Door R.T. Jongerius

Op 23 december 1902 vond bij de Wiericke Brug tussen Bodegraven en Woerden een ongeval plaats, dat vrijwel zeker met behulp van locomotiefseingevers te voorkomen zou zijn geweest. De eerste trein van die dag, trein 291 van Leiden naar Woerden, reed in de opening van de brug. Hierbij werd de hoofdconducteur J. Priem gedood, hij was bekneld geraakt in de gedeeltelijk verbrijzelde bagagewagen. De conducteur, die zich eveneens in deze wagon bevond, werd min of meer ernstig gewond, evenals de machinist en de leerling-machinist. De acht reizigers bleven allen ongedeerd.

Het ongeluk was te wijten aan een samenloop van omstandigheden. Allereerst had de hulpwachter van de brug zich verslapen, naar deze later verklaarde omdat zijn wekker niet was afgelopen. Hij had zijn dienst om 3.12 moeten beginnen met het schouwen van de weg en vervolgens de brug moeten sluiten en de seinlichten moeten ontsteken. Ten slotte had hij, 20 minuten voor het vertrek van de eerste trein (Bodegraven v. 6.22), via de telegraaf het zg. brugsein moeten geven, ten teken dat hij op zijn post was. Aangezien dit sein (voorgeschreven in artikel 10 van het brugreglement) uitbleef, trachtte de hulptelegrafist te Bodegraven nu de brug op te roepen. Daar het toestel op de brug in de treinlijn naar Woerden was opgenomen, werd tevens de wachter te Woerden gewekt, die daarop het herkenningsteken van dit station terugseinde. Dit antwoord werd nu door de man te Bodegraven, mede als gevolg van enige onduidelijkheden op de band, voor het brugsein aangezien. Hij meldde dan ook aan de stationschef dat de brug bewaakt was, waarop deze trein 291 liet vertrekken. De trein was samengesteld uit loc 314 + D643 + C1005 + C337 + AB2029 + AB2157 + Bpost8. Het bagage- en het Bpostrijtuig waren drie-, de overige rijtuigen tweeassers. Vermoedelijk heeft vervolgens het treinpersoneel, dat natuurlijk geen hindernissen verwachtte, eerst het afstandsein, op 700 meter vóór de brug, en daarna het sein bij de brug niet opgemerkt. Hiertoe zal het niet verlicht zijn van deze seinen hebben bijgedragen. De gevolgen bleven echter niet uit.
Van de trein sprong het grootste deel over de zeven meter brede opening heen, het rijtuig AB2029 bleef in de opening steken, terwijl AB2157 en Bpost8 vóór de opening bleven staan. De locomotief brak van de tender af, schoot nog ongeveer 20 meter door en viel ondersteboven van de spoordijk af. De tender werd over de kop geworpen, de bagagewagen kwam op de tender terecht, waardoor de wagenkast in elkaar sloeg. De bagagewagen en de beide C-rijtuigen werden gedeeltelijk in elkaar gedrukt, de C-rijtuigen kwamen in een hellende stand te staan. Al het materieel dat aan 'de grote sprong voorwaarts' had meegedaan, was zwaar beschadigd; de schade aan de overige voertuigen was geringer.
Ook de schade aan de brug en de brugpost was groot. De opengedraaide kraanarmen bevonden zich op het landhoofd waarop de machine na haar sprong terechtkwam. De kraanarmen werden daardoor aan de bovenzijde beschadigd en losgerukt, zodat zij in het water stortten, terwijl het metselwerk van het landhoofd even boven het water afscheurde en het afgescheurde gedeelte achteruit was geschoven. Om het contact tussen beide oevers te herstellen, werd allereerst een houten voetbrug over het water gelegd, zodat op geïmproviseerde wijze (met overstappen bij de brug) het personenverkeer kon worden hersteld. Deze situatie duurde tot 27 december; op die dag werd met trein 124 een hulpbrug in gebruik genomen, bestaande uit vier Amerikaans grenen balken van 50 x 50 cm. De SS vroeg vervolgens het rijk om vergunning voor de bouw van een nieuwe brug, aangezien zij kraanbruggen voor normale spoorwegen minder geschikt achtte en daarom de oude brug liever niet herstelde. De vergunning werd verleend op 3 april 1903. In de nacht van 5 op 6 juli 1903 kwam de nieuwe brug als vaste oeververbinding in gebruik en op 20 juli was de brug draaibaar, zodat vanaf die tijd ook weer scheepvaartverkeer mogelijk was. De nieuwe brug was overigens een ongelijkarmige draaibrug van een nieuw type en hij kostte 5000 gulden.


