Biografie en genealogie van Robert Wassy, een kapitein tijdens de 80-jarige
oorlog
Inleiding
Een aantal jaar geleden ontdekte ik de publicatie van Dhr. Van Epen
(Wapenheraut 1903) over de familie De Vassy. Mijn interesse was gewekt, omdat
mijn man, Jean de Vassy, in rechte lijn bleek af te stammen van de oudste
stamvader, (jonkheer) Robert Wassy, waar deze publicatie over gaat. Dit was het
begin van een uitgebreide zoektocht naar de voorouders van deze stamvader.
De vermoedelijke Franse afkomst van Robert en zijn (mogelijke) zussen,
Jeanne en Rachel, zoals Dhr. Van Epen aangeeft in zijn artikel, heb ik ondanks
zeer sterke vermoedens (nog) niet kunnen bewijzen. Wel heb ik inmiddels ontdekt
dat de familie al veel eerder connecties had met Zeeland; ene Jan de Vassy
krijgt op 12-7-1488 van Philips van Bourgondië, het landgoed Creke op
Zuid-Beveland ten geschenke .
Tot op heden heb ik voorouders van Robert niet kunnen vinden, maar mijn onderzoek heeft zoveel interessante gegevens over Robert opgeleverd, dat ik niet langer wilde wachten met publiceren.
Hoewel de Franse afkomst van Robert niet bewezen is, is het wel aannemelijk. Er zijn in Frankrijk in ieder geval twee plaatsen Wassy/Vassy, één in Normandië en één in Champagne. Het plaatsje Vassy in Champagne is bekend om dat daar het de begin van de religieuze oorlogen in Frankrijk wordt gemarkeerd door het bloedbad in Vassy, waarbij 200 hugenoten de dood vonden door de katholieke hertog De Guise en zijn handlangers.
De naam Wassy/Vassy is afgeleid van het Keltische woord ”was” of ”waes”, wat oversteekplaats in een rivier betekent. ”Was” of ”waes” is samengesteld uit de woorden ”wa” of ”wia”, welke weg of passage betekenen en ”ez” of ”aes”wat water betekent. De toevoeging ”ci”of ”cy” (klank sy) is (waarschijnlijk) Romeins en betekent ”plaats”. Tijdens de 17e eeuw worden Wassy en Vassy door elkaar heen gebruikt, al dan niet met het lidwoord ”de”. Robert ondertekende zijn brieven en akten tot zijn dood altijd met Wassy, zijn zonen Philips en Johan ondertekenen gedurende hun leven met De Vassy, wat tot op heden onveranderd in gebleven.
Er zijn drie verschillende wapens bekend van Robert. Zie figuur 1 t/m 3.
Figuur 1 Zegelafdruk van een brief van 16-05-1630 gericht aan de G.R.
(Gecommitteerde Raden)
Schild: Handmerk.
Over het algemeen wordt een handmerk geassocieerd met analfabetisme. Dit is niet altijd geval, in sommige aanzienlijke families (die wel degelijk konden schrijven) wordt het handmerk als wapen gebruikt.
Figuur 2 Zegelafdruk van een brief van 22-05-1630 gericht aan de G.R.
Schild: In blauw een gouden korenschoof vergezeld van twee sterren (6) van
hetzelfde, een zilveren wassenaar in het hoofd rechts en van onder vergezeld
door 2 verstrengelde letters R .
Figuur 3 Zegelafdruk van een brief van 1637 gericht aan de G.R.
Schild: In blauw een gouden korenschoof vergezeld van twee sterren (6) van
hetzelfde, een zilveren wassenaar in het hoofd links en van onder vergezeld
door iets wat ik niet kan ontcijferen .
Het is frappant dat tussen het gebruikt van het eerste en tweede zegel
slecht 6 dagen zitten. Het zegel van 16-5-1630 is de eerste keer dat ik een
zegelafdruk van Robert tegenkom, hij gebruikt dan nog zijn handmerk. Nog geen
week later schrijft hij een tweede brief, die hij verzegeld met een nieuw
wapen. Het lijkt erop dat Robert dit speciaal heeft ontworpen nu hij, vanuit
zijn functie, vaker officiële brieven moet schrijven.
De wapenspreuk van de familie De Vassy is: ”En peine croissant”, vrij vertaald:
”met moeite tot wasdom gekomen”. Het helmteken is een wassende maan en de kleur
van het dekkleed is blauw.
Deze publicatie is tot stand gekomen met de hulp van dhr. prof. dr. J.M.G. Leune, mevr. C. Villevoye en mijn man, J.J.G.F. (Jean) de Vassy.
Deelgenealogie familie De Vassy
I. Philips Wassij huwt n.n. Verrier
Uit dit huwelijk:
1. Robert, volg II.
2. mogelijk een dochter, Jeanne (Jenne, Johanna, Janneke),
waarschijnlijk geb. in Frankrijk, overl. na
1632 , tr. voor 1612 Jean Rijmssen (Rinsen, Riems, etc), geb. Frankrijk
rond 1578 , sergeant, later majoor van Biervliet, overl. na oktober 1648 .
Uit dit huwelijk:
a. Jacob Rijmssen, geb. voor 1617 , sergeant, overl. na 2-1-1660 , tr
voor 1654 Dina Pirolle (ook Pirolli), overl. na 2-1-1660.
b. Abraham Rijmssen, ged. te Ritthem op 15-2-1617 (doopgetuigen: Abraham
Prince, Lijsbeth Voets), sergeant, overl. na 1654 .
c. Isaac Rijmssen, ged. te Ritthem op 13-1-1619 (doopgetuigen: Adryan
Jobsen, Switze de Bruyne, Susanna Wassij (vermoedelijk Susanna Houcourt),
korporaal, overl. na 1647 .
d. Johannes Rijmssen, ged. te Ritthem op 18-4-1621 (doopgetuigen: Johan
Lanijn, Rachel Wassij), musketier, overl. na 1647, tr. Dina de la Porcefel te
Terneuzen op 26-10-1647.
3. Mogelijk een dochter, Rachel , waarschijnlijk geb. te
Frankrijk, overl. na 1642 , tr. voor 1620 Jacques Bomble geseyt Roufosse
(Ronfosse), mogelijk geb. in Balinghem, Calais (Frankrijk), korporaal, mogelijk
zoon van Adrien Bomble en Antoinette Carbonnier, overl. voor 1642. Uit dit
huwelijk zijn geen kinderen bekend.
II Robert Wassij, waarschijnlijk geb. in Frankrijk rond 1579,
kapitein en commandeur, overl./begr. te Lillo ?/20-2-1642, tr voor
1606 Susanne Houcourt (ook Honcourt), ged. te Middelburg op 16-1-1575,
dr. van Jacques Houcourt, ritmeester, en n.n. du Hen, overl. te Krabbendijke op
12-6-1632, begr. in de kerk van Waarde, Zuid-Beveland, Robert heeft na het
overlijden van zijn vrouw een relatie gehad met Appolonia Willems van
(der) Wijnen . Zij otr./tr. 4-1-1639/?-1-1639 Hubert de Lattre (Letter),
soldaat .
Figuur 4 Wapen van de familie Honcourt
1. Philips, geb./ged. te Sluis op 2/9-2-1608, kapitein en commandeur van fort St. Anna in de polder van Namen, overl. te Fort St. Anna op 10-4-1663, tr. Elisabeth ten Haeff te Middelburg op 28-1-1643, geb. te Middelburg rond 1620, overl. te Den Haag 1712/1713, dr. van Gelein Adriaenssen ten Haeff, burgemeester van Middelburg en Emmerentia van der Maas. Tr. (2) Johannes Schelnecker, meester zadelmaker te Den Haag op 10-5-1665 en tr. (3) Valentin Siegel, raad en resident van de van de hertog van Brunswijk-Wolffenbuttel, te Den Haag op 4-1675.
2. Johan, geb. te Yzendijke op 14-7-1611, kapitein en commandeur van o.a. Axel en Liefkenshoek, overl. te Axel 18-7-1680, tr. Elisabeth Adriaenssen Ballee te Liefkenshoek op 28-7-1641, geb. te Lillo 11-5-1618, overl./begr. te fort St. Anna/Axel op 13/18-8-1662, dr. van Jan Adriaenssen Ballee, controleur van de Hollandse licenten en commies ter recherge te Lillo en Geertruijt Roberts Jolijt.
Figuur5 Wapen van de familie Ballee
3. Daniël, geb./ged. te Sluis op 12/23-10-1612 (doopgetuigen: Jacob
van der Merse, kapitein, Jan Riems, Jenne Wassij). Soldaat in de compagnie van
zijn broer, Philips, gelegerd te fort Sint Anna in de polder van Namen. Overl.
na 22-3-1649. Het vermoeden bestaat dat Daniël geestelijk en/of lichamelijk
achtergebleven is:
· In 1649 is hij 37 jaar oud en nog steeds soldaat, ondanks zijn afkomst
· In de doopboeken van fort Sint Anna (1633-1661 zijn bewaard gebleven), wordt
hij in tegenstelling tot zijn vader, broers en neven nooit als getuige genoemd
· Is geen huwelijk bekend
· In de monsterrollen wordt hij vrijwel altijd apart genoemd van de rest van de
soldaten
4. Jacob, ged. te Ritthem op 18-9-1616 (doopgetuigen: Jacob van
der Merssche, Caterrijne Luycs). Jong overleden.
5. n.n, (dochter) tr. Gaston de Romega, een Franse kapitein.
Uit de relatie met Appolonia Willems van der Wijnen:
6. Robert, ged. te Bergen op Zoom op 17-05-1634, soldaat, overl. na
1659, otr./tr. Appolonia Ernst te Den Haag op 3/?-3-1658, ged. te Den Haag op
20-6-1640, dr. van Gijsbrecht Ernst en Anna van Geel. Uit dit huwelijk zijn
geen kinderen bekend.
Het is het jaar 1604, de Verenigde Nederlanden zijn sinds 1568 in oorlog met
Spanje. De oorlog sleept zich voort door voortdurend geldgebrek aan beide
zijden. Het beleg van Oostende is net beëindigd met zware verliezen. De Verenigde
Nederlanden hebben Oostende na een beleg van meer dan drie jaar over moeten
geven aan de Spanjaarden.
Robert Wassij wordt voor het eerst genoemd in de monsterrol van
25-10-1604 , hij is dan sergeant in de compagnie van kapitein Philips de Zoete
de Haultain en gelegerd te Veere. De compagnie is afkomstig uit Oostende, dat
op 22-9-1604 zich overgegeven heeft aan de Spanjaarden. Het beleg van Oostende
begon op 5-7-1601 en heeft zolang kunnen duren omdat de belegeraars niet altijd
konden beletten dat de bewoners, en ook de militairen te Oostende via de
zee werden voorzien van voedsel. Maar desondanks waren de omstandigheden zeer
slecht. Op 1-10-1601 werd in de krijgsraad al vermeld dat van de Engelse
compagniën, gelegerd te Oostende, al 70 officieren waren overleden. De
chirurgijns verklaarden toen al 500 armen en benen te hebben afgezet. Gewonden
en zieken werden naar Zeeland en Holland gezonden. De soldaten hadden niet eens
voldoende kleding en tot overmaat van ramp brak de pest, roodvonk en scheurbuik
uit.
Een poging tot ontzetting van Oostende begon onder leiding van prins Maurits op
20-4-1604 nabij Willemstad, waar de troepen zich verzamelden en vanwaar een
vloot ze overbracht naar het eiland van Cadzand. Binnen enkele dagen werden
Cadzand, Yzendijke, Aardenburg en Middelburg in Vlaanderen veroverd. Het beleg
van Sluis begon op 23-5-1604 en de stad werd op 19-8-1604 overgegeven.
Ondertussen werd de belegering van Oostende hardnekkig voortgezet. Het
opperbevel veranderde telkens door ziekte of het sneuvelen van de titulairs.
