Dat de aarde miljoenen zelfs miljarden jaren oud zou kunnen
zijn is een betrekkelijk recente opvatting, die pas in de overgang van de 18de
naar de 19de eeuw ontstond na de eerste publicatie van de werken van Hutton en
Lyell. Zij introduceerden een principe dat bekend staat als het uniformitarisme,
dat stelt dat de processen in de natuur altijd dezelfde geringe snelheid hebben
gehad als nu, en dat de vorm en eigenschappen van de aarde dus geleidelijk
gedurende eindeloze tijden zijn gevormd. Binnen deze opvatting was geen plaats
voor een recente zesdaagse schepping en een vloed van Noach. De leer van het
uniformitarisme legde eveneens de grondslag voor de evolutietheorie die daarop
volgde. Beide samen werden voldoende geacht om het verhaal van Genesis te
ontkrachten, en de ietwat dubieuze filosofische aantrekkingskracht van deze
opvatting heeft geleid tot de bijna universele acceptatie van de theorie. De
verwerping van Genesis schijnt het hoofddoel te zijn geweest achter de
formulering van de theorie van het uniformitarisme (1). Er zijn recentelijk veel
geleerde en complexe kritieken verschenen tegen het uniformitarisme van de zijde
van creationisten en anderen. Ik zal hier niet herhalen wat zij hebben gezegd.
Alles wat ons in dit onderzoek interesseert is wat onze vroegere voorvaderen
dachten over de leeftijd van de aarde, en hoe oud zij dachten dat de aarde
precies was.
De Angelsaksen en de vroege Britten toonden bijzondere
belangstelling in het vaststellen van een betrouwbare chronologie voor hun
geschiedenis. En hoewel er goede redenenen kunnen zijn om aan enkele data
in hun systeem van berekening te twijfelen, is er niettemin ondubbelzinnig
bewijs dat aantoont dat zij in een jonge aarde geloofden (recente schepping) en
in de vloed. Een versie van de Angelsaksische kroniek bijvoorbeeld,
de Parker Chronicle (2), vertelt ons dat van het begin van de aarde tot
aan het jaar 6 n.Chr. er 5200 jaren waren. De Laud Chronicle (3)
verschilt daar nauwelijks van en zegt dat dezelfde periode voorbijging vanaf de
schepping tot het jaar 11 n.Chr. Hieruit blijkt dat er een eenvoudige
overschrijffout is gemaakt of dat het is overgenomen uit twee verschillende
bronnen. Beide kronieken zijn het er echter over eens, dat vanaf de schepping,
tot het jaar 33 n.Chr., het jaar van de kruisiging, er een periode van 5226 jaar
voorbij was gegaan. Met andere woorden, voor de Angelsaksen was de aarde
geschapen in ongeveer 5200 v.Chr.
Bovendien werd in een verklaring elders in de Angelsaksische
documenten vastgelegd dat:
“Fram Adame … (to the) …flod… (were)
… twa hund wintra & twa thusenda & twa & fiowertig.” (Van
Adam tot de Vloed waren 2242 winters.) (4) (Mijn vertaling)
Het zou interessant zijn om te weten waar de Saksen het getal
2242 voor de jaren voor de vloed vandaan haalden, omdat het niet voorkomt in de
Latijnse Vulgata, die in overeenstemming met de Hebreeuwse tekst het getal 1656
aangeeft voor deze periode. En zij waren niet bekend met de Septuaginta die de
periode van 2256 jaren voor de tijd voor de Vloed aangeeft. Maar het getal komt
precies overeen met dat van de Britten, zoals vermeld door Nennius (5):
“Van het begin van de wereld tot de vloed zijn 2242
jaren.
Van de vloed tot Abraham zijn 942 jaren.
Van Abraham tot Mozes zijn 640 jaren.
Van Mozes tot David zijn 500 jaren.
Van David tot Nebukadnezzar zijn 569 jaren.
Van Adam tot de migratie naar Babylon (de ballingschap
van de Joden) zijn 4879 jaren.
Van de migratie naar Babylon tot Christus zijn 566 jaren.
Van Adam tot het lijden van Christus waren 5228 jaren.
Van het lijden van Christus zijn nu 796 jaren verstreken.
