"De aencleevende sieckte"

De pest in Tilburg voor 1630
(dit artikel is gepubliceerd in: Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur, jrg. 13 (1995), nr. 1, pp. 3-13;)


Aanleiding

Tijdens het beschrijven van stukken uit de collectie varia van het oud-rechterlijk archief van Tilburg stuitte ik op stukken over een heersende pestepidemie in zomer en najaar van 1625. Dat was voor mij de aanleiding om een onderzoek te starten naar pestepidemieŽn in Tilburg. Daarbij probeerde ik ook gegevens te verzamelen over de gevolgen die deze epidemieŽn hebben gehad op Tilburg en haar inwoners. Het onderzoek is nog niet afgerond, maar er is al genoeg materiaal voorhanden om een soort tussenverslag te maken. Zo moet de lezer het onderhavige artikel dan ook beschouwen.

Een pestmeester met masker tegen de kwade dampen Een pestmeester die de zieken verzorgde, droeg een lange jas en een masker dat leek op een pinguÔn-bek. Dit masker was gevuld met kruiden (o.a. jeneverbessen en het boerenwormkruid) om de kwade dampen tegen te gaan


Wat is pest?

Allereerst is het van belang te weten wat de ziekte nu eigenlijk inhoudt. Er bestaan twee vormen van pest: builenpest en longpest. Medici zijn, op grond van de historische beschrijvingen, tot de conclusie gekomen dat de builenpest de meest voorkomende vorm was. De karakteristieken van de builenpest zijn:
- de geringe besmettelijkheid van mens op mens. De rat is de bron van    besmetting voor de mens, geval voor geval;
- de ziekte is gebonden aan de woning (huisratten);
- de begunstigde invloed van een gematigd warm klimaat of jaargetijde;
- het hardnekkig blijven hangen van de ziekte.
Er kwamen ook gemengde epidemieŽn van builenpest en longpest voor. In sommige gevallen raakten in een builenpestepidemie de longen van de getroffenen besmet.
De patiŽnt kreeg dan longpest, die hij direkt kon overdragen op ander mensen via spreken en hoesten.
In het geval van de builenpest vond de besmetting uitsluitend plaats doordat een rattevlo met de pestbacterie besmet bloed heeft opgezogen en vervolgens probeert bloed te zuigen bij een mens. Er was een incubatietijd van enkele dagen. Daarna volgden de eerste symptomen. De lympheklieren in lies en oksel raakten ontstoken en gingen opzetten. Dit ging gepaard met ettervorming en bloedingen. De opgezette klieren gaven de naam 'builenpest' aan deze ziekte, terwijl de donkere kleur de naam 'zwarte dood' deed ontstaan. De pestbacillen kwamen in de bloedbaan terecht en infecteren de inwendige organen, waar weefselafbraak en ettering plaatsvond. Als gevolg daarvan overleed de patiŽnt.1
De pest heeft een bonte verzameling benamingen meegekregen. We zagen hiervoor al de term 'zwarte dood'. Zo sprak men ook over de haestige ziekte, een uitdrukking die vooral aangaf hoe snel de pest kon toeslaan, en de Gave Gods. De laatste naamgeving kwam voort uit de diepgewortelde overtuiging dat de mensheid op het verkeerde pad was en de pest als straf van God aan de mensen was opgelegd. De ook gebezigde naam contagieuse sieckte slaat op de besmettelijkheid van de pest.


Oorzaken van de pest

De rattevlo Xenopsylla cheopsis was verantwoordelijk voor de verspreiding van de pest. Dit is een subtropische, dus uitheemse vlooiensoort die zich hier slechts in kleine populaties in leven kon houden in warme ruimten of in rattenesten. Een voortdurende aanvoer van nieuwe ratten en vlooien was dus noodzakelijk om de ziekte in onze streken te houden. De groeiende handel met de Levant en Noord-Afrika, en ook binnen Europa, was de reden dat de pest niet meer verdween uit Europa tussen 1347 en het midden van de zeventiende eeuw. Voortdurend was er in Europa pest onderweg van de ene plaats naar de andere plaats en van de ene epidemie naar de andere epidemie. De pest was endemisch geworden in Europa. Inheemse vlooiensoorten speelden hooguit een aanvullende rol tijdens epidemieŽn, maar waren niet verantwoordelijk voor het verspreiden van de pestbacterie.
De rattevlo heeft normaal gesproken geen interesse voor mensenbloed. Pas wanneer de ratten massaal als gevolg van de pest zijn gestorven, zoekt de vlo een andere gastheer. Recentere ontdekkingen hebben aangetoond dat de pestbacterie lange tijd zelfstandig kan blijven leven in de grond, ook nadat ratten en vlooien zijn verdwenen. Wanneer nieuwe insekten deze plaats bereiken, kan de pestbacterie zich gaan verspreiden en kan er een nieuwe epidemie uitbreken.2
Op de omvang van een pestepidemie waren meerdere factoren van invloed. De weersomstandigheden speelden een belangrijke rol daarin. Er bestond een duidelijk samenhang tussen het voorkomen van droge, warme zomers en het voorkomen van grote epidemieŽn, die meestal hun top bereikten in de nazomer en herfst. Daarnaast kon slecht weer misoogsten veroorzaken, die de voedselvoorziening in gevaar brachten wat dan weer gevolgen kon hebben op de weerstand van mensen.
Er is tevens een samenhang te ontdekken tussen wijdverbreide oorlogen, o.a. de Dertigjarige oorlog, en het opleven van de pest. De legers, met name die uit de zuidelijke landen, brachten de ziekte vaak mee. Bovendien legden de legers een druk op de plaatselijke bevolking, die de soldaten van voedsel moesten voorzien. Daardoor ontstond in sommige gevallen schaarste aan en duurte van voedsel. Met name in steden kwam daar nog bij dat door uitbreiding van garnizoenen de hygiŽnische situatie, die toch al niet florissant was, verslechterde. Bij belegeringen speelde dit alles evenzeer een rol.
In het algemeen waren de hygiŽnische omstandigheden niet best. Met name het niet afvoeren van afval zal een rol hebben gespeeld bij de uitbreiding van de populatie huisratten.3

Hasseltplein in 1928 met 17de eeuwse bebouwing Deze foto van het Hasseltplein uit 1928 geeft nog de authentieke zeventiende-eeuwse bebouwing te zien, de tijd dat er veel pestepidemieŽn heersten

In hoeverre dit alles in een uitgestrekte plattelandsgemeente als Tilburg een rol heeft gespeeld, is nog niet afdoende onderzocht. Toch lijkt het erop dat bovengenoemde factoren van invloed zijn geweest voor de korte, opeenvolgende perioden van de pest in Tilburg.
De pestepidemieŽn aan het eind van de zestiende eeuw vielen in een periode waarin het een komen en gaan was van kleine en grote groepen soldaten. De zomer van 1603-1604 was droog en warm, en inderdaad zijn er pestgevallen in de jaren 1603-1604.
Het is eveneens opvallend dat in de periode van het 12-jarig bestand (1609-1621) er in Tilburg geen sprake was van pest, terwijl in het eerste jaar na het bestand, 1622, een besmettelijke ziekte heerste, waarvan de pastoor van Tilburg beweerde, dat die door de Boheemse soldaten was meegebracht. De epidemie van 1625-1626 voldeed aan twee van de bovengenoemde voorwaarden: de zomers van 1623-1624 waren erg warm geweest en het beleg van Breda (door de Spanjaarden!) zorgde voor nogal wat extra militaire activiteit in Tilburg.


