara naaste omgeving. Zij zelf gaf echter aan dat zij ‘zichzelf wilde zijn’ en ‘zich niet meer herkende in haar buitenkant.’  Zij is in de VS geen uitzondering meer. Niet alleen beroemdheden kiezen een nieuwe neus (Paula Jones), een nieuw hoofd (Michael Jackson). Liposuctie, facelifts en ooglifts, neusverkleining en borstvergroting zin niets bijzonders meer, zelfs niet voor mannen. (Juurd Eijsvogel, NRC, januari 2000) Het maakbare lichaam. Maar ook de geest lijkt plastisch te zijn geworden. De geest is geen  grillige speelbal meer van driften en gevoelens, passies en sentimenten, maar we controleren en reguleren nu agressie, seksuele opwinding, psychose en depressie met behulp van psychofarmaca.  Zo legt bijvoorbeeld een recent Amerikaans onderzoek een causaal verband tussen een extreem asociaal gedrag bij jongens en een tekort aan het stresshormoon cortisol (|Nieuwsblad van het Noorden, 15/1/2000). Wellicht anticiperen farmabedrijven al op behandelingsmethoden. Zij doen dat in elk geval zeker met vele soorten antidepressiva,  waarmee ze tegemoet komen aan de voorspelling van de Wereldgezondheidsorganisatie, dat depressie de komende eeuw volksziekte nummer één wordt. Verouderingsprocessen kunnen worden vertraagd en gestopt, de ‘overgang’ bij vrouwen uitgesteld met behulp van medicijnen. ‘Het is prettiger om negentig te worden zonder rolstoel dan in een rolstoel.  Plezierig oud worden, daar is een markt voor’, aldus een zegsman van Organon. ‘Er komt steeds meer vraag naar producten die de quality of life verbeteren. De farmacie speelt daar op in.’ (Trouw, 21/4/1999)

Ondertussen staan diverse ziekten op de nominatie te worden uitgebannen door middel van gentherapie. Op dit moment bestaat nog grote weerstand bij therapieën die in de menselijke kiembaan veranderen. Daarbij wordt niet alleen de constitutie van de behandelde enkeling, maar ook die van al zijn of haar nageslacht definitief gewijzigd.  Maar wat is daar eigenlijk tegen? AIDS,  malaria, Hepatitis B, suikerziekte, de ziekte van Huntington – een wereld waarin deze ziekten definitief zou zijn gebannen zal er toch veel vriendelijker uitzien? Hebben we goede redenen om ons ertegen te verzetten?

Begin, eind en midden van ons leven – ze worden steeds meer maakbaar. Hoever kunnen we in de constructie van de Nieuwe Mens gaan zonder dat we voor onszelf (de Oude Mens) een vreemde worden? Wat moeten we meenemen van de één naar de ander? Moeten we de Nieuwe Mens eigenlijk wel willen; is de Oude Mens met al zijn gebreken niet verkieslijker dan de Nieuwe met zijn onzekerheden?  En wie bepaalt hoe de laatste er uit gaat zien? Wijzelf, de geneticus, een dictator?  Zijn wij mensen er wel op gebouwd om onszelf te maken of is de natuur (of God) een wellicht meer onberekenbare, maar uiteindelijk betere Schepper dan wijzelf?

De wetenschapsjournalist Simon Rozendaal voerde eind 1999 in Elsevier een welsprekend ‘pleidooi voor vertrouwen in de toekomst,’ waarin hij de angst  en weerstand tegen de opmars van de biotechniek probeerde weg te nemen. De vrees voor het ‘Frankenstein-syndroom’ (zie daarvoor de bijdrage in deze bundel van Patricia Pisters)  is volgens hem ongegrond. Integendeel, we kunnen bij de technische ontwikkelingen ons voordeel doen. Rozendaal zet zijn artikel in met een ironisch portret van zowel de Oude als de Nieuwe Mens, klaarblijkelijk met de bedoeling dat we uiteindelijk toch voor de laatste kiezen.