Gedurende de laatste maanden van het beleg waren er niet minder dan 93
compagniën in Oostende . Waaronder de compagnie van kapitein Prince, die pas op
23-11-1603 de opdracht krijgt van de Gecommitteerde Raden (G.R.) om naar
zich te verschepen naar Oostende , op 2-12-1603 volgen de vrouwen en kinderen .
Het is aannemlijk dat zowel Robert als Jan Rijmsen, zijn zwager, zich in deze
compagnie bevonden. Want kapitein Philips de Zoete de Haultain heeft op
20-8-1604 het commandement van compagnie overnomen na het overlijden van
kapitein Johan Broucxsaulx . Deze heeft op zijn beurt daarvoor de compagnie
overgenomen op 11-3-1604, na het overlijden van kapitein Prince .
Door de verovering van Sluis had Oostende zijn waarde verloren en op 20-9-1604
starten de onderhandelingen met Ambrosius de Spinola. De overgave werd op
22-9-1604 een feit. In totaal 3000 manschappen, bestaande uit Nederlanders,
Walen, Fransen, Engelsen en Schotten, verlieten de stad met slaande trom .
Het beleg van Oostende heeft desastreuze gevolgen gehad voor de compagnie van
kapitein Philips de Zoete de Haultain; van de 109 manschappen in zijn compagnie
zijn er 69 nieuw. Velen zijn absent wegens ziekte en velen zijn gesneuveld of
door ziekte overleden. Robert is een van de manschappen die absent is wegens
ziekte (Monsterrol: abs. krank inde haeghe gekert 27: octob) en
bevindt zich tijdens zijn afwezigheid blijkbaar te Den Haag. Hij keert op
27-10-1604 weer terug naar zijn compagnie . Jan Rijmsen, Roberts zwager, heeft
een oog verloren bij het verdedigen van Oostende .
Direct na het beëindigen van het beleg van Oostende trekt compagnie van
kapitein Philips de Zoete de Haultain naar Veere. Tussen begin februari
en eind maart 1605 trekt de compagnie van Veere naar Axel en in de
periode tussen eind maart en september 1605 trekt de compagnie weer
verder naar Oostburg. Ze verblijven in een spookdorp, want Oostburg is in 1604
na de verovering door Prins Maurits door het oorlogsgeweld ontvolkt geraakt.
Pas in 1610 wordt Oostburg weer opnieuw bewoond.
Bij de monsterrollen van 13-9-1605 is een verklaring bijgesloten
van stadsbestuur van Arnemuiden dat vijf mannen van de compagnie, waaronder
Robert, begin september ziekelijk van Oostburg zijn gekomen en zich nu in het
gasthuis te Arnemuiden bevinden.
Op 13-2-1606 trekt de compagnie opnieuw verder en is nu gelegerd te
Sluis/Crabbenschans waar ze eindelijk wat langer gelegerd zullen blijven.
Robert is opnieuw afwezig. Hij is naar Frankrijk afgereisd om soldaten te
rekruteren voor de compagnie. Helaas staat er niet bij vermeld waar hij precies
naar toe gereisd is. Volgens een verklaring van het hoofd van Vlissingen
van 6-4-1606 heeft sergeant Robert Wassy zes soldaten gerekruteerd in Frankrijk
.
In juli 1606 wordt Robert samen met zijn huisvrouw Susanne Houcourt
ingeschreven in het lidmatenregister van Sluis.
Eind 1606 wordt Robert bevorderd tot luitenant en de monsterrol van 29-7-1608
worden voor het eerst ondertekend door Robert, want kapitein Philips de
Zoete de Haultain is afwezig . De komende jaren is kapitein Haultain regelmatig
afwezig en in dat geval ondertekent Robert de monsterrollen.
Figuur6 Oudst bekende handtekening van Robert, 22-10-1609 (monsterrol)
Tussen eind december 1610 en begin juni 1611 verplaatst de compagnie
zich met vrouwen en kinderen van Sluis naar Yzendijke. Terwijl de compagnie
verblijft in Yzendijke wordt op 9-4-1609 het Twaalfjarig bestand getekend
tussen Spanje en de Verenigde Nederlanden.
Inmiddels is de compagnie van kapitein De Haultain weer teruggekeerd in Sluis
en schrijven Robert en zijn vrouw Susanne zich op 6-10-1612 weer in in het
lidmatenregister van Sluis. Susanne is hoogzwanger als de compagnie zich
verplaatst; slechts 6 dagen na het inschrijven in het lidmatenregister, wordt
hun derde zoon Daniel gedoopt.
Kapitein De Haultain draagt in 1612 zijn compagnie te voet over aan kapitein
Jacob van der Meersche, wegens zijn benoeming tot Raad van State in plaats van
wijlen Maximiliaen van Cruijningen.
Op 9-4-1612 schrijft de G.R. een brief aan prins Maurits. Nna het overlijden
van kapitein Maximiliaan van Cruiningen worden drie personen genomineerd om
Philips de Zoete de Haultain op te volgen; dit zijn Jacob van der Meersche,
Robert Wassij en Caspar van Cruiningen . Het wordt uiteindelijk Jacob van der
Meersche, die op 27-4-1612 de leiding van de compagnie van Philips de Zoete de
Haultain overneemt .
Ook kapitein Jacob van der Meersche is regelmatig afwezig en in dat geval
tekent Robert weer de monsterrollen.
Erg lang blijft de compagnie niet in Sluis, want in augustus 1614 schrijven
Robert en zijn vrouw zich in in het lidmatenregister van Veere De eerstvolgende
monsterrol van 22-11-1614 komt vanuit Liefkenshoek. Dit is een
kortdurende aktie, waarbij de vrouwen en bagage achterblijven in Veere,
want op 19-1-1615 komen de monsterrollen weer vanuit Veere .
In de periode tussen juni en oktober 1616 verplaatst de compagnie zich
van Veere naar Ritthem (fort Rammekens). Susanne is inmiddels zwanger van hun
vierde zoon, Jacob die op 18-9-1616 gedoopt wordt in Ritthem, nog voordat
Robert en Susanne zich inschrijven in het lidmatenregister op 2-10-1616. Hoewel
de compagniën zich per schip verplaatsten, zal het voor Susanne niet eenvoudig
zijn geweest om hoogzwanger met drie kleine kinderen zon reis te maken.
Figuur7 Fort Rammekens
Vlissingen en fort Rammekens waren in handen van de Engelsen tot 21-5-1616.
Toen werd een overeenkomst getekend tussen Engeland en de Republiek waarbij de
pandsteden (ook Brielle) tegen betaling van 250.000 pond Sterling weer in
Nederlandse handen komen. De compagnie van kapitein Jacob van der Meersche is
dus één van de eerste Staatse compagniën die gelegerd wordt te fort Rammekens.
Op 10-6-1616 had op plechtige wijze de overname van beide steden plaats .
Gedurende het verblijf van de compagnie op fort Rammekens is Robert op
12-10-1617 (samen met zijn hulpjongen) absent, misschien toeval, maar een
soldaat in de compagnie met de naam Blaise Verrier overlijdt rond deze
periode . Wellicht is hij familie van moederszijde. In deze monsterrol is
Roberts zwager, Jacques Blume (Beaume, Bomble), geseijt Ronfosse
(Roufosse), voor het eerst vermeld, hij is piekenier. Robert is op
16-7-1619 opnieuw absent, wederom samen met zijn hulpjongen. Er staat niet bij
vermeld waarom .
Op 26-10-1619 ontvangt kapitein Van der Meersche de opdracht van de G.R. om
tien musketiers te leveren, die dienst moeten gaan doen op de schepen van
oorlog . In een bijlage bij een brief van de G.R. is een overzicht bijgesloten
uit welke compagniën soldaten geleverd zijn om op de schepen dienst te doen.
Robert wordt hierin genoemd met nog negen soldaten uit de compagnie . In de
monsterrollen van 13-3-1621 en 16-4-1621 staat dat Robert zich nog op de schepen
bevindt .
In de monsterrol van 5-9-1620 staat (en dit is uitzonderlijk) de gage die
de mannen in de compagnie ontvangen. Robert krijgt 12 gul te 8 dage,
sergeant Jan Rijmssen, 4 gul te 8 dage en piekenier Jacques
Bomble,46 stuijvers. In deze monsterrol wordt Roberts oudste zoon
Philips wordt het eerst vermeld als hulpjongen, hij is dan 12 jaar oud.
Op 6-4-1621 wordt kapitein Jacob van der Meersche aangeschreven door de G.R..
Hij moet meteen de helft van zijn compagnie, zonder vrouwen en kinderen naar
Biervliet sturen . Dit zal waarschijnlijk het gevolg zijn van het einde van het
Twaalfjarig Bestand op 9-4-1621. De allereerste vijandelijkheden na het beleg
vinden namelijk vlakbij plaats .
In september bedreigen de Spanjaarden opnieuw Zeeuws-Vlaanderen. Op 10-9-1621
marcheren drie afdelingen over slechte wegen, in de regen naar het noorden
tussen Watervliet en Yzendijke naar de Catelijnenschans en het Zwin. Op
aansporing van Antwerpen was het hen vooral te doen om het bezit van Cadzand en
het beletten van het uitlopen van de schepen waardoor de handel bedreigd werd.
Zeeland stuurde al het op Walcheren aanwezige krijgs- en bootsvolk uit
Vlissingen, Middelburg en Veere naar o.a. Sluis en Yzendijke .
Dit gold ook voor Robert, want op 11-9-1621 ontvangt Robert een brief van de
G.R. met de opdracht dat hij naar Biervliet moet gaan om daar stad en land te
commanderen . Hierop volgt snel een tweede brief aan Robert en aan de baljuw
van Biervliet. De baljuw moet een kamer gereed maken in zijn huis voor Robert
totdat het huis van de schoolmeester is opgeknapt en Robert daar kan wonen .
Tot het einde van het jaar 1622 ligt de ene helft van compagnie van kapitein
Jacob van der Meersche gelegerd te Rammekens en de andere helft te Biervliet
onder leiding van Robert. Maar dan ontvangt kapitein Van der Meersche de
opdracht van de G.R. om zijn hele compagnie naar Biervliet te vertrekken, omdat
de vijand van plan is om deze plaats aan te vallen . De compagnie van kapitein
Van der Meersche blijft daar in ieder geval gelegerd tot 1634.
Begin 1625 wordt Robert, hij is inmiddels ongeveer 45 jaar, benoemd tot
kapitein en krijgt hij het bevel over de compagnie van wijlen kapitein Jacob
Wynckelman. Op 12-4-1625 verschijnt de eerste monsterrol van Robert, hij
is dan gelegerd met zijn compagnie te fort Maurits en de redoute Botshooft op
het eiland Tholen . Roberts zoons, Philips, Johan en Daniël, zijn direct
met hun vader meegegaan. Roberts zwager, Jacques Bomble, volgt een paar
weken later, in de monsterrol van 26-5-1625 staat hij genoemd bij de nieuw
aangenomen soldaten: Jacques Bomble dict Roufosse, den xv aprilis, bekent
soldaet . Zijn andere zwager, Jan Rijmsen en diens vier zonen
blijven achter te Biervliet bij de compagnie van kapitein Van der Meersche.
Figuur8 De linie van de Eendracht
Robert verblijft gedurende de periode dat de compagnie gelegerd is te fort
Maurits (no. 5 in Figuur8) en de redoute Botshooft (no. 6 in Figuur8) (of fort
Oranje(no. 1 in Figuur8)) met zijn gezin te Oud-Vossemeer op Tholen . Zowel
fort Maurits, fort Oranje als de redoute Botshooft maakten deel uit van de
verdedigingsline langs de oostzijde van het eiland Tholen. Deze linie werd de
linie van de Eendracht genoemd en tegenwoordig zijn alle forten en redouten van
deze verdedigingslinie verdwenen.