En vanaf zijn vleeswording (geboorte) 831 jaren.”
(Nennius hoofdstukken 1-4; mijn vertaling)
We constateren, dat er enkele punten zijn waarop deze Britse
jaartelling beslist fout is. Bijvoorbeeld: er waren niet 942 jaren tussen de
vloed en Abraham, maar slechts 427 totdat Abraham Kanaän binnentrok (6). En als
we de getallen in de regels 1 – 7 optellen, dan hebben we 5459 jaren tussen
Adam en het lijden van Christus, een fout van 231 jaren! Aannemende dat Nennius
zelf kon rekenen, moeten we concluderen dat hij ons ongecorrigeerd en dus
foutief (dus veel ouder?) materiaal doorgaf. Maar de Britten en de Saksen gaven
ons door dat de schepping plaatsvond ca. 5200 jaar v.Chr.
Anderzijds schijnt de Ierse chronologie de voorkeur te geven
aan een datum voor de schepping van ca. 4000 jaar v.Chr. We moeten toegeven dat
er enkele complexe problemen zijn met de Ierse chronologie. Maar deze hebben te
maken met de periode tussen schepping en de Miletische kolonie in ca 500 v.Chr.
Partholan bijvoorbeeld landde in Ierland, volgens de Ierse chronologie, in de
15de eeuw v.Chr., maar de Britse kroniek dateert hem in de regering van Gurguit
(van wie men zegt dat hij Ierland aan hem gaf) in de 4de eeuw v.Chr. Deze
problemen kunnen echter worden opgelost. Het schijnt dat in dit geval de Britse
chronologie de fout maakt, maar hoe is deze fout van meer dan 1000 jaar
ontstaan? Er zijn verschillende mogelijkheden.
Ten eerste is het mogelijk dat Gurguit werd verward met een
veel eerdere Britse koning. Maar als we bedenken dat Partholan zijn koningschap
ongeveer 380 jaar voor het begin van de Britse koninklijke lijn begon (door
Brutus in ca. 1104 v.Chr.), dan wordt deze mogelijkheid meteen verworpen.
Kon Patholan zijn verward met een veel latere Ierse koning
van gelijke naam, wiens regering gelijk viel met die van Gurguit? Dat is
mogelijk, alhoewel de Ierse annalen zwijgen over zo’n koning. Tenslotte kunnen
we de mogelijkheid beschouwen van een politiek arrangement tussen de Ierse en
Britse koningshuizen gedurende de 4e eeuw v.Chr. (gedurende de regering van
Gurguit), en dat Partholan’s naam, als oorspronkelijke stichter van het Ierse
koningshuis en in wiens naam het huidige koningschap van Ierland werd gehouden,
eenvoudigweg verward werd met die van de koning onder wie de overeenkomst was
gemaakt. Op deze wijze wordt de discrepantie er één van naam en niet van
chronologie.
Maar de geliefde scheppingsdatum van ca. 4000 v.Chr. bij de
Ierse kroniekschrijvers brengt ons in herinnering de meest beroemde van alle
voorgestelde datums voor de schepping. Namelijk die van Ussher, die in zijn 17de
eeuwse werk, Annales Veteris et Novi Testamenti, de datum berekende op
4004 v.Chr. Ussher was zelf natuurlijk een Ier die zonder twijfel doorkneed was
in de tradities van zijn landgenoten. Maar of Ussher nu beïnvloed werd of niet,
we constateren dat een scheppingsdatum tussen 4000 en 5200 v.Chr. de voorkeur
heeft. Dat brengt ons tot de volgende opmerking over het werk van de 16de
eeuwse chronoloog Scaliger.
Joseph Scaliger (1540 – 1609) was een vakkundig geleerde,
die veel nieuws bracht in zijn studie van de klassieke literatuur. Toch was zijn
voornaamste claim tot beroemdheid (als de betrekkelijke obscuriteit die hem werd
toebedacht, beroemdheid kan worden genoemd) gelegen in zijn werk De
Ermendatione Temporum, dat in 1583 werd gepubliceerd en dat de weg opende
naar de moderne chronologische wetenschap. (Dit werd in 1606 gevolgd door zijn
publicatie Thesaurus Temporum, waarin hij Eusebius’ Chronicon
reconstrueerde.)