‘In het komende millennium,  misschien al in de volgende eeuw, kunnen wij, voorzien van tekentafel en reageerbuis, eindelijk mensen maken zoals de Lieve Heer het bedoeld had. Mooi, gezond, gelukkig, goedgeluimd, sociaal, niet-agressief, niet-racistisch, niet-crimineel, beleefd, vriendelijk. Het enige wat we moeten doen is het strakke-billen-gen, het altijd-vrolijk-gen, het 120-jaar-oud-en-toch-nog-elke-dag-in-ijskoud-water-zwemmen-gen en  al die andere goede genen ontdekken en in de Nieuwe Mens stoppen en het neuspeuter-gen, het xenofobie-gen, het zinloos-geweld-gen plus al die andere slechte genen eruit halen.’    

Maar zijn beschrijving van de Oude Mens is tegelijk zo innemend en aandoenlijk, ja vertederend zelfs – zeker wanneer men hem vergelijkt met die van Houellebecq hierboven - , dat de lezer aarzelt, hem te volgen. Willen we de Oude Mens eigenlijk wel missen? Kunnen we ooit wel iemand willen?

‘De Oude Mens (de schrijver van dit artikel, maar ook u, lezer) is gebrouwen uit een allegaartje van vlinders in de buik, lichaamssappen, een liefdevolle opvoeding plus een beschavingsoffensief  van school, bedrijf, sportclub en overheid. Het ziet er soms aardig uit en af en toe is er een leuke uitschieter maar door de bank genomen doet de Oude Mens het niet bijster goed. Hij heeft vaker een gekneusde ziel dan hem lief is, is af en toe intens gelukkig maar dat duurt altijd minder lang dan gehoopt, boven de veertig groeien er weerzinwekkende haren uit zijn neus en oren en de Oude Mens heeft een onbedwingbare neiging om de boel te flessen en pepermuntjes in de collectezaak te stoppen. Neen, dan De Nieuwe  Mens. (Elsevier, 18/12/1999,15)

De portretten van de Nieuwe Mens zijn misschien aantrekkelijk en toch, we  huiveren er voor. Is hij werkelijk wel de mens ‘zoals onze Lieve Heer hem bedoeld heeft?’ Hoever kunnen we gaan met zijn constructie zonder dat hij onherkenbaar wordt? Is de nieuwe mens een ‘god’, zoals Houellebecq schrijft of een monster? Maar tegelijkertijd: als het werkelijk zo is dat we ervoor kunnen zorgen dat volgende generaties gezonder, sterker, intelligenter kunnen worden dan de onze, waarom – aldus de Britse ethicus Harris –  het dan niet als een morele plicht beschouwen om aan de realisering van die toestand bij te dragen? Ook in andere omstandigheden verplichten we onszelf en elkaar er toch toe tot lijden verminderen en geluk te vermeerderen?  Waarom in dit geval ook niet, als we dat in één klap voor alle volgende generaties kunnen doen? (John Harris, Clones, Genes, and Immortality, 1999).

De Nieuwe Mens: monster, god of facelift van de Oude? 

In deze bundel worden er geen afgeronde oordelen geveld. De lezer zal tevergeefs zoeken naar een luie leunstoelmoraal, die de maakbare mens verguist of bejubelt. Het betreft opstellen van auteurs die zich evenmin willen beperken tot algemene cultuurfilosofische beschouwingen over de verhouding mens en technologie of lichaam en machine. Zij schrijven doorgaans vanuit directe betrokkenheid bij de concrete praktijk van de geneeskunde en het medisch onderzoek (Kompanjen, Pasveer, Davis, Horstman) of vanuit hun specifieke kennis van een cultuurmedium of kunstvorm, waarin de verhouding van lichaam en techniek expliciet wordt gethematiseerd (Van Mechelen, Pisters). Twee bijdragen van een filosoof (Van Tongeren, over autonomie) en een theoloog (De Lange, over het kloneren van mensen) completeren het geheel; ook al zij ze meer beschouwend, ze verliezen de ambivalentie van de biotechnologische praktijk, die maakt dat er geen eenduidig ja’s of nee’s mogelijk zijn, niet uit het oog. 