Bestrijding van de pest

Bij de bestrijding van pestepidemieŽn werden de 16de en 17de eeuwse arts en bestuurder gehinderd door het ontbreken van elementaire kennis over de manier waarop de ziekte zich verspreidde. Zij wisten de relatie tussen ratten, rattevlo, mens en pest niet te leggen. Toch moeten deze epidemieŽn vooraf zijn gegaan door een aanzienlijke rattesterfte.
De oorzaak van de pest legde men in die eeuwen met name bij God, zoals hierboven al is opgemerkt. Ondanks deze overtuiging besloten vele bestuurders tot praktische maatregelen om in ieder geval de ziekte enigszins in bedwang te kunnen houden.
De meest toegepaste bestrijdingsmethode was de quarantaine. Dit woord zou zijn ontstaan uit het Italiaanse quarante, de periode van 40 dagen dat een schip voor de kust moest blijven liggen als het uit gebieden kwam waar besmettelijke ziekten heersten. In die periode zou een eventuele ziekte zich bij de opvarenden openbaren. Een periode van 6 weken (=42 dagen) vinden we ook regelmatig in de bronnen terug. Een pestverzorger moest na het overlijden van zijn patiŽnt(en) 6 weken geÔsoleerd blijven voordat hij zich weer onder de mensen mocht begeven. In 1599 kwam enkele keren een quarantaineperiode van drie weken voor.4 De quarantainemaatregelen golden niet alleen voor de woningen waarin pestslachtoffers woonden, maar konden ook voor dorpen, steden en regio's gelden.
Vaak ontstonden in pestperioden ook maatregelen die met de afvoer van afval verband hielden. De kwade dampen, rottende etenswaren, stinkende vuilnishopen e.d. beschouwde men ook als veroorzaker van ziekten. Indirect was dat natuurlijk ook zo; vuilnishopen en etenswaren trekken ratten en ander ongedierte aan, wat de gezondheid niet ten beste kwam.
Bekend zijn de afbeeldingen van de pestmeesters die met hun lange pinguÔn-bek, gevuld met kruiden om de kwade dampen tegen te gaan, de ziekte zo goed en zo kwaad als het ging bestreden.
De artsen en doktoren stonden voor een hopeloze opgave, waarbij hun medische kennis tekortschoot, hoewel ze ongetwijfeld hun best deden om de pestlijders te helpen.


Pest of een andere ziekte?

Het woord 'pest' of 'pestilentie' is in het verleden vaak gebruikt als een verzamelnaam voor zeer besmettelijke ziekten. De vermelding van het woord 'pest' in een bron hoeft dan ook niet altijd te betekenen dat het 'de pest' betrof. Wanneer er slechts een enkele vermelding te vinden is, kan dientengevolge nooit zekerheid bestaan over het voorkomen van deze ziekte. Er onstaat meer zekerheid naarmate de vermeldingen veelvuldiger zijn. De grootste zekerheid vinden we pas als er meerdere ziekten in hetzelfde jaar of dezelfde periode genoemd worden in de bronnen. In dat laatste geval kunnen we ervan uitgaan dat de doktoren in staat waren de verschillende ziektebeelden te onderscheiden.
Dat laatste doet zich in Tilburg voor. Vanaf de late zestiende eeuw zijn de bronnen duidelijk voor wat betreft de ziekte die heerste. Het meest sprekende voorbeeld daarvan vinden we in de rekening van de tafel van de Heilige Geest over de periode 1594-1604. In deze periode was de pest in Tilburg aanwezig en komt in die rekening voor naast de tering, kinder, spaanse en wijntpokken en root melisoen (=rode loop).5 Hetzelfde geldt voor de voogdij- en boedelrekeningen. Blijkbaar waren de doktoren in Tilburg, in die periode o.a. Peter Adam Wijten en zijn zoon Adam Peter Wijten, goed in staat te onderscheiden welke ziekte het betrof.


Pest in Tilburg

De eerste vermeldingen van de pest in Tilburg en Goirle betreffen meestal slechts een enkele vernoeming in een akte. De oudste die tot nu toe bekend is, dateert uit 1449. In een akte uit het Oisterwijks schepenprotocol is daar sprake van de Godsgave of haestigen dood in Tilburg. De vrouw van Claes Jan Maes, de twee kinderen, haar vader, moeder en haar dienstmaagd waren er het slachtoffer van geworden.6 In 1533 verkochten de kinderen van wijlen Pauwels Heijn Gerit Smolders en Gulleke een stuk grond in de Stokhasselt. De opbrengst van die verkoop was nodig om schulden te betalen die ze hadden moeten maken ten tijde van de pest.7 Op 21 april 1578 verklaren getuigen dat Peter Jan Peter Heijsten aan de pest is overleden in Tilburg. Hij was buiten Tilburg besmet geraakt, daarna naar zijn vaders huis gegaan waar hij, kort voor 21 april, overleed.8 In 1588 of kort daarvoor overleed Wouter Soffaerts, inwoner van Goirle en rector van het altaar van de Heilige Catharina en Barbara in de kerk aldaar, aan een besmettelijke ziekte.9
Op het eind van de zestiende eeuw, wanneer het aantal bronnen toeneemt, komen meer gegevens over de pest voor. In onderstaande tabel zijn de vermeldingen van de pest opgenomen zoals die voorkomen in de rekeningen van de tafel van de Heilige Geest (armenzorg) en de voogdij- en boedelrekeningen. De rekeningen van de armentafel zijn chronologisch opgemaakt en geven daarom een behoorlijk nauwkeurige tijdsbepaling. We moeten daarbij echter niet vergeten dat betalingen vaak achteraf plaatsvonden, zodat we niet blind kunnen varen op alle data die genoemd zijn. Uiteraard betreft het hier uitsluitend mensen die door de armentafel zijn begraven en geven deze cijfers slechts een deel van de werkelijke aantallen.
De voogdijrekeningen vormen een andere bron die informatie geeft over het voorkomen van de pest. In tegenstelling tot de rekeningen van de armentafel is er lang niet altijd sprake van een chronologische volgorde. Ondanks die handicap zijn er veel gegevens uit naar voren te halen.

