Vissen

De wekker staat op vijf uur, vrijwel zeker zal ik iets voor vijf uur wakker worden. Mijn biologische klok laat mij nooit in de steek. Maar voor de zekerheid, toch maar.
Eerder die dag had hij gebeld.
            ‘Heb je tijd morgen? Zullen we dan, Bommeer? Ik heb alles klaar, hengels, leefnet, verse wormen, en broodjes, verse broodjes! Uiteraard ook koffie die zet ik morgen vroeg. O ja, nog iets, ik heb een nieuwe tandemspinner gekocht, een helrode met zwarte strepen. Het is dé kleurencombinatie, volgens Koos.’
‘Koos?’
‘Ja, je weet toch wel, van de Haringkade. Drie haken, die moet je niet in je bek krijgen, zal ik maar zeggen. Half zes bij jou. Of wil je eerder?’

‘Eerder? Nee zeker niet eerder! Half zes lijkt me een mooie tijd, eerder niet!’

Eigenlijk heb ik er geen zin in, maar ik wil hem niet weer teleurstellen. Het is een van de weinige pleziertjes die hij nog heeft. De waterkant is zijn lust en leven, alleen gaat hij niet meer. Hij zegt last te hebben van duizelingen maar dat geloof ik niet. Hij wil gezelschap. Zijn trouwe vismaat van vroeger zit in een verpleeghuis, compleet de weg kwijt. De godganselijke dag zit hij te murmelen: ‘het b bekomen van het schrikken van het k knappen van de banden om de v velgen van de wielen van de f fiets van..’ hij weet het niet meer en begint opnieuw: ‘h het bekomen…’ Over vissen heeft hij het niet meer, maar ligt er een op zijn bord dan gaat hij over de rooie.
‘Zuster, zuster kijk is wat ik heb gevangen’.
Hij sjouwt met zijn bord de hele kamer rond …’. 

Als kleine jongen was ik er dol op, vissen met mijn vader. Elke zaterdag volgens een vast ritueel. Begonnen met een klein hengeltje. Met een beetje spuug een deegje maken.
‘Nee, nee dat is te nat, net vochtig maken dat is genoeg, kleven moet het, kleven, plakken’.
Het gepriegel om het balletje aan het haakje te krijgen. De kritische blik van mijn vader, altijd commentaar. Aanwijzingen, noemde hij het zelf.

Met mijn opvoeding heeft hij zich niet bemoeid. ‘Moeder de vrouw is voor de opvoeding’ was een gevleugelde uitspraak van hem. Maar er was één uitzondering. Vissen, vissen dat moest ik van hém leren. Het was weliswaar het enige, maar het gebeurde met een grondigheid die niets aan het toeval overliet. Als voorzitter van de visclub, winnaar van vele wedstrijden, kon het niet zo zijn dat zijn eigen, en enige, zoon niet zou kunnen vissen. Met vissen bedoelde hij dan écht vissen, met een uitgesproken voorkeur voor Baarzen.

‘Kannibalen zijn het jongen, kannibalen. Je kunt ze vangen met een soortgenoot aan je hengel. Maar het beste is een garnaaltje. Daar zijn ze gek op. En… opletten want ze zijn slim, sleep je met je aas door het water dan zal hij het aas volgen maar niet toehappen. Hou je het aas stil dan staat hij ook stil, als je dan ineens het aas door het water trekt dan.., dan zal die toehappen. Je moet er als het ware mee spelen’.


Twaalf, of misschien was ik dertien toen ik mijn eerste baars ving.

