De moord

Het was een mooie zomeravond. Naast een tafel met hapjes en drankjes in een tuin van een woonboerderij in het Drentse Uffelte stond Simon van Bil, informatieverzamelaar te Appelscha. Hij had een goed overzicht over de familie- en vriendenkring van Roland en Yvette den Donder, de eigenaren van boerderij en tuin.
Onder een appelboom stond de broer van Yvette, Julien Casimir, modeontwerper en presentator van het tv-programma ‘Knip ik heb je’.
"Die man heeft de zenuwen. Hij blaast zowat het schuim van mijn bier met dat ogengeknipper." dacht Simon.
Even verderop zat op een tuinbank de oorzaak van Julien’s nervositeit: Machteld en Irmgard Zucker, zijn twee topmannequins. Machteld en Irmgard vormden een identieke tweeling van uitzonderlijke schoonheid (zei men. Simon vond ze meer lijken op een geconserveerd voorbeeld van anorexia nervosa, dat bij de studie medicijnen zou kunnen worden gebruikt.) en deden hun best op Marilyn Monroe te lijken. Julien verloor ze geen moment uit het oog. De tweeling was een belangrijk deel van zijn werkkapitaal.
Falco Temming en Tiddo Buiswater, vrienden van elkaar (en voor het leven zoals in hun samenlevingscontract stond) en van Roland en Yvette -zij waren allen lid van de door Tiddo opgerichte poëziekring ‘Rijmpraat’- stonden met verschillende gedachten de tweeling te bewonderen. Bij Tiddo was de bewondering zuiver esthetisch. Falco leek alleen maar belangstellend. In werkelijkheid hadden zijn gedachten niets met vrouwelijke schoonheid te maken.
Temidden van deze verzameling stond de gastheer, Roland den Donder (inmiddels) inspecteur van politie van het gewest Zuidwest Drente, breed grijnzend en een champagnefles schuddend, jarig te wezen. Roland was 55 jaar geworden. Roland keek de tuin rond en vroeg toen aan Simon; "Waar is Wiebe?"
"Die komt wat later. Hij is naar puppy-cursus met Truusje, zijn nieuwe herdershond. Nelis is ook mee om haar poot vast te houden." grapte Simon.
"Oké, daar gaat’ie." zei Roland. Hij schudde nog eens flink de champagnefles. Frommelde wat en met een daverende knal, die de buren er toe bracht de scheur in de keldermuur te claimen bij defensie als zijnde veroorzaakt door het doorbreken van de geluidsbarrière door een der vliegende wapenen van de Koninklijke Luchtmacht, vloog de kurk van de fles.
Op hetzelfde moment zakte de ene magere Monroe op de schoot van de andere. Er volgde gelach. Gelach waaraan Simon niet meedeed. Simon zag in de nek van de omgevallen Monroe-imitatie een ronde rode vlek, een schotwond.
"Stilte" schreeuwde Simon en wees gelijktijdig naar de schotwond. Even stond het hele gezelschap als aan de grond genageld. Falco en Tiddo waren het eerste weer bij hun positieven en snelden door de openstaande tuindeuren de boerderij binnen en de voordeur weer uit. Zij zagen niets, behalve een snel wegrijdende auto.
Terug in de tuin zei Falco Temming: "Te laat."
"Met een auto er van door." zei Tiddo Buiswater.
"Kun je hem beschrijven?" vroeg Roland
"Ik heb geen verstand van auto’s. Ik weet alleen dat ik een Porsche heb en..."
"Ik bedoel de bestuurder."
"Het was een vrouw en ze leek precies op..."
Tiddo wapperde met zijn hand zwakjes in de richting van de Zucker tweeling en viel uitgeput op een stoel neer.
"Oh nee, een drieling. Het lijkt wel een massaprodukt." zei Yvette zachtjes tegen Simon.
"Al maak je er een vijfling van, samen wegen ze dan nog niet meer dan een gezonde Hollandse poldertante. God, o god wat zijn die mormels mager en één zal er ook nooit meer last van overgewicht krijgen." dacht Simon onwillekeurig.


Eén en één is....

Omdat niemand enige actie ondernam of scheen te gaan ondernemen, nam Simon het initiatief en belde de politie.
"Wat doe jij nou?" vroeg Roland, die niet gewend was de politie te bellen. Hij was de politie, hij werd altijd besteld.
"Ik bel je collega’s, we kunnen toch moeilijk de dooie helft onder de sofa schuiven en de levende helft er bovenop en hup we gaan verder met de polonaise." legde Simon uit.
Roland zwaaide verontschuldigend met zijn champagnefles, die hij nog steeds vasthield; "Sorry, sorry, sorry, maar het is dan ook wel de bloody limit. Iemand krijgt het in zijn bolle harses om de helft van de magerste Marylin Monroe imitatie ter wereld dood te schieten (is trouwens technisch gezien knap stukje werk om zo’n gratenbaal precies midden in haar nek te treffen van een dergelijke afstand) en doet dat in mijn, ik herhaal MIJN tuin. Wat een klerezooi."
"Daar zeg je iets waars. De moordenaar moet wel een beroeps zijn, anders raak je zo’n scharminkel inderdaad niet van zo’n afstand. Even onthouden." dacht Simon bij deze uitval van Roland.
Tien minuten later liep Roland den Donder bevelend en kankerend zijn ondergeschikten, die na het telefoontje van Simon met ongebruikelijk spoed naar de plaats des onheils waren gesneld, voor de voeten.
"Ik wil alles: deur, brievenbus, hek, tuinpad, bandensporen, alles." blafte Roland naar een medewerker van de technische recherche.
"De baas is enigszins uit zijn doen." dacht deze slechts en ging onverstoord verder met zijn werk.
"Wat een klerezooi, wat een godvergeten klerezooi." begon Roland zichzelf te citeren. Men zou denken dat een lid van een literaire vereniging, al was dat dan de vereniging ‘Rijmpraat’ iets meer variatie in zijn voordrachten zou leggen, maar Roland den Donder dacht niet aan literatuur, Roland den Donder was kwaad, pisnijdig. "Iemand haalt het in zijn bolle harses.." Plotseling besefte Roland: "Die tekst komt mij bekend voor, even gaan zitten." Zo kwam het dat Simon aan de rand van zijn blikveld waarnam dat Roland zichzelf plotseling in een stoel kwakte en daar verbijsterd rondkijkend met open mond bleef zitten.
Yvette keek zorgelijk naar haar geteisterde echtgenoot en schonk een glas vol met mineraalwater. Roland, die dacht dat dit voor hem bestemd was kwam onmiddellijk weer bij zijn positieven. "Wees zo vriendelijk en haal een brandy voor mij." zei hij tegen Tiddo Buiswater, die in de stoel naast hem vrijwel klaar was met het sorteren van zijn geestelijke vermogens. Hij had al weer wat kleur in zijn gezicht. Met de woorden: " Goed idee, ‘k neem voor mezelf ook wat mee." (Tiddo had ‘Rijmpraat’ dan ook opgericht) aanvaardde Tiddo deze opdracht. Tiddo ging door de openstaande tuindeuren het huis in, op de voet gevolgd door Falco Temming. "Die twee lantaarnpalen waren onafscheidelijk. Bij welke is eigenlijk het licht uitgegaan? ‘Irmgard’ had zwager Julien gezegd. Hoe ziet hij in vredesnaam het verschil?" dacht Simon van Bil toen hij Tiddo en Falco ten tweede male het huis zag binnengaan. "Maar die rijmknaap met z’n gladde vriendje lijkt ook wel een tweeling." Tiddo kwam alleen ("Hé." dacht Simon, "Waar is de bijwagen? Ook even onthouden) naar buiten met in zijn ene hand een glas brandy voor Roland en in zijn andere hand een glas sherry, waarvan hij onmiddellijk nadat hij Roland zijn glas hand overhandigd met opgeheven pink en onder het uitspreken van het - wat achteraf bleek zijn laatste- gedicht: "Bij zo’n herrie hoort een sherry." een flinke slok nam. Hij was nog bezig met de naslik toen hij plotseling naar zijn keel greep en met een soort schroefbeweging aan de rand van de tuinvijver terechtkwam om daar vervolgens plat voorover met een daverend klets in te vallen. "Haal hem eruit, red hem." krijste Falco, die van de tuindeuren naar de rand van de vijver sprintte en daar niet op tijd remde en pardoes met zijn volle gewicht boven op zijn vriend viel. "Eigenaardig, zeer eigenaardig." dacht Simon, die zich wat achteraf had opgesteld en dit alles gadesloeg. "Ook maar even onthouden." De evaluatie van deze gedachte moest worden uitgesteld omdat Simon tevens waarnam dat niemand iets deed. Dit kon zo niet. Simon rende naar de vijver greep Falco bij zijn lurven en smeet hem met een zwaai ("Goede beweging. Verder Ontwikkelen. Kan nog wel eens meer van pas komen. Moment; eerst even dit." waren enkele denkflarden tijdens deze zwaai) op de kant. Door deze actie werd Tiddo zichtbaar. Hij was inmiddels op zijn rug gedraaid en stond Petrus aan de hemelpoort voor ‘vuile antisemiet’ uit te schelden. Op dit moment vroeg een verbaasd klinkende stem: "Wat is hier aan de hand?" Wiebe Iepstra stond met Truusje, zijn herdershond, midden in de tuin en dacht: "Fellini zou dit bedacht kunnen hebben."


Vermoedens

Het hoofdkwartier van de landelijke politiekorpsen, gewest zuidwest Drente is gevestigd in het schitterende brinkdorp Diever. In de kamer van de commissaris zaten Roland den Donder, inspecteur van politie Marjan van Kwispelen -Rolands rechterhand- en de commissaris in conferentie bijeen. "Laat Marjan het maar doen." zei Roland tegen de commissaris. "Ik ben er emotioneel te veel bij betrokken. Ik zit me nog steeds kwaad te maken. Niet goed voor een objectieve beoordeling van de feiten. Ik zou het echter wel op prijs stellen als ik op de hoogte gehouden werd." De commissaris was hiermee akkoord en Marjan was blij dat ze nu eens kon laten zien wat een jonge inspecteur van 28 jaar zoal kan. "En dan nog wat." zei Roland tegen Marjan toen ze gezamenlijk de kamer van de commissaris verlieten. "Er loopt hier in de buurt een zekere Simon van Bil rond. Hij en zijn assistent Wiebe zijn privé detectives en waren aanwezig tijdens de ramp. Je zal ze in de loop van het onderzoek nog wel tegenkomen. Het zijn vrienden van me en volledig betrouwbaar. Geef ze de ruimte. Het contact met hen onderhoud ik wel. Kan je daar mee leven?" Marjan kon daarmee leven, zei dit tegen Roland en begaf zich naar de recherchekamer om haar team samen te stellen. Roland ging naar huis. alwaar hij een kast opentrok er een videoband uithaalde en deze op zijn gemak ging zitten bekijken. "Wat zijn dit voor stuitende taferelen? vroeg Yvette. " ‘s morgens vroeg tv kijken. Dat heb ik je nog nooit zien doen." "Ik heb een kast vol met banden van Laurel & Hardy, André van Duin en Peter Sellers. Die ga ik allemaal bekijken. Als ik daarna nog niet opgevrolijkt ben kun je me bij het eerste het beste psychiatrisch ziekenhuis bij de afdeling ‘permanent sagerijnigheids syndroom’ inleveren. "Ik zal maar een grote pot koffie zetten." dacht Yvette. "Dit kan even duren."
Terzelfder tijd zaten Simon en Wiebe in twee leunstoelen in Simons studeerkamer het bos en de capriolen van Nelis en zijn nieuwe vriendin Truusje te bewonderen -"Het is Lenie niet, maar een schat van een meid." zou Nelis gedacht kunnen hebben als hij in staat was geweest gedachten te formuleren. Misschien was hij daartoe ook wel in staat. De kunst om het de mens duidelijk te maken dat hij ertoe in staat was verstond hij zeker niet- met vertedering gade te slaan. De argeloze toeschouwer zou bij het aanschouwen van dit tafereel wellicht kunnen denken: "Twee heren genieten van het leven, goed idee, Moet ik ook eens gaan doen." De twee heren genoten inderdaad van het leven, alleen op een manier waaraan de argeloze toeschouwer waarschijnlijk niet gedacht zou hebben; De twee heren dachten diep na over de gebeurtenissen van de vorige avond ten huize van Roland en Yvette den Donder. "Vertel nog eens wat er in jou ogen allemaal gebeurde." vroeg Simon zijn vriend. "Goed." begon Wiebe. "Ik ga met Truusje en Nelis van de puppy cursus naar jouw huis om Nelis in jouw tuin achter te laten, zoals afgesproken. Tussen twee haakjes Nelis mag niet meer naar de puppy cursus, tenzij hij een eigen begeleider meeneemt. Hij is te populair bij de teefjes en die blijven daardoor niet bij de les. Goed ik ga verder: Nelis afgeleverd. In de Landrover naar Roland om zijn verjaardag te vieren. Onderweg bedenk ik nog een gedicht - het schoot mij ineens te binnen dat die poëzieclub ‘Rijmpraat’ ook aanwezig zou zijn- om mijn opkomst te verlevendigen. ‘Gaat u maar na. Hier is Wiebe Iepstra.’ zou ik zeggen. Toen ik bij Roland en Yvette aankwam was de situatie niet helemaal zoals men die verwachten zou: de voordeur stond open. Oké ik ga naar binnen. Kom in de huiskamer en zie daar een gladde knaap iets in de zak van zijn colbertje steken. Een pakje sigaretten of zoiets. Ik heb dit nauwelijks waargenomen of die knaap mompelt iets in zichzelf van ‘oké daar gaan we’ en sprint de tuin in luid schreeuwend ‘Haal hem eruit, red hem’ of woorden van gelijke strekking -Deze slag om de arm had Wiebe van Simon geleerd. ‘Anders maken ze gehakt van je voor de rechter’ had deze hem altijd voorgehouden.- Ik ga de tuin in en zie jou met een overigens prachtige zwaai, moet je verder ontwikkelen." Hier onderbrak Simon Wiebe’s relaas met de woorden: "Vond ik ook. Heb ik ook al aan gedacht. Prachtzwaai inderdaad, maar ga verder." "Oké jij gooit dus met die prachtzwaai die gladde knaap vanuit de vijver op de kant. Ik vergat mijn tekst en in plaats van ‘Gaat u maar na, hier is Wiebe Iepstra’ zei ik: ‘wat is hier aan de hand? De rest was je zelf bij." Aldus het verhaal van Wiebe. "Stak iets in de zak van zijn colbertje." dacht Simon hardop. "kon je niet zien wat het was? "Nee behalve dat het niet groot was, een doosje of zo iets. Ik was trouwens ook niet voorbereid op zo’n ‘Reality operette’." antwoordde Wiebe. "Ik heb gisteren tijdens de voorstelling diverse malen gedacht ‘even onthouden’ dat was als ik het mij goed herinner bij de volgende gelegenheden:
Toen Roland opmerkte dat het een goed schot was. Het moet dus een beroepsmoordenaar of in ieder geval iemand die goed met een vuurwapen overweg kan zijn geweest.
Tiddo kwam ALLEEN met de drankjes terug uit het huis. Klopt met het feit dat jij Falco ALLEEN in de huiskamer aantrof.
Toen Falco vergat in de remmen te gaan en met een grote klap boven op zijn poëtische vriend viel.
En dan bij die zwaai natuurlijk, maar dat is meer voor toekomstige zaken van belang.
Hieraan voegen wij jouw geheimzinnige pakje toe en wat hebben we dan?
"De moordenaar, althans een van de moordenaars heet Falco Temming. Punt is hoe bewijzen we dat?" was het voor de hand liggende antwoord van Wiebe.
"We moesten de achtergronden van die twee, Falco en Tiddo bedoel ik, maar eens natrekken. Wiebe jij neemt Tiddo. Ik neem Falco. Oké?. Oké. Aan de slag. Wij zijn informatieverzamelaars en -verstrekkers nietwaar!"
Uit de toon van deze mededeling bleek wel dat Simon blij was dat er actie op komst was. Ook Wiebe voelde een prettige tinteling van spanning opkomen.