Tabel 1.
Vermeldingen van pestgevallen in rekeningen van de tafel van de Heilige Geest en de voogdij- en boedelrekeningen.

periode

1574-1576
1585-1587
1599
1602-1604
1625-1626

armenrekeningen

4
28
12
9
73

V&B-rekeningen

-
10
3
4
20


Dat de pest niet de enige ziekte was die de Tilburgers trof blijkt uit het feit dat in 1596-1597 de rekening van de armentafel tenminste dertig vermeldingen geeft van personen die ziek zijn van het root melisoen. Daarvan overlijden er 13 voor rekening van de armentafel zijn begraven.10 Daarnaast komen in beide bronnen enkele keren de volgende ziektes voor: de Mansvelder ziekte, de kinderpokken, de wijntpocken, de spaanse pokken en de tering.
In 1622 was er ook sprake van een besmettelijke ziekte waarvan niet eenduidig kan worden vastgesteld of het de pest betrof. Volgens de toenmalige pastoor was deze ziekte door Boheemse soldaten in het land gebracht en kostte aan meer dan 200 mensen het leven.11 Inderdaad staan er in het begraafregister 165 begraven personen genoteerd. In de armenrekening 1621-1623 betaalde de armentafel op 10 september 1622 voor een begrafenis van een duijtser die hier stierf.12 Was dat ťťn van de door de pastoor bedoelde Bohemers? In de armenrekeningen en voogdijrekeningen is verder geen sprake van de pest, maar van de quade sieckte (twee maal), de Manssvelders sieckte (tweemaal), de contagieuse sieckte, en de haestige sieckte.13 Of het hier nu daadwerkelijk de pest betrof....


Tilburgse maatregelen tegen de pest

Op welke manieren probeerden dorpsbestuur en doktoren in Tilburg de pest te bestrijden? Zoals al eerder aangeduid was er eigenlijk maar ťťn remedie: de quarantaine.
In de dorpsrekening van 1586-1587 is sprake van een pestmeester: mr. Joris. Aangezien het dorpsbestuur hem betaalde, moet hij ook door het bestuur zijn aangesteld. Hij hield domicilie in de school op het terrein van de kerk aan de huidige oude markt. Daar was voor hem een slaapplaats ingericht. Bovendien is er een post voor kruiden en specerijen die uit een apotheek in 's-Hertogenbosch waren gehaald. Ook in de dorpsrekening van 1598-1599 komt een pestmeester voor. Nu krijgt Anneken Jan Beris van Oerle drie gulden en tien stuivers voor het vegen en schoonmaken van de school. Het is niet duidelijk of de school alleen in gebruik was als 'praktijkruimte' voor de pestmeester, of dat daar een soort tijdelijk pesthuis was ingericht.14 Op 21 augustus 1599 ontboden de heiligegeestmeesters een pestmeester.15 Het kan zijn dat het dorpsbestuur een second opinion wilde ten aanzien van de diagnose 'pest'. Het kan ook zijn dat de epidemie dermate hard toesloeg dat de plaatselijke artsen het niet meer aankonden. Over de daadwerkelijke motieven om een pestmeester in Tilburg aan te stellen tasten we vooralsnog in het duister, temeer omdat bij latere pestepidemieŽn een dergelijke functionaris niet meer in de bronnen opduikt.
Het bestuur van de heerlijkheid Tilburg en Goirle vaardigde in geval van besmettelijke ziekten ordonnanties uit die de ziekte moesten beteugelen. Het betrof uitsluitend zgn. quarantaine-maatregelen, d.w.z. de zieken en gezonden moesten strikt gescheiden blijven en het verkeer van mensen en goederen van en naar besmette plaatsen legde men aan banden. Het eerste bewijs van een dergelijke ordonnantie stamt uit 1616. In dat jaar overleed in Tilburg Willem Anthonissoon van Helmont aan de contagieuse sieckte der pestilentie. De daaraan verbonden onkosten betaalde men met de goederen die hij had meegebracht en daarvan moest natuurlijk een verantwoording worden opgemaakt. Die verantwoording, opgemaakt op 13 september 1616 door Herman de Roij, begint als volgt: Inden iersten alsoo voor den kercke bij sondaegse proclamatie was verboden op seecker pene dat niemant alhier binnen Tilborch en soude comen logeren, vuijtter ennige geinfecteerde plaetsen, ten ware sij brachten certificatie, dat sij vuijt egeene geinfecteerde plaetsen als boven en quamen, is desen nijettegenstaende die voors. Willem inde kermisse weke lestleden alhier binnen Tilburch gecomen .... Willem was opgepakt en moest 36 gulden boete betalen voor zijn aanwezigheid in Tilburg. Zijn paard, kar en goederen werden geconfiskeerd en na zijn overlijden verkocht om daarvan de kosten te betalen.
Er heerste in 1616 inderdaad de pest o.a. te Veghel en 's-Hertogenbosch. De genoemde maatregel was dus bedoeld om de gevreesde ziekte buiten de heerlijkheidsgrenzen te houden. In een dorp als Tilburg was het gewoonte, bij ontstentenis van een stadhuis, dergelijke ordonnanties in de kerk voor te lezen, overigens tegen de zin van de bisschop van 's-Hertogenbosch.16 In dat geval was men er zeker van dat iedereen er kennis van zou nemen. De mensen die zijn lijk hadden gewassen en gekist moesten in een hut gaan wonen en mochten drie weken lang niet onder het volk komen. Zij kregen voor hun werk 60 gulden. Bovendien werd de hut in orde gemaakt voor bewoning en kregen ze eten en drinken geleverd. De dekens van St. Sebastiaan hadden het pestlijk begraven.17 Overigens komt er in de bronnen uit die periode verder geen melding van pestgevallen voor. Blijkbaar hadden de maatregelen het gewenste effect.

De ordonnantie van 25 oktober 1625 De ordonnantie van 27 oktober 1625 omvatte tien artikelen waarmee men de pest probeerde in te tomen