Op 7-10-1626 wordt Roberts tweede zoon, Johan, nieuw aangenomen in de compagnie
als musketier; jan wassij oudt xvi jare, van redelicke goede apparentie,
des capt ii zoone . Johan is vervolgens musketier in de compagnie van
zijn vader.
Op 3-10-1628 klagen de baljuw en de pensionaris van Tholen dat 50 soldaten van
Wassij ondergebracht zijn in de huizen van de inwoners van Poortvliet, waardoor
zij extra kosten maken. Commandeur Cruiningen krijgt de opdracht om de 50
mannen weg te halen bij de huisluiden en zijn compagnie te legeren in het
kwartier waar Wassij nu gelegerd is en de compagnie van Wassij te legeren te
Poortvliet .
Op 4-12-1628 besluit de G.R. op verzoek van zijne excelentie de compagnie van
kapitein Wassij te verplaatsen van het eiland van Tholen naar het eiland van
Zuid-Beveland . Op 6-12-1628 ontvangt Robert de opdracht van de G.R. om zijn
compagnie met vrouwen, kinderen en bagage te verplaatsen . Dit wordt door de
magistraat van Tholen niet gewaardeerd, de kapiteins en officieren hebben de
soldaten niet in de hand en de magistraat ziet zich genoodzaakt om het recht in
eigen hand te nemen. Ze schrijven dat ze nog de meeste hulp krijgen van
kapitein Wassij en verzoeken of hij tijdens de wintermaanden nog kan blijven.
Het vriest namelijk zo hard dat het binnen enkele dagen voor de vijand mogelijk
is om met paarden en wagens over het ijs te komen. De G.R. antwoordt dat
den Raedt te swack is omme hierinne eenige veranderinghe te doen.
De G.R. heeft ook twee brieven ontvangen van commandeur Cruiningen en commies
Vrijberge die verklaren dat burgemeester Huijgens van Tholen de schippers heeft
verboden om de soldaten van Wassij te vervoeren naar Zuid-Beveland . Op
13-12-1628 besluit de G.R., na lang overleg, dat de compagnie van Wassij toch
vertrekt naar Zuid-Beveland. Commissaris Honich wordt geauthoriseerd om schepen
te ontbieden van Bergen op Zoom of Goes om de soldaten van Wassij te
verplaatsen . Op 14-12-1628 schrijft de magistraat twee brieven aan de G.R.. De
eerste is een verzoek om het mondelinge verzoek van de pensionaris in te
willigen. De tweede is het verzoek om een andere compagnie weg te laten
trekken. Verder schrijft commissaris Honich die vander Tholen weijgeren
schepen te geven aen Wassij ende dat sij seer ernstelijck op hem begeert hadden.
De G.R. houdt voet bij stuk, maar verzoekt wel bij zijn excellentie tot
authorisatie om vier tot vijf honderd man van Bergen op Zoom naar Tholen te
laten trekken in geval van vorst .
Na weken vertraging vertrekt de compagnie dan toch op 21-12-1628 . Op 31-12-1628
worden jonkheer Robert de Wassij en zijn huisvrouw genoemd als inkomende
lidmaten in de aktaboeken van Borssele, met attestatie van Vossemeer .
Na slechst enkele maanden gelegerd te zijn in Borssele wordt Robert benoemd tot
commandeur van Zuid-Beveland en krijgt Robert op 7-4-1629 de opdracht om zijn
compagnie te verplaatsen, nu naar Krabbendijke. Dit was tijdens de tweede helft
van de 80-jarige oorlog het hoofdkwartier van Zuid-Beveland. Robert verzoekt om
dan aenden zuijtgevel noch mochte gemaeckt werden een steenen aflaet om
sijn huisgesin teconnen logeren en een stal voor zijn paard want alsoo
hij segt zonder paerdt sijnen dienst niet te connen doen
Op 18-5-1629 heeft de vijand zich inmiddels teruggetrokken tot Breda en het is
onduidelijk wat ze gaan doen. Wanneer ze naar Zeeland of Vlaanderen gaan, dan
moeten de manschappen onmiddelijk weer ingescheept worden. Op 23-5-1629 krijgt
Robert het bericht dat de G.R. verwacht dat de vijand Bergen op Zoom aan gaat
vallen en daarom moeten er 300 man uit de zes compagniën te Zuid-Beveland
ingescheept worden . Het is niet duidelijk hoe dit afloopt.
Half augustus 1629 beklaagt Hulsterambacht zich over de soldaten van het
garnizoen in Zuid-Beveland die zich misdragen in Hulsterambacht. De G.R.
besluit dat de stukken naar commandeur Wassij gezonden moeten worden .
Rond 1630 wordt er, na jaren van overleg, een begin gemaakt met de bouw van een
fort Keijsershooft, vlakbij Valkenisse (inmiddels verdronken land). Robert is
uit hoofde van zijn functie verantwoordelijk voor de voortgang van de bouw .
Op 16-5-1630 schrijft Robert vanuit Kruiningen een brief naar de G.R.. Hij
schrijft dat ze een soldaat ondervraagd hebben. Hij zegt dat er voor Kieldrecht
een bewapend schip ligt met 25 man aan boord, die via Valkenisse op weg is naar
Duinkerke . Naar aanleiding van Roberts brief besluit de G.R. op 18-5-1630 dat
fort Keijsershooft iedere nacht door 80 soldaten bewaakt moet worden .
Op 22-5-1630 schrijft Robert in een brief vanuit Krabbendijke aan de G.R. dat
er een overloper is aangekomen. Zijn naam is Pieter Thijssen, hij heeft gediend
onder de gouverneur te Hulst. Robert heeft hem ondervraagd en schrijft dat de
overloper een eerlijk en vroom man is . Een dag later wordt de overloper door
de G.R. gehoord en besluit de G.R. dat de man in dienst mag komen bij Robert .
In een brief aan de G.R. schrijft Robert op 6-6-1630 dat hij soldaten erop
uitgestuurd heeft om het schip van Speecke te vinden. Ze hebben gehoord dat er
een turfschip gereed ligt omhet Saftingsche Gat uit te lopen. Later blijkt dit
inderdaad het schip van Speecke te zijn . Jan Speecke is een timmerman uit
Goes, die als kaper de Zeeuwse wateren onveilig maakt. Hij is tot twee keer toe
overgelopen naar de vijand en heeft een kaperbrief van de infante uit Brussel.
Mogelijk is Jan Speecke betrokken geweest bij de ontvoering van Boy Claessen en
Jan Paschierssen, aannemers van het fort Keijsershooft en hun werklui in
december 1629 .
Op 1-7-1630 brengt ingenieur David van Orleans verslag uit aan de G.R. van zijn
inspectie van fort Keijsershooft op 22-6-1630. De G.R. besluit dat het verslag,
waarin beschreven staat wat er nog moet gebeuren, aan de aannemers en aan
commandeur Wassij gestuurd moet worden. Wassij moet toezicht houden op de
werkzaamheden .
De G.R. besluit op 5-8-1630 ordonnantie te verlenen aan Albertus Feijth om de
eerste betaling te doen voor het logement van de kapitein en de soldatenhutten.
Op dezelfde dag worden commandeur Wassij en commies Feijth geauthoriseerd om de
stenen corps de garde in het fort van Keijsershooft en de
gevangenis in Krabbendijke te inspecteren .
Op 14-11-1630 besluit de G.R. dat de soldaten van commanderenden Wassij jn
zuijtbevelandt, niet meer naar vijandelijk gebied mogen gaan om te rooven,
stroopen ofte buijt te maecken maer alleenelijck omme kuntschap te doen ende
tot dienst van het landt . Op dezelfde dag wordt op de
remonstratie (tegenbetoog) van Robert, commies Feijth geauthoriseerd om
een houten hut met strooien dak te maken naast de gevangenis te Krabbendijke als
logement voor de provoost . Op advies van commies Feijth authoriseert de G.R.
op 21-11-1630 commandeur Wassij, commies Feijth en ingenieur Flemmingh tot
inspectie van fort Keijsershooft. Ingenieur Flemmingh moet naar Middelburg
komen om het bestek op te halen en na de inspectie om verslag uit te brengen .
Op 9-1-1631 verzoekt Robert persoonlijk bij de G.R., gesteund door brieven van
de heer Haultain, om gevrijwaard te worden van de impost (belasting) op de
verkoop van beuijtpaerden, zoals besloten is bij sententie van
burgemeester en schepenen van Goes.
De G.R. geeft aan dat Robert een beroep kan doen op de Raad . Op 14-1-1631 is
Robert mandament verleent om als appellant ontvangen te worden van een
sententie tot zijn lasten gewezen bij burgemeester en schepenen op 17-12-1630
te Goes, om te verzoeken om van de sententie gevrijwaard te worden .
Begin juli 1631 verzoekt Robert om twee ijzeren stukken (kannonnen) met
toebehoren. De G.R. stemt in met dit verzoek. Daarnaast zal Robert aan Jacques
Bartholomeussen (aannemer van het verwijden van de veste in Krabbendijke)
moeten commanderen om meer volk in dienst te nemen . Wanneer dit niet gebeurt,
dan moet Robert zelf volk in dienst nemen op kosten van de Raden. Een dag later
verzoekt Jacques Bartholomeussen al om ontslagen te worden van het werk. De
G.R. stemt ermee in en geeft Robert de opdracht om het werk in de gaten te
houden . Op 1-6-1632 besluit de G.R., na inspectie van Robert en commies Feijt
van het werk aan de gracht van Krabbendijke, om de aannemers uit te betalen .
Een week later heeft Robert inmiddels de ijzeren stukken ontvangen, maar ze
kunnen helaas niet gebruikt worden omdat het schip namelijk stuk is en niet
gerepareerd kan worden door gebrek aan gereedschap. Verder laat hij weten dat
hij vandaag fort Keijsershooft heeft bezocht, waar het werk vordert .
Blijkbaar heeft Robert de G.R. niet voldoende op de hoogte gehouden van de
voortgang van het werk, want hij krijgt op 24-7-1631 een brief waarin de G.R.
zich verwondert dat hij hen niet informeert. De Raden vragen hoe het staat met
het graven van het fondement vanden sortie en verder hebben ze
vernomen dat de put niet diep genoeg was volgens het bestek . Drie dagen later
bericht Robert dat sinds het gestopt is met regenen, de bouw van Keijsershooft
en de werken binnen Krabbendijke goed vorderen . Naar aanleiding van een brief
van Robert besluit de G.R. op 29-7-1631 dat de werkzaamheden betreffende
het delven van de put voor t fondement vanden sortije gedaan
moet worden door de aannemers Abraham du Boijs en Samuel Flinders .
Volgens een resolutie van 11-8-1631 zal Casembroot als hij aankomt op
Zuid-Beveland het commandement over het gehele eiland hebben totdat hij weer
vertrekt. Zowel Casembroot als Wassij worden per brief ingelicht .
Inmiddels heeft Robert slecht nieuws voor de G.R.; op 13-8-1631 schrijft hij
dat er negen compagniën zijn gearriveerd, maar ze kunnen ze niet van munitie
voorzien worden. Ook zijn de stukken nog steeds niet gearriveerd en vordert het
werk op Keijsershooft en in Krabbendijke slecht door de regen. De metselaars
kunnen nog steeds niet beginnen Twee dagen later bericht Robert dat
inmiddels de kannonnen gearriveerd zijn, maar dat er niemand is die er mee om
kan gaan. De onophoudelijke regen vertraagt het werk op Keijsershooft en in
Krabbendijke nog meer . De G.R. besluit op vertoog van Robert de vice-admiraal
een brief te sturen of hij een kanonnier ter beschikking heeft .
Door de regen zijn er drie of vier grote bressen geslagen op fort
Keijsershooft. Robert adviseert in een brief van 17-8-1631 vanuit Krabbendijke
om de bressen niet te plakken maar met staken en zoden te dichten .
De G.R. besluit dat dhr. Huijsen op de terugweg van Lillo de bressen van
Keijsershooft moet inspecteren . Op 21-8-1631 krijgt Robert bericht dat zijn
advies aangaande de bressen, wordt opgevolgd .