Scaliger wendde zijn interesse van de klassieke literatuur en
talen naar de chronologie, vooral omdat chronologie een wetenschap was, die in
verval was geraakt in zijn tijd. Hij stuitte op zoveel problemen dat het bijna
onwerkbaar werd. Scaliger zette zich aan het werk om het òf te verbeteren of
helemaal te vervangen. In zijn De Emendatione Temporum erkende Scaliger
terecht, dat de huidige kalender, d.w.z. de Gregoriaanse kalender die in 1582 in
Europa was geïntroduceerd en die hij sterk bekritiseerde, een wat moeizaam
middel was om de chronologie van verleden gebeurtenissen te reconstrueren. De
complexiteit ervan gaf aanleiding tot fouten, terwijl de inherente
onnauwkeurigheden op zich aanleiding gaven tot verdere onnauwkeurigheden. Dus
besloot hij het probleem op te lossen met een vernuftige en eenvoudige
oplossing. In plaats van te zeggen dat een gebeurtenis plaats vond op een zekere
datum in een bepaald jaar v.Chr. of n.Chr. zou voortaan worden gezegd dat het
plaatsvond op een bepaalde genummerde dag. Nu een dagtelling het antwoord was,
kwam er nog een vraag om de hoek kijken. Op welke dag moet deze dagtelling
beginnen? Het antwoord was logisch: het moest beginnen op dag 1 van de
schepping. Maar wanneer was dag 1 van de schepping? Scaliger loste het probleem
deels op door zijn aandacht te geven aan drie basis- eenheden waarop vrijwel
alle werkbare kalenders waren gebaseerd, namelijk de zonnecyclus, de Metonische
cyclus en de Romeinse Indictie.
In eenvoudige terminologie duurt de zonnecyclus 28 jaren, de
Metonische cyclus 19 jaren en de Romeinse Indictie 15 jaren. Scaliger
realiseerde zich, dat er natuurlijk momenten zijn in de tijd waarop de drie
cycli gelijktijdig beginnen en eindigen. Dus noteerde hij nauwkeurig de leeftijd
van elke cyclus op het moment waarop hij de berekeningen begon, en telde hij de
jaren terug tot hij kwam op het jaar dat de drie cycli gelijktijdig begonnen. En
dat was het jaar 4713 v.Chr.
Eenvoudig rekenwerk leerde hem dat de drie cycli elke 7980
jaren samen zouden vallen (dat is het product van 28 x 19 x 15), en gegeven dat
zij in het jaar 4713 v.Chr. tezamen waren begonnen, zou de periode die hij ter
ere van zijn vader Julius de Juliaanse periode noemde, pas eindigen aan het
einde van het jaar 3267 n.Chr.
Dit was een goede en brede basis waarop hij zijn
chronologische systeem kon bouwen en voor het gemak noemde Scaliger de 1ste
januari 4713 v.Chr. Dag 1, waar hij zijn chronologie begon. Maar het feit dat de
drie cycli ( zon, Metonische en Romeinse Indictie) begonnen in het jaar 4713 v.Chr.
houdt een zekere betekenis in voor creationisten, omdat Genesis erg duidelijk is
over deze materie, dat het zonnestelsel en de sterren, behalve dat ze voor licht
op aarde zorgen, ook de tijden en seizoenen, dagen en jaren aangeven. Met andere
woorden: God had een gigantische klok gemaakt, en wat is er natuurlijker dan dat
de Schepper zelf de klok zou starten, om de ouderdom van het heelal te meten en
de gewone dagen en seizoenen op aarde?
Maar voordat we aannemen dat Scaliger onverwacht de
werkelijke datum van de schepping ontdekte, moeten wij onthouden, dat hij zijn
berekeningen baseerde op de waarden van de cycli zoals die waren in het jaar
1582/3. Creationisten zullen zich pijnlijk bewust zijn, dat de waarden van
vandaag niet noodzakelijkerwijze dezelfde zijn als in het verleden. Dit wordt
voortdurend gesteld door creationisten als weerlegging van het uniformitarisme.
