ROTHUIZEN, GERARD THEODOOR, * Goes 23 febr. 1926, H Kampen 29 juli 1988. Zn. van Frans Gerardus Cornelis Rothuizen, archi≠tect en directeur Gemeentewerken, en Sophia Aardse. Marinier Royal Dutch Marines, 1945-1946. Stud. theol. V.U. Amsterdam 1946; dr. theol. 1962 (promotor: R. Schippers). Vlootpredikant 1949. Geref. pred. Uit≠hoorn 1952. Geref. studenten≠pred. Leiden 1957. Hoogl. Theol. Univer≠si≠teit Kampen (ethiek, evangelistiek, encyclopedie) 1964-1987 (emer.). Hij was gehuwd met Lťanne Maria de Roo.

R. groeide op in een geref. milieu dat gestempeld was door de dolean≠tie en volgde het chr. gymnasium te Middel≠burg. Als adolescent maakte hij de tweede wereldoorlog mee, een intense ervaring die een blijvend stempel zou drukken op zijn theol. denken. Zijn eerste geschrift handelde over de vraag of christenen wapenen mogen dragen (ObediŽren inder gherechtigheyt, 1953). "Een christen, die soldaat is - dat blijft heilshis≠torisch houdbaar", luidde de conclusie, die hij later veel te eenduidig vond. Zijn disserta≠tie bestrijkt de vraag naar de verhouding van kerk en wereld, en stelt de kwestie van het politieke gebruik van de bijbelse wet centraal (Primus usus legis, 1962). De oorlog bleef een constant thema in zijn latere geschriften. In zijn groeiende fascinatie voor het werk van de Engelse War Poets uit de eerste wereldoorlog kon R. behalve zijn voorliefde voor Engeland en zijn intensieve omgang met poŽzie, ook zijn morele en theol. verbijste≠ring over het oorlogsgeweld combineren.  In zijn woonplaats Kampen zette hij zich in voor de restauratie van de voormalige Joodse synagoge. Zijn laatste, onder grote belangstelling gegeven colleges aan de Theologische Universiteit behandelden de morele dilemma's waarvoor de Joodse Raad tijdens W.O. II zich zag gesteld. Het werk van de Duitse theoloog D. Bonhoeffer werd voor R. een levenslange metgezel, niet alleen vanwege de theologie die Bonhoeffer ontwikkelde, maar ook vanwege de moed die deze had opge≠bracht. R. sprak van aristocratisch christendom, door hem belicht in een gelijknamige studie (1967), en dat ook hij zelf voorstond en als persoon belichaamde.

R. behoorde - met studiegenoten als H.M. Kuitert en H. Wiersinga - tot de jonge na-oorlogse generatie vernieuwers in de Geref. Kerken. Door zijn artistieke stijl van schrijven, zijn voorkeur voor de paradox en zijn waardering voor het compromis werd hij nooit voorwerp van kerkelijke conflicten. Als studentenpredikant in Leiden verraste hij menigeen met zijn onconventionele stijl van optreden. De biologiestudent en latere schrijver Maarten 't Hart liep catechisatie bij hem en verhaalde in zijn autobiografie Het roer kan nog zesmaal om (1984, 235 vgl.) van zijn eerste kennismaking met R. 'Er komt een zwierige, zwaargebouwde man binnestappen, met een groot, breed voorhoofd en donker krulhaar en het meest ongereformeerde gezicht dat ik ooit heb gezien. Allereerst draagt de man al geen bril (een dominee zonder bril?  Hoe kan dat?), en verder slobbert er een blauwe trui onder een tweedjasje. Voeg daar nog aan toe dat zijn ogen vrolijk twinkelen, en let eens op zijn manier van lopen. Alsof hij bij elke pas een klein slootje moet oversteken. Lachend gaat hij zitten.'  't Hart luistert geboeid naar 'zijn losse, jongensachtige manier van vertellen' en herinnert zich R. als een 'ruim denkend, on-gereformeerd iemand die meer van poŽzie wist dan ik.'

In zijn dissertatie zocht R. naar een brede, theol. verantwoording van de chr. houding in politiek en samenleving. Hij deed dat met behulp van de twee-rijken-leer. R. onderzocht de gestalte die deze met name bij M. Luther, J. Calvijn en A. Kuyper heeft ontvangen. Hij maakte zich zelf het theol. inzicht eigen dat aan de twee-rijken-leer ten grondslag ligt, namelijk dat de verhouding tussen God en wereld zich niet eenduidig op ťťn noemer - b.v. dat van de verlossing - laat brengen. God regeert de wereld op tweeŽrlei wijze, recht≠streeks in het godsrijk en indirect via het rijk van de wereld. De schepping spreekt haar eigen woordje mee. Dienoverkomstig dient er ook tweeŽrlei ethiek - aldus de titel van R.s inaug. rede te Kampen in 1964, handelend over Calvijn - te worden beoefend. In de politiek betekent dit, dat het gebruik van geweld in het uiterste geval niet moet worden uitgesloten.

R. gebruikte de twee-rijken-leer zelden expliciet als concept, maar eerder als een centrale intuÔtie, geŽigend om het paradoxale en weerbarstige van het menselijk samenleven theologisch onder woorden te brengen. In een citaat naar aanleiding van A. Kuypers theologie dat - ook qua stijl - typisch mag heten voor R.: "Men moet niet teveel systeem verwachten in iets dat nooit helemaal `rond' te krijgen is. En dat niet (....) omdat Kuyper - dat ook! - zo'n journalis≠tiek werker was, maar ook omdat de situatie waarin hij - en wij niet minder! - zich bevond, een twee rijken situatie mag heten en dat betekent een hoogst gecompli≠ceerde." (Primus usus legis, 253).