 

Erwin Kompanjen schrijft over de verschuivingen die ons beeld van en opvattingen over leven en dood ondergaan onder invloed van nieuwe medische technieken. Zo werd door de ene groep van medici aanvankelijk de vegetatieve staat waarin een mens in ernstig en langdurig coma verkeert als een ‘nieuw levensbeeld’ ervaren en beschreven, terwijl anderen een irreversibel coma beschouwden als een nieuwe vorm van dood. Elementaire intuďties over leven en dood bieden onvoldoende houvast in de grijze gebieden waarin de hedendaagse geneeskunde ons voert. Definities lijken plooibaar, zeker wanneer er belangen in het spel zijn. ‘Zonder het belang dat anderen hebben bij het als dood-zien van de hersendoden zouden wij “whole-brain-death”ook niet als dood van de mens zien. Het belang van de ontvangers van organen van hersendoden maakt dat wij hersendoden als dood beschouwen, ’ aldus Kompanjen. Rond orgaandonatie komt vaak pregnant het conflict tot uitdrukking tussen enerzijds een moraal die put uit emoties, zich uitdrukt in traditionele taal en diep gewortelde symbolen (‘mijn hart’) en anderzijds een rationele ethiek die een beroep doet op solidariteit en medemenselijkheid, en daarbij de reductionistische mensvisie hanteert die onder medici in zwang lijkt te zijn. Welke ethiek moet ons leiden in dit schemergebied aan het medisch georkestreerde sterfbed? Kompanjen wijst op drie centrale waarden: lichamelijke integriteit (verstaan als: gaafheid en onschendbaarheid),  het lichaam als persoonlijk eigendom en de noodzakelijke toestemming van de overledene. Ze behoren  tot het ene morele complex ‘autonomie’, dat ons door de dilemma’s rondom de maakbare mens heen lijkt te moeten loodsen.  Maar wat is dat eigenlijk, autonomie, en kunnen we met de morele bagage die in dit begrip ligt opgesloten toe? In meerdere bijdragen aan deze bundel wordt dit concept verder geproblematiseerd.

 

Niet  alleen aan het eind, ook aan het begin van het leven grijpt medische technologie in in de verbeelding van ons lichaam. Bernieke Pasveer  laat dat zien aan de hand van een fenomenologische beschrijving en analyse van wat er gebeurt rondom en tijdens een echografie.  Het klassieke beeld  van autonome subjecten (de dokter of zwangere vrouw) die door middel van een technisch instrument  (transducer, monitor) samen tot kennis van een  ‘transparant’ lichaam komen blijkt een illusie. Techniek is meer dan instrument, het is een medium ingebed in een praktisch netwerk, onderdeel van een sociale praktijk, die geen van de betrokkenen onaangedaan laat. Pret-echo’s laten dat nog niet zo duidelijk zien, maar bij risicozwangerschappen blijkt dat autonomie niet als een vooronderstelling, een vast gegeven kan worden beschouwd, maar in het beste geval ontstaat in de loop van het traject. De verscheurde en verdeelde subjectiviteit van een  vrouw die moet beslissen over het al dan niet uitdragen van een zwangerschap lijkt in weinig op het ideaalbeeld van ‘een weldenkende en goedgeďnformeerde dame die in alle autonomie een besluit kan nemen’. ‘Kennis leidt niet tot autonomie, niet vanzelf’, is dan ook de conclusie van Pasveer.