Falco Temming

"Marjan van Kwispelen leidt het onderzoek." zei Roland den Donder tegen Wiebe Iepstra. "Maar ik word wel op de hoogte gehouden. Dus jullie denken dat Falco erachter zit. Zou best kunnen."
Roland en Wiebe kletsten nog wat, dronken koffie en schaterden - het ging dus al een stuk beter met de geteisterde politieman- om de maffe dans van Laurel & Hardy in ‘Going out West’ .
‘s Middags zat Wiebe in de trein naar Amsterdam nog eens zijn aantekeningen door te nemen. Aantekeningen die hij had gemaakt naar aanleiding van het telefoongesprek dat hij had gevoerd met Roland. Deze had navraag gedaan naar Falco bij ‘Rijmpraat’ en bij Marjan van Kwispelen, die ook in de richting van Falco dacht. Hij las het volgende:
Falco Temming
1. Geboren in 1961 in Amsterdam.
2. Vader: Gerardus Maria Temming, schoenhersteller te Amsterdam
3. Moeder: Mario Gararda Temming - Melchior, huisvrouw te Amsterdam
4. Beiden nog in leven en redelijk goede doen. Wonen nog zelfde adres: Madurastraat 93/2 Amsterdam Oost.
5. Vader en moeder ten tijde van huwelijksvoltrekking streng katholiek. Later beiden anarchist, respectievelijk Jehova Getuige.
6. Geestelijke atmosfeer rommelig.
7. Falco ging naar lagere school, HBS (niet afgemaakt). Zeer verwend door zijn ouders.
8. Op school vooral bekend als ‘ettertje’. Bij een bepaald slag meisjes echter zeer populair.
9. Ging in 1980 het huis uit na zoveelste ideologische wisseling in gezin. Tot die tijd niet gewerkt. Leefde geheel op kosten ouders.
10. Ging ‘werken’ als gigolo bij een escortebureau "Big Boy" (bestaat niet meer). Was indertijd bij de Amsterdamse politie bekend als ‘voor ieder wijf hebben wij er wel een stijf’. Louche zaak.
11. Bleek biseksueel.
12. Vaak te vinden in multifiel bordeel "Tina’s Tochtige Troela’s", alwaar ook een afdeling voor homo’s. Bestaat nog steeds. Sjieke tent. Geen moeilijkheden.
13. Geen strafblad, wel eens opgepakt wegens vermeende oplichterij. Geseponeerd: geen bewijs.
14. Bovenstaande informatie hoofdzakelijk te danken aan dossier van deze zaak.
Na deze affaire (1983) uit het gezichtsveld (althans van de Amsterdamse politie) verdwenen.

"Temming en de Groot, Schoenherstellers, lederwaren" stond er in bescheiden letters op de etalageruit van het winkelpand Molukkenstraat 35. Wiebe opende de winkeldeur, waardoor hij een ouderwetse deurbel met klepel in werking stelde en ging naar binnen. "Gerardus Maria Temming?" begon Wiebe op vragende toon. "Dat ben ik." zei de man achter de toonbank, die bezig was een paar molières op te poetsen. "U wenst?" "Gisterenavond is ene Awraham ‘Tiddo’ Buiswater en ene Irmgard of Machteld von Sandstrasse alias Zucker vermoord en uw zoon Falco was daarbij aanwezig. Mijn naam is Iepstra en ik werk voor ‘van Bil informatie te Appelscha’. De eigenaar van het huis waar de moorden plaats vonden -zelf inspecteur van politie- heeft ons verzocht een parallel onderzoek naar deze moorden te ondernemen. U ziet uw medewerking zou niet alleen door ons, maar ook door de politie zeer op prijs worden gesteld. Ik vermoed dat de politie zich nog wel bij u zal melden of dat reeds gedaan heeft." Temming hoorde deze toespraak zwijgend en met langzaam openzakkende mond aan. Hij zweeg nog enige ogenblikken nadat Wiebe uitgesproken was, klapte toen zijn mond dicht met een uitdrukking van ‘sorry, even niet opgelet’ en zei slechts: "Godsammekrake, de zak. Ik dacht ‘ die is weg’ toen hij het huis uit ging. Eindelijk rust. Niks rust. eerst dat gedoe met die ouwe taart en nu twee, zei u twee?, moorden. Godsammekrake, de lul." "Verekskuseer" vervolgde hij.. "Kom mee naar achteren, daar kunnen we rustig praten. "Willem hou de winkel in de gaten. Ik heb bezoek." schreeuwde hij door een gat zonder deur. "Okidoki." kwam er vrolijk uit het gat naar buiten gewaaid. "U zei daarnet iets van een ouwe taart." begon Wiebe toen ze beiden in de achterkamer van de winkel aan een tafel hadden plaatsgenomen en Gerard Temming met een koffiezetapparaat begon te rommelen. "Wat was dat precies?" "Wacht even, dan zal ik u de geschiedenis van deze familie zo kort en bondig mogelijk vertellen. Dat voorkomt een hoop vragen, hoop ik." "Mijn vrouw en ik zijn produkten van de jaren zestig, de beroemde of beruchte jaren zestig. Wij waren zoekende. Anarchie, religie, wiet, flower power. De hele reutemeteut. Falco waren we een beetje vergeten. We hadden dus niet in de smiezen dat we hem tot in de grond aan het verwennen waren. Hij mocht alles. Hij kreeg alles. De zaak liep -en loopt- goed, dus financieel kon dat. Wat we ook niet in de gaten hadden was het feit dat Falco van al die wijzigingen in ideologie van ons niets begreep en ons voor een stelletje randdebielen versleet. Daarbij komt nog dat -achteraf gezien- wij hadden kunnen weten dat het jong een genetisch bepaalde etter was en nog is. Wij merkten dit alles eigenlijk pas toen hij plotseling zei ‘ik ga op me eige wonen’. Wij schrokken ons dood. Wat hadden wij misdaan? Het mormel was notabene bijna 20. Hadden we ook niet in de gaten. Goed hij rot op en wat denk je? Ria, mijn vrouw, en ik kunnen sinds die tijd veel beter met elkaar overweg. Rust in ons leven. Zij getuigt vrolijk van Jehova. Ik lap schoenen en beweer anarchist te zijn. Hij kwam een enkele keer nog wel eens langs, maar toen we via, via hoorde dat hij zijn brood ‘verdiende’ met ‘ouwewijvenneuken’ hebben we hem definitief de deur uitgegooid. Anarchie is anarchie, maar er zijn zelfs voor mij grenzen en fatsoensnormen." "De ouwe taart?" zei Wiebe snel toen Gerard even op adem moest komen na deze indrukwekkende monoloog. "O ja, de ouwe taart. Een paar jaar geleden, 1991, werd er een oude vrouw, ene douairière van Siccema dood aangetroffen in haar verzorgingsflat. Zij was vergiftigd met een of ander ingewikkeld Agatha Cristie brouwsel. Wat blijkt: zij had alles - het mens bleek stinkend rijk, vele malen miljonair en kierewiet volgens mij- vermaakt aan die vermaledijde zoon van ons. Falco had dus het lek boven. Gelukkig had die ouwe nog familie en die wist met succes het testament aan te vechten. Falco dus niet rijk. Het beroerde voor ons , mijn vrouw Ria en ik dus, was dat wij zeker wisten dat Falco het gedaan had. We hadden echter niet de moed om tegen hem te getuigen. Twee moorden, zei u? Waar?" "In Uffelte, een dorpje in Drente." zei Wiebe snel. "Heeft u wel eens van ene Awraham Buiswater gehoord? vervolgde Wiebe, die zijn kans schoon zag omdat Gerard de koffie begon in te schenken. "Nooit van gehoord." zei deze. "Maar een ding weet ik wel: als jullie een moordenaar zoeken, zou dat best eens die droevige zoon van mij kunnen zijn. God allemachtig wat een klootzak is dat. Ouwe wijven opzadelen om aan de kost te komen." Wiebe deed zijn mond open om wat te zeggen toen er in de deuropening een dame van middelbare leeftijd verscheen. "A, Ria goed dat je er bent. Die zoon van ons zit weer eens in moeilijkheden. Hij heeft nu twee moorden gepleegd." Begon Gerard Temming zijn vrouw op de hoogte te stellen." "Moge God hem bewaren en.." "Nee, nee." viel Wiebe haar in de rede. "Er zijn twee moorden gepleegd en uw zoon was daarbij aanwezig. Over de dader weten we nog niets." "Wie bent u en wat.." "Wiebe Iepstra van ‘van Bil informatie uit Appelscha’, wij.." "Hij is een soort Kojak, die.." begon Gerard. "Eens zal de waarheid overwinnen en ik zal daarvan getuige zijn, in de Schrift staat.." "Zo komen we niet ver." dacht Wiebe. "Als iedereen iedereen onderbreekt kunnen we de punt als leesteken wel wegdoen." "Kan ik u misschien even onder vier ogen spreken? Dat werkt wat vlotter. U man heeft me al veel belangwekkende inlichtingen verschaft. Gerard vond het best en leek zelfs opgelucht nu hij zijn gal had kunnen spuwen over die ‘droevige zoon van ons’. "Ik heb de Waarheid te laat ontdekt, anders had ik hem misschien nog kunnen redden. Nu leeft hij in zonde, herenliefde ook nog met ‘Buissie’. Ik ben bang dat het te laat is, maar in de schrift staat: " "Buissie?" viel Wiebe haar abrupt in de rede. "Toch niet Awraham Buiswater?" "Jazeker, leefde samen met Falco in zonde en nog wel een zoon van het uitverkoren volk. Ik ga geregeld bij ze langs om hun ziel te redden, maar als ik de Waarheid niet ontdekt had zou ik aan de mensheid gaan twijfelen. In de Schrift staat echter.." "Wegwezen." dacht Wiebe, want hij was bekend met de litanieën van de Getuigen van Jehova. Dat kon even duren. Toen hij de winkel verliet vroeg hij in het voorbijgaan achteloos aan Gerard, die weer de molières ter hand had genomen: "Heeft u wel eens gehoord van een bordeel ‘Tina’s Tochtige Troela"s?" "Wie niet"?, adverteert elke dag in de Telegraaf, zit op de Ouwezijds Kolk. ‘Triple T’ is de toeristennaam. "Ik wilde vanavond een bezoek brengen aan die Troela-tent." zei Wiebe door de telefoon tegen Simon, "maar dat is een dure aangelegenheid." "Maakt niet uit, als je je maar gedraagt. Trouwens ik heb voor morgenmiddag een afspraak met de oude Buiswaters. Ik zie je tegen de koffie in je hotel." Die avond om 10 uur zette Wiebe koers naar de Ouwezijds Kolk. De taxichauffeur lachte als een tandarts die een boer van zijn kiespijn verlost had en de rekening op de bus deed toen hij Wiebe op de Oudezijds Kolk voor de ingang van ‘Triple T’ afzette. "Prijsje in de loterij gewonnen meneer?" was het nogal vrijpostige commentaar van de openbaar vervoerder toen Wiebe, om in stijl te blijven, met een ruime fooi afrekende. Nadat hij de formaliteiten aan de ingang had afgewerkt; hij moest 500 gulden entree betalen (drank gratis) en zijn naam en adres opgeven (willen geen moeilijkheden met de autoriteiten) stapte hij nieuwsgierig een spaarzaam, maar voldoende verlicht ruim vertrek binnen. De ruimte leek veel op een nachtclub. Dit bleek het ook te zijn. Wiebe keek rond. Hij wilde eerst de sfeer proeven. ‘Keek rond’ is eigenlijk te veel gezegd. Wiebe zou gaan rond kijken, maar het eerste dat hij zag aan een kleine bar recht voor hem was Falco Temming, glazig kijkend en kennelijk stomdronken. Wiebe zette weer koers: nu naar Temming, Falco, fortuinjager. "Hallo Falco." Falco zei niets. Wiebe tikte hem op zijn schouder. Falco viel en bleef op de grond liggen in dezelfde houding waarin hij op de barkruk had gezeten, alsof er een standbeeld was omgevallen. De vergelijking was redelijk accuraat: in een standbeeld zit geen leven. In Falco Temming zat ook geen leven meer. Hij was morsdood.