HOME

Leiden - Woerden

Ongeluk op de Wierickebrug, 23 december 1902

Uitgevers van prentbriefkaarten hebben gretig gebruik gemaakt van de rampspoed die Nieuwerbrug trof op de vroege morgen van 23 december 1902. (Foto: verz. L. Bianchi)
ongeluk dwb

Naar aanleiding van dit ongeval kwam nog een verschil in voorschriften aan de orde voor bruggen op de vrije baan (zoals de Wiericke Brug), en bruggen, waarvan de beveiliging samenhangt met die van een station. Voor de laatste categorie gold dat, als de brugwachter zich niet meldde, de conducteur dan op de locomotief plaats moest nemen. Voor de bruggen op de vrije baan gold dit niet; de stationschef te Bodegraven had dus geen trein op de gewone wijze kunnen laten vertrekken, ook indien hij had geweten dat de brugwachter niet op zijn post was. In het verleden echter had de hulpbrugwachter al meerdere malen te laat het brugsein gegeven en in die gevallen had de stationschef toch de conducteur op de locomotief laten meerijden. Als de hulptelegrafist dus de tekens op de band niet fout zou hebben geïnterpreteerd, dan zou het ongeval waarschijnlijk voorkomen zijn. Dit was nu voor de SS aanleiding om het meerijden van de conducteur, bij het zich niet melden van de brugwachter, ook voor bruggen op de vrije baan dwingend voor te schrijven. De desbetreffende wijziging van het reglement vond plaats bij dienstorder 3683 van 14 juli 1904.

Voor dit verhaal werden gegevens geput uit de archieven van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Tevens werd de volgende literatuur geraadpleegd: Verslag van de Raad van Toezicht op de Spoorwegdiensten 1902, bladz. 169; De Ingenieur 19e jaargang (1904) bladz. 47; Heemtijdinghen, 8e jaargang nr. 3 bladz. 50 en 9e jaargang nr. 1 bladz. 9.

(Met toestemming van de auteur overgenomen uit: Spoorwegongevallen in Nederland 1839-1993, Haarlem, Schuijt & Co, 1993)

loc 314 dwb
Een foto van de bergingswerkzaamheden. Over de Dubbele Wiericke werd een tijdelijke houten brug gemaakt.
Loc 314 duikelde van de spoordijk. Het locomotiefpersoneel overleefde het ongeluk.
loc314
dwb overzicht
Hetzelfde beeld, nu uit de richting Woerden. Let ook op de 'ramptoeristen' in het weiland.
De ravage, gezien uit het oosten, met links het vernielde wachtpostje en rechts een deel van de wachterswoning bij de brug. Alle hulpverleners, uniform of niet, onderbraken de werkzaamheden om ernstig te poseren voor de fotograaf...