Een ordonnantie van 27 oktober 1625 is in zijn geheel bewaard gebleven. Op dat moment heerste de pest al geruime tijd in Tilburg en beleefde waarschijnlijk zijn hoogtepunt in het najaar. De ordonnantie omvatte tien artikelen waarmee men de pest probeerde in te tomen. De straffen logen er niet om. De boetes varieerden van tien tot vijftig gulden en in het ergste geval mocht men overtreders neerschieten. Als eerste was het verboden om wol, huisraad, vee e.d. vanuit andere plaatsen naar Tilburg te vervoeren. Voor het ontvangen van personen uit andere plaatsen was toestemming nodig van de officier. De boete op overtreding hiervan bedroeg vijftig karolus gulden voor beide artikelen.
De bewaarders van de zieken mochten het huis en erf van het pesthuijs niet verlaten op straffe van doirschieten!
Om de verspreiding van de ziekte binnen het dorp te voorkomen was het de inwoners, waar de haestige sieckte is, oock alwaer de haestige coortsen of Mansvelders sieckten sijn niet toegestaan om onder de mensen te komen. Daarnaast was het verboden om uitvaarten, bruiloften, kraamfeesten e.d. te houden.
De inwoners moesten deze regels, waarschijnlijk volgens een soort rooster, zelf bewaken. Ze mochten dronkaards en moedwillige overtreders opbrengen en kregen daarvoor een beloning die varieerde van een ton bier tot twee gulden. Dit was natuurlijk bedoeld om het wachtlopen te bevorderen en de waakzaamheid te vergroten. De straf op overtreding van dit artikel was acht dagen daarvoor al gepubliceerd. De inwoners van Tilburg mochten ook niet buiten het dorp gaan dorsen, tenzij ze daarna zes weken, de hiervoor al aangehaalde quarantaineperiode, buiten het dorp bleven. Ten slotte mocht het huisvuil, de stalmest en grond niet worden vervoerd.18
Hoewel de doktoren in die tijd geen idee hadden hoe de pest te bestrijden, komen we in de diverse rekeningen posten tegen voor dranken en medicijnen ten behoeve van de pestlijders. In het schepenprotocol van Hilvarenbeek staat een recept vermeld dat bescherming zou bieden tegen het krijgen van de pest: Neempt een haesnoot daer een gat in is ende doet die voll quicksilver ende dat met groen oft root wasch toe ende dan in een doexken oft cusken geneijt aenden hals dragen.19 In de voogdijrekeningen komen bij bijna elke vermelding van de pest posten voor over geleverd cruijt voor de pesthuizen. Deze kruiden verwerkte men in dranken die verlichting, en liefst nog genezing, moesten brengen voor de patiŽnten.20 In sommige gevallen worden gember, foelie, suiker, noten (hazelnoten?), nootmuskaat en saffraan genoemd.21 Enkele keren zien we uitgaven voor bakelaer (laurierbes) en boonkers hoolwortel (een geneeskrachtige plant).22 Deze kruiden kwamen voor een groot deel uit apotheken in Breda en vooral 's-Hertogenbosch. De huisapotheek van de Tilburgse doktoren was waarschijnlijk niet voldoende uitgerust om tijdens epidemieŽn alle zieken te kunnen helpen. In andere gevallen is sprake van medicijnen.23 In 1599 maakte Adam Peter Wijtens met o.a. suiker en bier een drankje voor de pestzieken.24 In datzelfde jaar is ook sprake van het veneetsche driakel (driakel = tegengif)25, ceropen en pulveris liberantis.26 De schrobbers, hun patiŽnten en de gezonde mensen kregen een menu van rundvlees en witbrood, terwijl ook zuivel en eieren voorkomen.27 In ťťn geval kocht men witten wierock, waarschijnlijk met het doel om de kwade dampen te bestrijden die de pest zouden veroorzaken.28
Enkele rekeningen spreken van bedevaarten die door nabestaanden of familie van de overledenen waarschijnlijk zijn gehouden uit dankbaarheid dat zij de ziekte hadden overleefd. De meeste van deze bedevaarten gingen naar Boxtel (verering van het Heilig Bloed)29, een enkele ging naar Chaam (verering van Antonius Abt, een pestheilige).30

De Markt te Tilburg in 1742 door Jan de Beijer De Markt in 1742 door Jan de Beijer. Voor de kerk was het omheinde kerkhof met toegangspoort gelegen. Tijdens de pestepidemie van 1586-1587 hield de pestmeester mr. Joris domicilie in de school op het terrein van de kerk


Zieken en gezonden

Wanneer leden van een gezin de symptomen van de pest vertoonden trokken de gezonde personen weg uit het huis en gingen in hutten wonen aan de rand van het dorp. In het geval van Michiel en Jan Huijbert Michiel Soffaerts was er zelfs sprake van dat zij waren gevlucht vuijten pesthuijse. En schijnbaar zo snel dat ze geen tijd hadden om kleren mee te nemen en dus nieuwe moesten kopen voor 22 stuivers.31 De twee dochters van Jan Willem Vrancken die in 1599 niet door de pest waren besmet, woonden in een hut gedurende negen weken. De hut werd opgelapt met stroij, latten, banden, ligaerde. Wanneer op 4 september 1599 Jacop Cornelis Mertens en Denis Jan Jeronimus vanuit een pesthuis in Breda naar Tilburg komen, moeten ze drie weken in een hut wonen, op kosten van de armentafel. Jacop Cornelis Mertens is blijkbaar teruggegaan naar Breda (was hij schrobber?) want op 27 november komt hij weer terug uit die stad en ondergaat dezelfde procedure.32

De pest maakte geen onderscheid tussen arm en rijk. Zo overleden tijdens de epidemie van 1625-1626 de secretaris van de heerlijkheid Tilburg en Goirle, Peter Nobels op 30 juli 1625 en de pastoor van Tilburg, Petrus van Emmerick op 1 september 1625.33
Het pesthuis was besmet gebied zoals we hiervoor al gezien hebben. Zo'n huis diende men te vermijden. Een voorbeeld daarvan vinden we in een testament van 23 oktober 1624. Vicaris L. Leppens was bij Anthonis Janssen, ziek van een contagieuse sieckte, en maakte daar het testament op waarbij Anthonis zijn bezittingen vermaakte aan zijn vrouw Aentken en de armen en voorwaarden stelde t.a.v. zijn begrafenis. Getuigen wilden niet in het huis komen, dus de vicaris had het testament datelijck voor de gebueren vuijtgeroepen die om de aenclevende sieckte int huijs niet en derfde comen.34