Tiddo Buiswater

"Ik bel van het bureau Warmoesstraat. Ik ben gearresteerd." zei Wiebe door de telefoon tegen Simon, die deze tekst met verbijstering aanhoorde. "Waarom in hemelsnaam?’ "De ex-collega’s van jou hier denken dat ik Falco Temming vermoord heb. Die is namelijk zo dood als een pier. Viel van zijn barkruk toen ik hem op zijn schouder tikte in die Troelatent. Maar ik moet kort zijn. Ik mag maar een keer bellen. Doe er iets aan, wil je? "ik kom eraan." was het antwoord van Simon. Simon pakte de sleutels van de Lancia, zei tegen Nelis dat hij extra goed moest opletten want de baas moest even weg en liep naar de deur. Hij bedacht zich en greep de telefoon. "Wie was dat?" vroeg Roland toen Yvette met een uitdrukking van ongeloof de telefoon neerlegde. "Dat was Simon. Wiebe is in Amsterdam gearresteerd voor de moord op Falco Temming." "Christus nog aan toe, wat een klerezooi." was het enige commentaar van Roland. Hij zette het geluid van de video wat harder om een consult van juffrouw Ooievaar bij Meindert het Paard beter te kunnen volgen: juffrouw Ooievaar had last van ‘vederverslapping’ aan haar rechter vlerk. Een onschuldige aandoening, waarschijnlijk veroorzaakt door stress. De stress zou weer veroorzaakt kunnen zijn door de onzekere verhouding tussen juffrouw Ooievaar en Harry Lepelaar. Ging wel over volgens Meindert. Of hij de vederverslapping bedoelde of de stress tengevolge van de Ooievaar-Lepelaar connectie of beide werd niet duidelijk. "Hoe is die.." begon Roland. "Ho maar." viel Yvette hem in de reden. "Hij zei alleen dat hij haast had, dat Wiebe in de cel zat wegens moord op Falco en dat hij later, waarschijnlijk morgen meer informatie hoopt te verschaffen, dat informatie verschaffen zijn beroep was, maar dat hij dan eerst informatie moest verzamelen." "Volgende patiënt." klonk de stem van Meindert uit de luidspreker. Simon zat inmiddels achter het stuur van de trouwe Lancia. "Zo laat maar eens zien dat ze in Italië behalve elkaar overhoop schieten met afgezaagde jachtgeweren op bruiloften en partijen -’wat is eigenlijk erger?’ dacht Simon plotseling: Elkaar overhoop schieten met afgezaagde jachtgeweren op Italiaanse bruiloften en partijen of elkaar doodvervelen met afgezaagde moppen en verhalen op Hollandse bruiloften en partijen- ook nog de beste auto’s van de wereld kunnen maken." De Lancia liet het zien. Binnen anderhalf uur stond hij fout geparkeerd in de Warmoesstraat in Amsterdam voor de ingang van het politiebureau zijn bestuurder en eigenaar na te kijken die met grote haast in het pand en uit het zicht verdween. "Nee maar, meneer van Bil." begon de wachtcommandant. "Dat is een tijd geleden dat.." "Waarde Willen, wees zo goed de volzinnen aan mij te laten. Ik heb een ongebruikelijke haast en ik heb - nog ongebruikelijker- zwaar de pest in. Waar hebben jullie Wiebe Iepstra opgesloten? "U bedoeld die nichtenkiller, die.." "Nichtenkiller? Nichtenkiller? Sorry Willem, maar ik weet het nu zeker. Je bent niet goed bij je hoofd, kierewiet, vroeg Altzheimer. Ik zou zelfs durven beweren je maakt een vergissing. Wiebe Iepstra is een vriend van mij, Wiebe Iepstra werkt voor mij, Wiebe Iepstra heeft geen nicht , had geen nicht en kan haar dus ook niet vermoord hebben. Ik wil Wiebe Iepstra nu spreken plus de onverlaat respectievelijk -laten, die zo stom, ja zo ondeugend waren hem te arresteren. Wiebe Iepstra: nichtenkiller. Hoe haal je het in je bolle harses? zou een andere vriend van mij gezegd hebben." Brigadier Willem had het begrepen, drukte op knoppen, sprak in telefoonhoorns en zei: "Is voor mekaar meneer van Bil. Verhoorkamer 15." De volgende morgen om 12 uur reden Simon en Wiebe op hun gemak in de oude Lancia door Amsterdam richting Goudkust. "Goeden morgen. Verzoeke uw naam en doel van uw komst duidelijk in te spreken na de pieptoon." klonk het uit de muur nadat Simon met een geschoeide hand -in de Lancia droeg Simon altijd handschoenen; de ‘oude dame’ verdiende met respect en liefde te worden behandeld- de goudkleurige deurbel had ingedrukt. "Van Bil en Iepstra van van Bil informatie uit Appelscha." Fluisterde Simon met hese stem in het, ook goudkleurig, getraliede gaatje in de muur. Dit fluisteren met hese stem deed hij niet om indruk te maken, maar omdat hij een ‘kikker’ in zijn keel had en op het punt stond een gecombineerde nies-hoestbui met zware windstoten de wereld in te sturen. De bui barstte los juist toen er weer geluid uit het getraliede gat kwam. "Wat ze zei weet ik niet, kon ik niet verstaan door die herrie van jou, maar de deur gaat open. Kom mee." zei Wiebe toen bij Simon de storm was gaan liggen. "Sarah Buiswater. Goeden morgen. Wij verwachtten u al. Treedt u binnen en volgt u mij." zei de gedistingeerde dame van middelbare leeftijd, die de deur had geopend. "Vroeger hebben we nog wel eens een dienstmeisje gehad om de deur te openen, het eten op te dienen en de bedden op te maken." ging mevrouw Sarah Buiswater verder, "maar wie wil dat werk nog doen? En trouwens we zijn nog maar met z’n tweetjes en gezond van lijf en leden en Tid.." Verder kwam zij niet. "Die heeft behoorlijk de zenuwen. Dat geklets past niet bij haar verschijning. Niet al te hard aanpakken, anders slaat ze nog dicht." dacht Simon toen Sarah Buiswater huilend in een stoel ging zitten in het vertrek dat de drie persoons processie zojuist had betreden. Een vierkant vertrek van zeker tien bij tien, een klein zaaltje. Ingericht als huiskamer en smaakvol ingericht. Het eerste dat op viel was een schitterend paneel boven de open haard. Een notenhouten paneel met bladgouden belettering. De tekst op het paneel luidde:
Beste vader
Lieve moeder
Margreet, het loeder
Na der
Bruiloft kon ik haar pas zoenen
En Esther, die slome met die nukken
Natuurlijk wilde dat niet lukken
Van Judith ook slechts schimp en hoon
O, ouderlijk fossiel
Hier is uw zoon
EEN ECHTE HOMOFIEL
Toen Simon en Wiebe zich omdraaide na het bestuderen van deze poëtische wandversiering zagen zij dat het aantal aanwezigen met één was vermeerderd. Salomon Buiswater, gekleed in spijkerpak met vouwen in de broekspijpen en gepoetste molières aan zijn voeten -"Die schoenen heb ik meer gezien." dacht Wiebe bij het zien van Salomons schoeisel- was bezig liefdevol zijn vrouw toe te spreken. Na een paar minuten zaten Salomon, Sarah, die zich weer geheel onder controle had, Simon en Wiebe ieder in een grote fauteuil rond de open haard.
Simon opende de vergadering: "Ten eerste wil ik van onze oprechte deelneming getuigen bij het zo tragische verscheiden van uw zoon. Ten tweede wil ik u hartelijk dank zeggen voor het feit dat u in deze droeve omstandigheden bereid bent gebleken ons te woord te staan en onze vragen te beantwoorden. Zullen we dan maar beginnen?" "Hoe?" begon Simon, maar werd onderbroken door Salomon Buiswater: "U bent meneer van Bil neem ik aan?" zei deze. Met goed doorbloede kaken stond Simon op stelde Wiebe en zichzelf officieel voor en ging weer zitten. Ondanks de ramp die de dood van haar zoon voor haar was kon Sarah een lichte aanzet tot glimlach bij dit ceremonieel niet onderdrukken. "Ik mag die goj wel ." dacht zij onwillekeurig. "Om een hoop vragen te voorkomen zal ik u de geschiedenis van deze familie zo kort en bondig mogelijk trachten te schilderen. " Met deze woorden verbrak Salomon Buiswater de stilte voordat deze pijnlijk werd. "Kent u ene Gerardus Maria Temming?" vroeg Wiebe na het horen van de woorden van Salomon. Woorden die hem bekend voorkwamen. "Jazeker, via Tiddo’s vriendje Falco. Gerard is zijn vader en een goede schoenmaker en we zijn, ondanks het verschil in cultuur en achtergrond eigenlijk goed bevriend. Maar waarom vraagt u dat zo plotseling?’ "Gedachtensprong. Gaat u verder." zei Wiebe haastig. "Goed. Sarah en ik waren teenagers toen de oorlog eindigde. We hebben de ellende overleefd dankzij een lid van de Grüne Polizei. Heinrich heette hij. Nu zegt de naam Heinrich niet veel omdat alle Duitsers Heinrich heten als ze niet Wilhelm of Otto worden genoemd. Heinrich Otto heette eigenlijk Samuel Blumentalovic, een onbesneden Jood, die bij de politie was ondergedoken. Hij hielp het Nederlandse verzet bij de onderduik van bedreigde mensensoorten zoals Joden, Zigeuners etc. Wij , Sarah en ik, werden bij Heinrich zelf ingekwartierd. Alles ging goed. Het ging zo goed dat wij na een week al wisten dat wij na de oorlog zo spoedig mogelijk zouden trouwen. Dit is ook gebeurd ondanks het verzet van zowel Askenasische als Sefardische kerkelijke zijde. Mijn vrouw heet Pareira de Mattos moet u weten. Gelukkig konden wederzijdse ouders goed met elkaar overweg. Hebben ook op miraculeuze wijze enige concentratiekampen overleefd. Een verhaal apart. Hier niet van belang. Ze klaverjassen nog elke week met elkaar. Dat ‘zo spoedig mogelijk trouwen’ werd toch iets later door het afmaken van schoolopleidingen en dat soort verplichte nummers. In 1949 zijn we getrouwd, gewoon op het stadhuis, niet in de synagoge om heibel tussen voornoemde stromingen te voorkomen. In 1950 werd Awraham ‘Tiddo’ geboren." "Vergeef mij de interruptie van uw buitengemeen belangwekkend relaas, maar waar komt de naam ‘Tiddo’ vandaan? wilde Simon weten. "Simpel." ging Salomon verder. "ik had een teddybeer voor hem gekocht en wij stonden samen het wurm, hij was toen pak weg een half jaar, te onderwijzen in de anatomie van de teddybeer. Zo van: dit zijn voorpoten, kijk zijn oren en samen zijn zij Teddybeer. Plotseling zegt hij ‘Tiddo’ of een woord met gelijke strekking, het was in ieder geval een woord zonder betekenis in welke taal dan ook voor zover ik weet. Enfin wij verstonden ‘Tiddo’; zijn eerste woord. Ik had nog een beetje de P in omdat ik dezelfde anatomische les met mezelf als voorbeeld -kijk handen, oren, neus, samen PAPPA- meerdere malen had afgedraaid zonder enige reactie." "De betekenis van de uitdrukking ‘kort en bondig’ wordt door de familie Buiswater anders gedefinieerd dan door een eenvoudig gepensioneerd schilder uit Appelscha." dacht Wiebe met een ingehouden zucht. Simon scheen soortgelijke gedachten te koesteren. Hij zei: "Wij willen u niet haasten, maar zou u de bijwoordelijke bepaling ‘kort en bondig’, door u in uw inleiding gebruikt, wat meer willen toepassen op uw verhaal?" vroeg hij. "Gelijk, gelijk, u hebt volkomen gelijk. Sorry, ik weet het; mijn breedsprakigheid is een ramp voor de mensheid. Goed: Tiddo groeit voorspoedig op. Mijn zaken, ik fabriceer levensmiddelen, gingen en gaan goed. Tiddo lagere school. Tiddo Maimonides. Tiddo padvinder etc. Maar Tiddo geen vriendinnen. Ik zeg tegen Sarah misschien Tiddo homo. Zal wel eens vragen zei Sarah. Hoefde niet meer. Post komt. Brief voor Awraham Buiswater. Hij opent brief. ‘Voor de bakker’ zegt Tiddo. ‘Ik ben gediplomeerd gymnasiast. En dan nog wat. Ga zitten jullie.’ Wij zitten en wachten. Tiddo reciteert gedicht dat nu boven haard hangt. Sorry voor vreemde praatstijl, maar anders verval ik weer in breedspraak. Volgende vraag." "Tiddo en Falco?" vroegen Wiebe en Simon tegelijk. "Oké." ging Salomon verder. "Laat mij dat maar vertellen." viel zijn vrouw hem in de rede. "Mijn man en ik dachten dat Tiddo geen zakentalent had. Niet in de zaak dus. Wij hadden van zijn leraren op het Maimonides vernomen dat hij tijdens de godsdienstlessen altijd zat te slapen of rijmpjes schreef. De religie interesseerde hem geen barst. Geen rabbijn dus. Wat dan wel? Die vraag hoefde wij niet zelf te beantwoorden. Tiddo wist het al; ‘ik word uitgever’. Goed, wij verschaffen hem startkapitaal en hij begint de uitgeverij ‘Awraham Buiswater’ in de Binnenbantammer. Wat blijkt? Tiddo is een groot zakentalent. Binnen een jaar of tien groeit hij uit tot de meest succesvolle uitgever van Nederland. Startkapitaal terugbetaald en welgestelder dan wij ooit zullen worden. Het zij hem gegund." Na deze woorden dreigde Sarah weer in huilen uit te barsten. met moeite beheerste zij zich en vervolgde: "Op een dag nu twee jaar geleden zei hij plotseling tegen mij ‘moeder ik heb droevig nieuws: ik ben HIV positief.’ U begrijpt ik schrok me dood. Echter hiermede viel ook te leven. Tiddo werd wel wat cynischer. Toen hij met Falco thuis kwam dachten wij: hij houdt van jazz, hij houdt van poëzie, hoe kan hij nou op zo’n gladakker vallen? Wij zeggen niets. Het is zijn leven. Sal, mijn man, gaat Falco’s vader toch maar eens opzoeken. Die zei: hou die droevige zoon van mij scherp in de peiling’. Sinds die tijd zijn Sal en Gerard vrienden." "Moment," kwam Wiebe tussenbeide, "Gerard Temming beweert dat hij nog nooit van Tiddo gehoord heeft." "Hadden wij zo afgesproken om twee redenen: Falco bij Gerard buiten de deur houden en Tiddo niet de indruk geven dat wij zijn leven controleerden." verklaarde Salomon. "Mooi, gaat u verder mevrouw Buiswater." zei Wiebe vlug. "Op een dag kon ik het toch niet nalaten Tiddo te vragen wat hij nu eigenlijk in Falco zag. Tot mijn verrassing zei hij: ‘Falco is een eersteklas etterbak die alleen op mijn geld uit is. Hij heeft zelfs een douairière om haar geld vermoord. Hij viste gelukkig achter het net, maar justitie kon hem niets maken. Maar ik, ik krijg hem wel die stinkende steenpuist.’ Ik viste nog wat, maar hoe hij Falco wilde pakken zei hij niet. Toen hij die dag het huis verliet zei hij echter iets dat mij zeer te denken gaf; ‘Zeg nooit tegen die slijmbal dat ik HIV positief ben.’


