Gouda - Den Haag
Reglement voor het 'glippen' (1877)

De spoorwegen hebben sinds hun ontstaan gestreefd naar verkorting van de reistijd. De NRS kwam in 1877 met het 'glippen' van treinen: het loskoppelen van rijtuigen tijdens de rit. Dat was handig voor treinen die bestonden uit rijtuigen met verschillende bestemmingen. Een bagagewagen was voorzien van een speciale koppeling, die bediend werd door de 'beambte-glipper'. De rijtuigen die zo tijdens de rit loskwamen van de trein, werden afgeremd totdat zij bij een witte vlag of witte lamp op het perron tot stilstand kwamen. Daarbij was extra aandacht nodig van de overwegwachters. Het wachtende verkeer kon immers na een rijdende trein mèt locomotief, nog een trein zònder locomotief tegenkomen...
De reizigers in het doorrijdende treindeel boekten tijdwinst doordat de trein niet hoefde te stoppen voor het rangeren met het af te koppelen treindeel. Een andere locomotief bracht de geglipte rijtuigen naar de eindbestemming. Deze werkwijze kwam onder andere voor in Gouda en Breukelen. Na de opheffing van de NRS in 1890 werd het systeem niet meer toegepast.

Hier volgt het letterlijk overgenomen dienstreglement van de NRS voor het glippen van treindelen uit 1877. Dit maakt duidelijk hoe het glippen in zijn werk ging.

Reglement voor het glippen van treindeelen

Algemene bepalingen

§ 1

Een trein, die op eenig station moet doorrijden, kan even vóór dat station, een treindeel, bestaande uit een of meer wagens of rijtuigen, laten glippen.
Onder ,,glippen" wordt verstaan dat een treindeel zich van een doorrijdenden trein los laat.
Men zegt dus:
De trein laat glippen.
Het treindeel glipt, of wordt geglipt.
De koppelingen, die hiertoe gebruikt worden, heeten:
,,glipkoppelingen."

§ 2


Het glippen vindt plaats doordien een schalm van de glipkoppeling zich opent, als in den remkoepel van den voorsten bagagewagen van het te glippen treindeel getrokken wordt aan een koord, dat de glipkoppeling bevestigd is.
De trein rijdt dan door en laat het geglipte treindeel achter.
Voorbeeld:
Een trein, loopende in de rigting van Amsterdam naar Gouda via Breukelen - Harmelen, rijdt te Breukelen door, doch laat aldaar een voor Utrecht bestemd treindeel glippen, welk treindeel, te Breukelen stoppende, door eene locomotief wordt opgenomen en verder vervoerd.

Bepalingen voor de beambten-glippers

§ 3

Alleen daarvoor speciaal aangewezen en daarmede vertrouwde beambten, hetzij conducteurs of anderen, mogen een treindeel glippen.
Meer dan het volstrekt voor de dienst benoodigde aantal personen moet in staat zijn een treindeel te kunnen glippen, opdat bij ongesteldheid als anderszins vervanging kan plaats vinden.

§ 4

De beambte-glipper zal tevens den rem bedienen van den voorsten bagagewagen van het treindeel, dat geglipt wordt.
Hij mag niemand, dan die daartoe is gemagtigd, in den remkoepel toelaten.

§ 5

Vóór het vertrek van een hoofdstation, waar de beambte-glipper zich in den bagagewagen moet begeven om onderweg een treindeel te glippen, heeft hij te zorgen:
a. dat de glipkoppeling en het remwerk van den bagagewagen zich in volmaakt goeden toestand bevinden, en
b. dat het trekkoord in den bagagewagen goed is bevestigd, zoodat het niet los kan schieten en onder den trein geraken, waardoor de glipkoppeling zich zou kunnen openen.
Van gebreken in een of ander geeft hij zoo spoedig mogelijk kennis aan den Werkmeester of Opzigter-Machinist, of, zoo deze niet aanwezig is, aan den Stationschef of diens plaatsvervanger.
Ook de treinsmid van bedoeld hoofdstation moet vóór vertrek de geheele inrigting goed nazien.

§ 6

In de navolgende gevallen moet de beambte-glipper den Hoofdconducteur-chef van den trein verzoeken, den machinist te gelasten om op een station, waar in den regel geglipt wordt, te stoppen, en wel:
a. indien de rem of de glipinrigting niet goed werkt en hij dit niet deugdelijk verhelpen kan,
b. bij mistig weder als de seinen niet goed zigtbaar zijn,
c. als de chef van het glipstation aan een vooraf gelegen station de order heeft gegeven, dat bij hem gestopt in plaats van geglipt moet worden. (De chef van dit station moet den beambte-glipper hiervan kennis geven.)
Aan dit verzoek moet door den Hoofdconducteur zonder verzuim voldaan worden.

§ 7

Als er niet geglipt wordt, moet de Hoofdconducteur-Chef van den trein zorgen dat het treindeel, ook met de noodkettingen, aan den trein bevestigd wordt.

§ 8

Telkens wanneer hij, als alles in orde is, een treindeel glippen zal, moet de beambte-glipper op het vóór het glipstation gelegen station, waar gestopt wordt, den machinist daaraan herinneren.