Rond juni 1631 was een veldtocht gepland naar Vlaanderen, geleid door prins
Frederik Hendrik met als doel het veroveren van Duinkerken, waar de kapers de
handel grote schade toebrachten. Men kwam niet verder dan drie kwartier gaans
tot Brugge. De prins besloot Brugge niet te gaan belegeren wegens tekort aan
levensmiddelen en de zeer uitgebreide aanvalslinie, en blies de aftocht. De
Spanjaarden verzamelden hun troepen tussen Lier en Antwerpen en besloten,
gesterkt door de terugtocht van prins Frederik Hendrik, tot een aanval in
Zeeland. Het doel was daar een vast punt te overmeesteren, vanwaar de
binnenwateren beheerst konden worden. Een deel van het vijandelijke leger onder
leiding van Grobbendonck vestigt zich in de polder van Namen op de Zuidelijke
oever van de Westerschelde . Hierover bericht Robert op 21-8-1631 vanuit
Valkenisse de G.R.; een groep soldaten die Robert naar de Polder van Namen
heeft gestuurd, hebben een boer meegenomen, die zegt dat de vijand bij de hoek
van Saftinge ligt met meer dan 4000 man voetvolk en twee regimenten cavalerie,
gecommandeerd door Grobbendonck. De vijand is bezig om een fort te maken op de
hoek. Ze hebben geschut op de dijk en op het schor staan . Hierop besluit de
G.R. op 6-9-1631 dat Robert voortdurend verkenners uit moet blijven sturen en
niet alleen naar de Polder van Namen . Inmiddels zijn er verkenners van Robert
naar Hulsterambacht geweest. Ze hebben enkele boeren ondervraagd en die hebben
geen sloepen gezien. Ze zijn tot vlakbij het fort geweest en hebben daar ook
geen sloepen gezien .
Op 8-9-1631 schrijft Robert dat hij een corporaal van Grobbendonck heeft
gesproken die zegt dat het leger van de vijand bestaat uit drie regimenten van
vijftien compagniën die ieder uit 200 koppen bestaat. Verder zijn er 12 tot 14
compagniën komende uit diverse regimenten en garnizoenen en een regiment dat
ter reserve ligt. Ze hebben twintig stukken op de dijk en de hoek opgesteld en
kunnen er de hele rivier mee beschieten. Verder klaagt Robert dat hij geen bequame
schuijt heeft om soldaten op verkenning te sturen. Naar aanleiding van
deze brief besluit de G.R. dat Robert de sincke van de sergeant van
kapitein Nicolay mag kopen, maar alleen tegen een redelijke prijs .
Op 11-9-1631 volgt er weer een brief van de G.R.; Robert en commies Feijt
moeten aangeven wat de staat van het werk is aan fort Keijsershooft en verder
wil de G.R. advies over hoeveel er aan de aannemers betaald moet worden .
Robert schrijft in opdracht van de aannemers een brief aan de G.R.; ze
willen 100 pond vlaams om de mannen van de compagnie van heer Thienne, die voor
hun werken, te betalen. Het werk aan de twee hoeken is bijna klaar, de wal en
de borstweringen staan. De Spanjaarden zijn ook bezig met het versterken van
hun fort .
In de avond van 12-9-1631 valt vice-admiraal Hollaer de Spanjaarden aan. De
vijandelijke vloot wordt verslagen, 83 schepen met 188 stukken geschut werden
buitgemaakt en er werden meer dan 4000 krijgsgevangenen gemaakt. Slechts negen
schepen ontkomen .
Op 26-9-1631 besluit de G.R. dat het sluiten van twee fortjes binnen
Krabbendijke uitbesteed moet worden aan Jan Hendricx. Commandeur Wassij en
commies Feith moeten toezicht houden . Op 7-10-1631 is het werk blijkbaar gedaan
en besluiten de G.R. dat commandeur Wassij en commies Feith de opdracht krijgen
om te controleren of het werk volgens het bestek van ingenieur Vleughel is
gedaan . De resultaten van de inspectie zijn op 18-11-1631 door de G.R.
besproken en op basis daarvan wordt de aannemer Jacob Hendricx uitbetaald . Op
10-2-1632 wordt de tweede en derde paije aan de aannemers
uitbetaald, na een inspectie van Robert, commies Feijth en ingenieur Vleughel
op 20-10-1631 en 20-12-1631 .
Op 20-10-1631 schrijft de G.R. een brief aan alle kapiteins. De afgelopen zomer
heeft de vijand de steden van Zeeland niet aangevallen, maar ze zullen het niet
nalaten om deze winter bij verrassing aan te vallen. Daarom worden de kapiteins
verzocht om weer terug te keren bij hun garnizoenen. In deze brief staat dat
Robert zich in Goes bevindt .
Robert bericht op 27-10-1631 dat hij opnieuw een groep verkenners heeft
uitgezonden. Ze konden niet aan land komen omdat er wacht gelopen werd, maar
het is hen wel gelukt om een bootgezel gevangen te nemen. Die vertelt dat er
binnen Antwerpen weer zes sloepen gereed zijn en dat ze in Mechelen enkele
ponten maken. Het werk op de hoek van Saftinge is bijna gereed. Grobbendonck en
zijn zonen zijn regelmatig op het fort aanwezig. En verder zijn door de vloed
de werken buiten de vest bij Krabbendijke onder water gelopen .
Robert heeft inmiddels de sloep van de sergeant van kapitein Nicolaij gekocht
voor 46 gulden en verder heeft hij enige onkosten gemaakt voor de veroordeling
en ophanging van Cornelis Ritchaerts. Deze was naar de vijand overgelopen in de
polder van Namen. Op 6-11-1631 besluit de G.R. dat Robert de onkosten vergoed
krijgt als hij een specificatie opstuurt . Robert bericht vervolgens aan de
G.R. dat hij geen specificatie heeft. De G.R. besluit daarop dat Robert niets
vergoed krijgt .
Gelijktijdig met het beleg van Maastricht in het voorjaar van 1631 zou
Vlaanderen vanuit Zeeland aangevallen worden. Hiertoe verliet graaf Willem van
Nassau op 30-5-1631 Mook met 25 compagniën. Hij zeilde op 7-6-1631 vanuit
Rammekens naar Lillo, waar hij op 9-6-1631 de Kruisschans en de Jacobusschans
veroverde. Verder gaven de schansen Ambrosius, Hoogewerf en die in de polder
van Namen zich over .
In de periode tussen juni en oktober 1632 heeft Robert de opdracht
gekregen om zijn compagnie te verplaatsen van Zuid-Beveland naar fort St. Anna,
dat sinds kort weer in Staatse handen is. Zijn tweede zoon Jan is inmiddels
sergeant in zijn compagnie, zijn zonen Daniël en Philips zijn nog steeds
piekeniers. Zijn zwager Jacques Bomble bevindt zich niet meer in de compagnie.
Op 19-4-1633 besluit de G.R. dat Robert zich moet verantwoorden. Hij heeft
namelijk de monstering van zijn en andere compagniën verhinderd. Letterlijk: dese
saecke te wesen van seer quade exemple & gevolge . Op 21-4-1633 wordt
Robert gehoord door de Raden . Hij vertelt dat hij op 15 april s middags
tussen twee en drie uur een brief van commissaris Van de Brande had ontvangen.
Hierin stond dat Van de Brande die middag zou arriveren, de monstering wilde
doen en dezelfde avond weer wilde vertrekken. Robert heeft toen gezegd dat hij
niet in staat was de compagnie zo snel in de wapenen te brengen en de
monsterrollen te maken. Van de Brande accepteerde dit en besloot een dag later
te vertrekken. Robert krijgt een scherpe vermaning en Van de Brande moet
voortaan de G.R. op de hoogte brengen als een kapitein de monstering weigert.
Op 5-10-1633 heeft Robert het blijkbaar opnieuw verbruid bij de G.R.. Robert
bevindt zich nog steeds niet bij zijn compagnie te fort St. Anna, maar op
Zuid-Beveland, wellicht bij zijn nieuwe bruid, waarmee hij voor augustus 1633
gehuwd is. Maar omdat kapitein Wassij in gebreke blijft, krijgt commandeur
Broucqsault het commando over het fort St. Anna met advijse ende
goetvinden van geheelen crijgsreadt wiert gedeserteert aenden capiteijn Wassij.
Kapitein Buvrij was niet in het fort aanwezig anders had hij volgens
krijgsgebruik het commando gekregen. De heren Raden zien echter geen redenen
enige veranderingen te doen . Twee maanden later krijgt Robert opnieuw de
opdracht van de G.R. om zich bij zijn compagnie te fort St. Anna te voegen. Hij
verblijft nog steeds te Krabbendijke .
Op 22-6-1634 ontvangt Robert weer een bericht om zich te vervoegen bij de Raden
om gehoord te worden betreffende het geschil tussen hem en Jacobmijntje
Vlamincx, de weduwe van wijlen sergeant Ketelaer . Op 1-7-1634 wordt Robert
gehoord en blijkbaar is zijn verdediging goed en wordt het verzoek van
Jacobmijntje Vlamincx afgeslagen .
Op 29-9-1634 schrijven de kapitein Christiaen de Buvrij, Robert Wassij, Adolph
van Borssele en Adolph Porquijn, alle vier gelegerd te fort St. Anna, een
gezamelijke brief. Ze verzoeken dat hunne compagniën mochten werden
verlegt, ende met een beter garnisoen geaccomodeert. De raadsheren hebben
hierop besloten de pensionaris de kapiteins aen te doen seggen dat de
heeren vanden Raede niet gewoon sijn op het versouck ofte soliciteren van
eenighe capiteinen, eenighe compagniën van garnisoen te veranderen of te
verlegghen, ende dienvolgende dat sij sullen hebben te vertrecken .
Robert laat op 7-3-1635, hij is inmiddels commandeur van fort St. Anna, per
brief weten dat hij becommen hadde eenighe gevangenen van des vijandts soldaeten.
De twee gevangenen, Hansken Besemmaecker en Bonaventura zijn waarschijnlijk
overlopers. Hij krijgt de opdracht de gevangenen vast te houden tot nadere
order. In de tussentijd zal de commandeur van Aardenburg, kapitein Colve,
gevraagd worden om na te gaan of de gevangenen onder een compagnie aldaer
gediend hebben . Hierop antwoordt de G.R. op 8-3-1635 dat Robert de twee mannen
op het fort vast moet houden tot nader order . Drie dagen later schrijft Robert
opnieuw een brief aan de G.R.. De gouveneur neemt de Staatse soldaten gevangen,
maar omdat Robert zijn soldaten kort houdt is er nog geen een
gevangen genomen, terwijl de vijand wel bij het fort is geweest. Verder bericht
hij dat Hanske Besemmaecker, wonende onder de jurisdictie van Heerdenburg, twee
soldaten zou hebben doodgeschoten . Bij een resolutie van de G.R. op 12-3-1635,
naar aanleiding van een missive van kapitein Colve, zal een bericht naar
commandeur Wassij worden gestuurd, opdat hij de gevangenen Hansken Besemmaker
en Bonaventura op den inhouden vanden voorschreven missive zal
verhoren . Op 21-3-1635 laat commandeur Rogier van Borssele weten aan de G.R.
dat soldaat Hansken Besemmacker onder hem gediend heeft. Kapitein Wassij zal
worden aangeschreven dat hij Hanske Besemmacker in hechtenis houdt en de
gouveneur van Hulst op de hoogte stelt van de redenen. Bonaventura en de andere
gevangen soldaat dienen te worden vrijgelaten .
Op 5-7-1635 stelt commandeur Broucqsault de G.R. op de hoogte van eenige advertentien
en vraagt hen de scherprechter te sturen om drie gevangen soldaten van kapitein
Wassij, veroordeeld door de krijgsraad, te laten executeren .