Na hijgend van de spanning stond ik ermee in mijn handen. Niet eerder had ik een dergelijk exemplaar aan de haak gehad. De harde stekels van de rugvin deden pijn aan mijn handen. Hij hapte naar lucht. Mijn eerste vis die ik, en helemaal alleen, uit het water had gehaald. Hij had er bij gestaan klaar om in te grijpen. Schreeuwend:
‘Vieren, laten vieren, halen, halen, langzamer niet zo vlug, afmatten moet je hem, afmatten. Uitdrillen en langzaam naar de kant halen, pak hem met je duim aan z’n lip, hij bijt niet, hij heeft geen tanden. Voorzichtig anders scheur je zijn bek open’.
Het zweet gutste van zijn voorhoofd, zijn handen nauwelijks in bedwang. O wat wilde hij graag mijn hengel grijpen om opnieuw, zoals zo vaak, zijn kunsten te tonen en de rover de kant op werken. Hij beheerste zich. Deze keer liet hij de eer aan mij, eindelijk!
Ik staarde naar de vis, zag de haak achter in zijn strot zitten.
            ‘Zou hij pijn hebben?’
‘Vissen voelen niets, haal die haak uit zijn bek en stop hem in het leefnet.'
Hij liep heen en weer, tuurde naar zijn dobber, ging op zijn krukje zitten, stond gelijk weer op, gooide voer in het water, pakte zijn hengel op en legde hem weer neer.
‘Opschieten nou, haal die haak er uit.’
‘Ik, ik durf niet, dat doet pijn.’
‘Niks pijn, kom hier, dan help ik je.’
Hij kwam naast me staan, wilde de vis van mij overnemen, maar trok op het laatste moment zijn handen terug. Hij keek in de bek.
‘Je had hem eerder moeten aantikken. Als je beet hebt gelijk aantikken. Baarzen zijn gulzig en slikken zo de haak in. Hoe vaak heb ik je dat nu al verteld. Nu moet je hem onthaken. Moet je ook leren, wacht even, ik pak een hakensteker.’

Driftig liep hij naar zijn viskoffer, gooide alles overhoop opzoek naar een haakpen.
‘Kijk hier zit een gleufje, schuif dat over de lijn en duw het haakje iets naar binnen, een beetje draaien dan komt de haak los.’
‘Het lukt niet, ik kan het niet, het haakje zit helemaal achterin zijn strot’.
‘Laat maar zitten dan, ik knip de lijn wel door, van die haak heeft hij verder geen last.’

Diep in zijn bek knipte mijn vader de lijn door.
‘Doe hem nu in het leefnet en hang hem aan die tak in het water.’

‘Zal ik hem terugdoen, hij gaat vast dood in dat leefnet.’
‘Terugdoen?, nee natuurlijk niet terugdoen, die gaat in de pan, in de bouillabaisse.’
‘Niet in dat leefnet, papa, hij verdrinkt erin, je hebt het me zelf uitgelegd.’
‘We maken het vast aan dat paaltje, als het voor de helft boven water hangt is er niets aan de hand.’

            De grond onder mijn voeten trilt, de vis houdt zich stil, dood is hij niet. Zijn kieuwen bewegen, zijn bek trekt langzaam dicht om zich opnieuw te openen. Nu pas valt het me op hoe groot hij is.  De ogen draaien iets. Het is alsof  het dier naar omlaag kijkt. Ik voel mijn voeten nat worden. Ik zak langzaam weg. Ik kijk naar mijn vader die van boven op mij en de vis neerkijkt. Hij lijkt iets te willen zeggen. Dan zak ik volledig weg, het water sluit zich boven mijn hoofd. Ik kijk naar de pratende mond van mijn vader, hoor niet wat hij zegt. Woorden vallen rondom mij in het water. Nog steeds heb ik de vis in mijn handen, maar ik heb de kracht niet hem langer vast te houden, hij glijdt langzaam van mij af. Hij kijkt me aan, wenkt me mee te komen. Ontkomen kan ik niet. Happend naar lucht volg ik hem. Steeds sneller, steeds dieper. Bijna verlies ik hem uit het oog. Dan in een ogenblik draait de vis, zwemt achteruit, welhaast bemoedigend mij opnieuw wenkend. De kleren glijden van mijn lichaam, ik wil roepen maar kan geen geluid voortbrengen. Onder mij zie ik de steenachtige bodem van het meer. Er zwemmen meer baarzen, nieuwsgierig komen ze naderbij, draaien om mij heen en pronken met hun goudkleurige donkere banden die over hun geschubde lijven lopen. Ik zie een helrode spinner langzaam op mij afkomen, zwarte strepen over een dubbele blinker.  Ik grijp ernaar, een fractie te laat. Met een ruk wordt de spinner omhoog getild. Geen baars die reageert.
Ze dringen zich meer en meer aan mij op.
Aan een oud roestig ankertje zie ik een groot leefnet. Langzaam opent het zich. Met alles wat in mij is verzet ik mij maar heb geen kracht te ontglippen. Mijn ogen tollen in hun kassen, mijn oren suizen, mijn hart bonst, mijn longen zullen het zodadelijk begeven. Het leefnet sluit zich om mij heen.
Dan wordt alles zwart. Badend in het zweet word ik wakker. Op de wekker is het bijna vijf uur.

 

 

 

[ Home ] [ Databank] [ Actueel ] [ Bidprentjes ] [ Fictie ] [ Links ]