Van Bil wordt officieel

Het signaal was al op weg van de bevoegde hersencellen naar de stembanden en ondersteunende spiergroepen; "O, Jaaaap!!" zou het worden. Het werd "O, Jaa.. AU godverdomme, mijn voet, AAAAU!!" Marjan van Kwispelen was met een harde klap uit bed gevallen en had vreselijke pijn in haar voet. "Dus wat nu?" vroeg de commissaris, gezeten achter zijn fraaie bureau - nog uit de tijd toen de politie geld had voor kantoorinrichting- met een uitdrukking van ‘ ik weet het wel, maar zeg jij het maar’ op zijn gezicht. Roland wist het ook en zei het dan ook maar: "Oké, ik zet de Fabeltjeskrant in de wachtstand en doe het zelf wel. Hoe heeft ze haar voet eigenlijk gebroken?" "Ze scheen bezig haar vriend, ene Jaap, veehouder te Dwingelo, te assisteren bij diens penetrale gymnastiekoefeningen. Waarschijnlijk hebben ze de moeilijkheidsgraad iets te ver opgevoerd en beiden zijn, zo te zeggen, van de mat gerold. Marjan kwam ongelukkig terecht en brak een middenvoetsbeentje. Kan voorlopig niet lopen. Jaap had niets." Roland, die helemaal geen zin had de leiding in de Zucker-Buiswater-Temming zaak weer op zich te nemen mopperde nog wat: "Gewoon d’r op, d’r in, d’r uit, d’r af, welterusten, snurk. Mijn methode. Bevalt prima. Geen harde landing. Maar de jeugd; Topsport maken ze er van.." "ik heb ook goed nieuws viel de commissaris hem in de rede. Ik kreeg laatst een schrijven van de korpsleiding. Het kwam hier op neer: ‘ex-politie officieren kunnen onder bepaalde voorwaarden toetreden tot de reservepolitie.’ Nu had ik zo gedacht.." "Natuurlijk, natuurlijk." viel op zijn beurt Roland de commissaris in de rede. "Wij strikken Simon, die is toch al bezig. Nu nog als hobby, althans min of meer. IK heb hem verzocht een paralel onderzoek te doen, maar goed voor hem is het nogal vrijblijvend. We maken hem lid van de reservepolitie, we roepen hem op en geven hem de leiding van de ‘rijmende, homofiele lantaarnpaal moord’." "Wabblief?" "Sorry, ik bedoel de zaak waaraan Marjan bezig was." Tijdens hun reis van Amsterdam naar Appelscha, na de ontmoeting met de familie Buiswater, hadden ze het er nog over gehad; "Wat is onze status eigenlijk? had Wiebe gevraagd. "We onderzoeken een drievoudige moordzaak, zonder opdrachtgever. We krijgen geen cent betaald. De mensen staan ons te woord omdat ze dènken dat we iets met de politie te maken hebben. We zijn eigenlijk niet meer dat een stelletje dilettanten, dat om Joost mag weten welke reden, getolereerd wordt." Simon had hem niet anders dan gelijk kunnen geven. "Gelijk heb je, maar ik wil weten wie het ‘in zijn bolle harses haalt’, auteursrecht Roland, om ‘recht voor mijn snufferd’, zou ook van Roland kunnen zijn, een tweeling te halveren." Nu zat Simon in dezelfde stoel in de kamer van de commissaris van politie van het gewest zuidwest Drente als Roland een uur tevoren had gezeten. Hij had het voorstel van de commissaris om als reservist bij de politie terug te keren in gedachten al aanvaard. Hij kon zijn privé detectivebureau gewoon aanhouden en daarbij gebruik maken van zijn opsporingsbevoegdheid en de politie kon hem in zijn functie van ‘pi’ goed gebruiken voor zaken en methoden, die zij zelf niet aankon of dorst. Kortom, mits goed vormgegeven kon hun samenwerking vruchtbaar worden. Hij zei dan ook tegen de commissaris: "Commissaris! Ik ben uitgelachen. Ik ben gehoond. Ik ben beschimpt. Men heeft mij zaken ontnomen. Als ik door de gangen van het bureau liep hoorde ik achter de deuren het gegiechel als een soort demonstratie van het Dopplereffect langs mij henen stromen. Ik kon mij niet meer concentreren. Ik deed twee, let wel twee dagen over één, let wel één Baantjer. Ik ben door de politie uitgekotst en waarom? Omdat ik toevallig miljonair ben. Ja miljonair. Tegen wil en dank miljonair. Iemand wint de staatsloterij, maar waarom ik? Ik hield van mijn werk. Ik ben de deur uit gejend. En nu wilt u dat ik terugkeer bij de politie, IK?. De paria. En nu wilt u dat ik samen met Roland den Donder de ‘Zucker etc.’ zaak oplos? Hier zweeg Simon omdat hij in ademnood dreigde te raken. De commissaris maakte dankbaar gebruik van de windstilte en zei: "Jazeker, uitstekend gededuceerd." "Oké." antwoordde Simon hierop. Ik deel de kamer met Roland, heb ik al afgesproken. Morgen eerste rapport." "Succes en tot morgen." grijnsde de commissaris Simon de deur uit.