In een brief van 5-4-1636 schrijft Robert in een brief aan de G.R. dat soldaten
uit het garnizoen van fort St. Anna, die gelegerd waren op Hoogerwerv,e
met enkele andere soldaten wilden overlopen naar de vijand. Robert heeft
ongeveer 35 soldaten met twee officieren daarheen gestuurd om de muiters te
halen en andere soldaten er voor in de plaats te brengen. De muiters zitten nu
gevangen op fort St. Anna maar willen niet bekennen. De krijgsraad verzoekt om
een scherprechter. De slechte omstandigheden in de soldaten logementen zou de
oorzaak zijn . Op 17-4-1636 schrijft Robert opnieuw een brief aan de G.R.. De
commandeur van fort Hoogerwerve heeft in een missive geschreven dat de
bezetting maximaal 30 man was, terwijl de bezetting nooit minder dan 40 man
was, de luitenant, sergeant en tamboeren niet meegerekend. De zieke soldaten
werden altijd vervangen. Ook heeft hij geschreven dat de aflossing iedere week
is in plaats van iedere maand. Ze verzoeken of zij de bezetting mogen
continueren en dan zullen er moedige mannen gestuurd worden, want de vijand
ligt met 300 tot 400 man voor het fort en het garnizoen in Hulst is heel sterk.
Er is geen schoon water en de hutten zijn klein en oud, waardoor ziekten kunnen
ontstaan. Ook verzoeken ze om Fort Frederik Hendrik weer in hun garnizoen te
krijgen. De wallen moeten weer opgebouwd worden .
Op 1-5-1636 moet Robert manschappen leveren aan fort Hoogerwerve en aan fort
Frederik Hendrik, maar omdat de vijand te Hulst ligt en ieder dag met 400 man
voor fort St. Anna ligt, verzoekt hij of hij de manschappen terug kan roepen .
In een brief van 15-4-1637 vanuit fort St. Anna bericht Robert de G.R. dat de
bezetting van het fort verzwakt is. Er zijn 25 man naar fort Frederik Hendrik
en 50 man naar Hoogerwerve. Robert verzoekt of de 25 man, die gelegerd zijn op
fort Frederik Hendrik terug kunnen komen .
Op 26-4-1637 verlaat prins Frederik Hendrik in alle stilte Den Haag om geen
ruchtbaarheid te geven aan een voorgenomen aanval op Hulst. De prins had het
begin van de aanval toevertrouwd aan kapitein Jacques Broucqsault, commandeur
in de polder van Namen. Helaas faalde de verrassing en keerde de garnizoenen
van Utrecht, Delft, Gorinchem en Dordrecht onder leiding van de prins,
onverrichter zake naar huis . Het is aannemelijk dat Robert bij deze aanval op
Hulst betrokken was. Op 26-5-1637 zijn binnen Hulst acht compagniën Walen en
vier compagniën Spanjaarden gekomen ter vervanging van de compagniën die
vertrokken zijn. Verder zijn er nog twee regimenten extra gearriveerd. Een
persoon had binnen Hulst in een herberg gehoord dat er nog meer op handen was.
De bezetting van fort St. Anna is nog steeds verzwakt en Robert en zijn
manschappen zijn op hun hoede .
Nu kapitein Broucqsault afwezig is, krijgt Robert van de G.R. op 11-2-1638 het
commandement over fort St. Anna. Maar de G.R. is ook gepikeerd omdat Robert hun
niet op de hoogte heeft gehouden van de absentie van de officieren . Erg lang
is Robert geen commandeur van fort St. Anna, want precies een maand later
krijgt kapitein Jacques de Broucqsault de opdracht om van Lillo naar fort St.
Anna te trekken en Robert krijgt de opdracht om met zijn compagnie naar Lillo
te gaan . Op 12-3-1638 krijgt Robert het commandement over Lillo, Oud-Lillo,
Blauwgaren en onderhorige forten voor de periode van een half jaar . Twee dagen
later krijgt Robert de opdracht dat hij in de commandeurswoning een of twee
kamers dient vrij te houden voor de opslag van de meubels van commandeur
Broucqsault .
Figuur9 Kaart van Lillo (1746)
Volgens een resolutie van de G.R. van eind maart-1638 moet commandeur Wassij
en commies Pieter de Gomme de schaapstal op het schor achter Lillo afbreken. De
commies dient het houtwerk van de pesthuizen in het zoute water te leggen opdat
alle infectie die noch gevreest soude mogen werden daer uutgetrocken sijnde
zodat de planken weer gebruikt kunnen worden. De commandeur en de commies
dienen de soldaten en andere personen met hoven buiten het fort Lillo de
opdracht te geven de borstweringen rondom de hoven te slechten en de grachten
daarmee op te vullen .
Begin apri1638 ontvangt Robert een brief van de G.R. met de opdracht de twaalf
man uit Liefkenshoek naar Oud-Lillo of Blauwgaren te zenden om het garnizoen
van Kruisschans te versterken en de twaalf man uit Lillo moeten het garnizoen
van Blauwgaren versterken .
Op 4-4-1638 bericht prins Frederik Hendrik aan de G.R. dat de Spanjaarden
mogelijk een aanslag beramen op Kruisschans. Er dient een oorlogsschip naar het
fort gezonden te worden. De compagnie van kapitein Brinck moet zich van
Vlissingen naar Lillo begeven en de orders van Robert afwachten. De compagnie
moet verdeeld worden over de Kruisschans en de andere forten om en nabij de
Schelde .
Eind april bericht Robert de G.R. vanuit Lillo dat de werklieden zijn begonnen
met de buitengracht om Lillo, maar volgens Robert snappen zowel de aannemers
als de werklieden het bestek niet. Daarom moet Bernard de Gomme toezicht
houden. De arbeiders maken zich zorgen over de betalingen. Er moeten snel
afspraken gemaakt worden, anders lopen de arbeiders weg . Naar aanleiding van
het bericht van de commandeur heeft de G.R. een dag later teruggeschreven dat
zij de bevindingen van ingenieur Manteau zullen afwachten .
Nu de compagnie van kapitein Brinck ook gelegerd moet worden in Lillo besluit
de G.R. op 26-4-1638 dat de commies de toestemming krijgt om in de hutten van
Lillo zoveel bedsteden te bouwen als daar behoefte aan is om de compagnie van
kapitein Brinck van slaapplaatsen te voorzien. Commandeur Wassij en majoor
Baillaert dienen er voor te zorgen dat de soldaten inschikken voor de
nieuwkomers. De gedelegeerde rechters dienen erop toe te zien dat de officieren
van de compagniën van de kapitein Onninck en Brinck bij de burgers van Lillo
worden ingekwartierd, zonder dat één van de burgers daarvan wordt uitgezonderd
.
Begin mei 1638 komt ook de compagnie van kapitein Wing naar Lillo. Robert
stuurt van deze compagnie twintig man naar Kruisschans, tien man naar Oud-Lillo
en tien man naar Blauwgaren. Kapitein Brinck wil niet uit zijn logement, maar
Robert en ook de burgers willen niet dat hij blijft. Nu zijn er twee compagniën
Duitsers en anderhalve compagnie Zeeuwen in het fort, een explosieve situatie.
Daarom wil Robert dat kapitein Brinck zijn compagnie verplaatst en dat de halve
compagnie van kapitein Catz hiervoor in de plaats komt. Verder heeft Robert
vernomen van soldaten die hij heeft uitgezonden, dat op 29 april de brug voor
Antwerpen klaar is. En ook heeft Robert bevolen dat de boeren hun beesten niet
mogen weiden tussen Kruisschans en Lillo .
Naar aanleiding van de brieven van commandeur Wassij, commies Pieter de Gomme
en de gedelegeerde rechters besluiten de G.R. op 10-5-1638 dat het verdiepen
van de gracht om Lillo opnieuw besteed moet worden .
Op 13-5-1638 wordt Robert verzocht de G.R. te informeren over de reden van de
detentie van Joachim Meinick . En op 20-5-1638 dient Robert Joachim Meinick,
gedetineerde tot Lillo, naar Middelburg te zenden, samen met twee personen in
zijn gezelschap, alwaar hij gehoord zal worden. De G.R. zal ook de bijbehorende
stukken examineren en zich aan de hand van hun bevinden, over de kwestie een
uitspraak doen .
Op 18-5-1638 schrijft Robert aan de G.R. dat binnen twee à drie weken de
wallen op hoogte zijn en dan kunnen de arbeiders aan de borstweringen beginnen.
Robert heeft een groep soldaten uitgestuurd naar Brabant (Heerentals) die vast
gesteld hebben dat de vijand zich niet groepeert .
Begin juni 1638 wordt door prins Frederik Hendrik besloten tot een beleg van
Antwerpen, hiervoor moest hij eerst de linker Schelde-oever (het land van Waes)
bezetten. Daartoe landde de veldmaarschalk graaf Willem van Nassau met negen
regimenten, 64 compagniën voetvolk, vier compagniën paarden en 500
bootsgezellen met geschut bij Liefkenshoek en bezette op 15-6-1638 de Kruisdijk
en het terrein tussen de forten Calloo en Verrebroek. Men groef zich meteen in,
maar de stelling was te uitgebreid voor de beschikbare troepen . Dit bleek uit
de aanval van de Spanjaarden op 17-6-1638, waarvan Robert bericht in een brief
aan de G.R. . De Nederlanders hebben de aanval afgeslagen met grote
verliezen. Tijdens de schermutselingen komt ook Maurits Frederik, zoon van
graaf Willem van Nassau om het leven. Robert vraagt om hulp.
Omdat prins Frederik Hendrik geen versterkingen zendt, besluit graaf Willem op
21-6-1638 zich terug te trekken naar Den Doel. Doordat één van de noodbruggen
breekt, is de terugtocht chaotisch. Daar maakt de vijand gebruik van door op
drie plaatsen aan te vallen, bij Verrebroek, Beveren en Calloo, waardoor paniek
ontstaat. Ongeveer 2500 man van de Nederlandse troepen werden krijgsgevangene
gemaakt .
Op 25-6-1638 bericht Robert dat er 600 à 800 doden zijn gevallen. Er zijn 1500
à 1600 gevangenen gemaakt, die verdeeld zijn over diverse kwartieren. De G.R.
wil dat de gevangenen verplaatst worden, maar Robert wil de gevangenen liever
daar houden. De tamboer van de compagnie van Robert heeft 28 cornetten van elk
50 tot 80 manschappen over de burg van Antwerpen zien marcheren. De rest van de
armada van de vijand, 30.000 man, liggen achter het kasteel.
Verder wil Robert dat de compagnie van kapitein Brinck vertrekt, omdat de
soldaten muiten en dat de compagnie van kapitein Catz binnen Lillo komt te
liggen .
Volgens een ongedateerde brief van Robert wil de vijand de aanval op
Kruisschans of Lillo weer doorzetten. Ook dreigen de soldaten van kapitein
Brinck, die gelegerd is op Lillo, te muiten, omdat ze al 22 weken geen geld
hebben ontvangen. Robert vraagt of de compagnie van kapitein Brinck vervangen
kan worden door een andere compagnie .
Op 1-7-1638 schrijft Robert aan de G.R. dat, volgens een groep soldaten die hij
uitgestuurd heeft, de vijand vergadering houdt te Heerentals. Robert zal
vandaag opnieuw verkenners uitsturen. Verder bericht Robert dat sijn
hoochheijt hout sich teenemael geoffenseert in tombrengen van een stercker
spaense capiteijn op de conterscharpe van Liefkenshouck, twelck nochtans niet
te verhoeden is geweest.
zijne hooch_ heeft belast de scheepen alhier in tvlot te houden, wat
daer uijt volgen sal, leert den tijt. Ik vermoed dat Robert het hier over
de zoon van prins Frederik Hendrik heeft die zich op het fort bevindt .
De G.R. verwacht opnieuw dat Kruisschans aangevallen zal worden. Daarom wordt
op 4-7-1638 besloten dat een compagnie vanuit Vlissingen zich naar Lillo moet
begeven .