Veel schade, verstoring en verminking heeft plaatsgevonden, waardoor deze
waarden ongetwijfeld zijn veranderd in een mate die we alleen maar kunnen
gissen. Op lokale basis (planeet aarde) hebben we de vloed van Noach en andere
geologische rampen gekend die de draaïing van de aarde hebben beïnvloed en dus
de duur van de dagen en de jaren. De maan heeft lokale catastrofes ondergaan
waardoor waarschijnlijk de duur van de maanmaand is veranderd. Ook het heelal is
in het algemeen merkbaar gedegenereerd in de laatste 6000 jaar, eenvoudigweg
door de onverbiddelijke werking van de Tweede Wet van de Thermodynamica.
Er is bovendien veel gedocumenteerd bewijs dat suggereert dat
kalenderberekeningen verschillende veranderingen ondergingen zowel in de jaren
direct na de vloed als in later tijd. Waarom werden deze noodzakelijk? De
storingen in de beweging van aarde, maan en sterren, en dus de kalender,
gebeurden niet geleidelijk over een immense tijdsperiode, zoals de meeste
moderne schrijvers denken. Soms traden ze plotseling in de geschiedenis op,
zodat de kalender de ene dag nog bruikbaar was, maar de volgende niet meer. De
noodzakelijke veranderingen onderzoekend waarvan er aantekeningen zijn, laat
zien dat er plotselinge invoegingen waren om de waargenomen afwijkingen te
corrigeren.
Als de verstoringen in de kalender, in het bijzonder de
maandkalender inderdaad geleidelijk waren, zoals sommigen ons doen geloven,
waarom waren dan de aanpassingen die deze veranderingen vereisten ook niet
geleidelijk aangebracht? Het is niet afdoende om aan te nemen, zoals de meeste
schrijvers in deze doen, dat de vroegere kalendermakers slechte waarnemers waren
die onvoldoende theoretische astronomische kennis bezaten en dus alleen slechte
kalenders konden maken die van tijd tot tijd bijgesteld moesten worden. Als de
mensen vroeger werkelijk een kalender hadden ontwikkeld die niet werkbaar was,
dat hadden zij dit in één of twee jaar na de invoering wel ontdekt en zouden
zij niet eeuwen gewacht hebben om voldoende scherpzinnigheid te ontwikkelen om
te constateren dat de seizoenen sterk varieerden met hun eigen berekende
oogsttijden. Als zij zo stompzinnig waren, is het moeilijk om in te zien hoe zij
dan met enkele grotere uitdagingen van het leven konden omgaan.
Eén van de volken van wie beweerd wordt dat zij geen
wiskundige kennis van enige betekenis bezaten, noch enige kennis van de
astronomie, zijn de Maya’s van Zuid Amerika. De Maya’s kenden een dagtelling
precies zoals Scaliger die had ontworpen, om zekere chronologische en
genealogische problemen op te lossen, die zij waren tegengekomen toen zij hun
eigen vroegere geschiedenis reconstrueerden. Het ontzenuwende aspect vanuit het
gezichtspunt van de modernisten is het feit dat de Maya’s hun dagtelling
zeshonderd jaar perfectioneerden voordat men weet had van Scaliger. Scaliger, zo
wordt ons verteld, was een genie. De Maya’s zo wordt ons verteld, waren dat
niet.
Maar waarom wordt ons verteld dat de Maya’s geen genieën
waren? Waarom vertellen de modernisten ons dat de Maya’s geen theoretische
astronomie kenden en geen systeem van theoretische wiskunde, ondanks de vele
bewijzen van het tegendeel? In Chichen Itza in Mexico staan de ruïnes van een
gigantisch observatorium dat door de Maya’s werd gebouwd, waarvan de paden in
de richting van de zon, de maan en de sterren wijzen. Met dit en in samenhang
met andere observatoria waren de Maya’s in staat om maans- en
zonsverduisteringen te voorspellen met grote precisie. Ook konden zij heel
precies het synodisch jaar van Venus berekenen, zoals dat slechts in moderne
tijden kon worden geëvenaard. (8) Maar misschien zit er methodiek in de
dwaasheid van het modernisme.