Midlife-crisis

"Midlife-crisis." gaf Roland ten antwoord toen Simon hem vroeg waarom hij de laatste tijd zo vreemd reageerde. "Ik denk al een tijdje over VUT. Ik heb er niet zo veel zin meer in. Een andere keer weer wel. Van die geschiedenis op mijn verjaardag kreeg ik echt de zenuwen. Ik was dus blij met de smoes van ‘te betrokken etc.’ om van de zaak af te komen. Aan de andere kant blijf ik dan te nieuwsgierig om er helemaal buiten te blijven en op Ibiza te gaan zitten wachten tot het over is. Als deze zaak achter de rug is zal ik eens ernstig met Yvette gaan praten. Krijg steeds meer zin om hier maar gewoon in Uffelte voorzitter van ‘Rijmpraat’ te worden nu Tiddo dood is. Ik heb het overigens niet gedaan. Nee zou kunnen; geflipte politieman pleegt coup in Drents verenigingswezen: ‘Rijmpraat weer geheel hetero". Maar goed, midlife-crisis dus. Ik ben blij dat jij er weer bij bent. Kan ik het een beetje afstandelijker bekijken. "Oké, begrepen. Nu terzake." Wiebe en Simon zaten weer eens het bos te bewonderen vanuit het huis van Simon in Appelscha. Nu echter in gezelschap van Roland den Donder, die weliswaar officieel het onderzoek leidde, maar vanwege de zojuist door hem naar voren gebrachte midlife-crisis meer als katalysator dienst zou gaan doen en de verbindingen met justitie en andere politiekorpsen ging verzorgen.
"Ik kom zojuist van de commissaris in Diever. Ik had hem gisteren beloofd: ‘morgenochtend eerste rapport’. Dus hedenmorgen: ‘eerste rapport’. Ik was gauw klaar: ‘Commissaris we gaan om 10 uur beginnen. Het team bestaat uit Roland, Wiebe -is weliswaar geen politieman, maar is geheel voor mijn verantwoording. Moet u zien als een dependance van mij- en ik. Plus de mankracht die we nodig mochten hebben. Is dat oké? De commissaris zei oké. Het is nu ongeveer 10 uur. De vergadering is geopend." Bij de laatste woorden kon Roland een lichte grijns niet onderdrukken. Als er iets was waar hij echt de pest aan had, was het vergaderen en Simon wist dat en dat wist Roland.
"We hebben nu drie overledenen: een Zucker, een Buiswater en een Temming. Alle drie op onnatuurlijke wijze gestorven. We beginnen bij de Zucker-sis. Weten we al welke? "Jazeker," nam Roland het woord, "ik heb bij Yvette en mijn zwager Julien en bij de overlevende van de twee geïnformeerd. Alle drie beweren dat de levende Machteld heet. Ergo igitur, por lo tanto de dooie heet Irmgard." "Mooi," ging Simon verder, "Irmgard von Sandstrasse, artiestennaam Irmgard Zucker, stond in de weg van een klein metalen voorwerp dat met grote snelheid door de tuin van de jarige Roland den Donder reisde. De botsing tussen het metalen voorwerp en Irmgard kostte Irmgard het leven. Met andere woorden: Irmgard werd koelbloedig overhoop geschoten. Er zijn kruitsporen in de tuinkamer gevonden we weten dus de afstand van schutter tot slachtoffer. Dit is ongeveer 20 meter. Uit het kaliber van de kogel blijkt dat er een jachtbuks gebruikt. In tegenstelling tot onze eerste veronderstelling kan de moord ook door een beginnend schutter gepleegd zijn. Met een jachtbuks iemand op 20 meter raken is niet echt een kunst. Om de nek precies te raken is wel een kunst. Ik stel voor wat betreft Zucker: vermoord door waarschijnlijk geoefend schutter." "En waarschijnlijk een vrouw" vulde Wiebe aan. "Dank, dank, inderdaad, waarschijnlijk een vrouw. Welke vrouw, wat zijn die ‘Sugar Canes’ eigenlijk voor wichten? etc. Roland grijp je zwager in zijn lurven, netjes blijven hij is nog niet verdacht, en zoek de achtergronden van dat koppel eens uit." "Komt mooi uit. Hij logeert toch bij ons een weekje om bij te komen van de klap." "Slachtoffer nummer twee," vervolgde Simon, "Awraham ‘Tiddo’ Buiswater. Zijn Wiebe en ik zelf achter heen geweest: Had de schurft aan Falco. Wilde hem waarschijnlijk met HIV besmetten om hem langzame dood te laten sterven. Is hier niet aan toe gekomen. Werd zelf vermoord. Nemen aan door Falco Temming met vergif in de sherry - denk aan het doosje dat Wiebe hem in zijn zak zag steken vlak voor hij naar buiten rende om zogenaamd Tiddo te redden-. "We.." "Weten we al wat voor gif er gebruikt is om Tiddo om zeep te helpen?" viel Wiebe in de rede. "Weten we al wat voor gif er gebruikt is om Tiddo om zeep te helpen? is exact de tekst die mijn stembanden wilde passeren. Wiebe zij dank." "Dat weten we." zei Roland. "Laat Wiebe en mij ook tot het illustere gezelschap ‘we’ behoren, spreek den Donder!" "Volgens het lab was het een overdosis van het stuff dat gewoonlijk ‘Mickey Finn’ genoemd wordt, een sterk en zeer snelwerkend slaapmiddel. Is hier in Nederland alleen ondergronds te krijgen. Moet voor Falco geen probleem geweest zijn met zijn louche vriendjes. By the way, dat doosje dat Wiebe zo professioneel opgemerkt had.." "To the point slijmbal." zweefde door de lucht. "..was zo’n blikje dat vroeger wel eens gebruikt werd om sigaretten in te doen zodat het pakje niet verkreukelde. Is door de Amsterdamse politie gevonden bij het onderzoek naar de dood van Falco." sprak den Donder. "Conclusie: Tiddo vermoord door hebberige vriend Falco met overdosis knock-out poeder. Akkoord? Akkoord! Dan nu slachtoffer nummer drie ‘hebberige vriend’ Falco Temming." Wiebe, die nog niet veel aan de conversatie had bijgedragen omdat hij , zo vond hij, niets wezenlijks had toe te voegen tot nu toe, nam nu het woord: "Falco is vermoord met een gif dat tijdens de Tweede Wereld Oorlog werd gebruikt in zogenaamde zelfmoordpillen. Pillen die men in de mond doorbeet , waarna men vrijwel onmiddellijk dood was. Heb ik van Roland gehoord, maar ik wilde ook een keer aan het woord komen. Wist niet goed of ik op spek of bonen moest gaan lijken." "Wees niet verstoord, wij hebben u gehoord.." was het begin van een volzin die niet afgemaakt werd omdat Roland opmerkte dat er nog wel leden bij konden, bij "Rijmpraat’ bedoelde hij en omdat Nelis de koffie van Simon met zijn staart van tafel veegde en daarom zijn baas de voorkeur gaf aan de tekst: "Nelis! kijk de baas aan. De baas kijkt zeer hondonvriendelijk." De rommel werd opgeruimd en Roland zei: "Klopt, heet cyaankali geloof ik." "Oké, Wiebe vat samen." "Juist," begon Wiebe, "we hebben slachtoffer 1: mannequin Zucker, Irmgard. Vermoord door nog onbekende (waarschijnlijk) vrouwelijke dader, met schot uit jachtbuks. Achtergrond van slachtoffer wordt uitgezocht door Roland. We hebben slachtoffer 2: Buiswater, Awraham, bijgenaamd Tiddo. Vermoord met overdosis slaapmiddel waarschijnlijk door ‘vriend’ Temming, Falco. Slachtoffer was al dood toen het in de vijver viel volgens lab. We hebben slachtoffer 3: Temming, Falco. Vermoord met cyaankali door nog onbekende dader." "Mijne heren," Simon had het woord weer genomen, "ik stel voor: Roland gaat achter de Monroe imitatie aan. Wiebe en ik moesten die Troelatent, zoals Wiebe hem zo plastisch noemt, maar weer eens gaan opzoeken. Ik heb zo’n vermoeden dat daar nog een paar ongehuwde antwoorden liggen. Antwoorden, die een vraag nodig hebben om hun bestaan te rechtvaardigen.


Julien

"Moge Sjuul, je zit in een foute stoel. Die staat hier alleen voor de sier. Is de stoel van Yvette haar opoe geweest en zwij wil hem graag heel houden." "Wat betekent ‘zwij’?" "Dat betekent zij en ik ben het met haar eens." "Waarom dan niet gewoon ‘wij’? "Omdat Yvette en ik zo’n hechte eenheid vormen dat de meervoudsvorm misplaatst zou zijn en omdat ik ‘s morgens voor het ontbijt wel meer van dat soort melige invallen heb. Ik kan ze echter nooit kwijt. Yvette is er inmiddels immuun voor geworden. Jij bent dus een welkom slachtoffer." Roland den Donder schrok een beetje, want bij het uitspreken van het woord ‘slachtoffer’ kreeg Julien -Sjuul zoals Roland hem altijd noemde- een uitdrukking op zijn gezicht, die niet veel goeds voorspelde. Een terugkeer naar de lethargie, die hij langzaam overwonnen scheen te hebben, dreigde. Roland nam plaats aan de keukentafel en besloot de platte keuvel, de platte keuvel te laten en met de deur in huis te vallen: "Sorry, ouwe knaap, maar over hechte eenheid en zo gesproken. Waarom ben jij eigenlijk nooit getrouwd?" "Je kent me nu lang genoeg om te weten dat ik een individualist ben. Het huwelijk is niets voor mij. Er is trouwens nog een tweede, meer commerciele, reden: in het modewereldje heerst de misplaatste opvatting, gelukkig niet bij iedereen in dat wereldje, dat je als homofiel beter bent. Vooral bij die rijke taarten, cliënten zeg ik altijd in het openbaar, schijnt een dergelijk vooroordeel populair te zijn. Een vrijgezel van een jaar of dertig -Julien was een jaar of 10 jonger dan zijn zuster Yvette. Een nakomertje in het gezin Casimir- wordt al gauw voor flikker versleten. Ik dacht: ‘houen zo’. Over de intensiteit en frequentie van mijn voortplantingsimpulsen hoef je je overigens geen zorgen te maken. Ik red me prima. Ik zal je iets vertellen wat je nog niet weet Rollie." -Julien had een hekel aan ‘Sjuul’ en Roland ging bij ‘Rollie’ altijd steigeren. Dat Sjuul het gebruik van zijn ‘lagere school naam’ alleen van Rollie accepteerde en andersom was een bewijs van hun goede verstandhouding. Ze mochten elkaar wel- "Spreek!" "Ik heb een verhouding met de tweelingen. Ik ben niet alleen hun werkgever en trouwe toeverlaat. Ik ben met die twee getrouwd, niet gehuwd want dat is wettelijk niet toegestaan, wij vormen, sorry vormden een hechte drieëenheid. Jij begrijpt nu wel dat ik de moordenaar van Irmgard niet alleen zorgvuldig, doch ook met liefde de nek om zal draaien als ik hem/haar in mijn vingers krijg." "Dus jullie lagen met z’n drieën te sparte.." Roland besefte net iets te laat dat hij zijn ‘dirty mind’ weer de vrije teugel had gelaten. "Sorry, sorry, sorry, Sjuul. Nu echt serieus. Ik heb weer de leiding van het onderzoek omdat Marjan van Kwispelen door haar minnaar het bed uitgekwakt is en haar voet gebroken heeft." Onwillekeurig moest hij hierbij denken: ‘gelukkig had zij maar één minnaar. Anders hadden we nu in de aula het ‘Slavenkkoor’ staan zingen.’ "En in verband met dit onderzoek, ik word nu dus een beetje officieel, wilde ik je vragen mij eens iets meer van de tweeling te vertellen. Hun achtergronden en zo." "Dan ben ik gauw uitgepraat. Ik weet eigenlijk ook niet zo veel van ze. Ik was een keer op vakantie in Beieren. Twee jaar geleden was het geloof ik. Ja 1995, klopt. In Beieren dus, in een plaatsje genaamd Walnussgerief. Ik ging een manege binnen om een paard te huren. Is daar prachtig, dus ik denk: ik huur een knol, neem brood en koffie mee en ga een beetje van de natuur genieten. Toen ik achter de stalknecht aanliep kwam ik langs een paardenbak." "Pardon?" viel Roland hem in de rede, want Roland had net zoveel affiniteit met de paardensport als het gemiddelde paard. "Zandbak met hek, buitenmanege." legde Julien uit. "Ik zie daar twee identieke schoonheden te paard zitten en hup daar lagen ze te spartelen in het zand. Toen nog met z’n tweeën." voegde hij er met een grijns aan toe. Dit was Juliens manier om Roland zijn ruwe opmerking van daarnet te vergeven. Roland begreep het, grijnsde terug en zei: "Ga verder." "Verder is er eigenlijk niet zoveel te vertellen. Ik vier vakantie. Ik spreek ze iedere dag. Ze vertellen van hun boze moeder en jofele vader. Eerst dacht ik nog dat ze me in de maling zaten te nemen met hun sprookjes verhalen. Leek wel een soort Assepoester variant. Toen ik echter doorkreeg dat het allemaal waar was heb ik in een opwelling gezegd: ‘koffers pakken en mee naar Amsterdam.’ Pas in Nederland kwam ik op de gedachte ze als model/mannequin te lanceren en later werd in verliefd. Meer is er eigenlijk niet te vertellen. Ik heb vader, noch moeder ooit gezien. De namen weet ik wel: moeder is ene Helga en vader is Philip Otto Graf von Sandstrasse. Dat zullen jullie bij de politie toch ook wel weten, of worden er bij de politie alleen aardappelschilwedstrijden georganiseerd?" Deze laatste opmerking verwees naar een charitatieve bijeenkomst van Drentse plattelandsvrouwen enkele weken geleden, waarbij de politie de jurering van de ‘plattewijvenlol’ op zich had genomen. Roland negeerde deze opmerking en vroeg terwijl hij trachtte de restanten van een boterham met kaas met zijn tong uit de ruimte tussen gehemelte en bovenprothese te verwijderen "Hoe zzzzzzzzzzzit het met hun vermogen en erfgenamen? Je hebt ze tenslotte stinkend rijk gemaakt." "Omdat ze altijd op hun moeder zaten te kankeren en haar dus geen cent gunden, heb ik eens laten uitzoeken of Helga onterfd kon worden. Dit kon en is ook gebeurd. Pa zal wel de erfgenaam zijn, denk ik." "Weet de graaf al dat zijn dochter is overleden?" "Natuurlijk. Hebben de politie en Machteld hem toch verteld." Enigszins beschaamd dacht Roland: "Stom, stom, stom, Ik ben nog niet helemaal de oude, geloof ik." "Uiteraard, stom, stom, stom, ik ben nog niet helemaal de oude, geloof ik." zei Roland. "Ik heb een idee Sjuul. Neem Machteld mee naar pa Graaf en zie zoveel mogelijk achtergronden van pa en moe te weten te komen." Julien knikte. "Morgenochtend, goed?" "Hoe lang denk je in Beieren te blijven?" "Ik hoef niet naar Beieren. Na de ramp zijn we naar huis gegaan zoals je weet. In Amsterdam heeft Machteld haar vader opgebeld. Hij wist het al van de politie. Hij zou zo spoedig mogelijk komen." "Heb je dat arme kind daar alleen in Amsterdam achtergelaten?" "Nog helemaal niet de oude." dacht Roland toen hij dit zei. "Dit soort dingen moet een politieman toch eerder opvallen." "Ik voelde op m’n klompen aan dat ik in deze toestand alleen maar in de weg liep. Overigens personeel genoeg. Geen zorgen! Ik bel haar uiteraard enkele malen per dag. Gisterenavond vertelde ze me dat pa Graaf, zoals jij hem zo fraai noemt, vanmiddag met de trein uit Keulen in Amsterdam arriveert. Zal haar vandaag wel bellen en zeggen dat ik morgenochtend thuiskom."