Naar aanleiding van een bericht van de gedelegeerde rechters besluit de G.R. op
4-7-1638 dat commandeur Wassij aangeschreven moet worden; hij moet erop toezien
dat niemand die niet in dienst is de logementen van het land gebruiken zal en
dat de officieren en soldaten niet over meer ruimte beschikken dan dat
gebruikelijk is .
Op 11-7-1638 stuurt Robert 44 gevangenen onder bewaking van 20 soldaten naar
Middelburg. Er blijven 3 zieke Italianen achter. Er zijn nog ongeveer 2000 man
van de vijand in Blockersdijck, St. Maria en Calloo . Op 19-7-1638 moet het
volk van kapitein Brinck van Oud-Lillo naar Lillo. Oud-Lillo wordt bezet met
volk uit andere compagniën. Verder ligt er ook volk van kapitein Brinck op de
Kruisschans .
In een schepenakte te Valkenisse leent Robert aan Marinus Adriaensen 300 gulden
op 28-7-1638 voor een periode van vijf jaar. Marinus Adriaensen geeft zijn huis
met boomgaard als onderpand .
Op 10-8-1638 schrijft Robert een brief aan de G.R. als antwoord op hun brief
van 7-8-1638 (onleesbaar). De afgelopen week mocht er geen schip van de
bovenkwartieren binnenvaren, behalve boeren en vrouwen uit Den Doel die hun
goederen al binnen het fort hadden gebracht en mensen uit Holland met een
paspoort van de G.R. of Zijne Hoogheid.
Het werk aan de poort van Lillo schiet niet op. De wal is op hoogte, behalve de
Engelse punt en het bolwerk. De rest van het werk vordert slecht.
In het Spaanse leger, dat gelegerd is in de buurt van Antwerpen, is heel de
nacht de mars geslagen. Ze zijn in de veronderstelling dat ze mogen vertrekken,
maar Robert is hier niet zo zeker van . Volgens een resolutie van de G.R. van
11-8-1638 zullen er 2500 klinkers naar Lillo worden gestuurd. Indien aannemer
Claes van Thiel meer stenen nodig heeft, dan dient hij zo spoedig mogelijk voor
aanvulling te zorgen, opdat het werk aan de poort afgerond kan worden. Vanwege
het werk aan het fort krijgt commandeur Wassij de opdracht schippers of
inwoners uit de vijandelijke gebieden buiten het fort te laten, omdat de kans
aanwezig wordt geacht dat de vijand een aanval op het fort zou kunnen plegen .
Op 19-8-1638 schrijft Robert vanuit Lillo dat verleden week maandag de Prins
Cardinaal vertrokken is uit Brussel, het geschut uit Mechelen meenemende naar
de Maas. Lillo wordt scherp bewaakt, maar de schepen zijn langs Dendermonde
gepasseerd. De werkzaamheden aan de poort vorderen slecht, maar de gracht zal
binnen acht dagen aan een kant klaar zijn .
De G.R. heeft besloten op 6-9-1638 dat er geen schippers of andere personen van
Antwerpen binnen gelaten mogen worden tot Lillo totdat de werken klaar zijn. De
G.R. had eerder deze opdracht gegeven, maar deze werd niet opgevolgd . Op
1-10-1638 wordt door de G.R. besloten dat het verbod nog steeds van kracht is.
Robert zal hierover worden ingelicht . Op 5-10-1638 besluit de G.R. dat
commandeur Wassij en commies De Gomme het werk van Gillis Fransen aan de
palissaden van de contrescharp van Lillo zullen controleren .
Op 14-10-1638 beklaagt commandeur Broucqsault zich bij de G.R. over commandeur
Hoeijmaecker, die bij hem aan loopt te dringen op de aflossing van de troepen
op fort Hoogerwerve. En dat commandeur Hoeijmaecker en commandeur Wassij hun
beurt niet hebben ingevuld. Het is niet duidelijk hoe dit afloopt .
Eind oktober bericht Robert opnieuw dat het werk aan fort Lillo niet opschiet,
ze hopen nog veertien dagen goed weer te hebben. Robert heeft een paap
gearresteerd die van boven kwam zonder paspoort . De G.R. besluit
op 30-10-1638 dat de paepe door de krijgsraad ondervraagd dient te
worden. Robert zal hierover worden ingelicht .
Op 3-11-1638 heeft Robert opnieuw een paap gearresteerd en ondervraagd, Joachim
de Cersaij doyen de Xaintes (pres Bordeaux au monsieur de reijne mere dus roij
de france). Joachim blijkt op weg te zijn naar Den Haag om een adres van
de Engelse koningin moeder te krijgen. Er is ook een groep vrouwen en kinderen
die zijn verhaal bevestigen. Robert gelooft hem en wil hem laten passeren.
De prins cardinaal heeft afgelopen zaterdag Brussel bereikt. Er zijn afgelopen
zondag drie regimenten de brug van Antwerpen gepasseerd, ze zijn verzwakt. Te
Zandvliet heerst de pest en houden ze de poorten dicht uit vrees dat de
soldaten weg zullen lopen .
Op 8-11-1638 schrijft Robert aan de G.R. dat ze materiaal nodig hebben om het
fort Lillo te kunnen verdedigen. De veste is bijna gereed, hij denkt dat er nog
twee à drie dagen werk nodig is. Een ander probleem is dat de arbeiders klagen
over de betaling.
Er zijn vandaag twee luitenanten gearriveerd die door de Spanjaarden gevangen
zijn genomen en opgesloten zijn geweest binnen Antwerpen. Ze zijn ontsnapt met
hulp van een persoon die hun ook vertelde van een aanslag op fort Liefkenshoek.
Hij heeft dit weer gehoord van een persoon die onder de jurisdictie van Den
Doel valt. Het plan van de aanslag was als volgt: s Zomers als het volk
in de velden werkt, zouden de Spanjaarden de mensen s nachts overvallen
en in de boeien slaan. De volgende ochtend zouden ze, als boeren en vrouwen
verkleed naar de poort van het fort gaan. Een gedeelte van de Spanjaarden
zouden zich verstoppen in het veld. Tegelijkertijd zou er een schip van Antwerpen
aanmeren. Samen zouden ze de poort overrompelen met hulp van de verstopte
mannen die zouden reageren op een alarm. Deze aanval zou afgelopen zomer plaats
hebben gevonden als de forten niet zo voorzien zouden zijn geweest met volk en
schepen .
Naar aanleiding van de brief van Robert bericht de G.R. op 8-11-1638 dat
betreffende de fortificatie van Lillo nog geen besluit genomen is. En wat
betreft de aanval, daar kan tijdens de zomermaanden op gelet worden. Gezien de
tijd van het jaar kan zon aanslag nu niet plaatsvinden .
Op 18-11-1638 heeft de G.R. besloten de zaak van Jacobmina Beernaerts nog even
op zijn beloop te laten. Zij heeft verzocht uit detentie door kapitein Wassij
ontslagen te worden en om toestemming te krijgen voor het bezoeken van de vloot
en het fort van Lillo zoals zij gewend was te doen .
In een brief van 27-12-1638 bericht Robert dat op 10-12-1638 Antwerpen in
handen is gevallen van Hertog Barent. Inmiddels zijn 500 van de gevangenen hier
gepasseerd en hij verwacht morgen de officieren met nog 400 man. De
gecommitteerde Kieboom tot Antwerpen verwacht dat de Staatsen
(Nederlanders) ook hun gevangenen vrij zullen laten. Kieboom heeft
hiervoor de G.R. aangeschreven.
Verder heeft Robert nog 50 stukken horden nodig. Omdat het garnizoen
te Lillo sterk verzwakt is, vraagt Robert of zijn beurt om Hoogerwerve te
bemannen, overgeslagen kan worden. Daarnaast heeft Robert commandeur
Broucqsault aangeschreven om zijn meubelen uit het logement te halen, maar die
werkt niet mee . Ondanks dat het garnizoen van Lillo verzwakt is, moet Robert
toch Hoogerwerve van soldaten voorzien volgens het besluit van de G.R. van
30-12-1638. Verder krijgt commies Tobias Coorne de opdracht 50 horden naar
Lillo te sturen.
En commandeur Broucqsault zal volgens de resolutie gelast worden zijn meubels
uit het logement van commandeur Wassij te halen .
In een brief van 5-1-1639 schrijft Robert aan de G.R. dat ze een order gekregen
hebben om komende maandag fort Hoogerwerve te bezetten. Er zijn 250
krijgsgevangenen gearriveerd, die door de Spanjaarden gevangenen werden
gehouden, die zeggen dat de resterende gevangenen onder erbarmelijke
omstandigheden in schepen voor Antwerpen liggen .
Op 17-1-1639 besluit de G.R. dat kapitein Bartolomeus Hoeijmaecker 60 man uit
zijn compagnie moet zenden; 50 man moeten Lillo versterken en 10 man moeten
naar Oud-Lillo. Commandeur Wassij dient erop toe te zien dat de soldaten in de
hutten en bij burgers worden gelogeerd . Erg lang blijven de soldaten niet,
want op 5-2-1639 besluit de G.R. dat de 60 man van kapitein Bartolomeus
Hoeijmaecker die te Lillo gelegerd liggen, weer terug moeten maar Zuid-Beveland
.
Robert verzoekt op 3-2-1639 aan de G.R. of zijn volk dat gelegerd is op
Hoogerwerve afgelost mag worden, omdat het de beurt is van kapitein Beaumont.
Er is weinig nieuws over de vijand .
Er is een schipper uit Sommelsdijk gevangen genomen door de vijand en zijn
vrijlating laat op zich wachten. Daarom krijgt Robert op 17-2-1639 de opdracht
om een van de beste schepen afkomstig uit vijandelijk gebied die Lillo
passeert, aan te houden en de schipper op fort St. Anna vast te zetten, totdat
de schipper uit Sommelsdijk kosteloos in vrijheid en schadeloos is gesteld . Na
het lezen van de missive van de G.R. heeft Robert op 23-2-1639 onmiddellijk een
schipper uitgezonden naar fort St. Anna.
De vijand bereidt inmiddels een aanval voor. Ze hebben een oproep uitgezonden
dat rond de eerste maart alle paarden wagens en karren gereed zouden moeten
zijn. Dit zal alleen lukken als ze paarden uit het land dat in Nederlandse
handen is kunnen verkrijgen, omdat de paarden het al heel zwaar te verduren
hebben gehad. Er worden binnen Brussel, Mechelen en Leuven groepen paarden
binnen gebracht uit ons land . Op 11-4-1639 bericht Robert dat de vijand begint
met het leggen van een brug bij Antwerpen. Ze verwachten dat de vijand deze
zomer in de buurt van Antwerpen blijft. Verder is een convooi van 1000 paarden
aangekomen te Zandvliet die daar munitie hebben gebracht.
Het werk aan het fort van Lillo schiet niet op. De bazen kunnen geen mensen
krijgen, omdat zij bang zijn niet betaald te worden.
De vaandrig van Roberts compagnie is gepromoveerd tot luitenant en nu
doet Robert een verzoek of zijn oudste zoon, Philips, vaandrig mag
worden. Philips is nu vaandrig onder kapitein Bartolomeus Alvarez geseijt
Hoemaecker, deze is het hier mee eens .
Blijkbaar zijn er nog steeds problemen met de soldaten onder kapitein Brinck,
want op 26-4-1639 besluit de G.R. dat de heren Schotte en Berchem er zo snel
mogelijk voor moeten zorgen dat de compagnie van kapitein Brinck op Lillo
betaald wordt, omdat anders commandeur Wassij in moeilijkheden komt . De
betaling komt te laat, want op 9-5-1639 bericht Robert dat hij eergisteren de patenten
had ontvangen van kapitein Johan van der Brinck. Inmiddels is deze compagnie
vertrokken, wat Robert dus niet erg vindt .