De scheiding van zieken en gezonden bracht het probleem van de verzorging met zich mee. De besmettelijkheid van de pest maakte het niet altijd makkelijk om verzorgers te vinden. Zo lezen we dat Wouter Catten op 17 februari 1625 een kind naar het heiligegeesthuis bracht omdat het was geÔnfecteerd met de pest. Niemand wilde het kind opnemen en verzorgen. Wouter verzorgde toen het kind ťťn dag en ťťn nacht waarna het overleed.35 Hoewel de verzorging van pestlijders regelmatig binnen de eigen familie plaatsvond, trok men heel vaak schrobbers en schrobsters aan. Hun 'beroepsnaam', schrobber, hebben ze waarschijnlijk te danken aan het schoonmaakwerk dat zonder uitzondering volgde op het al dan niet fatale einde van de zieken. In bijna alle voogdijrekeningen waarin van de pest sprake is, komt onvermijdelijk een uitgave voor seep voor. Het is zeer waarschijnlijk dat een deel van de schrobbers overlevenden waren van eerdere pestepidemieŽn. Ondanks de verhalen overleed niet iedereen aan de pest. Op 27 juli 1599 raakten Engelken, echtgenote van Jan Gerit Jan Laureijs Eelkens en haar dochter Alijt besmet met de pest. Beiden werden bediend door de kapelaan. Engelken overleed op 7 augustus te negen uren voor de middach. Alijt bleef in leven en na ruim zeven weken, op 18 september, kon het pesthuis door de overlevenden weer betrokken worden.36 Iets dergelijks overkwam eveneens Tielman Jan Beris van Oerle tijdens de epidemie van 1625-1626. Tielman en zijn vrouw raakten in januari 1626 besmet mette gave.37 Hij overleefde echter de ziekte. Zijn vrouw, Heijlwich de Canter, overleefde de pest niet en voor haar en twee van hun kinderen, Bartel en Alit, is in maart 1626 de uitvaart gehouden.38
Wanneer je een besmetting had overleefd, was je immuun bij een volgende epidemie. Deze immuniteit kon men te gelde maken door schrobber te worden. Het risicovolle werk dat deze mensen deden kreeg een heel behoorlijke beloning. Er waren dan ook schrobbers die het niet overleefden. Zo schreven de dekens van het St. Sebastiaansgilde in hun boek waarin ze de opgehaalde pestlijken noteerden, dat op 6 augustus 1625 Trijn Jan Dries en de schrobber bij de rietmaker zijn begraven.39
Wanneer familie en/of buren niet in staat of bereid waren de gezonde gezinsleden op te vangen werden ook schrobbers/verzorgers aangetrokken om hen te verzorgen. De voogden van Jan en Catharijnen, onmondige kinderen van wijlen Andries Huijbert Salen en Geertruijdt Henrick Geridt Smolders betaalden op 7 oktober 1587 aan Huijbertken van Enschot en Marijken Joost Bacx respectievelijk 23 en 25 gulden voor het dienen in het pesthuis. Jan Peter Jan Laukens ontving een vergoeding omdat hij seeckeren tijdt inden pesthuijse oijck hadde gedient. Daarnaast kreeg Lijsken, weduwe van Jans van Aerl, negen gulden voor het verzorgen van het jongste kind in de hut.40 Ook Jan, Neelken en Jenneken kinderen van Andries Cornelis Pauwels en Peterken Jan Willemss Verschueren woonden in een hut en een schrobster verzorgde hen tijdens dezelfde epidemie van 1587.41 Het waren overigens niet alleen vrouwen die de pestzieken verzorgden. Mathijs Gielis was werkzaam geweest in het pesthuis van het gezin van Adriaen Willemssoon van Gilze en Adriaenken Jan Thomas.42 Pauwels Wouter Adriaensson werkte in het pesthuis van de onmondige kinderen van wijlen Jan Cornelis Cornelis Danielssoon en Aleijdt mr. Henrick Zwijsen.43 In het pesthuis van Laureijs Pauwels Wouterssoon schrobde Jannen den Schrobber.44 Henrick van Riel en Adriaen Bullen waren schrobber in het pesthuis van de kinderen van Jan Peeter Adriaens en Sentken Cornelis Willem Marcelis Haermans. Peter Goijaert Jan Melis komt in twee rekeningen voor als schrobber,45 en ook Jan Peeter Jacops was schrobber.46
De eerdergenoemde Adriaen Bullen was schrobber geweest voordat men ennighe schrobbers cost becomen.47 Bij grote, uitgebreide epidemieŽn, die vele steden en dorpen troffen, ontstond een tekort aan schrobbers binnen de eigen gemeenschap of de directe omgeving daarvan. Dan ging men op zoek naar schrobbers in gebieden die verder weg lagen zoals Holland. In de rekening van de tafel van de Heilige Geest uit 1599 staat dat het huisgezin van Jan Willem Vrancken getroffen was door de pest. Daarvoor vergoedde de armentafel o.a. aan Jan Cornelis uit Haerlem ende sijne huijsvrouwe (..) voor negen weken te schrobben inden voorschreven pesthuijs tsamen de somme van XVIII gulden.48 Een voogdijrekening uit 1627 vermeldt dat Adriaen Peter Adriaens, een van de voogden van de kinderen van Jan Peter Adriaens en Sentken Cornelis Willem Marcelis Haermans, drije daghen vuijt was geweest in hollant bijde stadt Rotterdam omme schrobbers te crijghen.49 De voogden van de kinderen van Nicolaas Anthonis Spijkers en Adriana Adriaen Reijnier de Groot betaalden een schrobster uit Breda en ťťn uit 's-Hertogenbosch.50 In enkele gevallen moesten de schrobbers ook het lijk kisten. Normaal deed iemand van de familie dat, zoals Jan de Wael dat deed bij zijn zoon of broer Hendrik Jan de Wael51, maar wanneer niemand voorhanden was, waarschijnlijk tijdens het hoogtepunt van de epidemie, moesten de schrobbers kisten. Daarvoor kregen ze apart betaald. Zoals de schrobster die Peter Cornelis Meussen moest kisten en daarvoor vijf gulden ontving.52
Een gezin dat door de pest was getroffen bleek vaak niet in staat de noodzakelijke werkzaamheden op het land uit te voeren. De gezonden zaten in de hutten en kwamen liever niet in de buurt van het besmette huis. Het kon ook zo zijn dat het gehele gezin besmet was, of de kinderen nog te jong waren om het zware landwerk te doen. In die gevallen huurde men arbeidskracht die het graan zaaide, oogstte, dorste of het vee verzorgde. Ook hiervan komen regelmatig vermeldingen voor in de voogdij- en boedelrekeningen. Toen het gezin van Jan Jeronimus van Holten in 1583 door de pest werd getroffen betaalde hij aan Wijnandt Henricxz. opt Laer voor zijne huere ende arbeijtsloon dat hij geholpen heeft inden pesthuijse om het messte vuijt te vueren den rogge te saeijen ende thuijs te buenen.53
Rond 1586 hielp Peter Adriaenss van Goirlle de weeskinderen van Meus Cornelis Meussoon en Cornelia Claes Michielss. Hij had den rogtasse (...) helpen vuijtdorssen ende den rogge helpen saijen.54 Dezelfde wezen ontvingen ook hulp van de kinderen van Jan Henricks Wouters: zij hoedden en voedden de schapen.55

St. Sebastiaan was een bekende pestheilige St. Sebastiaan was een bekende pestheilige op wiens hulp en voorspraak kon worden gerekend ten tijde van de pest. Hier is hij afgebeeld op het medaillon uit het oude (negentiende-eeuwse of vroegere) vaandel van het Tilburgse schuttersgilde (Coll. Het Koninklijk Handboogschuttergsilde 'Sint Sebastiaan', Tilburg)