De twee-rijken-gedachte fungeerde bij R. in een veel breder verband dan alleen dat van de politiek. "Daar breng ik het liefst alles bij onder", heeft hij eens gezegd over die leer. "Alles" - daaronder verstond R. heel de cultuur. Cultuur, in de eerste plaats in de brede zin verstaan als vormgeving van het menselijk samenle≠ven, maar ook in de betekenis van de wereld van de kunsten. In die eerste, ruime betekenis omvatte cultuur ook het terrein van de zedelijkheid, waarop R.s leeropdracht te Kampen zich concentreerde.


De boeken en artikelen die R. als ethicus schreef leggen rekenschap af van het proces van secularisatie en ontzuiling dat zich na de tweede wereldoor≠log versneld in Nederland doorzette. R. groeide op in de relatief besloten wereld van het geref. volksdeel. Zijn eerste publicaties droegen daarvan ook nog de sporen (Gesprek in de zon, 1958; Allemaal zondagen. Beschouwingen over de Heidel≠bergsche Catechismus, 1959). In de geref. theologie van de jaren 1920-1950 werd Kuypers idee van een chr. antithese tot de omringen≠de wereld princi≠pieel verstaan. Na de oorlog benadrukte R. vooral een ander aspect in het werk van Kuyper: zijn visie op de 'gemeene gratie'. De ervaring die aan diens leer van de algemene genade ten grondslag lag - dat de wereld mee- en de kerk tegenvalt (Gemeene gratie, II, 13) - moest volgens R. theol. worden geduid vanuit de overtuiging: "Het gaat God om de wereld en niet om de kerk". Deze theol. grondgedachte, die R. in het werk van A.A. van Ruler voorbeeldig zag verwoord, stelde hem in staat om het proces van ontkerkelijking niet uitslui≠tend negatief te interpreteren. R. zocht naar een theologie die de secularisatie "niet direct vanuit het geloof en toch in bonam partem" wist te honoreren. Secularise≠ring impliceerde voor hem ook verwereldlij≠king in de positieve zin van het woord. In de politiek betekent dat: neutralisering en verzakelijking; in de cultuur een zedelijke waardering voor het aardse leven als zodanig.

In het verlengde van Kuypers Gemeene gratie stond R. een open houding voor van de kerk ten opzichte van de cultuur. Het afscheid dat de Geref. Kerken na 1945 hadden genomen van hun isolement in een verzuilde samenleving beschreef R. in Een bezige bij (1980). In de ondertitel bevestigde hij niet alleen feitelijk, maar ook zonder heimwee of teleurstelling: "De gereformeerde zede bestaat niet meer". Ondertussen ging R. een intensief gesprek aan met schrijvers en kunstenaars, en met theologen buiten de geref. traditie, zoals de secularisatie≠theologen en de vertegenwoordigers van de God-is-dood-theologie (Eleneor Rigby of de dood van God, 1967). Dezen beriepen zich - naar het oordeel van R. te gemakkelijk - op Bonhoeffers idee van de mondige wereld en een niet-religieuze interpretatie van bijbelse begrippen. Terwijl binnen de kerken de secularisatie te negatief werd beoordeeld, gebeurde hier het omgekeerde. Een ongekwalificeerde waardering van het aardse gaat op kosten van het hart van de religie. Dat hart klopte voor R. in het gebed, waarin de directe en onherleidbare verhouding van de mens tot God tot uitdrukking wordt gebracht (Ethiek en gebed, 1976).

Al behoorde de ethiek tot zijn hoofdtaak, R. beperkte zich daartoe in zijn belangstelling geenszins. Zijn vele publicaties bestrijken het terrein van de vakethiek - zo hij schreef o.a. een inleiding in de ethiek, Wat is ethiek? (1973) en een monografie over suÔcide, Afspraak met de dood (1972) - maar vooral het algemene gebied van de verhouding van theologie en cultuur. In nauwe samen≠wer≠king met zijn naaste collega in Kampen, O. Jager, verbreedde hij het vak evangelis≠tiek te Kampen tot cultuurtheologie, met cultuur opgevat in de brede zin van het woord. Daarbij hoorde bijvoorbeeld ook het polderlandschap rondom Kampen, voor het behoud waarvan hij zich inzette. De literatuur, met name de poŽzie, en de beeldende kunst genoten R.s intensieve belangstelling. Deze artistieke interesse scheidde R. niet strikt van zijn theol. werk. Hij zocht veeleer naar een persoonlijke integratie. In een kenmer≠kende essayistische stijl schreef R. onder meer "overdenkingen tussen theologie en poŽzie" (God als vraag, 1974) en een aantal beschouwingen over moderne Ned. literatuur, o.a. Steen of stroom? (1969) en `O, hou mij vast vanuit de verte...' (1977) en Eng. poŽzie ((met R. Van Riessen en A.Runia), Aan de Jabbok. Religie en rebellie in de poŽzie van Emily Dickinso, 1989)).

 

G e s c h r.: Zie: J. Massier, Bibliografie. In: Het leven is meer dan ethiek, 222-229. - Voorts: Uiterste innigheid. Ter gedachtenis, Baarn 1988.

L i t.: Het leven is meer dan ethiek. Studies aangeboden aan G.Th.R., Kampen 1987 (met foto). - F. de Lange, Vroom en mondig. De theologie van G.Th.R. (1926-1988). In: GTT, XL (1990), 1-29. - Herdenkingsartikelen: A. Jelsma, Trouw, 1 aug. 1988; J.T. Bakker, Jaarboek Gereformeerde Kerken in Nederland, jg. 1989, 528 vlg.

            F. DE LANGE