Ook Klasien Horstman problematiseert en thematiseert het autonomiebegrip. Maar terwijl Pasveer dat op de vierkante centimeter deed (de zwangere buik), betrekt Horstman heel het terrein van de geneeskunde in haar beschouwing. Zij signaleert en beschrijft de ontwikkeling van een klachtgebonden-, naar een risicogeneeskunde. Daarin staat niet de behandeling van bestaande klachten, maar de voorspelling en preventie van toekomstige gezondheidsrisico’s  centraal. De revolutionaire ontwikkelingen in de genetica dragen aan deze verschuiving intensief bij. De voorspellende geneeskunde richt zich in toenemende mate op mensen die (nog) geen klachten hebben. De genetische informatie die beschikbaar komt heeft een zware impact op individuen, hun families, en uiteindelijk op heel samenleving. Ingrijpende dilemma’s over het wel of niet ondergaan van een belastend onderzoek, over preventieve borstamputaties, wel of geen kinderen, al dan niet hogere verzekeringspremies,  meer of minder privacybescherming overstijgen de dimensie van de persoonlijke levenssfeer. Toch concentreert de medische ethiek zich nog helemaal op een geprivatiseerd autonomiebeginsel, zoals dat in het principe van informed consent is veervat: meer dan dat mensen op basis van de geboden informatie ‘zelf’ over hun leven mogen ‘beslissen’ wordt er niet gezegd. Horstman  pleit er echter voor dat de rollen anders verdeeld worden: niet de dokter die de zekerheid van de informatie krijgt toebedeeld en de patiënt de onzekerheid van de beslissing, maar een gedeelde en gezamenlijke risicoafweging door alle betrokkenen (politici, beleidsmakers, verzekeraars, artsen, patiënten) – dat is het doel. Zo’n publieke ethiek is een zaak van mondig burgerschap, en hoort niet alleen thuis in de beslotenheid van de spreekkamer. 

Ook Paul van Tongeren plaatst in zijn bijdrage kritische kanttekeningen bij het autonomie-ideaal. Zijn artikel is eigenlijk eem pleidooi voor de Oude Mens, die meer in huis heeft dan hij zelf denkt. Hij wenst het oude inzicht dat ‘ziekte, gebrek en dood onvermijdelijk met het menselijk leven gegeven’ zijn, het volle pond geven. In het hedendaagse maakbaarheidsactivisme wordt dat wezenlijke kenmerk van de menselijke conditie vaak vergeten en ontkend.  Van Tongeren doet een goed woord voor ‘een ethiek van de passiviteit’ die zich baseert op het gegeven ‘dat er dingen zijn die we niet kunnen oplossen maar moeten uithouden’. Daarmee keert hij zich niet tegen activiteit, het doen als zodanig; ook hij zal willen dat de geneeskunde alles moet doen om lijden te verminderen en de dood te voorkomen.  Bovendien vereist een ethiek van de passiviteit ook actieve oefening en aandachtige toewijding. Maar wel zou Van Tongeren willen dat in de nieuwe tijd de eindigheid van de mens meer wordt doordacht en gewogen. In de hedendaagse ethiek staat bijna alleen de autonomie van de enkeling centraal. Hij of zij moet handelen, keuzes maken, beslissingen nemen. Deze ethiek verdisconteert daarmee onvoldoende de elementaire passiviteit (als ontvankelijkheid) van het menselijk bestaan. Wij maken onze morele waarden niet tot wat ze zijn, maar wij ontvangen ze. Wij worden aangesproken, voordat we zelf spreken.