Philip Otto Graf von Sandstrasse spreekt

Julien en de gezusters von Sandstrasse ‘Zucker’ hadden geen van allen een talenknobbel. Zij spraken onderling een soort Engels. Irmgard -toen zij nog leefde uiteraard- en Machteld in de Steffi Graf-stijl en Juliens interpretatie van de Engelse taal leek veel op die van Boudewijn Büch. Ze begrepen elkaar prima. Vandaag was de voertaal Duits. Niet omdat John Major de verkiezingen in de UK verloren had, maar omdat Philip Otto Graf von Sandstrasse -althans wettig- vader van Irmgard en Machteld aan het gesprek deelnam. De graaf zou, ware hij in Nederland grootgebracht, waarschijnlijk tot een aanhanger van Roel van Duin zijn geëvolueerd. Hij was echter in Duitsland opgegroeid en was dus Duits, sprak dus alleen Duits, de taal van Goethe en Schiller. Beide mannen kende hij van naam, wie ze waren en wat ze zo ooit hadden uitgevreten was hem ontgaan. Zijn Duitse opvoeders hadden één eigenschap van de graaf echter nooit de kop in kunnen drukken: de graaf had een -bijna Nederlands- gevoel voor humor. Er kon met de graaf gelachen worden en de graaf was een optimistisch man. Dit optimisme kwam hem goed van pas toen hij door Machteld en later de politie op de hoogte werd gesteld van de koelbloedige moord op zijn dochter Irmgard. Niet dat hij er vrolijk van werd, maar het hield hem op de been. Zodra hij het nieuws vernomen had droeg hij zijn niet geringe verantwoordelijkheden als chef plantsoenendienst van de gemeente Walnussgerief over aan zijn tweede man en trof voorbereidingen om naar Amsterdam af te reizen. Bij zijn aankomst op het Centraal Station van Amsterdam werd hij opgewacht door Machteld - de begroeting was liefdevol, innig en langdurig- en een nette jongeman van een jaar of dertig. Deze jongeman zei een heleboel, waar de graaf niets van begreep. Dit bracht hem in verwarring omdat wat de jongeman zei Duits ‘klonk’ en Otto even dacht zijn eigen taal niet meer te kunnen verstaan. Machteld, die het verschijnsel onmiddellijk herkende, greep in en stelde Julien aan haar vader voor: "Vati, dit is Julien mijn levenspartner, werkgever en trouwe toeverlaat. Ik vertaal wel." Dat Julien door graaf Otto niet te verstaan was, was te wijten aan het feit dat Julien op school tijdens ‘Duits’ nooit oplette en de tijd doodde met het ontwerpen van Hotpants. Het enige wat hem interesseerde was de ‘klank’ van de Duitse taal. Voor uitspraak had hij dan ook een 9. Resultaat: hij sprak een soort ‘Rudi Carrell-Duits’ met dit verschil: Rudi Carrell spreekt correct Duits met een Alkmaars accent. Julien Casimir echter spreekt de taal correct uit, maar gebruikt voor de formulering van zijn boodschap een soort ‘Kaasmarkt-grammatica’, waarvan Goethe, noch Schiller, laat staan Philip Otto Graf von Sandstrasse ooit gehoord had. Dat Julien bij de ontvangstceremonie op het Centraal Station aanwezig was, was het gevolg van een telefoongesprek tussen hem en Machteld de vorige ochtend, nadat Roland hem aan het ontbijt verzocht had de achtergronden van de von Sandstrasses eens te onderzoeken. Machteld had hem tijdens dit gesprek verzocht zo spoedig mogelijk thuis te komen. Ze had hem nodig. Ze voelde zich zo vreemd. Enkele uren later in hun huis in Amsterdam, na de gebruikelijke begroeting -liefdevol, innig en langdurig- had hij haar gevraagd: "Wat bedoel je? Ik voel me zo vreemd." "Als ik papa vanmiddag van de trein haal en ik sta daar alleen heb ik zo het gevoel dat ik hem sta te belazeren. Ik voel me, hoe zal ik het zeggen? ‘gehalveerd’. Ik heb je steun nodig." Machteld, Julien en de graaf hadden, al dan niet met de hulp van ter bevordering of intensivering van de slaap ontwikkelde medicamenten, redelijk goed geslapen en zaten aan de koffie in huize Casimir-von Sandstrasse/Zucker. Ze keuvelden wat. Machteld en de graaf spraken Duits. Julien sprak een combinatie van Nederlands, Engels en ‘Kaasmarkts’, maar met Machteld als tolk kon een ieder de ander begrijpen. Het had een vrolijk samenzijn kunnen zijn, ware het niet dat de oorzaak van hun bijeenkomst, de moord op Irmgard, uiterst droevig was. "Het zal er toch een keer van moeten komen." dacht Julien. "Meneer de graaf.." "Zeg toch Otto, ik ben toch je schoonvader, althans iets in die geest." viel de graaf hem in de rede. "Otto, het zal er toch een keer van moeten komen." begon Julien opnieuw. "Ik ben niet alleen je schoonzoon, of althans iets in die geest, maar ook een verlengstuk van de politie. Irmgard werd namelijk op de verjaardagsparty van mijn, ook nog wettige, zwager vermoord. Roland den Donder, mijn zwager, de jarige, is inspecteur van politie en leidt het onderzoek. Hij heeft mij gevraagd u, jou, sorry moet nog even wennen, te vragen naar de achtergronden van zowel jezelf als van de moeder van Irmgard en Machteld. Denk je dat je dat kunt en wilt? "Daar had ik al een beetje op gerekend." antwoordde de graaf, die niet in het minst verrast leek. "Ik heb mijn oogappels altijd goed in de gaten gehouden. Toen ze er plotseling vandoor gingen met jou naar Amsterdam schrok ik wel even. ‘Gaat dat wel goed? Zie ik ze ooit nog weer?’ Dat soort vragen kwamen bij mij op. Nu is het zo dat ondanks het feit dat mijn leermeesters op de instituten voor onderwijs die ik bezocht het deden voorkomen alsof de wereld alleen bestond uit Berlijn, Hamburg, München, Walnussgerief -konden ze moeilijk overslaan want daar waren deze instituten gevestigd- en een paar brouwerijen, ik al spoedig na het aanvaarden van de functie van chef plantsoenendienst tot de ontdekking kwam dat de wereld groter was dan Duitsland. Men bleek in Londen, Amsterdam, Kopenhagen en New York, ja zelfs in Wladiwostok ook plantsoenen te hebben. En al deze plaatsen liggen niet in Duitsland, ondanks hardnekkige pogingen van de ‘droevige stand’ om deze situatie te wijzigen. ‘Deutschland über alles’. ‘Über was?’ dacht ik dan vaak. Er moet dus meer zijn dan Duitsland alleen. Toen ik lid werd van de ‘Groene Opperhoofden’, een internationale vereniging van ‘Plantsoenbazen’ wist ik het zeker. Een hele opluchting. Het was voor mij niet moeilijk via allerlei contacten, ook in Amsterdam, het wel en wee van mijn oogappeltjes te volgen. Jij bleek oké, de meisjes bleken gelukkig. Prachtig, niet mee bemoeien, zo moeten we het hebben. Via die contacten wist ik dus ook veel van jou: zuster advocaat, zwager bij politie enz. Begrijp je nu dat ik niet van verbazing van mijn stoel val?" Julien knikte en deed zijn mond open. Hij deed hem onmiddellijk weer dicht want Otto ging verder: "Ik zal je vertellen wat ik weet en dat is vrij veel, want zoals ik jou heb gecheckt, zo heb ik Helga ook gecheckt. Helaas was de volgorde verkeerd. Zijn er dan nog vragen dan hoor ik het wel." Julien en nu ook Machteld knikten, zwegen en luisterden. "Toen ik Helga leerde kennen op een feestje van gemeenteambtenaren, zij was kleuterleidster verbonden aan een der gemeentelijke instituten voor lager onderwijs in de gemeente Walnussgerief, had zij verkering met een generaal van het leger. Zij was toen tegen de veertig en in mijn ogen een prachtmens. Ik werd op staande voet verliefd. Helaas de generaal was mij voor geweest. Jammer, maar ik had mijn plantsoenen nog. Een paar weken na dit feestje kom ik haar toevallig tegen in de bioscoop, alleen. Wij praatten wat. Ja de generaal was er vandoor. Zij was erg verdrietig enz. Ik greep mijn kans. Wij kregen verkering. Weer een paar weken later: zij was zwanger. We moesten maar trouwen. Ik was akkoord. Wij trouwden. De tweeling komt. Toen begon de ellende. Helga begon te zeuren; we moesten groter wonen. Ons huis was toch niets voor een adellijk gezin. We moesten een Mercedes geen Volkswagen enz. Toen ik haar vertelde dat ik dat allemaal niet betalen kon, begon ze over voorschot op erfenis en dergelijke onzin. Ik vroeg haar ‘erfenis, wat erfenis?’ Wat ik heb, heb ik en veel meer zal het niet worden. Bij haar vielen de schellen van de ogen en bij mij ook: zij geen rijke graaf. Ik geen liefhebbende echtgenote, maar een fortuinjaagster. Ik weet een scheiding te regelen en mij tot toeziend voogd van de tweeling te laten benoemen. Toen ik later in haar verleden dook kwam ik tot de ontdekking dat de tweeling niet van mij was, maar van de generaal. Dit heeft mijn genegenheid voor de meisjes echter niet doen afnemen. Met die generaal was iets vreemds aan de hand. Ik heb hem nooit meer teruggezien. Wel ontdekte ik dat het helemaal geen generaal was, maar een korporaal. Hij héétte Generaal. Toen Helga dat ontdekte was ze al in verwachting. Ze moet gedacht hebben ‘weg jij, waar is de graaf?’ Toen ook ik gevlucht was, was haar naam in Walnussgerief bij de trouwlustige mannen verpest. Zij scheen zich er bij neer te leggen, hetgeen mij verbaasde want ze was nog nymfomaan ook. Luister! We waren nog niet getrouwd maar we deden een uurtje ‘huwelijkspraktijk’. Zij bovenop. Haar bewegingen werden steeds wilder. Plotseling schreeuwt ze: ‘spijker me tegen het plafond, spijker me tegen het plafond!’ Ik wilde wat terugzeggen, wat weet ik niet meer, maar dat ging niet want de aangezichtspartij van mijn hoofd was geheel omgeven door een paar van haar zweterige secundaire geslachtskenmerken." Hier greep Julien in: "Waarde Otto, lul niet zo veel. Alleen de hoofdpunten graag. De details, hoe leerzaam en stimulerend ook een andere keer, Ja?" "Entschuldigung, maar dat gedoe met dat plafond schiet me elke keer te binnen als ik aan Helga denk of over haar praat. Gelijk heb je. Ik begin bij het begin. Ik vat dus samen wat ik van haar te weten ben gekomen tijdens mijn navorsingen. "Helga werd geboren in 1935 als Helga Lacroix in het plaatsje Obergammelsdorf aan de Oostenrijkse kant van de Hongaars-Oostenrijkse grens. Ik heb wel eens gedacht dat in plaats van bij de Duitse jeugd de indruk te wekken dat er buiten Duitsland niets bestaat dat het vermelden waard is, men beter de aardrijkskunde eerlijk en open kan behandelen. Met één uitzondering: Oostenrijk moet verzwegen worden. Daar is nog nooit iets goeds vandaan gekomen." "Otto!" viel Julien hem waarschuwend in de rede. "Oké, oké, ik ga verder. Zij, Helga dus, groeide voorspoedig op en trouwde op 19 jarige leeftijd met de even oude Hans Truthahn. Helga stond bekend als een ‘zachtaardig meisje’ en Hans als een ‘lieve jongen’. Hans werd hoofdonderwijzer van de plaatselijke school en Helga nam op dezelfde school de kleuters voor haar rekening. Goed, maar wat maakte van Helga de vrouw die zij is: een vrouw die door iedere man die haar langer dan twee maanden kent wordt gemeden, ja zelfs word veracht? Het antwoord ligt in de tijd dat zij werkelijk gelukkig getrouwd was met Hans Truthahn. Hans en Helga kregen midden jaren vijftig een dochter Friderieke. Toen Friderieke op haar vijftiende met de ‘Bond van Oostenrijkse Plattelands Maagden’ een reisje naar Amsterdam maakte en daarvan niet terugkeerde, viel Helga in een diep gat, verliet Hans en kroop langzaam uit het diepe gat weer naar de oppervlakte, maar niet onbeschadigd. Zij kwam eruit als een niets en niemand ontziende hebberige en op fortuin jagende nymfomane Friderieke, de verdwenen dochter, begon met haar man Petrus Johannes Oliemolen een ijzerwaren annex patatzaak in Torremolinos. Een zaak die uitgroeide tot een der sjiekste bordelen van zuid Spanje. Zij is intelligent genoeg om uit de publikaties die over de tweeling Zucker verschenen af te leiden dat het hier gaat om haar halfzusters. Zij is tevreden met Petrus en haar zaak en ziet geen reden contact met haar moeder en/of halfzusters te zoeken. Irmgard en Machteld waren, net als hun moeder voordat de verdwijntruc met haar eerste dochter plaatsvond, vriendelijk en zacht van karakter. Het kostte Helga dan ook heel wat tijd en moeite om die twee om te vormen tot een goede bron van inkomsten. Gymnasium opleiding, balletles, tennis, paardrijden, film- en theater audities werden afgelopen. Zij probeerde letterlijk van alles. Uiteindelijk had zij geluk. Een Hollandse modeontwerper...." "Ho, maar." "Ach, ja, dat weten jullie zelf natuurlijk verder ook wel." "Waar is mama eigenlijk gebleven?" vroeg Machteld. Zij had niet de minste bedoeling haar moeder op te gaan zoeken. Zij was alleen nieuwsgierig en zij wilde graag weten waar zij NIET moest zijn. "Dat weet ik niet. Nadat jullie met Julien naar Amsterdam vertrokken heb ik haar in Walnussgerief ook niet meer gezien. Niemand schijnt te weten waar zij uithangt. De politie interesseert het niet: een ieder is vrij te gaan en staan waar hij wil, zolang de wet niet wordt overtreden. Ik heb weleens gedacht: zij is ondergedoken om snode plannen voor te bereiden. Het zou mij niets verbazen als zij achter de moord op haar eigen dochter zit." Er viel een diepe stilte in de Amsterdamse huiskamer. Machteld en Julien werden bijna letterlijk verlamd door dezelfde gedachte: "Pa graaf Otto zou weleens gelijk kunnen hebben."


