Het huis staat in een bosje. De smalle weg langs het Oranjekanaal is verlaten. Achter het huis een stille ruimte tot aan de horizon. Kippen scharrelen op het erf en katten spelen in de bosrand. Feitze Bijmholt opent de deur en stapt meteen terug. 'Kom maor binnen mien jong.'
Zijn Broer Hendrik zit in een hoek van het kleine vertrek, half verscholen achter de kolenkachel. Een petroleumbrander verspreidt de geur van vroeger.

Feitze en Hendrik wonen sinds 1923 in dit kleine huis dat ooit aan de rand stond van een onafzienbaar heideveld. Vader en moeder Bijmholt werkten zich op, vanuit een plaggenhut waarin ze zes kinderen kregen, naar een huis van steen. Een grote schuur met eiken gebinten. Een paard op stal en een koe die voor melk zorgde. De kinderen ploeterden even hard als va en moe en hadden bijna geen tijd om aan een eigen leven te beginnen. Leren was er niet bij.
Twee dochters en twee zonen trouwden en vlogen uit. Feitze en Hendrik waagden de sprong niet. Ze bleven thuis onder het vertrouwde dak en zorgden voor moeder nadat vader gestorven was. Toen ook moeder er niet meer was werd het stil in de kleine kamer waar geen stoel van plaats veranderde.

Feitze en Hendrik leven zonder gas, waterleiding en elektriciteit. Water halen ze uit een diepe put en als de zomer lang en droog is, uit het kanaal. Licht en warmte komen van petroleum, kolen, hout en turf. Ze willen geen televisie maar hebben wel twee transistor-radio's waarmee ze het wereldgebeuren volgen. Eén toestel staat op Hilversum 1 afgestemd en op het tweede apparaat is Hilversum 2 te horen.
Hendrik zit meestal op zijn stoel achter de kachel. Droomt van vroeger en is tevreden. Hij vult zijn pijp met sigarenstompjes en pruimt af en toe. Net als vader vroeger, spuugt bij het bruine tabakssap keurig in een kommetje. Zijn ogen zijn niet best meer en bij is voor veel dingen op Feitze aangewezen. De oudere broer die aan moeder beloofde goed op de benjamin te zullen passen. Hendrik schilt de aardappelen, kookt, dekt de tafel en houdt het huis een beetje schoon.

Feitze is een rnan vol levenslust en energie. Hij heeft het hoogste geluk bereikt dat een rnens kan wensen. Hij is tevreden rnet het leven dat hij achter de rug heeft. Dankbaar voor elke nieuwe dag en blij met eenvoudige
dingen.

Hij weet dat hij niet zal sterven als zijn aardse lichaam het begeeft. De Drentse jongen, die geboren werd in een plaggenhut, sleet zijn jeugd met werken en hopen op een beter leven. Zijn dromen kwamen niet uit. Hij mocht niet verder leren hoewel hij een pienter baasje was. Vader en moeder hadden zijn hulp dringend nodig en net als de andere kinderen zwoegde Feitze op het land. Toen bij volwassen werd durfde hij niet te trouwen. De toekomst was onzeker en het stichten van een gezin voelde hij als een grote verantwoordelijkheid.
In zijn leven van zwoegen en plicht hield hij zich staande met de herinnering aan een vorig leven. Aan een wit herenhuis waarin bij leefde met een vriendelijke moeder. Het statige gebouw is te vinden in Frederiksoord en heet het Huis Westerbeek. Feitze woonde er in 1810 en hij weet nog goed hoe hij plotseling stierf en hoe zijn ziel daarna door de velden dwaalde. Hij verlangt naar de dag waarop zijn lichaam opnieuw zal verstillen en zijn ziel weer op reis gaat naar het grote Goddelijke Licht dat hij in zijn dromen zo vaak heeft gezien.

In een rommelige bedstee kreeg bij visioenen waarin de almachtige Schepper hem antwoord gaf op al zijn vragen. Feitze werd een ziener. Een profeet in een verstild heideland. Het Almachtige Licht gaf hem opdracht om de visioenen op te schrijven. Wekenlang zat Feitze in de donkere koestal en beetje bij beetje schreef hij op wat de Schepper hem 's nachts dicteerde. Het werd een schoolschrift vol ideeën en toen het werk klaar was noemde Feitze het: 'De nieuwe dag in gouden glans'.
Het levenswerk van een Drents jongien dat graag had willen leren omdat hij bruiste van energie en levenskracht. Een kind van een tijd die hem geen schijn van kans gaf op persoonlijkheidsvorming en emancipatie.
Feitze boog niet maar overwon. In een huisje zonder luxe leeft hij als de rijkste man ter wereld.
'De Skepper hef mij hiel vake laoten zien dat de dood niet bestiet,' zegt bij. 'Neem dat maor gerust van mij an. As ik straks an het ende van de reize bin, vertrek ik vol bliedschop en verwachting. Het is maor een tik an 't oor en dan bin ik d'r weer.'  

