"Kun je al die instrumenten bespelen?" vroeg hij. "Zo goed als ik kan," zei de Meester der tonen met de nonchalance van iemand die het niet nodig heeft met zijn kunsten te pronken."Mag ik jouw fluit eens bekijken?"
Spitsoor overhandigde hem zijn fluit en hij keek er aandachtig naar. "Tijdens je spel is mij reeds opgevallen," zei hij, "dat jij jouw melodieën opbouwt volgens een toonladder van zeven tonen, en dat je er ook nog tussentonen in verwerkt. Volgens dat systeem zijn ook de toongaten op jouw fluit gerangschikt Onze muziek maakt gebruikt van slechts vijf grondtonen." Hij nam de harp van tafel en speelde dezelfde toonreeks die Spitsoor al bij het binnenkomen had gehoord en hij ontwikkelde daaruit een melodie die hij ritmisch begon te variëren. Zijn spel boeide Spitsoor meteen.
Hij vergat waar hij was, nam het vertrek en de voorwerpen nog amper waar zag zelfs de Meester der tonen niet meer, maar hoorde alleen nog deze melodie die zich als vanzelf volgens een inwendige wetmatigheid ontwikkelde. Het leek wel alsof hij naar een draaien kristal keek, dat voortduren nieuwe facetten toonde en niettemin onveranderd bleef in zijn volmaakte vorm. Deze ervaring maakt uitwijken naar elders onmogelijk, vluchten kon niet, hij was alleen met zichzelf, ingebed in deze rondom hem aangelegde tuin van klanken. Hij miste de wil nog iets te doen of te veranderen, want in die welluidende bouwsel bestond daartoe niet de noodzaak. En zelfs toen de melodie was weggestorven trad er geen moment van ontnuchtering op. Dat kon ook niet want de muziek was zelf een voorbeeld van absolute nuchterheid. Zij onderwierp de luisteraar niet aan de wil van een ander, maar bracht hem tot zichzelf en toen Spitsoor dat besefte, wist hij ook dat dit het geheim van het spel van zijn grootvader was en dat hijzelf met zijn manier van fluitspelen de tegenovergestelde richting had ingeslagen. sinds hij zijn fluit bezat, had hij altijd geprobeerd zijn toehoorders te beïnvloeden en hun gedachten in een richting te buigen die hem tot voordeel strekte en dat zou hij ook moeten blijven doen, als hij het doel van zijn wensen wilde bereiken. De muziek die de Meester der tonen op zijn harp had gespeeld was weliswaar mooi, en op zichzelf zelfs volmaakt, maar ze leek hem tegelijkertijd zinloos. Hij had der Magiër graag willen vragen of hij een zingeving in zijn muziek zag, maar toen ontdekte hij dat de Meester het vertrek inmiddels had verlaten.
uit Hans Bemman, 'De geschiedenis van de steen en de fluit... en dat is nog niet alles', vert. Ronald Jonkers, ISBN 90-351-0770 5
Naar aanleiding van dit boek kwam in mij een proces op gang met het gevolg, dat ik me uiteindelijk geroepen voelde om van muziek mijn beroep te maken. Met name bovenstaande tekst uit het 710 paginas tellende boek, is voor mij hét grote voorbeeld.