Eindelijk vordert het werk aan Lillo naar genoegen. De aannemers gebruiken
genoeg volk voor het verrichten ervan, volgens een resolutie van de G.R. op
28-5-1639 .
Op 2-6-1639 schrijft Robert een brief aan de G.R., dat binnenkort de wisseling
van de wacht op Hoogerwerve is en dat kapitein Roobol dan aan de beurt is om
manschappen te leveren, waardoor het garnizoen op Blauwgaren en Oud-Lillo
verzwakt wordt. Daarom zou op deze forten ander volk gelegerd moeten worden.
Lillo is in staat om volk aan een van de forten te leveren. Het andere fort zou
bemand moeten worden door volk van Liefkenshoek. Er is weinig nieuws van de
vijand. Er zijn twee compagniën cavalerie en twee compagniën voetvolk van
Brabant over de brug van Antwerpen gepasseerd naar Vlaanderen. De vijand heeft
alle forten goed bemand. Robert heeft een aantal soldaten uitgezonden naar
Brabant voor verkenning .
Op 13-6-1639 bericht Robert dat ingenieur Percheval in opdracht van zijne
Hoogheid het fort heeft geïnspecteerd. De staat is redelijk.
Ongeveer 4000 man van de vijand verzamelen zich in Brabant en in het land van
Waes wordt zeer scherp de wacht gehouden .
Op 14-6-1639 besluiten de G.R. dat commandeur Wassij en dijkgraaf Melchior
Franssen dienen na te gaan of Daniel la Beecque gelijk heeft. Namelijk dat de
sluis bij Liefkenshoek zou kunnen volstaan met reparaties, alsmede het feit dat
volgens hem de grond van de contrescharp van Liefkenshoek niet geschikt is voor
het aanleggen van een sluis. Verder zal Albertus Brosius, scherprechter, naar
Lillo afreizen en daar ten uitvoer brengen wat hem wordt gevraagd door de
commandeur en de krijgsraad .
Op 21-6-1639 is er wederom tekort aan manschappen om fort Hoogerwerve te
bemannen. Het is de beurt van kapitein Roobol om volk voor fort Hoogerwerve te
leveren, maar hij heeft 45 man uitgestuurd en de rest is gelegerd op fort
Blauwgaren en Oud-Lillo. Daarom heeft Robert vanuit Lillo 22 man naar
Blauwgaren en 70 man naar Oud-Lillo gestuurd. Maar nog klagen de officieren
daar dat ze te weinig mensen hebben. Maar Robert kan niet meer mensen missen op
Lillo, omdat er ook nog vijftien manschappen zich op de schepen van oorlog
bevinden.
Gisternacht is op Zandvliet en de forten eromheen geschoten, eerst met
musketten daarna met kannonnen. Robert heeft nog niet kunnen achterhalen waarom
dit was .
Op 30-6-1639 besluit de G.R. dat de 15 manschappen van Robert die zich op de
schepen van kapitein Hollaer bevinden, aan land moeten komen .
Op 11-7-1639 krijgen Robert en commies Pieter de Gomme de opdracht om het werk
aan fort Liefkenshoek op te nemen, dit was aangenomen door de aannemers Claeis
van Driest en Govert de Cort . Op 21-7-1639 krijgen ze ook de opdracht om het
bezoden en ophogen van de teen van de contrescharpen van Lillo te controleren .
Op 26-7-1639 verzoeken Jonas Duijser en Francois Bevanij tot betaling van 1758
gulden voor het verdiepen van de gracht en het verhogen van de wal van fort
Lillo. Commandeur Wassij en commies de Gomme zullen het werk controleren . Op
2-8-1639 wordt, naar aanleiding van de bevindingen van Robert en Pieter de
Gomme, ordonnantie verleent aan de aannemers .
Op 29-7-1639 heeft Robert bericht ontvangen van Bergen en fort Frederik Hendrik
dat de vijand op Zandvliet ligt en een aanval aan het voorbereiden is. Robert
verwacht een aanval op fort Frederik Hendrik of fort Kruisschans en hij heeft
alle kapiteins gewaarschuwd . Enkele dagen later, op 6-8-1639, bericht Robert
aan de G.R. dat er te Lillo twee compagniën zijn aangekomen. Een van de
compagniën komt op fort Frederik Hendrik te liggen en het andere op de
contrescharpen van Lillo. Er zijn op Kruisschans maar vijfentwintig manschappen
om daar wacht te lopen. Binnen Zandvliet zijn nog eens 1600 manschappen van de
vijand aangekomen, de meeste zijn Italianen en Walen. Robert vreest nog steeds
voor een aanslag .
Volgens een brief van de G.R. aan Robert van 18-8-1639 moet Robert een schip
sturen naar fort St. Anna in de polder van Namen om een schip uit Gent of
Brussel vast te houden. Deze schipper moet hij vasthouden totdat de gouverneur
van Hulst een schipper laat gaan . Op 20-8-1639 bericht Robert dat hij een
schip naar fort St. Anna gestuurd.
Volgens het laatste nieuws dat Robert heeft ontvangen betreffende de vijand,
ligt het leger van zijne hoogheid bij Rimbeeck en is de Prins Cardinaal weer te
Antwerpen gearriveerd, maar ze verwachten dat hij spoedig naar Artois zal
vertrekken . Op 25-8-1639 verneemt Robert van de schepen en passanten van
Antwerpen dat de vijand een aanval op de Kruisschans heeft willen uitvoeren
tussen 21ste en 24ste van deze maand. Robert heeft een brief van
luitenant-kolonel De Hallarts ontvangen, die zegt met vijftien compagniën in de
schepen rondom de stad Grave te liggen. Zijne hoogheid ligt nog steeds rondom
Rimbeecke. De vijand heeft al zijn plaatsen goed voorzien . De compagniën die
door luitenant-kolonel De Hallarts zijn achtergelaten op Lillo moeten voorzien
worden van kruit en lonten. Verder moet Robert erop toezien dat de soldaten van
de bovengenoemde compagniën door de pachters van slants
middelen voldoende van bier worden voorzien . Nog diezelfde dag bericht
Robert dat de aanslag niet gemunt was op Kruisschans, maar op Liefkenshoek. Er
waren in totaal 7000 man van de vijand verzameld uit alle forten rondom
Antwerpen en nog eens 2000 Spanjaarden uit het kasteel van Antwerpen. De vijand
had zich te Marij verzameld, maar had dit zo stil gedaan, dat niemand het
gehoord had. Overdag zou er in Liefkenshoek alleen de wacht zijn, want de
soldaten zouden gaan werken in Den Doel. De vijand zou eerst 104 man sturen om
de soldaten de pas af te snijden van het fort en daarna zouden ze het fort
aanvallen. De aanval was gepland voor verleden maandag, maar zou uiteindelijk
gisteren plaatsvinden, maar het is niet doorgegaan. Robert weet niet waarom
niet .
Op 23-8-1639 schrijft de G.R. aan Robert dat er klachten zijn geweest van de
pachters rondom Lillo over de soldaten. Robert moet er voor zorgen dat de
soldaten niet meer op de schepen van bepaalde compagniën gaan drinken .
Commies de Gomme heeft de G.R. geschreven dat hij door de aannemers van Lillo
en anderen uitgescholden is. De G.R. besluit dan op 26-8-1639 dat commandeur
Wassij hierover bericht moet worden .
Op 23-11-1639 schrijft Robert aan de G.R. dat een soldaat zich schuldig heeft
gemaakt aan godslastering en de soldaat heeft voor de krijgsraad bekend. Robert
verzoekt nu of er een scherprechter gestuurd kan worden om de straf uit te
voeren . Bij resolutie van 26-11-1639 zal de tong van soldaat Stoffel Caddeman
uit de compagnie van kapitein Brinck met een gloeiende priem worden doorboord.
Hij is door de krijgsraad van Lillo veroordeeld vanwege voortdurende
godslastering. De G.R. stemt in met het verzoek van Robert en stuurt de scherprechter
naar het fort om het vonnis te voltrekken .
Volgens een ongedateerde brief van de G.R. in 1640 staat dat Robert over
geleend geld bij obligatie van het fort Lillo 66-13-4 ponden vlaams ontvangt
(hij had 36-11-3 ingelegd) .
Op 5-2-1640 schrijft Robert vanuit Lillo aan de G.R. dat het gisteren noodweer
is geweest en dat er bressen in twee van de bolwerken geslagen zijn. Een van de
bolwerken is zo beschadigd dat deze met planken en aarde verstevigd moet
worden. Er is daarnaast ook schade aan de contrescharp. Verder bericht Robert
dat er twee compagniën gekomen zijn van Dendermonde in het land van Waes .
Op 24-2-1640 schrijft de G.R. aan Robert dat door de vorst de toerbeurt van de
bezetting van fort Hoogerwerve uitloopt. Robert moet 40 man, onder begeleiding
van een officier, naar Kruisschans sturen, omdat 50 man vanuit Kruisschans naar
Hoogerwerve moeten gaan .
Op 5-7-1640 besluit de G.R. dat de crediteuren van de aannemers van het werk op
Lillo betaald zullen worden door ontvanger-generaal Brouwer. Het geld zal door
commies Wijchaerdt worden verdeeld en aannemers Michiel Pieterssen en Thobias
de Bres dienen de kwitantie voor te leggen dat zij hun arbeiders volledig
betaald hebben. Robert krijgt de opdracht er op toe te zien dat zo weinig
mogelijk soldaten gaan werken in Den Doel .
Op 25-7-1640 schrijft Robert een brief aan de G.R., waarin hij zich beklaagt
dat schepen vrijelijk naar Antwerpen kunnen varen zonder dat ze gecontroleerd
worden. Ook de licentmeester klaagt hierover, want hij loopt hierdoor inkomsten
mis. Robert vraagt de G.R. om raad . Hierop besluit de G.R. op 26-7-1640 dat
majoor Baillaert zich bij de G.R. moet melden om uit te leggen waarom hij
personen uit het vijandelijk gebied heeft laten passeren zonder het paspoort in
te vorderen. Er zal worden uitgezocht of nog meer mensen zich hieraan schuldig
hebben gemaakt . Op 1-8-1640 wordt majoor Bailleart over deze kwestie gehoord
en hij heeft bekend dat hij schuldig heeft gemaakt aan het laten passeren van
personen zonder paspoort. De kwestie zal nog verder onderzocht worden . Op
26-8-1640 bericht de heer De Moor dat commandeur Wassij graag nadere orders zou
willen ontvangen aangaande de passage van personen door de vloot van Lillo .
Op 27-7-1640 besluit de G.R. naar aanleiding van een bericht van de heren
Tenijs en Van der Straeten dat commandeur Wassij en commies De Gomme de
opdracht krijgen om uit te zoeken welk werk aan fort Lillo nu dient te gebeuren
en welke werkzaamheden uitgesteld kunnen worden tot het volgende seizoen.
Commies De Gomme dient de bevindingen mondeling te komen toelichten in
Middelburg . Dit gebeurt en op 1-8-1640 krijgt commies De Gomme toestemming om
de door hem en commandeur Wassij opgetekende reperaties uit te laten voeren .
Op 24-8-1640 wijst de G.R. het verzoek van de inwoners uit de polder van
Zandvliet om hun waar door de vloot van Lillo te mogen vervoeren, af. De
secretaris van Zandvliet dient te blijven in Middelburg omdat er
onduidelijkheid bestaat over zijn paspoort. Hij verklaarde door Robert en de
vlootcommiezen te zijn doorgelaten, wat door de G.R. wordt nagevraagd . Op
25-8-1640 wordt Robert gehoord over deze kwestie, alsmede de klachten dat
Robert passagiers met geldige paspoorten geld zou afvorderen .