Alles wat leeft heeft een ziel. De ziel is een straaltje licht van het grote licht dat wij God noemen. De Schepper laat elektrisch-magnetische stralen door het heelal gaan.
Als die duizend jaar gestraald hebben dan is er een zekere wetenschap in opgeslagen. De stralen kunnen dan door een vorm van leven worden aangetrokken en geboren worden als mens, dier of plant. Hoe meer kennis een straal vergaard heeft, des te hoger komt hij in de levensrangorde terecht.

Iemand die al eerder geleefd heeft draagt de kennis uit vorige levens mee. De talenten gaan mee over het graf en kunnen ontwikkeld worden. Er zijn ook kinderen die voor de eerste keer op aarde zijn. Die leren erg moeilijk en lijken soms wel eens dom. Maar ze kunnen er niets aan doen want ze zijn hier voor de eerste keer. Dat zijn de zonnekinderen die hun stralen rechtstreeks van het grote licht gekregen hebben.

'Frederiksoord, zummer 1810. Moeder en ik woonden in een groot wit huus. Ik herinner mij van dat huus feitelijk allent de kamer. D'r stunden beelden veur het raam. Lucas, Johannes, Jezus en Maria. Wij waren katholiek, dat wus ik al hiel vrog. Ik herinner mij veural dat wij arg gelokkig waren. Wij zaten soms hiel stille bij mekaar en dan zeden wij tegen mekaar dat wij een mooi leven hadden.'

'Ik gruide op en mus op een dag een klussie opknappen in een groot weilaand. Ik wete nog hiel goed dat ik een hek lös deu en met een schöp in mien haand een grune weide instapte. Toen ik zestig meter het laand in was, völ ik iniene op de grond. En nou komp het: ... onmiddellijk stun ik weer op. Ik keek achterumme en zag mien lichaam in het grös liggen. Zörgeloos leup ik wieder.
Mien lichaam was dood maor ik had nog dezölfde lengte en kön gaon en staon daor as ik wilde.
Het zunlicht was onbeschriefelijk mooi.
Ik begunde an een dwaaltocht deur de velden en geneut van alles wat ik zage. Mien aardse lichaam is op 't karkhof van Frederiksoord begraven, maor ik bin niet bij de begrafenis ewest. Dagenlang, wekenlang dreide ik um dingen hen die as mij boeiden. Ik wete nog goed dat ik ies een hiele dag um een paol van een wasliende leup.
In het hiernaomaols is gien tied en veur de Skepper bint duzend jaoren as iene minuut.
In aardse tied erekend zwarfde ik ongeveer zeuventig jaor deur Drenthe.

Op een dag leup ik aover een zaandweg en kwam ik bij een krusing. Veur het eerst mus ik bewust kiezen of ik links of rechts zöl gaon. Ik sleuge rechts òf en nao een poossie kwam ik in Srnilde bij de bos van Jans Popken.
In een laantie stun een jonge vrouw met gitzwart haor.
Ze was holt an het sprokkelen en ik dreide urn heur hen. Iniene vuulde ik een behaaglijke warmte en wus ik dat ik veilig gebörgen was. Het vrouwgie was zwanger en had een kiend in heur lichaam dat voldoende staal bij hum had urn rnien electrisch-magnetische lichaam an te kunnen trekken.
In het hiernaomaols is 't wel mooi, mar in de moederboek is 't nog veul mooier. Behagelijk warm en vredig.'


'Een paar maonden later weur ik van neis geboren en zag het levenslocht in een armoedige plaggenhutte. Het was 10 augustus 1902. Ik herinner mij nog dat ik in een flits de beelden uut mien veurige leven zage en ik schrouwde het uut. Later lag ik in een rieten wiege. Ze hadden mij in-epakt as een ingerolde krentestoete. Mien neie moeder nuumde mij Feitze. 'No'w moej stille wezen heur, want wij kriegt zodaolkies vesite', zee ze op een keer.
Ik lage stil veur mij uut te kieken en nao een poossie kwamen twei vrouwluu binnen. Ze kwebbelden met moeder aover allerhaande zaken en iniene heurde ik d'r iene zeggen: 'Now mut wij de kleine Feitze ok even zien.'
Ik zage heur gezichten hoog baoven de wiege en schaamde mij. 'Daor lig ik now as grote kerel in zo'n kleine wiege' dacht ik.'


De droom is de voorloper van de dood. Als een mens slaapt is bij dood. Het lichaam leeft wel maar de ziel is uitgevaren. Het elektrisch-magnetische lichaam houdt contact met het aardse lichaam zolang de mens zijn roeping nog niet voltooid heeft. Omdat de ziel het werkelijke leven is, kunnen we zeggen dat tijdens de slaap het leven uit de slapende mens gaat en dan dromen wij. Als de mens werkelijk sterft en zijn aardse lichaam voorgoed verlaat, dan droomt hij en ontwaakt niet eerder dan in een nieuw lichaam van vlees en bloed.