Tina’s tochtige troela’s

De morgen na het gesprek tussen Julien en Otto en een beetje Machteld waren Wiebe, Simon en Roland bijeengekomen in het kantoor van de inspecteurs van Bil en den Donder in het politiebureau van Diever. Simon rookte een sigaar, Roland een pijp Wiebe had een sigaret opgestoken. "Sinds wanneer rook jij? vroeg Simon verbaasd aan Wiebe. "Was er pas een paar maanden mee gestopt, maar gisteren had ik ‘Casablanca’ uit de videotheek gehaald. We gingen toch niet naar Amsterdam naar die Troelatent had je gezegd. Ik dacht; ik zal eens wat aan bijscholing gaan doen. Ik ben piejaai. Toen ik Humphrey Bogart weer zag dacht ik: ‘zonder peuk gaat het gewoon niet’ en.." "Ho, ho, ho, je moet niet al te veel op de baas gaan lijken Wiebe. Laat het geleuter maar aan mij over" zei Simon met een brede glimlach." "Waarom niet naar Amsterdam?" vroeg Roland. "Jullie zouden toch die ‘Triple T’ nog eens natrekken?" "Was niet nodig." begon Simon zijn uitleg, "toen ik de Warmoesstraat belde om ons aan te kondigen, zodat ze in Mokum wisten dat wij gingen rondneuzen bij Tina, zeiden ze daar: ‘Laat maar. Hebben wij al gedaan. We faxen je wel een verslag.’ Dat is gebeurd. Gisterenavond kreeg ik een fax, wonderbaarlijke machinerieën zijn dat toch die faxen, van de chef recherche van de Warmoesstraat, een oude vriend en een van de weinigen die niet jaloers was toen ik in de staatsloterij dat miljoen gewonnen had. Ik heb een paar kopieën gemaakt, ook wonderbaarlijke machinerieën overigens, die kopieermachines, lees maar." Terwijl Simon van zijn sigaar genoot lazen Roland -met pijp à la Maigret- en Wiebe -met sigaret in mondhoek- in stilte het verslag van de Amsterdamse politie:

Waarde Bil,
Zoals beloofd tijdens ons telefoongesprek van een half uurtje geleden stuur ik hierbij het verslag van het onderzoek naar de dood van Temming, Falco. Om je de moeite van het lezen van het hele ambtelijke verslag te besparen (heb ik volledigheidshalve wel bijgevoegd) volgt hier een samenvatting:
‘Tina’s Tochtige Troela’s’ was vroeger een gewoon bordeel dat was begonnen door een paar ex-zeelui. Omdat zij de sfeer van het Nederlands hoerenwezen te kil vonden hadden zij de zaak een exotisch tintje gegeven. TTT was de eerste zaak in Amsterdam met Zuidamerikaanse meisjes. De oprichters, Piet Brak -ex hofmeester- en Karel Blook -ex stuurman- waren in het geheel niet crimineel en nogal vrolijk van aard. De naam van die tent duidt daar al op. Jij hebt zelf wel eens gezegd toen je nog bij ons werkte: ‘Ik wou dat alle bordelen zo waren als Tina’s, dan konden wij gaan klaverjassen.’ In wezen is er niets aan veranderd. Alleen het publiek dat er komt is veel sjieker. Vroeger waren het vooral zeelui. Nu vooral de mensen met veel, al dan niet eerlijk verdiend, geld. Piet en Karel zijn hun oude zeemakkers echter niet vergeten. Op vertoon van monsterboekje halve prijs. De zaak is echter veel groter geworden. Er is nu ook een homobar bij. Let wel alleen een bar, waar homo’s elkaar kunnen ontmoeten. De bordeel afdeling is zuiver hetero gebleven. De bedrijfspolitiek van Piet en Karel komt hierop neer: in de homo afdeling alleen hetero personeel in de bordeel afdeling alleen homo personeel. De meisjes niet meegerekend natuurlijk. geen drugs, zelfs geen soft administratie pico bello strenge regels voor privacy klanten. Vooral dit laatste punt gaf ons wat problemen zoals verderop zal blijken. Tot zover de algemene omstandigheden.
Voor jou lijkt mij vooral van belang het interview dat wij hadden met de barkeeper die dienst had tijdens het overlijden (we weten officieel nog steeds niet of het moord of zelfmoord was. Moord blijft de hypothese) van Falco Temming.
Hier volgt een transcriptie:

r= rechercheur, b=barkeeper
r stelt zich voor en legitimeert zich
b legitimeert zich
r: Wij onderzoeken de zaak naar de dood van deze man (r laat foto van FT aan b zien), kent u deze man?
b: Jazeker dat is meneer Temming, vaste klant van de bar, niet van de meisjes. Hij schijnt zelf een soort gigolo te zijn.
r: Is dit de man die op de bewuste avond dood van de bar kruk viel toen een andere klant hem op de schouder tikte?
b:Inderdaad. Wie die andere man was weet ik niet.
r: Ook niet van belang. Wij kennen hem.
r: Wilt u zo goed zijn ons een beschrijving te geven van het bezoek van meneer Temming die avond. Ik bedoel: vanaf het moment dat hij aan uw bar plaatsnam tot het moment dat hij van de kruk viel.
b: Oké. U weet we gaan ‘s avonds om tien uur open. Het was nog stil, dus zal het pak weg half elf geweest zijn toen meneer Temming binnenkwam en met een niet al te vrolijk gezicht bij mij aan de bar kwam zitten. ‘Zelfde als gewoonlijk?’ vroeg ik. ‘Nee geef mij maar een kop koffie als je dat hebt op dit uur." Wij hebben een pracht van een koffiemachine, dus dat kon. Ik heb hem net zijn koffie gegeven, komt er een oudere man binnen met zijn overjas nog aan, zeer ongebruikelijk in onze zaak, en gaat rechtstreeks naar meneer Temming. Deze oudere man keek ook al niet vrolijk. Ik dacht nog: ‘maar goed dat wij er zijn om de mensheid wat op te vrolijken, anders braken er onmiddellijk oproer, oorlog en relletjes uit. ’Vanwege de privacy voorschriften trok ik mij terug en ging aan het andere eind van de bar wat glazen staan spoelen. Ik kon dus niet horen wat zij tegen elkaar zeiden. Uit mijn ooghoeken kon ik wel zien dat het geen aangenaam gesprek was. Ik werd dus iets oplettender, want ruzie in de zaak is funest voor de business. Meneer Temming ging echter weg, naar het toilet neem ik aan. De oudere man verliet nog geen minuut, denk ik, later de zaak. Ik hoorde hem nog mompelen toen hij mij passeerde: ‘Godsammekrake mijn geschenk aan de wereld.’ Meneer Temming komt terug. Drinkt zijn koffie op en de rest is bekend.

Tot zover de barkeeper. Wij dachten onmiddellijk aan Pa Temming. Waarschijnlijk goed gedacht. Hij is namelijk spoorloos verdwenen met vrouw en al.
Nu het officiële verslag helemaal:
Hier eindigde de kopie die Roland en Wiebe bijna gelijktijdig terzijde legden.
Voordat Wiebe of Roland iets konden zeggen zei Simon: "De rest is niet van belang. Staat voor ons niets relevants in. Wat denken jullie?’
"Waar vinden we Pa Temming. Natuurlijk is hij het geweest." zei Roland
"Had het kunnen weten, nadat ik hem gesproken had." zei Wiebe.
"Goed. We weten nu: Falco doodt Tiddo. Pa doodt zoon Falco. Blijft over: Wie doodde Irmgard en waar is die moordenaar en waar is Pa Temming? Roland wat ben jij van de tweeling te weten gekomen?"
"Inderdaad wonderbaarlijke machines die faxen." zei Roland en overhandigde hem het verslag dat Julien van zijn gesprek met Otto had gemaakt en diezelfde avond nog had doorgefaxt.
Toen Simon en daarna Wiebe -Roland had de genoegens van de kopieermachine kennelijk nog niet ontdekt- dit gelezen hadden sprong Simon uit zijn stoel greep in zijn binnenzak en haalde daar een mobiele telefoon uit. Hij gaf deze aan Wiebe met de woorden: "Dit apparaat is écht wonderbaarlijke. Ik ben een paar dagen weg, maar hou dit ding dag en nacht bij je. Ik wil dat je bereikbaar blijft. Uitleg later." Voordat Roland of Wiebe iets konden zeggen wuifde Simon ze de kamer uit en greep de telefoon.