Ene Anthonis Barouw heeft op 5-10-1640 het vonnis van de gedelegeerde rechters
van Lillo tegen meester Anthonis van der Heijden niet ten uitvoer kunnen
brengen. De G.R. besluit dat commandeur Wassij, Barouw de stercke handt
moet bieden. Mocht Anthonis van der Heijden de uitvoer van het vonnis blijven
beletten, dan dient hij Lillo te verlaten met verbeurdverklaring van zijn
goederen .
Op 3-12-1640 beklaagt commissaris Van den Brande zich bij de G.R. over Robert.
Hij zou geweigerd hebben om zijn volk te bewapenen, zodat zij gemonsterd kunnen
worden. Robert zou gezegd hebben dat de commissaris maar zelf de orders moest
overbrengen en zijn commissie maar moest tonen. De G.R. verzoekt Robert hen
nader te informeren . Op 4-12-1640 volgt een brief van de G.R. aan Robert dat
hij zich moet vervoegen bij de Raden . Op 11-12-1604 besluit de G.R., na Robert
gehoord te hebben, om de zaak op zijn beloop te laten .
Op 30-12-1640 schrijven de G.R. in een brief dat fort Hoogerwerve bij
deze beurt voorzien moet worden door manschappen vanuit fort Frederik Hendrik.
Daarom moet Robert 25 man leveren aan fort Frederik Hendrik . Robert schrijft
diezelfde dag nog aan de G.R. dat hij de helft van de manschappen wel zou
willen leveren en kapitein Cats de andere helft, maar hij kampt met veel zieken
. Op 15-1-1641 schrijft de G.R. dat kapitein Roobol deze keer manschappen moet
leveren voor fort Hoogerwerve .
Op 5-2-1641 krijgt Robert de opdracht van de G.R. te zorgen dat Michiel
Gilissen, kanonier en timmerman en commies de Gomme binnen fort Lillo blijven.
Michiel Gilissen heeft Pieter de Gomme namelijk van malversaties, fraude en
ontvreemding van materialen van de provincie en andere zaken beschuldigd .
Naar aanleiding van een bericht van licentmeester Van Alphen, besluit de G.R.
op 26-2-1641 dat Robert alle vrijbrieven van de inwoners van Lillo in moet
nemen en deze naar de G.R. moet sturen en op 16-4-1641 besluit de G.R.
dat voortaan eenmaal per jaar een wapenschouwing plaatsvindt van de burgers op
Lillo. Bij absentie wordt er een boete van tien schelling uitgevaardigd. In tijd
van nood moeten de burgers klaar staan om op bevel van commandeur Wassij
positie in te kunnen nemen .
Commandeur Wassij heeft de G.R. een brief geschreven of de schorren bij Lillo
gebruikt mogen worden als weidegrond. De G.R. besluit op 2-5-1641 dat er hierover
regels opgesteld moeten worden .
Op 3-5-1641 schrijft Robert een brief vanuit Lillo naar de G.R. dat er is een
verzoek bij hem binnengekomen dat een kannonier Lillo moet verlaten om het
leger te volgen. Robert doet een verzoek of de man mag blijven, omdat er maar 3
kanoniers achterblijven op Lillo. Een die regelmatig afwezig is en verder een
oude zieke man en zijn zoon, die slecht ter been is . Het antwoord van de G.R.
op 5-5-1641 is dat de kanonier toch moet vertrekken en dat de andere kanonier die
regelmatig afwezig is, voortaan alleen mag vertrekken met de toestemming van
Robert .
In een brief van 26-6-1641 laat Robert aan de G.R. weten dat ene Anthony Barou
bij de verkoop van oud hout, geld in zijn eigen zak heeft gestoken. Robert
verzoekt de G.R. een opdracht te geven aan Anthony Barou het ontbrekende geld
terug te geven aan Van Alphen . De brief wordt op 27-6-1641 door de G.R.
behandeld, de afloop is niet bekend.
Op 2-7-1641 bericht Robert dat de boodschapper van de koning van Frankrijk vandaag
gepasseerd is. De boodschapper heeft gezegd dat de stad Ariens het nog wel drie
weken uithoudt. Het leger van de prins-cardinaal ligt bij Moerbeke en is
ongeveer 12.000 man sterk. Lamboy zou vanuit Moerbeke naar de hertog van
Bouillion getrokken zijn om de maarschalk De Chattilion te resisteren .
Op 16-7-1641 krijgt Robert de opdracht van de G.R. om te controleren of
Hendrick Papon, aannemer van het reperaren van de corps de garde, deugdelijk
werk heeft geleverd. Want de G.R. heeft te horen gekregen dat het werk aan de
kruittoren niet naar behoren is uitgevoerd . Op 23-7-1641 schrijft Robert dat
hij het werk van Heijndrix Papon aan de corps de garde en de palissaden van de quickeldam
bij Blauwgaren, heeft gecontroleerd. Alles is volgens bestek, behalve het
fundament omdat er geen stenen genoeg waren .
Naar aanleiding van de melding van licentmeester Van Alphen dat de vijand vijf
grote sloepen naar Zandvliet heeft gestuurd, krijgt commandeur Wassij op
18-7-1641 de opdracht om vanuit Lillo 25 manschappen onder leiding van een
sergeant naar fort Frederik Hendrik te sturen . Hierop vraagt Robert in een
brief van 21-7-1641 er rekening mee te houden dat hij over tien dagen aan de
beurt is om kapitein Severij af te lossen, waardoor er 75 man minder op Lillo zijn.
Verder schrijft Robert dat zijn soldaten een sloep van Zandvliet hebben
gestolen. Hij vraagt een beloning voor deze soldaten. Verder heeft hij geen
nieuws over de vijand . De G.R. besluit op 23-7-1641 dat de soldaten een
beloning krijgen. Wat betreft de aflossing van de soldaten van kapitein
Severijn Hoeijmaecker in Hoogerwerve wordt nog geen beslissing genomen .
Op 29-7-1641 bericht Robert aan de G.R. dat de vijand met ongeveer 40 man in de
buurt is geweest van Zandvliet, maar ze zijn inmiddels weer vertrokken. Verder
heeft hij de gevraagde 25 man naar fort Frederik Hendrik gestuurd, maar omdat
de vaandrig van kapitein Hagewolt weigert manschappen uit zijn compagnie te
sturen, heeft Robert daarom 16 man met een sergeant gezonden, terwijl hij
binnen 12 dagen 50 man naar Hoogerwerve moet sturen voor aflossing. Robert
verzoekt de G.R. ook kapitein Hagewolt het commandement toe te staan en te
zorgen dat Roberts soldaten op tijd terug zijn in Lillo .
Op 27-7-1641 bericht Robert aan de G.R. dat de vijand van plan was om een
aanslag te plegen op fort Liefkenshoek. De G.R. besluit daarop 29-7-1641 dat
prins Frederik Hendrik hiervan op de hoogte zal worden gesteld en verder zal
aan de prins worden gevraagd, gezien het belang van het fort, of er twee goede
compagniën gelegerd kunnen worden . Robert wordt hiervan op de hoogte gebracht
en schrijft op 4-8-1641 opnieuw een brief waarin hij meldt de vijand in de
gaten te zullen houden. De Spanjaarden passeren de brug van Antwerpen naar
Vlaanderen en het land van Waes en Hulst, waar zij in de kerk vergaderen. Er
zijn ook enkele troepen te Zandvliet gearriveerd .
Door het overlijden van commandeur Severijn Hoeijmaecker besluit de G.R. op
11-8-1641 dat de compagnie van kapitein Cats Lillo moet verlaten en dat deze
vervangen wordt door de compagnie van kapitein Buvrij . Robert bericht op
19-8-1641 dat kapitein Hagewolt intrek wil nemen in het logement dat kapitein
Cats achterlaat, omdat hij al zo lang in garnizoen ligt te Lillo. Robert
verbiedt dit, maar kapitein Hagewolt dreigt om het met geweld in te nemen.
Robert vraagt de G.R. om raad, omdat er maar één kapiteinslogement is in Lillo
. Op het bericht van Robert besluit de G.R. op 23-8-1641 dat het logement van
kapitein Cats dient te worden ingeruimd voor kapitein Buvrij, aangezien hij de
oudste van dienst is . Blijkbaar is het hiermee nog niet geregeld, want Robert
schrijft op 26-8-1641 na overleg met heer Cabeliau, dat het wellicht
beter is dat kapitein Buvrij garnizoen gaat houden te Liefkenshoek, naast de
commandeur . Robert krijgt zijn zin, ook al is het maar tijdelijk; op 28-8-1641
stuurt de G.R. een brief waarin staat dat de compagnie van kapitein Buvrij zich
naar Liefkenshoek moet begeven, zonder vrouwen en bagage, omdat de compagnie
van kapitein Essex is vertrokken . Op 29-8-1641 schrijft Robert dat de
compagnie van kapitein Buvrij onmiddelijk vertrokken is. Daarnaast vraagt hij
of zijn volk, dat gelegerd is op fort Frederik Hendrik, afgelost kan worden .
Op 5-9-1641 schrijft Robert een brief vanuit Biezelinge. Het gaat om een
ernstige zaak, namelijk moord. Een soldaat in de compagnie van kapitein
Cromstrijen zou een andere soldaat in een dronken bui vermoord hebben. Philips
Wassij wordt in de getuigenverklaringen genoemd als griffier .
Op 10-9-1641 besluit de G.R. dat commandeur Wassij binnen drie dagen de reden
van de gevangenneming van Michiel Verkouteren moet verklaren, wagenmaker uit
Eekeren moet verklaren . Een dag later, op 11-9-1641 besluit de G.R. dat
Robert, Michiel Verkouteren uit zijn gevangenschap moet ontslaan, tegen het
betalen van de vergoeding voor zijn 'verblijf' en tegen het betalen wat hem
door de G.R. ten laste wordt gelegd .
Op 4-11-1641 heeft Robert wederom een meningsverschil met kapitein Buvrij, nu
over wie de bezetting van Hoogerwerve moet verzorgen. Robert vindt dat kapitein
Buvrij dat moet doen 'ende niet tegenstaende hij den iongsten capitein in
garnizoen is.' De G.R. zal de laatstgenoemde gelasten om aan de bevelen te
gehoorzamen .
Op 12-12-1641 is de beurt aan kapitein Buvrij, om fort Hoogerwerve te bezetten,
voorbij en is nu Robert aan de beurt. Daarom moet Robert 50 man naar fort
Hoogerwerve sturen en om Lillo te versterken zullen er 15 man vauit Kruisschans
naar Lillo worden gestuurd .
Op dezelfde dag besluit de G.R. dat er naar aanleiding van het feit dat er een
aantal personen doorgelaten zijn zonder dat hun paspoort is gecontroleerd,
vanaf nu de commandeurs Wassij en Cats persoonlijk de paspoorten controleren en
aftekenen .
Voor 20-2-1642 overlijdt Robert te Lillo, na een bewogen leven, geheel in het
teken van de oorlog van de Verenigde Nederlanden tegen het machtige Spanje. Hij
wordt begraven in de kerk van Lillo en het grafschrift zou hebben geluid den
20ste february 1642 jonkheer Robert Wassij capitein van een regiment infanterie
van Zeeland en commandeur van Zuid-Beveland, daarna van Lillo . Nog 300
jaar lang zullen zijn nakomelingen Nederland verdedigen en in vele oorlogen
vechten en soms daar het leven bij laten. Het is aannemelijk dat Robert niet de
eerste militair was in zijn familie en wellicht achterhaal ik nog eens wie zijn
voorouders waren.
Op alle genealogische gegevens die
op deze homepage en de vervolgpagina's wordt en zal worden gepubliceerd berust
het eigendom en het copyright bij (c) Jean de Vassy. Zonder
uitdrukkelijke toestemming van de auteur is het niet toegestaan om het geheel
dan wel delen daarvan te kopiëren teneinde deze te publiceren en/of verder te
verspreiden, anders dan voor (particulier) eigen gebruik.
If you have some information about family
"de Vassy" you can mail to: Jean.Sonja
@ hetnet.nl (Remove “spaces” round the @!!