§ 9

Nadert het te glippen treindeel het punt, waar de glipkoppeling moet losgetrokken worden, dan moet de beambte-glipper eerst den rem van zijn bagagewagen een weinig aandraaijen. Daarna let hij op of de machinist ook het sein No. 20 (Waarschuwingssein) laat horen (§14).
Hoort hij dit sein niet en worden door het station de seinen ,,veilig" of ,,langzaam rijden" vertoond, dan rukt hij aan het koord om zijn treindeel te glippen.
Onmiddellijk daarna draait hij den rem vaster aan, ten eerste zorgend dat de trein hem ± 100 meters vooruit is. Hij houdt den trein in het oog, let op of de machinist ook dan nog een stopsein geeft, opdat hij met den trein niet in aanraking komt en zorgt tevens dat zijn treindeel op het daarvoor aangewezen punt stil staat.

§ 10

De beambte-glipper neemt, als zijn treindeel stil staat, de glipkoppeling af en stelt zich onder de bevelen van den Stationschef.

Bepalingen voor het overige treinpersoneel

§ 11

Behalve den beambte-glipper, mag niemand van het treinpersoneel zich begeven in den remkoepel van den voorsten bagagewagen van het te glippen treindeel.

§ 12

Het treindeel, dat geglipt wordt, moet het voor een trein verpligtend gestelde aantal remwagens en remmers bevatten.
Behalve den rem van den beambte-glipper, moeten de overige verpligte remmen door conducteurs van het treindeel bediend worden.

Bepalingen voor het locomotiefpersoneel

§ 13

Indien de machinist op een station, waar in den regel geglipt wordt, den trein moet laten stoppen, ontvangt hij het bevel daartoe van den Hoofdconducteur-Chef van den trein.

§ 14

Het kan ook zijn dat den machinist door een of ander sein wordt bevolen om te stoppen, in plaats van dat zijn trein, al doorstoomende, een treindeel laat glippen.
Ontvangt hij zulk een stopsein, dan laat hij onmiddellijk het sein No. 20 (Waarschuwingssein) namelijk vele korte toonen met de stoomfluit hooren, waardoor de beambte-glipper gewaarschuwd wordt dat er gestopt wordt.
Hij stopt voorts zóó langzaam als de omstandigheden toelaten, opdat ook het anders te glippen treindeel gemakkelijk tot stilstand kan worden gebracht.

§ 15

De machinist van den trein, die moet laten glippen, zal, even voor aankomst op het glipstation, zich overtuigen of het treindeel geglipt is. Als hij ziet dat dit het geval is, zal hij onmiddellijk stoppen, zorgende gestopt te zijn voorbij het punt, waar het treindeel moet stil staan.

Bepalingen voor het glipstation en het daaraan voorafgelegen blokseinhuis

§ 16

Moet op eenig station een treindeel geglipt worden, dan wordt als volgt gehandeld:
bij dubbelspoor:
De seinwachter van het aan een glipstation voorafgelegen blokseinhuis mag voor den trein, die glippen laat, zijn seinpaal alleen dan het optische of het gezigtsein ,,veilig" doen vertoonen, als het glipstation veilig is en aldaar geglipt mag worden.
Indien de bedoelde trein zijn seinhuis nadert (in het gezigt is), vraagt de seinhuiswachter tijdig door middel van het belsein No. 2 (twee slagen) en zoo nodig ook met Morse-telegraafsein ,,is spoor vrij?"
Indien de trein het treindeel mag laten glippen, antwoordt het glipstation met belsein No. 3 (drie slagen) en zoo mogelijk ook met Morse-telegraafsein No. 3 ,,spoor vrij" de blokseinwachter zet dan terstond den seinpaal ,,veilig".
De trein moet zóólang voor den seinpaal van het blokseinhuis blijven, totdat het sein ,,spoor vrij" van het glipstation ontvangen is.

§ 17

Op het glipstation moet, ter hoogte van het punt, waar het te glippen treindeel stoppen moet, des daags een witte vlag en des nachts een wit licht vertoond worden.

§ 18

Op het glipstation zij men er op indachtig dat, als een trein, nadat hij een treindeel glippen liet, doorrijdt, de spoorwegbeambten en bedienden of andere personen zich welligt achter dien trein op de baan willen begeven er niet aan denkende, dat het geglipte treindeel achteraan komt.
Daarom moet bij een trein, die geglipt wordt, elke betrokken overweg met de meeste attentie worden bewaakt, en natuurlijk worden gezorgd dat niemand de spoorbaan opgaat, dan nadat ook het geglipte treindeel gepasseerd is, terwijl natuurlijk de overwegen met treksluitbomen ook moeten afgesloten blijven, totdat het geglipte treindeel voorbij is.

§ 19

§ 18 geldt ook voor het wegpersoneel in het belang van zijne eigen veiligheid.
Zoo mogelijk zorgt de chef van het glipstation, dat telkens als het noodig kan zijn, het wegpersoneel, dat zich op de baan bevindt, op voorzegd gevaar wordt attent gemaakt.

Bepalingen voor de daarbij betrokken stations

§ 20

De chef van het betrokken hoofdstation zorgt:
a. dat de voor het glippen dienende bagagewagen tijdig in den trein aanwezig zij,
b. dat de beambte-glipper tijdig present zij,
c. dat de geheele glipinrigting voor vertrek nauwkeurig worde nagezien en in goeden staat van werking gebragt, en
d. dat het te glippen treindeel het voor een trein verpligtend gestelde aantal remmen en remmers bevat.
In het algemeen moet worden gezorgd dat de voor het glippen dienende bagagewagen en de glipkoppeling zoo tijdig mogelijk naar het betrokken hoofdstation worden teruggezonden en moeten maatregelen worden genomen, die eene goede werking van dit reglement verzekeren.

Vastgesteld door de Directie den 1n September 1877. Goedgekeurd door den Minister van Binnenlandsche Zaken den 10n September 1877.

Spoorlijn Gouda - Den Haag

HOME