Torremolinos

"Als je niet wist dat Torremolinos een produkt van de toeristenindustrie was, zou je denken halverwege de kanaaltunnel te zijn." mompelde Simon tegen zichzelf toen hij een bord met de tekst: "Frieda’s Fabulous French fries" ontwaarde. Hij was een uur geleden geland had zijn handbagage, want meer had hij niet meegenomen, in zijn hotel afgeleverd en was nu opzoek naar ‘Frisse Frieda’. Bij de aanblik van dat bord wist hij dat hij haar had gevonden. Hij ging onder her bord door naar binnen en zei tegen de stuurs kijkende propere dame in witte jurk en met witte muts op het hoofd, die achter de toonbank bezig was een peloton braadworsten met krachtige hand in rotten van drie op te stellen: "Busco señora Frieda." "Wie bitte?’ kreeg hij ten antwoord. "Ich suche frau Frieda Truthahn." luidde de tweede poging. De reactie van de vrouw had Simon niet verwacht. Ze begon met haar ogen te knipperen, liet een van de braadworsten pardoes boven op een andere vallen en verliet door een deuropening achter de toonbank haastig de frituurhal. Even later werd dezelfde deuropening weer gepasseerd, nu in tegenovergestelde richting, door een andere vrouw. Deze vrouw was een jaar of veertig, keek vrolijk en riep toen ze Simon zag: "Nein, da hebben we der Simon. Das ist lang geleden. Kom herein, kom herein. Ach wie prachtig, der Simon in Spanien. Was kom je hier tun?" "Ik kom niet toen. Ik kom nu." was het antwoord van Simon. Hij had nooit de verleiding kunnen weerstaan om Frieda met haar kromme Nederlands in de maling te nemen en Frieda had het nooit erg gevonden. Zij kenden elkaar al jaren. Toen Simon als stagiaire begon bij de Amsterdamse politie was Frieda al een gevierde ster op de wallen. In het kader van de misdaadbestrijding had Simon menig bezoek aan Frieda gebracht. Er gingen destijds geruchten dat Simon ook wel eens buiten het kader van de misdaadbestrijding bij Frieda de voordeur passeerde en dat deze passages nooit leidden tot enige passage in een politierapport. Even later waren Simon en Frieda in de ruimte achter de frituurhal gezeten in gemakkelijke fauteuils, koffie op het bijzettafeltje, sigaar, respectievelijk sigaret tussen de kaken. Het zag er gezellig uit. Het was ook gezellig. Simon wilde dat hij hier niet voor zaken was, maar gewoon als Simon van Bil op bezoek bij oude vriendin. "Een situatie als deze, maar dan geheel ontdaan van de zakelijke kanten, moet in de nabijen toekomst toch wel te realiseren zijn. Nu toch eerst maar even de police business." dacht Simon. Hij ging over op Duits omdat voor een serieus gesprek het Nederlands van Frieda minder bruikbaar was en zei: "Waarde Frieda, ik ben hier helaas niet voor de lol, noch voor die van jou. Heb jij wel eens gehoord van de Zucker tweeling? Voordat Frieda kon antwoorden drong het gerinkel van brekend glaswerk tot hen door. "Ik denk dat Hermine weer eens wat uit haar handen heeft laten vallen. Het is een nette vrouw, maar af en toe krijgt zij de zenuwen en laat ze alles vallen of valt zelf bijna flauw. Ja de Zucker.." Hier viel Simon haar in de reden. Een plotselinge gedachtenflits ging door zijn hersens. "Hermine? Wat Hermine?" "Hermine Kreuz." zei Frieda. "De vrouw die je in de frituurhal hebt gezien. Zij kwam hier een paar maanden geleden met een of ander zielig verhaal. Omdat ik medelijden met haar had en ze alleen Duits spreekt heb ik haar een baantje gegeven. Eerst stond ze in de vestiaire van de nachtclub, maar ze kan niet van de mannen afblijven. Toen heb ik haar maar medewerkster algemene dienst gemaakt." Simon sprong plotseling op uit zijn zetel en rende de gang op, richting glasgerinkel, Frieda verbaasd achterlatend. Tijdens deze actie dacht hij: "Het is bluf, het is een gok, maar als het klopt is de zaak rond." Even later kwam hij weer de kamer binnen, Hermine Kreuz voor zich uitduwend. Hij drukte Hermine in een stoel en zei tegen Frieda, die nog steeds met een verbaasde blik in het rond keek en haar hersens pijnigde met de vraag: ‘wat gebeurt er eigenlijk allemaal?’: "Enkele dagen geleden is in Uffelte in Drente, nota bene in mijn bijzijn, Irmgard von Sandstrasse alias Zucker vermoord. Ik ben één van de politiemensen, belast met het onderzoek naar deze moord. Gisteren kwam ik tot de ontdekking dat jij, Frieda een halfzuster moet zijn van de tweeling Irmgard en Machteld von Sandstrasse. Ik ben dan ook onmiddellijk hierheen gekomen om je eens aan de tand en een paar andere lichaamsdelen, maar alleen de tand in het kader van het onderzoek, te voelen. Toen jij de naam Kreuz liet vallen begon bij mij de naam Lacroix als een wilde door mijn hersenpan te vliegen. Toen wist ik het. En daarom: Mag ik je voorstellen aan Helga Truthahn, geboren Lacroix, je mammie." "Frieda’s mond wilde wel verder openzakken, zo groot was de chaos in Frieda’s hersenen nu, maar ieder mens heeft zijn fysieke beperkingen. "Wat?" was alles wat zei kon uitbrengen. "Gesloofd, getobd, mij alles ontzegd voor die twee ondankbare etters." viel Hermine/Helga plotseling uit. "Die andere gaat er ook aan." Na dit gezegd, meer geschreeuwd, ja uitgespuwd te hebben, sprong zij plotseling op en rende de deur uit. "Wat?" herhaalde Frieda. Simon was ook opgesprongen, maar nog voor hij de deur bereikte bedacht hij zich en ging weer zitten. "Wat?" "Frieda, kom tot jezelf, ik weet dat je vocabulaire meer woorden bevat dan alleen maar ‘wat’. Frieda zuchtte nu slechts. Na een half uurtje had Simon de situatie aan Frieda uitgelegd. Zij was tijdens de uitleg weer geheel tot zichzelf gekomen en kon weer normaal spreken. "Maar waarom liet je haar dan zo maar gaan?" "Dat is waar ook. Waar is de telefoon?" "Zit je naast." "Ja Wiebe met Simon. Luister en zeg niks. Zeg tegen Roland dat hij de Spaanse politie verzoekt ene Hermine Kreuz alias Helga von Sandstrasse alias Truthahn alias Lacroix te arresteren op verdenking van de moord op haar dochter Irmgard. Ik bel nog. Groetjes." Nadat hij de telefoon weer had neergelegd keek hij Frieda met een zorgelijke blik aan. "Jij moet getroost worden. Trouwens de zaken zitten erop voorlopig en ik vlieg vanavond pas terug. Doe de deur dicht ik ga nu troost verschaffen." Tijdens deze toespraak was zijn zorgelijke blik geleidelijk gewijzigd in een hebberige grijns. Met de uitroep ‘Verschaf!’ deed Frieda de deur niet alleen dicht, maar ook op slot.


De zaak is rond

"Frieda vertelde me ook nog dat Helga lid was van de plaatselijke schietvereniging en dat ze ten tijde van de moord een paar dagen vrij had genomen. Mooier kan het niet. Al iets van de ‘Guardia Sinterklaas’ gehoord?" De drie speurders Simon, Wiebe en Roland waren weer bijeen in het politiebureau van Diever. Wiebe had Simon de vorige avond van vliegveld Eelde gehaald. Simon, die nog met zijn gedachten bij Frieda was had toen gezegd: " Morgenochtend 10 uur uitleg." Die uitleg had Simon zojuist verstrekt. "Raak getypeerd." zei Roland. "Lijkt daar wel een kleuterklas. Ik heb gisterenavond nog een tolk geregeld. Die komt netjes op tijd. Wij bellen vanmorgen 8 uur met de politie in Torremolinos: Jazeker ze hadden Helga te pakken. Ze hadden Helga verhoord. Helga had zelfs bekend. Voor de bakker, kindje in de kolenbak, in de knip, bingo, tjakkaboem zijn dan van die uitdrukkingen die door je hoofd gaan. Maar nee. Ze was weer gevlucht. Gevlucht? Wat, hoe, wanneer, waarom, waarheen gevlucht. Wisten ze ook niet. Het scheen dat de cipier voor haar bejaarde charmes was gevallen, of gewoon corrupt was. In ieder geval ze is weg. Er wordt gezocht." "Ik hoop dat je geen bezwaar hebt tegen een beetje plagiaat Roland, want ik zou willen zeggen Godsammekrake wat een stelletje oetlullen zijn dat." merkte Wiebe op. "Ik kan mij geheel vinden in de woorden van broeder Iepstra. Ik neig naar een ‘Goedheiligman-boycot’ in december. Wat een ontzaglijke oenen. En dan te bedenken dat Spanje eens de grootste macht ter wereld was." was Simons bijdrage aan de algehele verontwaardiging. "Eigenlijk zijn wij niet veel beter." Wiebe en Simon keken Roland die dit gezegd had vragend aan. "Ja." ging Roland verder. "Zij laten Helga wel door hun vingers glippen, maar waar is Pa Temming gebleven. Van Amsterdam heb ik nog niet gehoord dat hij weer gepakt is." "Oké, Sinterklaas mag komen, maar hoe dan ook voor mij is de zaak rond: Helga vermoordt dochter om geld en wraak. Falco vermoordt Tiddo om geld en Pa Temming vermoordt zoon uit afschuw en haat. Eén dader is dood, de andere twee voortvluchtig. Helga is een zaak van de Spaanse politie en Pa Temming interesseert me niet. Wiebe ga mee ik heb voor ons privé kantoor nog een paar aardige zaken liggen en Nelis en Truusje zijn ook toe aan een stevige boswandeling." Simon en Wiebe waren bezig hun jas aan te trekken toen een bode een brief bracht voor inspecteur Iepstra. "Inspecteur Iepstra?" zeiden de drie mannen in koor. Wiebe opende de brief, las hem vluchtig door en zei toen: "Dit geloven jullie niet. Het is een brief van Pa Temming. Dat inspecteur is zijn uitvinding. De inhoud is zeer interessant lees maar." "Lees voor!" zeiden Simon en Roland tegelijk. Zij hoorden het volgende:
Marrakech, datum postmerk

Geachte inspecteur Iepstra,

Ik val met de deur in huis. Ik heb mijn zoon Falco vermoord en ik heb er geen spijt van. U herinnert zich ongetwijfeld ons gesprek bij mij in de winkel. Toen u weg was zei ik tegen Ria: ik vermoord die zak. Eerst dacht ook ik dat is een reactie op het nieuws van de moord op Tiddo, die kende ik overigens wel, maar met zijn vader had ik afgesproken dat ik net zou doen of ik hem niet kende, maar ik begon steeds meer zin te krijgen om het mormel echt om zeep te brengen. Het was niet zo moeilijk. Ik bewaar in een sigarenkistje een zelfmoordpil uit de Tweede Wereldoorlog. Mijn vader was bij het verzet of zo iets. Hij zei er niet veel over. Die pil heeft hij gelukkig nooit nodig gehad. De man is in de negentig geworden. Ik heb die ampul gebroken en de inhoud in een klein medicijnflesje gedaan. Omdat ik wist dat Falco vaak in de Triple T, vroeg u ook nog naar, rond hing, ging ik hem daar opzoeken. We ruziën wat. Falco gaat naar de wc. ik doe gauw het vergif in zijn koffie en ga weg. Ik zag u wel, maar ik denk dat u mij niet gezien heeft. Toen ik thuis kwam heb ik alles aan Ria verteld. Tot mijn niet geringe verbazing stortte zij zich niet in de zenuwen, maar zei: we moeten weg hier en vlug. We bewaren onze waardepapieren en dergelijke altijd in een vluchtkoffertje. een gewoonte die ik van mijn ouders had overgenomen. Ook een oorlogssouvenier. We hebben wat kleren gepakt, het vluchtkoffertje en naar Schiphol. Op Schiphol dacht ik: ‘ wat nu?’ We hadden niets voorbereid , niets gepland. ‘Marokko’ zei Ria, ‘naar ‘Ali’. Ali was een Marokkaanse bakker in de Molukkenstraat. Ik heb hem eens een grote dienst bewezen, zei hij. Ik had alleen zijn badkamerspiegel opgehangen zonder hem te breken. Enfin wij waren vrienden voor het leven en als ik hem nog eens nodig had kon ik altijd bij hem terecht. Een paar jaar geleden is hij teruggegaan naar Marokko en we schreven af en toe een kaartje. Ik had dus zijn adres. We hadden geluk. we konden in een vliegtuig met vakantiegangers mee. In Marrakech, de reis bespaar ik u, contact gezocht met Ali. Dat is nou een echte vriend. Hij vroeg niks hij kwam ons ophalen en we zijn bij hem ingetrokken. Later heb ik hem alles verteld. Hij heeft ons geholpen met een nieuwe zaak. Ik maak nu van die rare sloffen en poefs. Ria mag hier niet van Jehova getuigen. Ze is nu Moslim. We hebben hier trouwens nog een vluchteling, ene Hermine, kwam een broer van Ali mee aan. een Duitse. Ria en zij beheren nu de kleuterschool voor Moslimmeisjes. Ik schrijf u dit omdat ik niet weet of vluchten nu wel de oplossing is van mijn probleem.
hoogachtend,

Gerardus Maria Temming

P.S. Ali heet geen Ali, is geen bakker en is nog nooit in Nederland geweest.
Toen Wiebe klaar was met voorlezen was het geruime tijd stil in de kamer van de Inspecteurs Roland den Donder en Simon van Bil.
"Heeft Nederland een uitleveringsverdrag met Marokko?" vroeg Roland in het algemeen. "Geen flauw idee zei Simon. Kom Wiebe we gaan in het bos wandelen en neem je post mee." Het duurde slechts een paar seconden nadat Simon en Wiebe vertrokken waren voordat Roland een grijns op zijn gezicht liet verschijnen. Hij pakte de telefoon en draaide zijn privé nummer. "Yvette de zaak is rond, trek je wandelschoenen aan. Ik zal je de zaak uitleggen op het bankje bij het ven waar nooit iemand komt."

EINDE




Meer wereld literatuur?
Simon Van Bils eerste zaak
CANVAS: zwendel en andere rottigheid via het WWW