Ooggetuigeverslag van een journalist

HOE treurig het ook is dat een ijverig beambte, de hoofdconducteur J. Priem, jongste der in Utrecht gestatio-neerde treinchefs, hierbij het leven heeft gelaten, en dat drie mannen, de conducteur J.F. Hartman, de machinist Vermaak en een leerling -machinist (stoker) allen min of meer ernstig, zij het niet levensgevaarlijk, gewond zijn, toch is het een gelukkig wonder dat er niet meer slachtoffers bij dit onheil te betreuren zijn. Want wie de ruïne gezien heeft en vernomen heeft wat er is gebeurd, staat versteld over de mechanische reuzenkrachten die hier, voor een ogenblik aan de tomen ontsprongen, dit vernielingswerk hebben aangericht.
De eerste trein uit Leiden naar Woerden moet te 6 uur 22 uit Bodegraven vertrekken en 4 minuten later de brug over de Dubbele Wiericke passeren, welke vrij druk bevaren water de verbinding tussen Rijn en IJssel vormt. De brugwachter woont met zijn gezin, en met een tweeden brugwachter, die dienst doet als de ander rust, in een huisje beneden aan de spoordijk aan de Rijnkant. Hij moet zorgen dat de brug voor de komst van de eerste trein dichtgedraaid is, is de brug gesloten, dan staat het sein vanzelf veilig, is zij open dan staat het onveilig. Uit het station Bodegraven wordt vooraf telegrafisch aan de brugwachter gevraagd of de brug dicht is, en de brugwachter moet daarop uit het blokhuis aan de overkant van zijn woning antwoorden, waarna de stationchef te Bodegraven of diens plaatsvervanger de trein laat vertrekken.
Maar gisterochtend had de brugwachter zich verslapen, naar hij verklaart, omdat zijn wekker niet is afgelopen. De telegrafische vraag of de weg veilig was bleef dus onbeantwoord. Toch liet men de trein uit Bodegraven vertrek-ken. De machinist reed in de mist en schemering door het onveilige sein, waarin geen licht brandde en toen gebeurde het onheil.
De brugopening tussen de hoofden over het water gemeten is zeven meter. Over deze afstand sprongen de machine met tender, een bagagewagen en twee derdeklasrijtuigen heen, een rijtuig eerste en tweede klasse zakte precies tussen de hoofden in en bleef daar, van achteren rusten op de buffers, boven het water hangen, de overige wagens bleven op de rails voor de brug staan.
De locomotief, losgebroken van de tender, stoomde nog een 100 m door en sloeg toen van de dijk waar zij ondersteboven kwam te liggen, met de wielen in de hoogte, vlammen en stoom uitblazende. Een 40 m daarvoor vlak tegenover het wachtershuis, maakte de tender een ommezwaai in de lucht en viel toen, met de voorkant naar achteren een eindweegs diep in het talud, de bagagewagen sprong daar bovenop, de brugwachterswoning dreigend te verpletteren en op gestopt tegen dit gevaarte schokten de 3e klas rijtuigen stil tot aan de assen in het zand dringend.
Verbijsterd schrok de brugwachter van het gedaver uit zijn bed, hij zag de reuze ruïne van verpletterd hout en ijzer zich hoog boven de vensters van zijn huisje verheffen, hij zag de felle vuurgloed, hoorde het gesis van stoom en water... ,,Ik dacht dat de wereld verging'', zei hij. Half gekleed vloog hij zijn woning uit, wilde om hulp seinen, maar het blokhuis aan de overkant was weggeslagen. En toen snelde hij door naar het station Woerden om de ramp te vertellen.
Inmiddels hadden de enkele reizigers zelf de portieren geopend en ongedeerd, een enkele met een schram, kwamen naar het brugwachtershuisje. Daar kwam weldra ook de gewonde machinist heengelopen. Hij was, hoewel hevige pijnen lijdend, volkomen bij zijn bewustzijn, maar hoe hij op de dijk geslingerd was, wist hij niet. Hij dacht dat de stoker en hij toen de machine van de tender was gebroken, daartussen in het zand waren gevallen.
De stoker lag daar nog, mede gewond. Maar men miste de hoofdconducteur en de conducteur. Zij werden gevonden in de saamgedrukte bagagewagen tussen de remkast gedrukt. De hoofdconducteur - vreselijk verminkt - bleek reeds overleden te zijn, de conducteur moest worden uitgezaagd.
Er waren behalve het treinpersoneel, slechts acht passagiers welke geen van allen gedeerd zijn. Maar wat allen een gelukkig wonder prezen was: zo weinig slachtoffers bij zo'n ramp! Als het morgens eens gebeurd was met de volle trein voor de Woerdense markt, met de wagens vol verlofgangers in verband met Kerstmis.
De gewonde conducteur werd naar Utrecht en de machinist en de stoker naar Leiden vervoerd. Heel spoedig kwam hulp opdagen, wegwerkers, politie, doctoren uit de aangrenzende gemeenten, die de gewonden in de brugwachterswoning verbonden. Weldra verschenen ook de burgemeesters van Waarder en Bodegraven. En na enige tijd kwamen treinen uit Utrecht met spoorwegautoriteiten, de officier van justitie , rechter-commissaris en substituut-griffier, het nodige personeel en werktuigen.
Verwonderlijk is het zo snel de mare van de ramp zich ver in de omtrek verspreid had. 's Morgens vroeg al en de hele middag door tot 's avonds kwamen de honderden op fietsen, met rijtuigen en tilburies of in rijen achter elkaar gemarcheerd. langs de drassige landwegen en over de Rijndijken uit Leiden, Utrecht en Gouda, waar haast geen voertuigen meer te krijgen waren. En de slappe weide aan de Wiericke waar ze allen overheen moesten om bij de brug te komen was door die honderden zo verweekt, dat de boeren erin vastzogen met hun klompen en de dames er tot over haar enkels in wegzakten.
Toch was het een gedrang van nieuwsgierigen langs de oever en aan het einde van hun verre tochten waren ze zo opgewekt te moede, alsof het een zomerse picknick gold. In Nieuwerbrug, in 't Grijze Paard, had de waard van zijn leven zulke goede zaken niet gemaakt en hij kon niet laten 't telkens glunder te herhalen dat de een zijn dood toch de ander zijn brood is.

In het personenverkeer werd vrij spoedig voorzien. Met bewonderenswaardige snelheid werd naast het hangende rijtuig een houten voetbrug met leuningen over het water gelegd. Nu kwamen treinen uit Bodegraven en Woerden tot de plaats van het ongeluk door, de reizigers stapten over, bagage en postzakken werden gedragen en de treinen keerden terug, geduwd door de locomotieven. Op deze wijze behoefde geen enkele trein te worden opgeheven maar wel was de vertraging natuurlijk aanzienlijk. Het goederenverkeer was daarentegen de gehele dag gestaakt.Het terrein des onheils heeft vooral met de Kerstdagen veel belangstelling getrokken. Op 29 december lezen we: ,,De hulpbrug is gereed zodat de treinenloop thans weer ongehinderd kan geschieden"

(Overgenomen uit Heemtijdinghen 8ste jaargang nr. 4 en 9de jaargang nummer 1)

Meer over de historie van de Wierickebrug: zie de pagina bruggen en viaducten

Spoorlijn Leiden - Woerden