Als we de dagtelling van de Maya’s vergelijken met die van
Scaliger, vinden we dat dag 1 van de Maya’s begint op de Juliaanse dag 584283,
(9) wat overeenkomt met 10 augustus 3113 v.Chr. (laten we zeggen op een
donderdag) voor het begin van de Mayaanse dagtelling. De betekenis hiervan is,
dat alhoewel het Mayaanse concept van tijd cyclisch was, zij toch wisten dat de
wereld-catastrofe, die de vorige periode had afgesloten, het gevolg was van
water, en dat hun eigen tijdperk begon met die catastrofe. Met andere woorden,
zij keken terug naar de vloed als de afsluiting van de vorige periode en het
begin van de nieuwe. En daarom is hun dagtelling van enorme betekenis. Scaligers
dagtelling begon in het jaar 4713 v.Chr., en het is meer dan waarschijnlijk dat
dit ruwweg het jaar van de schepping was. De Maya’s begonnen hun
dagtelling niet op de dag van de schepping, maar vanaf de vloed, en zij
plaatsten deze gebeurtenis in het jaar 3113 v.Chr. van hun chronologie (niet in
Scaligers chronologie), en als wij 3113 aftrekken van 4713 komen wij op 1600
jaar voor de tijd tussen schepping en vloed, hetgeen erg dicht bij de 1656 jaar
komt van de exacte berekeningen uit Genesis. Het verbaast ons dan ook niet, dat
deze informatie tegenwoordig wordt uitgesloten door een routinematige ontkenning
van de Mayaanse berekeningen en astronomie. Als ik een modernist was zou ik het
ook van de hand wijzen!
Kortom, we zien door al het hierboven genoemd bewijs, dat
onze voorvaderen in voorchristelijke tijden niet alleen terugkeken naar hun
afkomst van de patriarchen die genoemd worden in de Volkerentafel, maar dat zij
er ook van uit gingen dat de schepping recent plaatsvond en dat de aarde eens
onder een grote vloed had geleden. En zij wisten dit alles zonder de beschikking
te hebben over het boek Genesis of dit ook maar te kennen. Hun annalen bevatten
een formidabele schat aan gegevens.
Maar er is nog een ander onderwerp dat met ons onderzoek te maken heeft, dat
voor onze voorouders evenmin een probleem was om te aanvaarden. Zij beschreven
het voorkomen ervan regelmatig in hun annalen en kronieken, gelukkig onbewust
van het feit dat het heden een controversieel en gevoelig onderwerp is. Dit
wordt in het volgende hoofdstuk behandeld.
Notities
-
Zie Bowden's Rise of the Evolution Fraud.
-
Corpus Christi College Cambridge MS. 173. Voor een Engelse vertaling zie men Garmonsway. blz. 6-7.
-
Bodleian MS. Laud 636. See also Garmonsway. blz. 6-7.
-
MS. Cotton. Vespasian. D. IV. fol. 69v.
-
A principio mundi usque ad diluvium anni II CC XL II.
A diluvio usque ad Abraham anni D CCCC XL II.
Ab Abraham usque ad Moysen anni D C XL.
A Moyse usque ad David anni D.
A David usque .A/abuchodonosor anni sunt D LX ViIiI.
Ab Adam usque trausmigrationem Babyloniae anni sunt 1111 DCCC LXX VHII.
A transmigratione Babyloniae usque ad Christum D LX VI.
Ab Adam vero usque ad passionem Christi anni sunt V CC XX VIII.
A passione autem Christi peracti sunt anni D CC LXXXX VI.
Ab incarnatione autem eius anni sunt D CCC XXX I.
(Nennius 1-4; zie ook Morris. blz. 59)
-
Osgood, John. The Times of Abraham. CEN Tech. J. Vol. 2. 1986. blz. 79.
-
Encyclopaedia Britannica. 1985 ed. Vol. 15. blz. 463.
-
De Maya’s berekenden een 584 dagen cyclus, tegen een moderne waarde van 583.92 dagen. Zie Ronan, C. The Cambridge Illustrated History of the World's Science. Newnes. Cambridge. 1983. blz. 55.
-
Encyclopaedia Britannica. 1985 ed. Vol. 15. blz. 474.