Is de cosmetische chirurgie een verdorven uitwas of slechts de uitdrukking van de maakbaarheidscultuur?  Feit is dat de mythe van het maakbare lichaam hier het meest tot de verbeelding lijkt te spreken. ‘Neem het lichaam dat past bij jouw leven’, lijkt het motto te zijn, een ideaal dat met een simpele chirurgische ingreep lijkt te verwerkelijken. ‘Waarom beginnen zo veel vrouwen uit vrije wil aan een praktijk die zo gevaarlijk en, in bepaalde opzichten, zo vernederend is, als cosmetische chirurgie?’vraagt Kathy Davis zich in haar artikel af. Zijn vrouwen die ‘uit vrije wil’ tot een borstvergroting of facelift besluiten niet eerder slachtoffer van een onderdrukkend schoonheidsideaal, dan bewust subject van hun eigen leven? De praktijk blijkt bij nader onderzoek complexer dan de glossy tijdschriften  beweren. Vrouwen die kiezen voor een plastisch-chirurgische behandeling willen doorgaans niet zozeer ‘mooi’ zijn, maar vooral ‘gewoon’,  net als ieder ander’. Bepaalde aspecten van hun uiterlijk ondergraven hun zelfverzekerdheid, hun seksualiteit, hun relaties.

Hoe complex gangbare noties als subjectiviteit en identiteit zijn, en hoezeer ze op een paradoxale manier samenhangen met lichamelijkheid, blijkt uit een analyse van de ervaringsverhalen van vrouwen die een behandeling hebben ondergaan. ‘Identiteit’ blijkt een verhaal te zijn, dat sommigen alleen maar tot een zekere coherentie kunnen brengen als ze – dankzij de mogelijkheden die een hoog technologische samenleving daarvoor biedt - ingrijpen in hun lichaam.  Ze kiezen er zelf voor; maar dat ‘zelf’ blijkt pas te ontstaan als resultaat van die keuze. Lichaam en geest blijken onlosmakelijk met elkaar te zijn verbonden; zozeer in elkaar verstrengeld dat ook de concepten waarin ze worden vervat niet meer helder te onderscheiden zijn. Zo kan cosmetische chirurgie worden beschreven als een ‘uitweg om aan de gevangenschap van het lichaam te ontsnappen’, maar ook als de expressie van de wens van vrouwen om als ‘vrouwelijke subjecten in de wereld te staan in plaats van niets dan geobjectiveerde lichamen.’

Indringend beschrijft vervolgens Marga van Mechelen aan de hand van het werk van een aantal performance kunstenaressen hoe op de drempel van de 21e eeuw identiteit steeds sterker wordt gekoppeld aan het visuele beeld van het lichaam, het imago dat ervan geboden wordt, en hoe dit beeld steeds vaker technologisch wordt geconstrueerd. Posthuman was de titel van een van de voorstellingen van de Cubaanse Ana Mendieta (1948 – 1985), waarin de maakbaarheid van het lichaam werd gethematiseerd. Maar de Oude en de Nieuwe Mens lijken met elkaar te strijden: tegelijk komen daar ook de meest basale menselijke driften, ‘dat wat de mens dicht bij het dier en de  natuur brengt’ tot uiting. Aangrijpend in zijn radicaliteit is ook het werk van de Franse kunstenares Orlan, wel ‘de heraut van de posthumane mens’ genoemd. Zij is bezig met een paradoxaal project: door het ondergaan van tal van operaties – een vorm van zelfverminking zullen sommigen wellicht zeggen - herschept zij voortdurend zichzelf. De plasticiteit van het menselijk lichaam wordt in een meedogenloos spel van identiteiten tot op het uiterste op de proef gesteld. De door Van Mechelen beschreven kunstenaars zijn in haar opvatting  zowel ‘schepper en tegelijk geschapenen. Ze nemen als vrouw en als kunstenaar het heft in eigen hand.’

Autonomie of pathologie? Beschikken deze kunstenaressen werkelijk zelf over hun lijf en leden? Of zijn ze slachtoffer van een masochistisch ziektebeeld? Een enkeling onder hen heeft in elk geval deze verdenking op zich geladen. ‘Pijn’, aldus Orlan die de toeschouwer onder de aanblik van haar opengelegde gezicht vriendelijk toelacht, ‘hoort niet meer bij de posthumane mens, die afstand genomen heeft van zijn verouderde lichaam’.   