Het schuttersgilde van St. Sebastiaan

In de heerlijkheid Tilburg en Goirle waren het de dekens van het St. Sebastiaansgilde die de lijken van overledenen aan besmettelijke ziekten, met name de pest, begroeven. Het schuttersgilde is opgericht vůůr 1504 en had als patroonheilige St. Sebastiaan gekozen.56 Het verhaal gaat dat Sebastiaan tijdens een poging om hem te vermoorden met vele pijlen was doorboord. Hij overleefde de aanslag echter. In de late middeleeuwen ging men de voorstelling van St. Sebastiaan, doorboord met pijlen, associŽren met de pest die immers onverhoeds opdook en dan snel en genadeloos toesloeg, als een pijl. Daarmee was Sebastiaan ťťn van de heiligen geworden op wiens hulp en voorspraak kon worden gerekend ten tijde van de pest. Zo lieten de kinderen van Andries Huijbert Salen en Geertruijdt Henrick Geridt Smolders, voor hun overleden ouders een mis opdragen voor St. Antonius abt en St. Sebastiaan in de kerk van Tilburg.57
Het is bekend dat, met name in Duitsland en Vlaanderen, diverse aan Sint Sebastiaan gewijde schuttersgilden zijn tijdens perioden met pestplagen opgericht.58 Het is niet denkbeeldig dat het Tilburgse Sint Sebastiaansgilde ook als gevolg van een pestepidemie is opgericht. Het gilde komt zonder uitzondering in de bronnen voor als degene die de pestlijken begraaft. Overigens blijkt uit de bronnen dat het risicovolle werk het gilde geen windeieren heeft gelegd. Het gilde ontving een behoorlijke vergoeding, die in de meeste gevallen twee gulden per begraven volwassene bedroeg. Diverse posten in de rekeningen van de tafel van de Heilige Geest, de dorpsrekeningen en de voogdij- en boedelrekeningen tonen dit aan.59 Het was zelfs zo dat de dekens van het St. Sebastiaansgilde een register bijhielden met daarin een nauwkeurige opgave van de opgehaalde lijken. Helaas is dat register verloren gegaan, maar we weten van het bestaan af, omdat bij een proces in 1626-1628 een afschrift uit dat register als bewijsstuk is gebruikt. Daarin staat te lezen dat de gegevens zijn geschreven vuijt den boeck daer op bij mij getekent sijn allen de gestorven persoonen van der godts gave ende begraven bij de dekens van Sinte Sebastiaen. Peeter Jan Adriaenss.60
Gezien het aantal slachtoffers rijst de vraag: waar zijn al die lijken begraven? Het kerkhof rond de kerk in Tilburg was niet berekend op een dergelijk groot aantal lijken in zo'n korte tijd. Het lijkt daarom waarschijnlijk dat er een pestkerkhof moet zijn geweest zoals dat in Alphen bestond. Uit niets blijkt echter dat de pestlijken in dergelijke massagraven, ver buiten de bebouwing, zijn begraven.
Er zijn in Tilburg evenmin aanwijzingen dat de pestlijken ongekist de grond ingingen. De rekeningen van de armentafel over de jaren 1585 en 1587, toen de pest in Tilburg heerste, vermeldt een lijst van 29 namen waarvoor de armentafel de doodskisten heeft betaald.61 In de periode 1625-1627 waren dat er aantoonbaar minstens 50.62 In de voogdij- en boedelrekeningen vinden we bijna altijd uitgaven voor doodskisten wanneer het de pest betreft, terwijl het betalen van begraafrecht vaker achterwege bleef.


Demografische gevolgen van de pestepidemieŽn

De gevolgen van de pestepidemieŽn zijn altijd in superlatieven uitgedrukt. De bevolking van dorpen en steden zou zijn gedecimeerd tot de helft of minder en de economie stortte volledig in elkaar. Natuurlijk gold dat niet voor elke epidemie. De ene keer kwam de pest sterker terug dan de andere keer. Wat betreft de epidemieŽn vůůr 1625/1626 zijn weinig feiten bekend over het effect die de ziekte had op de omvang van de bevolking of op de economische toestand in Tilburg. Op 25 april 1613 getuigden twee bewoners uit Goirle dat inden jare 1587 indt v.s. durpken, de gave godts der pestilentien also regneerden dat het dordendeel vande v.s. durpken wel weghestorven was, ende de ander twee deelen langhen tijt wt henne huijsen mosten vluchten also dat men het landt op dat jaer nijet en coste ghelabueren.63 Deze verklaring gaat zowel in op demografische als economische aspecten van de pest. Helaas beschikken we (nog) niet over cijfers die dit kunnen bevestigen.
Over de pestepidemie die Tilburg omstreeks 1599 trof moeten we het doen met een regel in de armenrekening: Ende overmits de gebueren van Oirle alsdoen waren vertrocken, voor de grafften te maecken.64 Die regel heeft dezelfde strekking als de verklaring over Goirle in 1587. De gezonde mensen hadden massaal Oerle verlaten. Hiervoor bleek al dat tijdens beide epidemieŽn het dorpsbestuur het noodzakelijk vond een pestmeester in te huren. Dat geeft ook een indicatie over de omvang van de epidemie. Voor het overige zwijgen de bronnen in alle talen.

Pagina uit het begraafregister, december 1625 Pagina uit het begraafregister, die betrekking heeft op de slachtoffers van december 1625. Hele gezinnen vielen ten prooi aan de 'haestige doodt'

Wat betreft de periode na 1604 staan er begraafregisters tot onze beschikking. Hiermee kunnen we beter meten welke gevolgen epidemieŽn hadden op de grootte van de bevolking.
De gevolgen van de epidemie van 1625/1626 waren aanzienlijk. De Heiligegeestmeesters uit die periode, de eerdergenoemde Tielman Jan Beris van Oerle en Matheus Denis Bax richtten zich in 1636 tot het dorpsbestuur, om financieel orde op zaken te stellen door het nadelige slot van hun rekening over de jaren 1624-1631 te vereffenen. Zij spreken in dat stuk van maar liefst 2200 personen die in de jaren 1625-1626 in Tilburg en Goirle zouden zijn gestorven.65 Twee bronnen geven andere cijfers. De eerste bron is het begraafregister dat in de jaren 1625-1626 een totaal van 672 begraven personen vermeldt. Bij dit cijfer moeten we wel kanttekeningen plaatsen. In het begraafregister zijn alleen de overledenen opgenomen waarvoor de begraafrechten betaald zijn. Dat betekent dat de 'armen' er niet in zijn genoemd. Voor een deel is dit gemis gecompenseerd doordat een aantal van die armen op kosten van de tafel van de Heilige Geest ter aarde zijn besteld. Het aantal begraven personen bedroeg in 'normale' jaren rond de vijftig. In 1622 is er de eerder aangehaalde stijging naar 165. In de jaren daarna daalde het aantal begravenen niet naar de waarden van vůůr 1622, maar bleef op een hoger niveau steken. In 1626 steeg het aantal tot 599 begraven personen.
Vanaf 1628 keerde het aantal begravenen terug naar de waarden van voor 1622.
Het cijfer van 1626 toont een andere onregelmatigheid aan. Tijdens de epidemie in 1625 mochten er geen uitvaarten plaatsvinden om de kans op besmetting te verkleinen. Dat had tot gevolg dat de kerkelijke uitvaart plaatsvond nadat de epidemie voorbij was, of tenminste duidelijk aan het afnemen was. Gezien het aantal begraven personen in 1626 lijkt het erop dat het zwaartepunt van de epidemie in dat jaar lag. Dat is echter niet het geval. In februari 1625 is het eerste geregistreerde pestgeval en de epidemie had haar hoogtepunt in zomer en najaar van 1625. Dat blijkt uit de rekening van de armentafel en uit de voogdijrekeningen waarin verkoop van meestal roerende goederen uit het erfhuis op zijn vroegst eind december 1625 is gehouden. Dat erfhuis mocht niet eerder gehouden worden vanwege de beperkingen die waren opgelegd aan bijeenkomsten van groepen personen als gevolg van de pestepidemie.66 Het grootste deel van de inschrijvingen in het begraafregister van 1626 houdt dan ook helemaal geen verband met de begraafdatum. Zo valt op dat in het begraafregister hele families onder elkaar staan genoteerd. Dat is logisch, wanneer je er vanuit gaat dat de uitvaart achteraf in ťťn keer is gehouden voor alle overleden familieleden. Het kan niet zo geweest zijn dat de pestepidemie telkens op dezelfde dag hele gezinnen tegelijk van het leven beroofde.
De tweede bron betreft de opgave van het aantal communicanten door de pastoor van de parochie Tilburg. De werkelijke omvang van de bevolking was groter, want tenslotte deden kinderen pas hun communie als ze 12 jaar waren. Die zijn dus niet meegeteld in deze opgaven. Desalniettemin constateren we een terugloop van het aantal communicanten met 864 personen.

Tabel 2.
Aantal communicanten en begraven personen in de periode 1618-1632.67

JAAR

1618
1619
1620
1621
1622
1623
1624
1625
1626
1627
1628
1629
1630
1631
1632

COMMUNICANTEN

3535
3592
3730
3880
3960
3977
3971
3107
3220
3351
3434
3530
3787
3909
4000

BEGRAVENEN

55
37
54
52
165
77
90
73
599
116
64
55
53
55
41


Dit alles leidt tot de conclusie dat de epidemie van 1625-1627 de Tilburgse bevolking terugbracht naar het niveau van tien jaar daarvoor. Kappelhof komt in zijn artikel over de OverheidsfinanciŽn en plaatselijke belastingen in Tilburg tot een maximale sterfte in 1625-1626 (waarin ook de epidemie van 1622 is verwerkt) van maximaal 1600 slachtoffers.68
Naar de exacte demografische gevolgen van deze epidemie en de laatste pestepidemie van 1666-1669 zal nog verder onderzoek moeten worden gedaan.


Economische gevolgen van de pestepidemieŽn

Wat betreft de economische gevolgen kunnen we denken aan verminderde opbrengst van belastingen, het onbebouwd blijven van landerijen, problemen met de betaling van pachten, renten en belastingen. Van dat laatste zagen we hiervoor al een voorbeeld uit 1587. De inwoners van Goirle waren zo massaal naar hutten vertrokken dat ze niet in de gelegenheid waren om het land te bewerken en hun pachten en renten te betalen.69 Ook in Tilburg was dat het geval tijdens de epidemie van 1599. Daarvan heb ik tot nu toe twee voorbeelden kunnen achterhalen. In 1600 voerde Wouter Cornelis de Ruijter een proces tegen Cornelis Antonis de Coman. Cornelis had zijn korenpacht niet voldaan en moest zich voor het gerecht verdedigen. Hij liet door zijn gevolmachtige Henrick Baeijens een verzoek indienen bij de schepenbank dat hij bereid was de schuld in drie termijnen te voldoen. Hij gaf als reden voor zijn wanbetaling aan dat hij belast is geweest met de gave gods diemen noempt die pestilentie. Daardoor had hij zijn koren niet kunnen zaaien.70 Op 26 februari 1601 richtte Claes Jan Claes Goijardts zich tot de schout en schepenen van Tilburg. Hij deed daarbij verslag van de gevolgen die de pestepidemie voor hem had gehad. Hij verloor zijn vrouw en kinderen, moest negen weken lang schrobbers in zijn huis onderhouden en betalen en had geen inkomsten kunnen verwerven in die periode. Hij was achter geraakt met het betalen van allerlei verplichtingen. Nu dreigde hij voor het gerecht gedaagd te worden om alsnog zijn achterstallige betalingen te doen. Hij verzocht het dorpsbestuur hem gezien zijn omstandigheden vrijstelling te geven van betaling.71 Pastoor Petrus van Emmerick gaf in 1622 op dat hij geen vlas had ontvangen als gevolg van de toen heersende besmettelijke ziekte.72

Deze op zich zelf staande aanwijzingen zullen nog nader onderzocht moeten worden om te bepalen of er inderdaad meetbare, en eventueel structurele, economische gevolgen waren voor Tilburg. In hoeverre het dagelijks leven doorgang vond is ook nog onderwerp van onderzoek, evenals de vraag of de epidemieŽn telkens in alle hertgangen even zwaar woedden, of zich beperkten tot enkele hertgangen.


NOTEN:

1. Gemeentearchief Tilburg (GAT), documentatiemap over de pest.
2. Ronald Rommes, 'Pest in perspectief; aspecten van een gevreesde ziekte in de vroeg-moderne tijd', in: Tijdschrift voor Sociale geschiedenis, jg. 16, 1990, nr. 3, pp. 254-247.
3. Ronald Rommes, a.w., p. 250; J. Th. Klinkenberg, 'Dye quade siecte; De pest in Maastricht in de zestiende en zeventiende eeuw', in: Tijdschrift voor sociale geschiedenis, jg. 16, 1990, nr. 3 pp. 272-276.
4. GAT, Archief van de dorpsbestuur (OAD) inv.nr. 767-1 f. 62v-63r.
5. GAT, OAD inv.nr. 767-1 f. 59v, 62v, 63r, 65v, 77v, 78r)
6. Streekarchief In het kwartier van Oisterwijk, oud-rechterlijk archief van Oisterwijk inv.nr. 157 f. 8 los blad.
7. GAT, Rechterlijk archief (RA) inv.nr. 280 f. 17v.
8. GAT, RA inv.nr. 299, 34r los blad.
9. L.H.C. Schutjes, Geschiedenis van het bisdom 's-Hertogenbosch, St. Michielsgestel, 1872, dl. 3, p. 770.
10. GAT, OAD inv.nr. 767-1 f. 57r e.v. en 77r -77v)
11. GAT, collectie schaduwarchieven, Manuale Pastorum f. 17.
12. GAT, OAD inv.nr. 774a.
13. GAT, RA voogdij- en boedelrekeningen (VB) 1607/7; VB 1627/2; VB 1627/8; VB 1627/16; OAD 774a.
14. GAT, OAD inv.nr. 394 f. 126r en inv.nr. 406 f. 118r.
15. GAT. OAD inv.nr. 767-1 f. 62v.
16. L.H.C. Schutjes, Geschiedenis van het bisdom 's-Hertogenbosch, St. Michielsgestel, 1876, dl. 5, p. 712.
17. GAT, RA varia doos 665, omslag 11.
18. GAT, RA varia doos 676, omslag gezondheidszorg.
19. Leo Adriaenssen, 'Elf generaties Moonen; namen, data, anekdotes', in: de Brabantse Leeuw, jg 19, 1970, nr. 9-10, p. 140.
20. GAT, OAD inv.nr. 763 p.10 en 11, en: RA, VB 1585/1 f. 7v; VB 1587/2 f. 5v en 6r; VB 1600/1 f. 32; VB 1603/3 f. 5v; VB 1607/3 p. 2; VB 1607/8 p. 11; VB 1-626/3; VB 1626/6; VB 1627/3 f. 3v.
21. GAT, RA, VB 1591-3 f. 11v; VB 1598-1 p. 1 uitgaven; VB 1602/1 p. 15; VB 1607/3 p. 2; VB 1607/4 p. 54: VB 1616/5 f. 7: 1619/1 f. 32; 1625/1.
22. GAT, RA, VB 1616/5 f. 6.
23. GAT, RA, VB 1603/3 f. 5v; VB 1627/16 f. 4r.
24. GAT. RA, VB 1607/4 p. 9 (nummering van het stuk).
25. Woordenboek der Nederlandsche Taal, 's-Gravenhage, 1979, dl. 17 2de stuk, p. 2735: De oude pharmacopeaea kende twee triakels: de groote traikel, die van VenetiŽ kwam, was een zeer ingewikkeld mengsel van allerlei zeldzame stoffen; de gewone triakel maakten de apothekers te lande zelf met hoofdzakelijk gentiaan, bakelaars of laurierbessen, mirrha en holwortel, aristocholochia... en p. 2736: Nemet herte wt vanden Ayiuyn, ende vullet de hoolicheijdt met fijn Teriakel oft Methridaet met Citroensap ghemengt ... ende gheeft te drincken t' ghene datter wt geperst wordt den ghenen die de peste heeft.
26. GAT, RA, VB 1616/5 f. 6-6v.
27. GAT, RA, VB 1591/3 f. 11v; 1598/1 p. 2; 1616/5, f. 6v, 7, 10; 1626/6; 1626/8 f. 18v; 2618/1 f. 6; 2618/4 f. 3v; 1629/2 f. 5.
28. GAT, RA, VB 1587/2 f. 6v.
29. GAT, RA, VB 1602/1 p. 16; VB 1625/1; VB 1626/7; VB 1628/1 f. 4v.
30. GAT, RA, VB 1587-2.
31. GAT, RA, VB 1594/1 pag.1.
32. GAT, OAD 767-1 f. 62v en 63r.
33. R 29; A.J.A. van Loon, De huizinge Moerenburg en haar bewoners (1358-1648), in: De Lindeboom jg. 2, p.98.
34. GAT, RA, varia doos 665 omslag 10.
35. GAT, OAD 768 f.? 1625.
36. GAT, RA, VB 1616/5, f. 6-7 en 11.
37. GAT, OAD 775 rekening H.G. meester 1624-1631.
38. GAT, begraafregister 1604-1633.
39. GAT, RA varia, processtukken 1626.
40. GAT, RA, VB 1600/1.
41. GAT, RA, VB 1602/1 p. 11 en 14.
42. GAT, RA, VB 1603/3 f. 5.
43. GAT, RA, VB 1607/4 p. 53.
44. GAT, RA, VB 1627/1.
45. GAT, RA, VB 1627/13 f. 4r en 1627/11 f. 3r.
46. GAT, RA, VB 1627/14 f. 3r.
47. GAT, RA, VB 1627/3 f. 2r en 2v.
48. GAT, OAD 767-1 f. 62v.
49. GAT, RA, VB 1627/3.
50. GAT, RA, VB 1626/3.
51. GAT, RA, VB 1629/8 f. 4.
52. GAT, RA, VB 162-8/4 f. 4.
53. GAT, RA, VB 1585/1 f. 7r.
54. GAT, RA, VB 1587/2 f. 5r.
55. GAT, RA, VB 1587/2 f. 6v.
56. C.Ch.H. van Dun, Het Koninklijk Handboogschuttersgilde "Sint Sebastiaan" te Tilburg, Tilburg, 1977, p. 12.
57. GAT, RA, VB 1600/1 f. 32.
58. Hans van Dijk en Joost Michels, Sint Sebastiaan, patroon van de schuttergilden in de Noordelijke Nederlanden, en Eugeen van Autenboer, Sint Sebastiaan, patroon van de schutter in de Zuidelijke Nederlanden, beide in: Sebastiaan, martelaar of mythe, Zwolle, 1993, p. 81 en p. 69.
59. GAT, RA, VB 1587/2 f. 5v; VB 1594/3 pag. 2; VB 1600/1 f. 28; 1602/1 p. 10; 1603/3 p. 12; 1607/3 p. 2; 1626/8 4de rekening f. 18v.
60. GAT, RA varia, processtukken 1626.
61. GAT, OAD 765 p. 6.
62. GAT, OAD 767.
63. GAT, OAD 1060.
64. GAT, OAD 767-1 f. 78r.
65. GAT, OAD 855bis.
66. In 1625 is slechts ťťn voogdijrekening afgehoord, terwijl pas laat in december 1625 en in de eerste drie maanden van 1626 vijftien erfhuizen zijn gehouden. GAT, RA VB 1625-1 t/m 1630-6.
67. Voor de cijfers van de communicanten: P.C. Boeren, 'De Tilburgse wolnijverheid tot het begin der 17e eeuw', in: Van Heidorp tot industriestad, Tilburg, 1955, pp. 134-135. De cijfers van de begraven personen komen uit: GAT, begraafregister 1604-1633.
68. T. Kappelhof, 'OverheidsfinanciŽn en plaatselijke belastingen in het grootste dorp van Staats-Brabant: Tilburg 1621-1790', in: Bijdragen tot de geschiedenis, jg. 66, 1983, afl. 1-2, pp. 36-37)
69. GAT, OAD 1060.
70. GAT, RA civiele processtukken, voorl. inv.nr. 1557w.
71. GAT, RA varia, diverse stukken uit de civiele processtukken gelicht.
72. GAT, Manuale Pastorum f. 17.