Is het shockeffect dat dergelijke performances in de toeschouwer teweeg brengt te beschouwen als nog een laatste oprisping van de Oude Mens, die nog niet goed overweg kan met de maakbaarheid van de Nieuwe? Of wordt hier ergens een Taboe,  een symbolisch oergrens overschreden? In de hedendaagse film worden de fascinatie voor de nieuwe, maakbare mens, maar ook angst en vrees voor zijn komst veelvuldig verbeeldt. Patricia Pisters beschrijft de alomtegenwoordigheid van het Frankenstein-syndroom (de nieuwe mens als monster) en de Xerox-angst (de gekloonde mens als kopie) in de science fiction. Cyborgs, chimeren, aliens, klonen  bevolken het witte doek – de grenzen tussen mens en dier, mens en machine, mens en monster worden vloeiend. In een geconcentreerde bespreking van één aflevering uit de televisieserie The X-Files  laat ze zien hoe daarin de fascinatie voor, maar ook de afschuw die de maakbare mens oproept tot een intrigerende mix  zijn samengebald. Het conflict tussen de ‘oude’, natuurlijke mens, die sterfelijk is en altijd een vader en een moeder heeft, en de nieuwe mens, gekloond in het laboratorium, gemengd met ‘alien’ bloed, wordt met een welhaast religieuze huiver en emotionaliteit opgeladen, die de hedendaagse kijker de rillingen over de rug jaagt. Pisters constateert dan dat we onszelf te kort doen als we de discussie over de maakbare mens alleen vanuit een kortzichtig rationaliteitsperspectief willen voeren. ‘De verbeelding en het on(be)grijpbare behoren een wezenlijke rol te spelen in de debatten. Pure wetenschap en pure ethiek is fictie geworden.’ 

Verraadt de emotionele weerstand tegen de maakbaarheidsidee misschien een waardevolle morele intuďtie, die we tot onze schade veronachtzamen? Frits de Lange neemt in zijn artikel tenslotte waar hoe in het debat rondom het kloneren van mensen een welhaast religieuze grensoverschrijding in het geding lijkt. De oude mens is sterfelijk, geseksueerd en individu. In de techniek van het klonen – bij het schaap  Dolly inmiddels succesvol toegepast, bij de mens wellicht binnen afzienbare tijd ook mogelijk - lijkt de onsterfelijkheid binnen bereik, vindt de voortplanting ongeslachtelijk plaats en lijkt de individualiteit te worden opgeheven. Een antropologische aardverschuiving, fascinerend en vreeswekkend tegelijk. Maar het verbodene lokt blijkbaar. Vanwaar die ambivalentie in het debat over het klonen? De Lange meent dat het rumoer in dit debat beter te begrijpen valt als men het plaatst in het licht van de oermythen van de mensheid. Hij leest het bijbelverhaal van Genesis als de mythische uitdrukking van de antropologische matrix waarbinnen we ons in het Westen bewegen. Enerzijds wenkt het perspectief van het verloren paradijs, waarin we niet zullen sterven, geen vreemde tegenover ons vinden en de last van onze individuele verantwoordelijkheid ons wordt afgenomen. Anderzijds weten we dat er geen weg terug is; dat we sterfelijk blijven, de ander een werkelijke Ander is en we zelf voor ons leven verantwoordelijk zullen moeten blijven. De Nieuwe Mens – als hij er komt - zal dan op zijn hoogst een verbeterde versie van de Oude kunnen zijn, maar niet diens vervanger.

De Nieuwe Mens: een god waarvan we dromen, een monster waarvoor huiveren, of slechts een facelift van de Oude, die ons beter in staat stelt onszelf te zijn? Wie zegt dat de toekomst maakbaar is, zal in elk geval niet meer kunnen volstaan met het antwoord: de tijd zal het leren.  Wij zijn dan zelf, met alles wat wij doen en weigeren om te doen, het  antwoord op die vraag.